27-12-1999
  HISTORISCHE SPROKKELINGEN  (Stichting De Lansingh)
  Studie verzameling geschiedenis 3B-Hoek en omgeving (C) Henk Berghout. 
       
  Landbouwgeschiedenis Nederland (4500 voor Chr. - heden)
  De landbouwgeschiedenis van ons land begint omstreeks 4500 voor Chr.  met
  de vestiging in het zuiden van de tegenwoordige provincie Limburg van een
  boerenbevolking, die afkomstig was uit de Donaulanden.  Deze  boeren ver-
  bouwden verschillende graansoorten en hielden ook vee. Aangezien  zij  na
  enkele  honderden  jaren ons land weer verlieten en hun aantal en het ge-
  bied waarin zij woonden klein waren, hebben zij waarschijnlijk  geen con-
  tact gehad met andere bewoners van ons  tegenwoordige  grondgebied.  Deze
  inheemse bevolking leefde nog eeuwen daarna als voedselverzamelaar en pas
  sinds de komst van de hunebedbouwers, die ca. 3500 voor Chr. uit het oos-
  ten ons land binnentrokken, werd ons land onafgebroken  door  landbouwers
  bewoond. (B104) (L).
  Kort na 4000 voor Chr. Bandkeramische cultuur op de  lss  in  Nederlands
  Limburg en Belgi. De dragers daarvan kenden landbouw en veeteelt. (B136)
  3000 v. Chr. 4,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  5000 jaar geleden (3000 voor Chr) woonden er boeren op de Hazendonk. Deze
  top van een rivierduin in de huidige Alblasserwaard. Omstreeks 2000  voor
  Chr.  werden zij door de hoge waterstand gedwongen de plek op  te  geven.
  (B158).
  Vanaf 2900  v  Chr.  tot  2250 v Chr. bestond het gebied tussen Den Haag,
  Gouda  en Rotterdam uit wad, kwelderland en rietgorzen met ten dele brede
  kreken. Via de Rijn-Maasmond had het getij vat  op  deze  "biesbos".  Ons
  land was in deze tijd bewoond door vissers en  jagers.  Omstreeks  2400 v
  Chr.  dringen  andere volken het land binnen, die hier het wiel en de ko-
  persmederij  introduceren,  ook bij Vlaardingen en Hekelingen zijn sporen
  van bewoning gevonden. (B150).
  Ca.  2500  voor Chr. raakten Voorschoten, Leidschendam en Vlaardingen be-
  woond, hun cultuur wordt de Vlaardinger cultuur  genoemd.  Ongeveer  vijf
  eeuwen heeft de Vlaardinger cultuur bestaan en rond  ca.  2000  voor Chr.
  verdreven door de zee. (B107).
  De Vlaardinger cultuur is van ca. 2500 v Chr. (B24).
  Voor 2000 voor Chr. Hunebedbouwers in Oost-Nederland, zij kenden landbouw
  en veeteelt. (B136).
  Ca. 2000 v. Chr. Meer zuidelijk was de Rotte een tak  van de IJssel,  die
  langs Nieuwerkerk en  Terbregge  moet hebben gelopen. Dit is te zien op
  luchtfoto's waarop de klei-afzettingen goed uitkomen. Ook de hoogtekaart,
  het huidige verloop van sloten en de opvallende versmalling van de  Rotte
  bij Terbregge zijn hier aanwijzingen voor. Pas in 1164 zou deze IJsselarm
  bij een invasie van zee uit zijn verdwenen. (B150).
  2000 v. Chr. 3,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  1500 v. Chr. 2,50 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  Ca. 1300 voor Chr. Halssnoer van Exloo vervaardigd. (B136).
  Na 1000 voor Chr. Infiltratie van Kelten en Germanen. (B136).
  Ca. 800 voor Chr. Begin van de urnenvelden. (B136).
  750 v. Chr. 1,85 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  Ca. 300 voor Chr. Begin van de terpenbouw in Friesland. (B136).
  Resten  van aardewerk uit de 2e eeuw voor Chr. werden op de begraafplaats
  van de N.H. kerk te Hillegersberg gevonden in 1957. (B102) (K).
  De  berg  te  Hillegersberg heeft geen Romeinse bewoning gehad echter wel
  een pr Romeinse (dit o.b.v.  de  gevonden scherven op de begraafplaats).
  (B102). (K).
  De donk (berg) te Hillegersberg is een pleistocene opduiking voornamelijk
  uit het Boven-Turbantien daterende afzetting van het laagterras. (B101).
  Hillegersberg, Hildegondsberg, Hellegaertsberg of Hidegaertsberg, waarvan
  zeker is dat de heuvel niet door mensenhanden is opgeworpen. (B61).
  In 1892 liet Prof. Reuvens ten westen van de op den heuvel gebouwde  kerk
  boringen verrichten. Op een diepte van 3 1/2 meter trof hij een  hellende
  veenlaag van 3 dm dikte,  waarmede  hij  de natuurlijke samenstelling van
  den heuvel aantoonde. (Hillegersberg) (B160).
  De oudste sporen van mensen in het stroomgbied van de Rotte dateren  van-
  uit de ijzertijd en zijn gevonden in de omgeving van Terbregge.  Ruim 200
  meter oostelijk van de huidige Rotte werd in 1920 bij het  graven van een
  sloot een oude boot opgegraven. Het was een  zogenaamde  stakboot, die in
  een later verlande kreek lag: de bodem  van  de  bedding bestond uit klei
  met wortelstokken van  riet.  Daar  bovenop werden in het veen resten van
  moerasbos  gevonden.  Achter  in de  boot,  die met stenen werktuigen uit
  eikehout is gehakt, is een brandplek te zien.  Hij  heeft  een  massieve,
  overhangende en van boven platte boeg, waarin een gat  zit met een  door-
  snede van ongeveer 5 cm. Daar kan een stok  doorgestoken  worden, waarmee
  de boot kan worden vastgelegd. De stakboot  heeft tenslotte een eigenaar-
  dige vaste versterking bij het achtereind  (wrang) en de uitholling loopt
  naar  achter  staffelsgewijs  op.  Op grond van aardewekvondsten die  ter
  plaatse werden gedaan, heeft men deze boot  oorspronkelijk  gedateerd  op
  de 6e of 7e eeuw. In de  veertiger  werden  iets noordelijker potscherven
  gevonden bij het  maken  van  een graskuil. De randen hiervan zijn gekar-
  teld, doordat  de  makers er met de vingers in drukten. Men veronderstelt
  dat ze uit de  1e  eeuw  dateren.  Ze vertonen zoveel overeenkomst met de
  eerder genoemde vondsten, dat men thans meent dat ook deze en de stakboot
  uit de 1e eeuw afkomstig zijn. (B150).
  Tijdens de transgressiefasen voor de jaartelling overstroomde het stroom-
  gebied van de Gantel, er ontstond een wijdvertakt stelsel van getijdekre-
  ken in het veengebied. Na verloop van tijd raakte de monding van de  Gan-
  tel in de Maas (tussen Monster en 's Gravenzande) in de zee uitmonde ver-
  stopt en verlanden de kreken. Het gebied dat zich uitstrekte van  Monster
  langs Poeldijk en Wateringen naar Delft en Pijnacker werd daardoor bedekt
  met vruchtbare klei en zand, het z.g. Ganteldek.  De nu ontstane zand- en
  kleiruggen waren geschikt voor het bouwen van huizen en werden voor bewo-
  ning opgezocht. Aanvankelijk werd alleen de grond in de direkte  omgeving
  van de oeverwallen vruchtbaar gemaakt. Vanaf de 8e eeuw werd  de  ontgin-
  ning van de wildernis zelf ter hand genomen. (B137).
 
  Romeinse tijd - 12 v Chr. - 450 na Chr.
  58-50  voor  Chr. Julius Caesar verovert Galli. Hij bedwingt ook de Bel-
  gische stammen in het zuiden, o.a. de Menapirs en de Eburonen. (B136).
  Tussen 51 en 12 voor Chr. Vestiging van de Bataven in de Betuwe en van de
  Canninefaten in de duinstreek van Holland. (B136).
  Ongeveer 50 jaar voor Chr. kwamen  de  Romeinen  door  gebiedsuitbreiding
  naar het noorden in contact met de bewoners van wat nu Nederland  is.  De
  stammen die daar woonden hadden met elkaar gemeen dat het Germanen waren.
  (B104) (R).
  12-9 voor Chr. Veldtochten van Drusus in de Nederlanden. (B136).
  12-9 voor Chr. Veldtocht in Germani van Drusus, onderwerping van de  Ba-
  taven, de Friezen en de Chauci. (B143).
  Kort voor het begin van onze jaartelling werden in het Maasmondgebied bij
  Vlaardingen al simpele houten duikers gebruikt;  afwateringsgoten met een
  eenvoudig schuifmechanisme dat met de hand  kon  worden bediend. Dit sys-
  teem moet door de plaatselijke bevolking zijn ontwikkeld. (B158). De hou-
  ten duikers zijn in 199? gevonden bij Vlaardingen.  (Infomap  Archeologie
  Pro Biblio, 1998).
  Het jaar 0: 1,30 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  9 na Chr. De provincie Germani wordt opgeheven, maar de Rijngrens blijft
  gehandhaafd. (B143).
  28-47 na Chr. Opstand van de tribuutplichtige Friezen tegen Olennius, on-
  derdrukt door Corbulo. (B136).
  Turf  als  brandstof  is  al  zeer  oud. Reeds in 47 na Chr. gebruikte de
  Kauchen, de bewoners van de kuststreek  van  het in later tijd verdronken
  land  van  de  Zuiderzee,  "de door de zon maar meer nog door de wind ge-
  droogde aarde als brandstof". H.  Crompvoets schrijft echter in zijn boek
  over veenderijterminilogie: "Al in 77 na Chr. maakt Plinius Maior in zijn
  "Historia Naturalis" melding van het feit dat de Chauken,  een  Germaanse
  stam  aan de Noordzee tussen Eems en Elbe, het slijk mat de handen kneed-
  den om het vervolgens te laten drogen in de wind en de zon, waarna ze het
  gedroogde slijk gebruikten om hun ledematen te verwarmen." (V).
  De Corbulogracht, lengte  23  mijl, van Maas naar Rijn - ruwweg vanaf het
  castellum Matolone (Roomburg bij Leiden) via Naaldwijk naar het  zuidwes-
  ten. (Na ca. 47 na Chr. gebouwd). (B117) (R).
  Voor het Romeinse  publiek  schreef de Romeinse senator Cornelius Tacitus
  een  overzicht over het  gebied  en  de gewoonten van de Germanen. In het
  jaar 98 was het boek klaar dat onder de naam "Germania" bekend  zou  wor-
  den. Tacitus begint met de mededeling dat het landschap  voornamelijk be-
  staat uit 'ofwel  borstelige  wouden ofwel stinkende moerassen'. Hij ver-
  meld dat onze voorouders roodachtig haar hadden. Maar deze rode kleur was
  niet natuurlijk; men gebruikte Bataafs schuim, een soort haarverf. (B104)
  (R) (V).
  98-117 Regering van Keizer Trajanus, die Nijmegen waarschijnlijk  tot  de
  rang van municipium heeft verheven. (B136).
  Na 250 De Rijngrens  in de Nederlanden wordt opgegeven in verband met wa-
  teroverlast. (B136).
  250 n. Chr. 0,90 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  Ca. 300. Herstel van de Rijngrens. (B136).
  Eind 3e eeuw bestond het gebied dat later Delfland werd  uit  een  slecht
  toegankelijke waterrijke wildernis, alleen de strandwallen waren voor be-
  woning geschikt. (B137).
  Ca. 400. Grote invasie van Germanen in Galli. (B236).
  Hoofdstuk VII, blz. 80: "De Historie" (1950). De Bataven zijn te beschou-
  wen  als  een  grensvolksstam  uit de groep der Chatten; zij werden waar-
  schijnlijk door de Romeinen verplaatst naar de Betuwe; waarom?  Of indien
  zij uit vrije verkiezing uit het Hessenland wegtrokken, waarom gingen  ze
  juist  naar  de  Betuwe? Drusus had in de Rijnstreek voedsel nodig en dit
  kon hij alleen bereiken door graanbouw en door  voorziening  van  vee  en
  veeproducten. Hij moest de Betuwe daarom voor de landbouw vrij maken  van
  waterovervloed, wat gelukt moet zijn. (B122) (R) (L).
  Dat de Brittenburg een Romeins fort geweest zou zijn, heeft Holwerda  be-
  streden en ons inziens terecht. (B122) (R).
  Het is voorts bekend dat tal van plaatsen die in de Romeinse tijd bewoond
  waren - het Westland, belangrijke delen van Zeeland en  zuiderlijk  Zuid-
  Holland en het gebied van de grote rivieren - omstreeks de  IV de eeuw na
  Chr. ontvolkt raakte. De oorzaak daarvan blijkt te liggen  in  een trans-
  gressie, die de oude bewoningsplaatsen voor een aanzienlijk deel met  een
  kleipakket afdekt. (B65) (R).
  
  300-400
  
  Oorzaken van de volksverhuizingen. Waarom hebben de  Germanen  zich  ver-
  plaatst? Woelingen in China die zich in de  4e  eeuw voordeden hadden tot
  gevolg  dat  Mongoolse  nomaden,  de  Hiang-Nou of Hunnen naar het westen
  moesten wijken. Omtrent 370 verschenen ze ten oosten van de Zwarte Zee en
  dreven op hun beurt de Goten vooruit. (De Goten dreven de Germanen  voor-
  uit) en de Germanen begonnen  het  Romeinse  rijk  binnen  te vallen. Het
  meest tastbare van de volksverhuizingen is het ontstaan geweest van  Ger-
  maanse koninkrijken op grondgebied van het Romeinse rijk. (B111) (R).
  In de transgressieperiode (stijging zeewaterniveau) die van ca.  300  tot
  800 na Chr. duurde en waarin de zee eveneens oude  geulen  benutte om het
  land binnen te dringen en de oevers te overstromen. In dit tijdvak werden
  in grote gebieden sedimenten van klei afgezet. (B31).
  Er  is  zelfs  een goede reden om aan te nemen, dat het gehele veengebied
  onbewoonbaar is geworden  na  ca.  300 na Chr. Wij vinden namelijk in het
  onderzochte terrein een deklaag van uitgesproken veenklei, van een gebied
  vanaf de Oude Rijn naar het noorden uitwiggend tegen bosvenen. (B122) (V)
  Omstreeks het jaar 350 verlegde Sint  Servatius,  bisschop  van  Tongeren
  (Belgi) zijn zetel naar Maastricht, waarmee het zuiden  zijn eerste bis-
  schop kreeg. (B105) (K).
  Een legende zegt dat Sint Servatius bisschop van  Tongeren  uit  Tongeren
  weggejaagd  werd en  omstreeks  het  jaar 370 naar Maastricht vluchtte en
  daar zijn zetel vestigde. (B105) (K).
  
  400-500
  De Merovingse koningen (Merovech overl. in 456 t/m Chlodovech  II t/m 657
  kenden voornamelijk twee belastingen: hoofdgeld (voor hen die geen grond-
  belasting betaalden) en grondbelasting (de gebruiker van de grond betaal-
  de). (B121)
  481. Childerik, koning der Salische Franken sterft te Doornik. (B136).
  Middeleeuwen ca. 450 na Chr. - 1500 na Chr.
  De bewoning in het  westen  van  ons  land  was in de vroege middeleeuwen
  vrijwel geheel bepaald door de bodemgesteldheid. Bewoning treffen we  aan
  op de zand- en geestgronden, de rivierklei en op enkele  eilandjes in het
  veen liggende oude klei. Deze laatste  bewoning,  op  kleieilandjes, kwam
  voor in het gebied ten zuiden van  Zoetermeer in Pijnacker en Berkel. (de
  Kleihoogt). (B127) (V).
  Een  merkwaardige  middeleeuwse  ziekte  was  de  Sint-Vitus-dans (chorea
  maier),  lijders aan deze ziekte werden gegrepen door danswoede. Zij tol-
  den rond in adamskostuum, opgetuigd met bloemen tot ze erbij  neervielen.
  (B104).
  In de middeleeuwen was het vrouwenoverschot blijvend groot. (B93).
  In de middeleeuwen dienden meisjes zich op hun 8e jaar te verloven  zodat
  ze op 13 jarige leeftijd konden worden uitgehuwlijkt. (B93).
  In de middeleeuwen waren er ontelbare buitenechtelijke kinderen. (B93).
  De heraldiek was een schepping van de ridderlijke middeleeuwen.  De  rid-
  derlijke wereld was ontstaan doordat in de  middeleeuwen,  onder  invloed
  van het leenstelsel een geheel nieuwe stand geboren was. Door  het  geven
  van lenen aan zogenaamde ministrialen kwamen deze vrijwel op n lijn  te
  staan met de oude, vrije adel.
  Ridders waren zwaargewapende en geharnaste ruiters, die de kracht van het
  middeleeuwse leger  vormden.  Dienaren  van  lager geboorte, die zich als
  krijgslieden onderscheidden,  konden ook in die groep worden opgenomen en
  kregen daardoor  voet  in  de adelstand. De Amstels, Egmonds, Wassenaars,
  enz. zijn als  verdienstelijke "ministerialen" (d.i. dienaren) omhoog ge-
  komen. (B144).
  20 nakomelingen in n verbintenis (gedurende de middeleeuwen) waren geen
  zeldzaamheid, hoewel de meeste baby's vrij spoedig na hun geboorte stier-
  ven. (B93).
  In de middeleeuwen vond men veel concubines bij zowel hoog als  laag;  de
  kinderen verwekt bij de concubine - de z.g. bastaarden - werden binnen de
  familie als normale kinderen aanvaard. (B93).
  In de middeleeuwen bestond voor een groot deel van  het  gewone  volk  de
  huwlijksdwang, lijfeigenen werden verplicht te trouwen voor  een bepaalde
  leeftijd, zodat  ze  ruime aantallen nieuwe lijfeigenen konden voortbren-
  gen. (B93).
  Middeleeuwse  reizigers  legden  ca. 5 km per uur af zowel te voet als op
  een door een paard voortgetrokken wagen, per  dag dus hoogstens 30 tot 50
  km. (B93).
  De Tempel, verwijst naar het latijnse templa; een balk (schoor) die dient
  om  een  sluisdeur  open  te houden, zodat het water door kan stromen. De
  naam werd in de middeleeuwen ook gegeven aan een plaats waar water in- en
  uitgelaten werd. (B99).
  In de middeleeuwen was de muntslag n van de rechten van de vorst.  Voor
  de Nederlanden waren dat in de late middeleeuwen de  Duitse  Keizer en de
  Koning van Frankrijk. (B142).
  
  600-700
  In de 7de eeuw werd het Maasmondgebied opnieuw vrij dicht bewoond. De ar-
  cheologen beschouwen het als een kerngewest. Met deze naam worden streken
  aangeduid  met een zekere oudheidkundig aantoonbare bewonersconcentratie.
  (B158).
  De verhoging of terp waarop de kerk (in Berkel) staat, moet rond 600 zijn
  opgeworpen als vluchtgebied voor de toenmalige bewoners in verband met de
  hoge waterstanden. (B07). (lokatie is de plaats waar nu (1998)  de  N.H.-
  kerk staat). (K).
  600-700.  Frankische  missionarissen  in  de zuidelijke Nederlanden, o.a.
  Eligius  en Amandus. (B136) (K).
  629-639. Dagobert weer koning van het gehele Frankische rijk. Hij  sticht
  een kerkje te Utrecht, dat onderhorig wordt aan  het  aardsbisdom Keulen.
  (B136) (K).
  Kerkgeschiedenis (630 - ca. 1000)
  Onder  koning  Dagobert  I  hebben  de eerste botsingen tussen Franken en
  Friezen plaats. Koning Dagobert verslaat de Friezen in 630 en laat in dat
  jaar  het  eerste  Christenkerkje in onze noordelijke Nederlanden bouwen.
  Het is de Sint Thomaskapel. Vijftig  jaar  later  (ca 680) ontstaat er in
  het Frankische rijk een  geweldige  strijd om de opvolging. Daarvan maakt
  de Friese hertog Radboud  gebruik;  hij  verovert het aan koning Dagobert
  verloren gebied, dringt ook Utrecht  binnen  en  vernielt  daar de eerste
  Christenkapel. In 690 landt  Willebrord  met zijn gezellen aan onze kust,
  zij varen de Rijn op en bij Utrecht aangekomen wacht hen een  bittere te-
  leurstelling!  Radboud regeert, alle sporen van Cristendom zijn verdwenen
  en geen vrijheid  om te preken. Hij werkt hoofdzakelijk in het zuiden van
  ons land. In 695 wordt Willebrord door paus Sergius tot aardsbisschop der
  Friezen gewijd. Radboud was inmiddels verslagen zodat  Willebrordus  zich
  nu onbevreesd naar Utrecht kon begeven.  Er  wordt  een  kerk gebouwd, de
  Sint Salvatorkerk en naast de kerk een klooster. Later bouwde hij ook nog
  de  Sint  Martinuskapel, de hofkapel die later uitgroeide tot de machtige
  Domkerk. Eveneens bouwde hij bij Heilo het eerste christenkerkje in West-
  Friesland. Als omstreeks 719 Radboud sterft staat niets de prediking  van
  het evangelie meer in de weg. Willebrord stierf uiteindelijk  in  739  te
  Echternach.  Onder  de  priesters  die  enkele jaren na Willebrord vanuit
  Engeland naar ons land kwamen en onder de Friezen het evangelie predikten
  hoorde  ook  de  Heilige  Adalbert;  hij bouwde het kerkje waar nu Egmond
  ligt. Het kerkje werd tijdens Adalberts  afwezigheid  door  Radboud  ver-
  woest.  Na  de  nederlaag van Radboud wordt het kerkje weer opgebouwd. In
  740 stierf St.  Adalbert.  Een  derde  prediker  (uit Frankrijk)  was  de
  H. Wulfraam die predikte in Medemblik onder de Friezen,  hier  stond  ook
  het paleis van koning Radboud. Een vierde prediker onder de  Friezen  was
  de H. Bonefatius (uit Duitsland), hij werd ca. 755 vermoord op de  plaats
  waar nu Dokkum ligt. De  Noormannen verwoesten het door Adalbert gebouwde
  kerkje  in  Egmond  en  na  de herbouw verwoesten zij het kerkje opnieuw.
  Graaf  Dirk  I  liet  op  een  kwartier afstand van het kerkje een houten
  klooster bouwen in het dorp Hallem, het tegenwoordige Egmond-binnen. Dirk
  II bouwde de St. Adalbertabdij in steen als vervanging  voor  het  houten
  klooster. Deze abdij werd in de loop der eeuwen begunstigd/overladen  met
  geschenken. (B105) (K) (N).
  Kerkgeschiedenis
  Als kerken uit  de Sint-Willibrords tijd worden uit schriftelijke overle-
  veringen vermeld:  Marsum  (Vlaardingen?),  Vlaardingen, Oegstgeest en de
  kapellen: Hargen (Ketel) bij Schoorl, Overschie, Rijnsburg, Warmond, Lei-
  muiden  en  kort  erop  worden  andere  genoemd waarvan sommige zeker tot
  Willibrordus zullen teruggaan: Ouderkerk, Lekkerkerk, Krimpen in de Krim-
  penerwaard,  Monster,  Valkenburg  bij  Leiden. De gebouwen waren van van
  hoogst eenvoudige constructie. Het  rechthoekige  gebouw,  soms  met  een
  versmald en rechtgesloten koor verlengd, was zeer klein. 5, 6, 7 of 8 me-
  ter breed en 10, 11, 12, 16 meter lang. Met de uitbouw  van het koor werd
  de lengte dan 5 tot 6 meter langer. De meeste van deze kerkjes waren  van
  hout,  staande op stenen fundamenten, vaak van veldkeien gevormd. Het was
  niet al te kostbaar om de kleine  houten  kerken  en  kapellen te bouwen,
  daartoe waren rijkere grondbezitters allicht toe in staat. Zij hebben dan
  ook gewoonlijk zulke kerken gebouwd: voor hun eigen gebruik, voornamelijk
  voor hun horigen en omwonende vrijen. (B125). (K).
  Hoornaar, N.H. kerk gebouwd in 642, door de Noormannen verwoest en in 694
  herbouwd.  (Vroege  missie  van  de  Noormannen?,  gewoonlijk invallen in
  Nederland tussen 800 en 1000). (B113). (K) (N).
  687. Slag bij Tetry. Pippijn II hofmeier van het gehele rijk. (B136).
  689. De Friese koning Radbod verslagen bij Dorestad. (B136).
  689. Dorestad muntrecht van Pippijn ontvangen. (B144).
  690-739. Prediking van Willebrord in de Nederlanden. (B136) (K).
  695 Willebrord aangesteld tot aartsbisschop der Friezen. (B136) (K).
  Naast de kerken te Vlaardingen en Velzen die  hem geschonken zijn, sticht
  Willebrord nog kerkjes in Oegstgeest, Velzen, Petten en Heilo. De kerk en
  een stuk moeras kreeg Willebrord van de geestelijke Heribald. (ca. 695?).
  (B117). (K).
  Tijdens  Willebrords  verblijf  in Rome stak er een noordwester storm op,
  waardoor alle  bomen 'van dat wilde wout sonder ghenaden'  in  het  Oost-
  frankische Rijk 'dat nu Hollant heet'  werden  geveld.  Deze  gebeurtenis
  staat ook bekend als 'de grote boomstorting'.  Of het in 700, 840, 860 of
  1170 gebeurde (de grote boomstorting) blijft de vraag. (B22). (K).
  
  700-800
  Oudste scholen
  Bij de oudste en voornaamste kerken moeten de oudste scholen gezocht wor-
  den. Globaal in 8e eeuw. Dit waren scholen  voor  geestelijken/aankomende
  geestelijken. Omstreeks 1200 waren er parochiescholen in Hallum en  Farm-
  sum. Op dorpen heten oude gebouwtjes waarin vroeger school werd  gehouden
  soms nog kosterij. (Koster en  schoolmeester  waren  synoniem  geworden).
  (B125). (K).
  St. Maartensrecht was mogelijk reeds in de 8e eeuw aan de Dom van Utrecht
  geschonken. (B39). (K).
  In de 8e  eeuw, in de Frankische tijd zijn er vermoedelijk al dijkjes ge-
  weest in het rivierengebied van Nederland. (B27).
  Vlaardingen  is  een  zeer  oude plaats, vermoedelijk stichtte Willibrord
  hier kort na 700 een kerk. (B01). (K).
  Ca. 700. Dood van Lambertus, bisschop van Maastricht te Luik. (B136) (K).
  Pippijn of Pepijn van Herstal, overleden 714. (B144).
  714-719. Verwarring na de dood van Pippijn II.  Veroveringen  van Radbod.
  (B136).
  714-741 Karel Martel, een buitenechelijke zoon van Pippijn  II,  verovert
  de positie van majordomus en na strijd met Neustri en Aquitani hersteld
  hij het rijk. (B143).
  Na de dood van zijn vader in 714  maakte  Karel  Martel (d.i. hamer) zich
  van het gezag meester. (B144).
  In de tijd van Karel Martel (in 717 bij de dood  van  zijn  vader 25 jaar
  oud) werden op grote schaal aanvallen gedaan op  de  bezittingen  (lande-
  rijen) van de kerk, deze werden door hem geconfisqueerd  en  gegeven  aan
  machtige vazallen. De kerk werd daarmee van haar  inkomsten beroofd zodat
  haar taken van armenzorg, ziekenverpleging en eredienst  gevaar  begonnen
  te lopen.  Pippijn de Korte (koning der Franken 754-768) zag in dat daar-
  mee indirect de staat werd ondermijnd.  Teruggeven van de bezittingen aan
  de kerk was ondenkbaar, het volgende  werd  bedacht:  de  geconfisqueerde
  kerkelijke bezittingen werden door de vazallen aan de koning teruggegeven
  en  onmiddelijk daarna weer door hem aan hen teruggeleend, waarbij de va-
  zal een  tiende van de opbrengst moest afstaan aan de oorspronkelijke ei-
  genaar. Hiermee waren  de  kerkelijke  tienden  geboren, maar had ook het
  leenstelsel zijn intrede gedaan. (B121) (K).
  Karel Martel 717, 741 (invoering leenstelsel).  De  koning  trad  op  als
  leenheer, de leenmannen moesten verplicht mede ten strijde trekken met de
  hoorigen.
  Om de Moren af te wijzen moet Karel Martel een maatregel  hebben  genomen
  die  verstrekkende gevolgen had. Voor de strijd was ruiterij nodig,  maar
  het geld om ze te bekostigen was schaars. Hij onderving dit door  de rui-
  ters land in vruchtgebruik te geven, welk land hij voor  een  deel ontnam
  van de kerk, die door schenkingen der gelovigen een uitgestrekt  grondbe-
  zit had verworven. Asl vergoeding kreeg de kerk  het  recht  om  op zulke
  gronden  tienden  te  heffen. Karel Martel versloeg de opdringerige Islam
  bij Poitiers in 732. (B144) (K).
  734. De Friezen verslagen bij Boorne. (B136).
  Na Karel Martels dood in 741 ging de macht over op zijn zoon Pippijn, ge-
  naamde de Jonge. (B144)
  741-751. Pippijn III hofmeier. (B136).
  In 751 liet Pippijn de Jonge de laatste onbeduidende naamkoning met goed-
  keuring van de aanzienlijken, in  een  klooster plaatsen en liet zich als
  soeverein erkennen. De kerk bevestigde dit  doordat  Bonifatius, op gezag
  van de paus hem zalfde met gewijde olie. De paus  herhaalde dit later nog
  eens, waarbij hij hen, die iemand tot  koning  zouden verkiezen, die niet
  tot  Pippijns  stamhuis  behoorde,  met uitstoting uit de kerk bedreigde.
  Deze welwillendheid van de paus sproot voort uit de hulp, die Pippijn  de
  paus aanbod tegen de Longobarden, die  het  de  paus  lastig  maakten. De
  Longbarden werden verslagen en de paus  ontving het gebied om Rome, waar-
  door deze wereldlijk heerser werd in een zelfstandig gebied. (B144) (K).
  751-768. Pippijn III koning. (B136) (B143).
  Toen Pippijn in 768 stierf liet hij twee zoons na, doch reeds in 771 werd
  de  jongste, Karel, door de dood van zijn broer de onbetwiste alleenheer-
  ser. (B144).
  Karel de Groote  (in 800 Keizer),  regeerde  van  768 - 814.  Hij  stelde
  rijkswetten  vast,  de  capitularia. Het rijk was verdeeld in gouwen. Aan
  het hoofd kwamen ambtenaren te staan, de gouwgraven. Zij zorgden voor: 1)
  de rechtspraak  in de gouw, 2) het innen van de belastingen en 3) het op-
  roepen  van  de heerban de lichting uit de gouw. Het bestuur van de gouw-
  graven werd gecontroleerd  door  keizerlijke  inspecteurs, de zendgraven,
  zij brachten verlag uit  aan  de  keizer.  De  gouwen  in  Holland waren:
  Maselant = Maasland, Rinlant = Rijnland  en  Kinhen =  Kennemerland.  Om-
  streeks 800 is in Noord-Nederland de kerkelijke  indeling  ingevoerd  die
  tot  1559 van kracht is gebleven.  Keulen  werd  daarbij  aartsbisdom  en
  Utrecht werd daaraan onderhoorig als suffragaan  bisdom,  dat  zich  uit-
  strekte over bijna heel ons land ten noorden van de Maas. (K).
  Karel de Grote regeerde van 768-814. Hij regeerde met hulp  van  het  hof
  (comitatus). Naast de oude Merovingsche hofbeambten komen  de  paltsgraaf
  voor de rechtsbedeling en de kanselier (ontwikkelde  clericus) als  hoofd
  van de kanselarij; de kanselier is tevens kapelaan voor geestelijke  aan-
  legenheden. Meervoudige bekleding van alle ambten. De controle op de gra-
  ven en op het gehele bestuur (ook van de bisschoppen ) wordt  uitgeoefend
  door de koningsboden (missi dominici). Voor de militaire bescherming  van
  de rijksgrenzen worden marken gevormd onder markgraven  met speciale vol-
  machten. Uitbreiding van het aantal graafschappen. Naast de graven  staan
  de immuniteitsheren. (B143) (K).
  Karel de Grote 768-814 ondernam 52 veldtochten en  vergrootte  zijn  rijk
  tot over de Alpen en Pyreneen. (B144).
  Eind  8e  eeuw  kwam  Karel  de  Grote  aan  de  macht. Toen brak de z.g.
  Karolingsche tijd aan. Mensen vestigden zich bij Vlaardingen  en Delft en
  op de oude strandwallen, rond de mond van grote rivieren en op de Rijnoe-
  vers. Willebrord schonk een stuk moeras aan het volk.  Later werd daar de
  "Hof van Vlaardingen" gebouwd,  naast  enkele  boerderijen en een kerkje.
  (B164)
  777-866 Lijst van de goederen en hoorigen der St. Maartenskerk te Trecht:
  Rufinghem =  Ruiven onder Pijnacker en Legihem =  de  polder  Leyens  bij
  Zoetermeer. Oorkonde no. 49. (B78). (K).
  Lijst van goederen en horigen der St. Maartenskerk te Utrecht  (777-866).
  Rufinghem (of dit Ruiven onder Pijnacker is valt te betwijfelen omdat  in
  de middeleeuwen Ruiven onder Pijnanacker Ruvene of Ruveen heette en  nie-
  mand zal toch willen beweren dat deze  laatst  naam  etymologisch  zonder
  enige moeite te verklaren en  volkomen in overeenstemming met de gesteld-
  heid van de  bodem  daar  ter  plaatse een verbastering van Rufinghem kan
  zijn. (B152) (K).
  785. Onderwerping van de Saksische hertog Widukind aan  Karel  de  Grote.
  Daarmee zijn alle Nederlandse gebieden onder diens gezag. (B136).
  Ca. 790. In deze tijd was de Penning 1,71 gr zilver en de 1/2 Penning  of
  Obol  de  helft van dat gewicht in zilver, een Schelling was 12 Penningen
  en een Pond 240 penningen. (B24).
  Al spoedig onderwierp Karel de Grote de Friezen, wier laatste verzet ein-
  digde in 790. (B144).
  In 794 voerde Karel de Grote  de  zilveren  Karolingse penning in in zijn
  gehele rijk. (B142). De zilveren denarius of penning van Karel  de  Grote
  werd o.a. te Dorestad (Wijk bij Duurstede) geslagen na 793. (B142).
  Vondsten: Monster laat 8e eeuw of vroeg 9e eeuw "beslag" (B135).
  Vondsten: Wateringen  tusen  de  8e  en  de  10e eeuw "munt en aardewerk"
  (B135)
  Vondsten: Naaldwijk 8e eeuw en later "grafveld, aardewerk en bewonersspo-
  ren. (B135).
  
  800-900
  Na  de  8e  eeuw  heeft het leenstelsel (feodum)  zich  als  een olievlek
  over geheel West-Europa verbreid. Daarvoor was eigen bezit meer gebruike-
  lijk. (B121).
  25 december 800, Keizerkroning van Karel de Grote. (B143)
  Aantal inwoners Nederland in de 9e eeuw ca. 500.000 (B15).
  800-1000. Invallen Noormannen in de Nederlanden. (B143).
  Ca. 800. Liduger, een Fries van afkomst, predikt in de  Groninger gouwen.
  Later wordt hij bisschop van Munster. (B136) (K).
  Op  de  hoge kleiruggen in Pijnacker hebben zich de eerste bewoners waar-
  schijnlijk tussen het jaar 800 en 1000 gevestigd. (B109).
  In Vlaanderen (uit de tijd der Karolingers ca. 800) is de gouw Rodanensis
  (Aardenburg)  bekend,  meer  noordelijk Marsum (later Masalant) (Maasmon-
  ding),  circa  oras  Rheni (Rijnland), Niftarlake (rond Utrecht), Theanti
  (Drenthe). (B114).
  810. Begin van de Noormannentochten naar de Nederlanden. (B136).
  Onder de streken die in het bezit waren van de Noormannen, aktief  tussen
  810 en 1007 vielen ook het latere Delfland, Schieland en Maasland. (N).
  28 januari 814. Karel de Grote sterft in Aken en wordt bijgezet  in  Mun-
  ster. (B143).
  814-840. Lodewijk de Vrome. (B136).
  834-837. Plundering van Dorrestad. (B136).
  Giselbrecht  (840-841)  wordt  vermeld  als graaf in het Maasgebied, mis-
  schien Masau. (B114).
  841. Harold en Rorik krijgen lenen in de Nederlanden. (B136).
  843. Verdelingsverdrag van Verdun. De Nederlanden bij het Middenrijk, be-
  halve het gebied ten westen van de Schelde. (B136).
  855. De Nederlanden een deel van Lotharingen, het gebied van Lotharius II
  (B136).
  866. In Hollum op Ameland klooster bebouwd. (abdij Bethani). (B118) (K)
  869. Lotharius II sterft zonder wettige nakomelingen. (B136).
  870. Verdrag van Meersen. De Nederlanden  verdeeld  tussen Oost- en West-
  Franci. (B136).
  879-883. Grote Noormanneninval. (B136).
  880. Verdrag van Ribmont. Lotharingen geheel bij Oost-Franci. (B136).
  882-885. Heerschappij van Godfried de Zeekoning, die vermoord wordt  door
  Gerulf en andere graven. (B136).
  888-893. Arnulf (van Gent) graaf van Holland. (B136).
  889. Arnulf van Oost-Franci schenkt Gerulf enkele goederen  gelegen bin-
  nen zijn graafschap in het westelijk kustgebied. (B136).
  895-900. Zwenibold, koning van Lotharingen. (B136).
  De stichting  van  de kapel te Schie is op kerkgeschiedkundige gronden te
  stellen op het einde van de 9e eeuw. (J.A.A. Rogier). (B69). (K).
  900-1000
  De plaatsnaam Sassenheim zou te vertalen zijn als "huis  der  Saksen". In
  de  10e  eeuw  zou  het zijn ontstaan, doordat een groep Saksen zich hier
  verzamelde voor de oversteek naar Engeland. (B165).
  Waarschijnlijk reeds in de 10e eeuw was in Friesland de ontdekking gedaan
  dat  de  laagveenmoerassen,  die in hun natuurlijke toestand slechts door
  enkele jagers en vogelaars bezocht werden, tot uitstekende weiden gemaakt
  konden worden door  op  korte  afstand  evenwijdige sloten te graven, die
  haaks uitmonden op een natuurlijke waterloop of gegraven wetering. (B136)
  Vroegst bekende vermelding van Overschie (Schie) en Hillegerberg (Bergan)
  900. (B05, blz 13). Van de gebieden van Schie  uit,  waar  de  ontginning
  reeds in de eerste helft van de 10e eeuw was  tot  stand  gekomen.  (B13)
  (O).
  In  de  eerste helft van de 10e eeuw begon vanuit Schie de ontginning van
  het woeste veen langs De Leede en de Stricleede. (B99) (O) (V).
  Overschie  is een wegdorp, in de 10e eeuw ontstaan aan de buitenzijde van
  een  bocht  in  de Schie. Zie ook bij het jaar 900. (Schie - Ouwerschie -
  Overschie - Oude Scye - Scye). (B01).
  In de 10e eeuw lag volgens de laatste onderzoekingen Overschie geheel om-
  ringd door veenpoelen en plassen, terwijl in  het  zuiden  de  Maas  toen
  Merwede geheten voorbij stroomde. (B69) (V).
  In Kennemerland in West-Friesland hebben de bewoners  tussen 900  en  950
  een systeem van dijken aangelegd. (B118).
  911.  Karolingen in Duitsland uitgestorven. De Lotharingse hoge heren er-
  kennen nu grotendeels de West-Frankische koning. (B136).
  Aan de hand van een geheimschrift van  Pieter  Luijtensz., eerst klerk en
  later gemeentesecretaris van Berkel en Rodenrijs (tweede helft 16e en be-
  gin 17e eeuw) kon met moeite worden ontcijferd en aan  de  feiten  worden
  getoetst  dat  Berkel  en  Rodenrijs  tussen  911  en 991 als zelfstandig
  ambacht  is  ontstaan.  Overschie, eertijds Ouwerschie en nog vroeger met
  Oude Scye aangeduid, is de benaming voor wat in de vroegste tijden Roden-
  rijs moet  zijn  geweest.  "Rodenrijs" was een algemene benaming voor een
  streek die in cultuur gebracht moest worden. Rodenrijs was een wandelende
  gemeenschap  d.w.z.  dat het zich in de loop der eeuwen steeds heeft ver-
  plaatst. Er zijn meerdere gebieden geweest met de naam Rodenrijs. (B07).
  In het Zuidelijk  gedeelte  moest  meer  rijs  of ris uitgeroeid, gerooid
  worden;  vandaar  de  naam  Rodenrijs.  In  het  Noordelijk gedeelte meer
  berkenhout; vandaar de naam Berkel,  mogelijk afkomstig van berkelo, d.i.
  berkenbos. (B13). Rodenrijs = ontwatering, droogmaking, een rode of roede
  was  een stuk veen- en/of bosgrond dat van het opgaand houtgewas was ont-
  daan, terwijl het werkwoord risen  of  rijzen nu nog wordt gebruikt in de
  papierfabrikage voor het proced om  papier  te ontvochten, het watervrij
  maken van papier. Alle woorden en namen met  rijs duiden op droogmakings-
  werkzaamheden o.a. Rijsoord, Rijswijk,  Rijsdijk,  Rijskade en Rodenrijs.
  Rode vindt men ook in Bredenrode, Berkenrode, Nijenrode enz. (B07).
  De uitgang lo betekent hoge bosstreek. We vinden die mogelijk  in  Berkel
  dat uit Berkelo  gevormd  kan  zijn. De veronderstelling is gewettigd dat
  Berkel inderdaad hoog gelegen was. (Lo betekent soms ook plas, stilstaand
  water of moeras). Mij dunkt, dat verspreid hoger gelegen gebieden  in  de
  wildernis voorkwamen.  Naast de naam van Berkel kan die van Hogeveen (bij
  Nootdorp) hierop wijzen. (B34).
  Toen  een gedeelte van rijksweg 13 bij Overschie werd aangelegd is men op
  de  fundamenten  van dat kasteel gestuit. (Hofstad of kasteel Rodenrijs).
  (B13) (V).
  918-965. Arnulf de Grote van Vlaanderen. (B136).
  918-975. Balderik, bisschop van Utrecht. (B136).
  Opkomst van het graafschap Holland. Omstreeks 920 zijn er vier machten in
  de lage landen die hun stempel het sterkst op de ontwikkeling drukken: 1)
  Het bisdom Utrecht waar de jeugdige bisschop  Balderik zijn entree doet.;
  2) Kennemerland! Deze machtskern komt tot ontplooing in een  uithoek  van
  het hertogdom Lotharingen.; 3) "Graaf  in  Friesland",  zo luidt de titel
  van graaf Gerulf, die vrijwel  onbereikbaar achter het moerassenland zijn
  gang kon gaan. De uitgestrekte bossen in zijn graafschap, hout- of  holt-
  land, zullen anderhalve eeuw  later  de  naam  Holland opleveren.; 4) Het
  graafschap Vlaanderen onder Boudewijn II. (B108). (K).
  922. Karel de Eenvoudige van West-Franci schenkt Dirk I van  Holland wat
  land in zijn graafschap. (B136).
  922.  Dirk I, prefect van de kuststreek, zoon van Gerulf ontmoet de West-
  frankische  koning  Karel de Eenvoudige (tevens heerser over Lotharingen)
  in Bladel en krijgt daar "De kerk van Egmond en al het land, dat er rech-
  tens toebehoort met de hoeven en het dienstvolk enz. enz." van deze  oor-
  konde bestaat alleen nog een afschrift van 1172. Vermoedelijk had  Dirk I
  het gebied van Egmond dat toebehoorde aan het klooster te Echternach zich
  reeds rustig toegeigend en deze gebiedsuitbreiding door de zwakke koning
  van het Westfrankische rijk (die niet eens zijn leenheer was!) laten wet-
  tigen. (B108). (K).
  De zoon van Gerulf, Dirk I, ontvangt van de  Westfrankische koning  Karel
  de Onnozele goederen o.a. de kerk te Egmond met alles wat  daar  rechtens
  toegehoord. (B144) (K).
  15  juni  922.  Koning Karel III schenkt, op voorspraak van graaf Hagano,
  aan Dirk I de kerk van Egmond met alle toebehoren van Swithardeshage  tot
  Fortrapa en Kinnem. (B46). (K).
  Omstreeks 922 verrees de eerste kapel in het Rodenrijs. Behalve de  kapel
  te Overschie heeft Rodenrijs van oudsher nooit een  andere  kerk  bezeten
  (Zie  ook  bij  het  jaar  1083).  (B07).  (In  het  Rodenrijs  =  in het
  ontginningsgebied Rodenrijs = in Overschie?). (K) (O).
  HET ONTSTAAN VAN DE NEDERLANDSE LEENSTAATJES, GESCHIEDENIS HOLLAND.
  De  oorsprong  van  het  graafschap  Holland  ligt bij de Vikinghoofdman:
  Godfried. Keizer  Lotharius  had  hem aangesteld, om de kuststreken tegen
  zijn stamgenoten te verdedigen.  In 922 had Dirk I, zoon van een onderge-
  schikte  van Godfried de Noorman, Kennemerland en Rijnland in leen, o.a.,
  de kerk en de kerkelijke goederen van Egmond. Onder  zijn  zoon  Dirk  II
  kwamen daar nog de streken in Maasland en West-Friesland bij, o.a. Medem-
  blik en Texel. Dirk III was al zo machtig, dat hij tol hief van de  sche-
  pen, die de Maas opvoeren; toen de kooplieden  hierover  klaagden  bij de
  keizer en toen deze zijn leger zond onder hertog Godfried van Lotharingen
  en bisschop Adelbold van Utrecht, versloeg Dirk III dit leger bij  Vlaar-
  dingen in 1018. In 1064 gaf keizer Hendrik IV, Holland in leen  aan  bis-
  schop Willem van Utrecht. Graaf Dirk V was minderjarig, maar  zijn stief-
  vader Robert de Fries vocht tegen bisschop Willem en tegen  de hertog van
  Lotharingen: Godfried met de Bult. Tenslotte slaagde  Dirk  V (1091-1122)
  erin zijn gebied te behouden. (B95). (K) (N).
  Sinds de tijd, dat Holland bijna  ten  onder  was gegaaan, was dit graaf-
  schap klein en onbelangrijk; het bestond voor een groter deel  uit  water
  dan uit zand en de Kennemerboeren en de West-Friezen gehoorzaamden nauwe-
  lijks aan de graven die beurtelings Floris en Dirk heetten. Ook hadden de
  Hollandse graven het aan de stok met Vlaanderen over het bezit  van  Zee-
  land-bewester-Schelde. De  Hollandse  graaf  Willem  II  (1234-1256. geb.
  1226) werd Rooms koning in plaats  van Frederik II van Hohenstaafen, maar
  hij is nooit algemeen erkend geweest en heeft het nooit tot  het  keizer-
  schap gebracht. Hij heeft een stenen jachtslot laten bouwen in 's Graven-
  hage (nu de Ridderzaal). Hij sneuvelde in 1256  tegen de West-Friezen bij
  Hoogwoud. Zijn zoon en  opvolger  Floris  V  (1256-1296, geb. 1254) stond
  aanvankelijk onder regentschap van zijn oom Floris de Voogd en daarna van
  zijn tante Aleidis, deze heeft veel gedaan voor  de  opkomst van Schiedam
  en Rotterdam (bedijking en inpoldering). Floris V  ondernam een veldtocht
  tegen de West-Friezen, hij wist ze te onderwerpen.  Floris V werd in 1296
  vermoord. Opvolger van Floris V was zijn 16  jarige  zoon  Jan  I  (1296-
  1299). De oude  vijanden,  West-Friezen,  Vlamingen  en  de  bisschop van
  Utrecht staken de kop weer op, zij werden bedwongen door de Zeeuwse edel-
  man Wolfert van Borselen, die de jonge graaf Jan I geheel in  zijn  macht
  hield. Met graaf Jan I stierf het Hollandse huis (922-1299) uit. De naas-
  te erfgenaam was Jan van Avenes, graaf van  Henegouwen;  voortaan  zouden
  Holland, Zeeland en Henegouwen dus onder n graaf staan. Willem III  (de
  Goede) volgde Jan van Avenes op en na Willem III (de Goede) werd de Hene-
  gouwse graaf Willem IV graaf, deze werd opgevolgd door zijn zuster Marga-
  retha (gehuwd met Lodewijk van Beieren), hun zoon Willem V, de  Verbeider
  (1345-1358) zou na de dood van zijn moeder Margaretha, graaf van Holland,
  Zeeland en Henegouwen worden ook nam hij voor haar waar bij haar afwezig-
  heid.  Gravin  Margaretha  en haar zoon Willem V, de Verbeider hadden on-
  enigheid over het bestuur. Achter Willem stonden de kabeljouwen en achter
  de gravin de meeste edelen, de Hoeken welke voor handhaving van de feoda-
  le toestand waren. (B95).
  In de tijd dat de Duitse keizers hier het gezag uitoefenden - van 925 tot
  het midden van de 13e eeuw, formeel zelfs tot veel later datum, maar  dat
  was een wassen neus - benoemde de keizer de graven en bisschoppen. (B104)
  (K).
  Omstreeks 925 stichtte Dirk I, de heerser van het westelijk kustland, een
  klooster voor  zusters  te Egmond.  Dirk I die in 922 Egmond van Karel de
  Eenvoudige  van Frankrijk had ontvangen plaatste dit klooster op zijn ei-
  gen gebied. Hij werd dus de 'heer' van het klooster, dat zijn eigenkloos-
  ter werd. Het was een eigenklooster van de graven uit het westelijk kust-
  land, later Holland genaamd. Zij droegen dit klooster niet op aan de  ko-
  ning,  noch  stelden  zij  het onder 's konings bescherming. Zij oefenden
  zelf de voogdij uit, of lieten dit door een onder-voogd doen (door de he-
  ren van Egmond). Welliswaar droeg graaf Dirk IV de abdij over aan de hei-
  lige stoel, maar dit bracht de grafelijke rechten op de abdij niet in ge-
  vaar. (B125). (K).
  Overschie bestond in 1929 1000 jaar, geboortejaar van  Overschie  is  dus
  929. (B69). Overschie, Ouweschye, Schie, Sche.
  Ca. 930 eerste bewoning Overschie. (B132).
  944. Wegens zijn trouw in de opstand van de Lotharingse heren krijgt bis-
  schop Balderik van Utrecht, goederen in de gouw lake et Isla, die  toebe-
  hoord hadden aan Radbod en Waldger, een broer van  Dirk  I  van  Holland.
  (B136) (K).
  Van de gebieden van Schie uit, waar  de  ontginning  reeds  in  de eerste
  helft van de 10e eeuw was tot stand gekomen, werd de cultivering geleide-
  lijk voortgezet door inpoldering van het veengebied, hetwelk zijn natuur-
  lijke grens vond aan de Lede (Oude Lede) en de Stricklede. (B13) (O) (V).
  In  de  tweede helft van de 10e eeuw reisde een Moors gezant van de Maas-
  mond  naar Utrecht. 's Zomers als de wateren opgedroogd zijn, op hun wei-
  den gaan en daar het leem met bijlen in tegelvorm afsnijden. (B34) (V).
  De  abdij  van  Egmond  ca.  950  gesticht  door  Dirk II en zijn gemalin
  Hildgardis. Dirk II bezat ook goederen in Vlaanderen bij  Gent  b.v.  het
  land van Waes, hij werd zelfs meerdere malen graaf van Gent  genoemd.  De
  goederen werden omschreven als "uitgebreide persoonlijke goederen" (B148)
  (K).
  Het geslacht van Ricfried in de Betuwe,  waartoe  Erenfried (overl. 960),
  broer van bisschop Balderik en zijn neef en erfgenaam Ansfried behoorden.
  Deze familie bezat de graafschappen Hattuaria,  de  Betuwe,  Teisterbant,
  Toxandri en die in de Maasgauw,  noordelijk  Maasland en West-Friesland,
  doch zij stierf uit of werd  overvleugeld  door  de graaf van Leuven. Het
  geslacht Ricfried beschikte niet over kloostergoederen. (B114). (K).
  Het jaar 963  wordt aangehouden als het geboortejaar van Berkel en Roden-
  rijs. (B07).
  In Nederland is de oudste vermelding van een door waterkracht aangedreven
  molen van het jaar 970. (Waterradmolen) (M).
  In 973 werd er al veen gestoken in de omgeving van de stad Utrecht. (B20)
  (V).
  976-990. Folcmarus (Poppo) bisschop van Utrecht. (B136) (K).
  DE ONTGINNING VAN DE PAROCHIE SCHIE.
  De  middeleeuwse  openlegging  door ontginning van het veengebied, waarin
  ook de parochie Scie ligt, vangt waarschijnlijk aan in het laatste  kwart
  van de tiende eeuw met als oudste centrum Vlaardingen. Reeds in het begin
  van de achtste eeuw schenkt een zekere Heribald aan Willebrord  een  kerk
  met de tiendrechten in dit gebied, maar na  stijging van de zeespiegel in
  de negende eeuw is door wateroverlast het land zover ontvolkt, dat pas in
  985 het als keizerlijk domein opnieuw wordt uitgegeven  aan de graven van
  het latere Hollandse huis en omstreeks 1040  zijn  in  het achterland van
  Vlaardingen twee kleine bevolkingskernen ontstaan met elk een kapel,  re-
  sorterende onder de kerk van Vlaardingen, n.l. Hargan, nu Kethel,  aan de
  bovenloop van een ten dele verland riviertje de Harg, en Skie op de zware
  kleirug, afgezet door een grote, eveneens  ten  dele  verlande  kreek, de
  Schie. Deze kleirug loopt vanaf het dorp Overschie langs  de  Rotterdamse
  Rijweg en de oude Kleiweg, waar hij het karakter  van  rug verliest, maar
  het laatste restje van de bovenloop van de kreek is zelfs nu nog  tendele
  aanwezig  als  een  watertje, dat de grens vormt tussen de voormalige ge-
  meenten Schiebroek en Hillegersberg en in de middeleeuwen tussen de paro-
  chies  Schie  en Rotte. De ontginningen gaan aan weerskanten uit vanaf de
  kleirug en staan ten naaste bij met hun percelen loodrecht op zijn  slin-
  gerend beloop. Deze percelen zijn niet diep, 500 tot hoogstens 700  meter
  en soms nog minder. Gaan wij deze na van west naar oost: In de Galchhoeck
  ligt het westelijk deel  in  oost-west  gerichte kavels, in het oostelijk
  deel zijn deze noord-zuid gericht. De boerderijen en de kerk liggen allen
  op de oeverwal van de Schie. In de Kleinpolder ten oosten van  de Rotter-
  damse rijweg liggen de percelen weer oost-west, eindigende tegen een  we-
  tering. Het grootste deel van deze landerijen  vormt  een  aaneengesloten
  complex Van Rodenrijs-landen, n.l. Van Rodenrijs, Van den Veen en Van der
  Spangen.  Ook  hier liggen de boerderijen op de kleirug o.a. Willems hof-
  stad van den Vene ten zuiden van de kerk. Ten noorden van de Oude Kleiweg
  eindigen de percelen ook tegen een wetering, de Elvezwet, en lopen noord-
  zuid, wat ook het geval is ten zuiden van de weg, waar  de wetering later
  vergraven is tot een deel van de Rotterdamse Schie.  Vooral  in  de  hoek
  tussen deze wetering en de weg ligt een  complex  Van der Spangen-landen,
  waartegenover aan de noordzijde ook Van der Spangen-bezit.  Aan  de zuid-
  zijde van de Rotterdamse rijweg liggen de percelen straalsgewijs, eindig-
  ende tegen de Blijdorpse watering en twee  sloten;  een  lopend  naar  de
  Horenweg, de andere naar de Rotterdamse Schie.  Dit  gehele bovengenoemde
  complex vormt de vroeg elfde eeuwse ontginning van Schie, waarvan een be-
  langrijk deel in het bezit was van de Van Rodenrijs-groep blijkt te zijn.
  De  eerste  uitbreiding  van deze kern is in zuidelijke richting langs de
  hoge noordelijke oever van het riviertje de Spangen, waarbij men de lange
  percelen ten zuiden van de kerk tot dubbele diepte over de Horenweg  ver-
  lengde: de  State ter Spanghen, en hierop aansluitend een tweede ongeveer
  evengroot complex: de Bridorp Sate. Deze laatste bestaat uit enkele grote
  percelen,  strekkende  van de Blijdorpse watering tot de Spangen zelf. De
  eerste sate heeft kennelijk n groot landbouwbedrijf gevormd. Deze beide
  grote  "saten" zijn zo belangrijk geweest, dat zij naamgevend zijn gewor-
  den  voor  grotere  complexen, n.l. de Spaanse (= Spangense) polder en de
  Blijdorpse (= Bridorpse) polder.  Hierop aansluitend volgen naar het oos-
  ten enkele grote regelmatige percelen, waarvan de laatsten in het noorden
  de  Rotterdamse  Schie  bereiken,  waarlangs - en evenwijdig aan een kade
  loopt, die grafelijk domein blijkt te zijn, de 's Gravenweg.  Het  eerste
  perceel  van dit complex is Van der Spangen c.s. bezit, zodat hier de fa-
  milie  een  deel  van de ontginning geclaimd heeft. Over het tijdstip van
  deze laatste ontginning kunnen wij slechts gissen, maar deze zal  vrijwel
  gelijktijdig zijn met die van Zestienhoven in het noorden. Hier  is  n.l.
  in eenmaal een concessie van 16 hoeven, elk groot 30 morgen in totaal dus
  480 morgen  uitgegeven.  In tegenstelling tot de oudere ontginningen zijn
  de percelen  hier  ongeveer  2250 meter diep; in het noorden eindigt deze
  ontginning tegen een kade of een zijdwinde, die grafelijk bezit is en se-
  dert de dertiende  eeuw  in leen wordt uitgegeven. In het oosten eindigen
  zij eveneens tegen een ontginningskade, de landscheiding, die bescherming
  biedt tegen het water van het nog onontgonnen Schiebroek; in  het  westen
  wateren de percelen  af op de (Delftse) Schie. De Van Rodenrijse's hebben
  hier het deel dat het dichtst tegen de oudere  ontginningen  aansluit  en
  ongeveer 3 a 4 hoeven groot is.  De  ontginningen worden later voortgezet
  met Schieveen en Ackersdijk en ook hier weer hetzelfde beeld. Weer is een
  groot deel van het  tegen  de  oudere  ontginningen aansluitende land Van
  Rodenrijs-bezit. Met het bereiken van de Oude Lede hebben  de  ontginners
  de ontginningen  bereikt,  die  in zuidelijke richting vanuit het Hof van
  Delft plaats vinden en  thans kunnen wij ons wagen aan een tijdsbepaling.
  Het gebied ten  noorden  van  de  Oude Lede wordt door gravin Petronella,
  overleden 1144, geschonken aan het door haar in 1133  gestichte  klooster
  te  Rijnsburg,  zodat vauit het noorden de Lede dus omstreeks 1135 is be-
  reikt. Wouter,  abt  van Egmond (1130-1161), beschikt over de tienden van
  Rodenrise en  schenkt  deze  aan  het  hospitaal te Egmond, wat er dus op
  wijst, dat de ontginning plaats heeft gehad. Wij mogen dan  ook  stellen,
  dat deze in de eerste helft  van de twaalde eeuw hebben plaatsgevonden en
  inderdaad zien wij in 1156 voor het eerst een Van Rodenrijs  optreden. In
  het  zuiden  van de oudste ontginningen is inmiddels een zelfstandig com-
  plex Matenesse ontstaan, maar sedert de tweede helft van de twaalfde eeuw
  wordt het gebied hier bedreigd door het water, daar een  nieuwe  stijging
  van de zeespiegel is begonnen. In Kethel worden in 1164 grote verwoestin-
  gen aangericht  en  worden  omstreeks 1170 dijken ter bescherming van het
  land aangelegd, die door een dam in de Schie dicht bij de kerk van  Over-
  schie, aansluiten  op  de  oude  ontginningskaden  op  de oeverwal van de
  Schie, die verhoogd worden tot waterkerende dijken. Ook  langs de Spangen
  komt er een dijk te liggen en als omstreeks 1200 het laatste meest ooste-
  lijke deel van de Blijdorpse polder ontgonnen wordt in percelen van onge-
  veer 1100 meter diepte, dient ook hier gelijktijdig een beschermende dijk
  aangelegd te worden. En deze dijk draagt  de  naam van de ontginner, n.l.
  Bokelsdijk; ook de tienden in dit deel van de Blijdorpse  polder heten de
  Bokeldijkse tienden en uit de oudste verhoefslaging van de later  zeedijk
  van Schieland blijkt, dat dit deel van de Blijdorpse  polder  oorspronke-
  lijk Bokelsdijk heet. Het kan geen toeval zijn dat wij op 3 november 1200
  voor het eerst een Theodericus Bokel ontmoeten.  In het zuiden wordt ont-
  ginnen bedijken en als eerste bedijking komt het  poldertje  de  Zeventig
  Morgen tot stand, door verbindingsdijken aan  te  brengen  tussen die van
  Matenesse enerzijds en die van Galchhoek en  de  Bridorpsate  anderzijds.
  Dit gebeurt voor de aanleg van de dam  in  de Schie te  Schiedam en na de
  bedijking van de Blijdorpse polder, dus tussen 1200 en 1245. De helft van
  dit  poldertje,  liggende voor de Sate ter Spanghe en de Bridorpsate komt
  in het bezit van de  Van Matenesse-Van  der Spangen-groep. Omstreeks deze
  tijd moet  de  erfdochter van Dirc Bokel, heer van Matenesse, gehuwd zijn
  met het hoofd van deze groep, zodat hier waarschijnlijk sprake geweest is
  van een wel overwogen zakelijk huwlijk. De noordelijke dijk van dit  pol-
  dertje,  die  de  zate  ter Spanghe verbindt met Dirc Bokels hofstad uter
  Nesse, komt op de zeventiende eeuwse kaarten voor als Vermaveldijk. In de
  middeleeuwen kan een  "V" zonder bezwaar de plaats van een "B" innemen en
  met  deze  wetenschap  wordt  deze  vreemde naam ons duidelijker n.l. ver
  Mabelsdijk, dus de dijk van vrouwe Mabelie. Het is wel  erg  verleidelijk
  in vrouwe Mabelie de erfdochter van heer Dirc Bokel te zien! Nu is het de
  beurt aan de Bokels om het dijkfront  naar  het  zuiden  en  westen op te
  schuiven; de latere ambachten Bokelsdijk en Blommersdijk, tot stand geko-
  men in het begin van de  dertiende  eeuw.  Hierbij  claimen  de  Van  der
  Spangens  het  land  binnen deze bedijking gelegen voor de Bridorpsate en
  zelfs buiten de nieuwe dijk tot aan de rivier. Inmiddels is in het noord-
  oosten de onginning van het veengebied voortgegaan. Voor de landscheiding
  van Ackersdijk-Schieveen ontstaat het ambachtje  de  Tempel en de Hof van
  Rodenrijs, waarschijnlijk in de eerste  helft  van  de  dertiende eeuw en
  kort hierna wordt ook het lage broekland achter Zestienhoven en Oudendijc
  tot ontwikkeling gebracht. Ook hier treffen we 2000  meter  diepe  kavels
  aan. (K) (L) (O) (V).
  Graaf  Arnulf  (Arnoud),  zoon  van  Dirk II, schonk tussen 980 en 993 de
  kapel en tiendrecht te Schie aan de abdij van Egmond. (B13) (K).
  Evangelie aantekeningen - giften graaf Arnulf:  "Similiter Hargan et Sche
  cum decimacione sua." (B146 ca. tussen jaren 980 en 993).
  In een register van de abdij van Egmond staat dat graaf Arnoud (Arnulfus)
  en  zijn  gemalin Lutgarda (Luitgard) aan de abdij o.a. de kapel te Schie
  en  het  tiendrecht aldaar geschonken hebben. Arnoud (zoon van graaf Dirk
  II de graaf  van  Holland)  huwde in 980 met Luitgard en sneuvelde in 993
  bij Winkel  tegen  de  West-Friezen. M.i. is het zeker dat de allereerste
  bewoning van  Schie zal dateren van minstens 50 jaar voor deze schenking.
  Overschie is overigens niet gesticht maar landzamerhand ontstaan.  (B69).
  (K).
  Reeds  in  het  jaar  985 was er al sprake van de Oude Leede en de Strik-
  leede. (B04, pag. 101).
  Op 2 september 1057 overleed abt Reinier de 4e abt van Egmond,  van  zijn
  voorganger Bruno staat in de goederenlijst, in de tijd dat Bruno  abt van
  Egmond was aan het klooster geschonken goederen:"De tiende tusschen Delft
  en Schieland, tot den waterloop Lede, en van de Lede tot de Striclede, en
  van de Striclede tot aan't einde, een  manfe,  die jaarlijks  zes deniers
  opbrengt; noch ter zelver plaatze  een vierendeel,  dat  jaarlyks vyftien
  deniers opbrengt. (B151). [985 lijkt aannemelijk als jaartal in B04.] (K)
  In  985  kreeg graaf Dirk II van de keizer alle goederen tussen IJssel en
  Lier in bezit. (Facetten van Delft, G.D.B. - 12, div. , 1985).
  985. Dirk II wordt graaf genoemd in  Kennemerland,  Tessel  en  Maasland.
  (B136).
  De  kleitong  Delft-Pijnacker  was  sinds 985 priv-eigendom van de graaf
  (B137).
  In 990 lag Overschie (Schie) aan het uiteinde van de Schie, op de  plaats
  waar de Schie de Maas bereikte. Overschie lag toen nog aan zee. (B05).
  (Met zee zal hier wel de Merwede, later Maas bedoeld zijn.)
  Ca. 993 vermelding "kapel te Sche" (B132). (K).
  Graaf  Diederik  III  (993-1039)  die  zijn  graafschap  uitbreide aan de
  Merwede  (Oude  naam  Maas),  met Vlaardingen als operatiebasis, geholpen
  door  de  abdij  van  Egmond en voor meer westelijke gebieden door de St.
  Paulus-abdij  te  Utrecht.  "De parochies van het oude decanaat Hollandia
  behoorden alle  aan  deze  abdijen. Het oude land dezer Schielandse paro-
  chies is n gemeenschappelijke bedijking dier twee abdijen, welke de pa-
  rochies Rotte, Bleiswijk  en  Zevenhuizen  (van St. Paulus) en Schie (van
  Egmond) omvatte" (B13). (K).
  993-1039. Dirk III, graaf van Holland. (B136).
  995-1010. Ansfried, bisschop van Utrecht. (B136) (K).
  In het zuiden vormde Maasland, de omgeving van Vlaardingen  en  Maasland,
  een  gebied, dat reeds in de 10e eeuw bedijkt was. Ten westen daarvan ge-
  scheiden door  de rivier de Lier, lag een reeds vroeg omdijkt gebied rond
  Naaldwijk.  Ten  oosten  van Maasland liep de oudste waterkering ook vrij
  wat  verder  binnenwaarts. Nadat vooral in het gebied waar de Schie en de
  Rotte in de Nieuwe Maas, toendertijd Merwede genoemd, vloeiden, verschil-
  lende opwassen waren bedijkt, werd nog voor de dertiende eeuw het  geheel
  binnen een aaneengesloten  waterkering  getrokken, waarvan binnen de stad
  Rotterdam de  Hoogstraat  en  de  Schiedamse dijk de meest markante delen
  vormen. (B92).
  Met  de ontginning van het uitgestrekte veengebied is waarschijnlijk niet
  eerder  dan  in  de  10e  eeuw een aanvang gemaakt. (B43). De methode van
  evenwijdige  opstrekkende verkaveling volgens welke de Hollands-Utrechtse
  laagvlakte is ontgonnen,  is  door  Van  der Linden uitvoerig bestudeerd.
  Uitgegaan wordt van een rivier, veenstroom of gegraven watergang als ont-
  ginningsbasis, waarlangs boerderijen worden gebouwd.  Van  daar worden de
  hoeven uitgemeten,  idealiter elk met een gelijke breedte en diepte. Aan-
  nemelijk is dat de  eerste  ontginningen  zijn aangevat vanaf de nog niet
  ontgonnen delen der oeverwallen, de klei-op-veen oevers van de grote  ri-
  vieren en de direkt daarop uitkomende veenstromen. (B43) (O) (V).
  Ontginning: Tot 1955 meenden historici  dat  de  kolonisatie  van de Hol-
  lands-Utrechtse laagvlakte omstreeks 1200 begonnen was. (Geboren uit  het
  feit dat de oudst dan bekende oorkonde welke betrekking heeft op de kolo-
  nisatie in Holland van 1233 dateert). Hollanders zo bleek later,  koloni-
  seerden in 1106 reeds de Bremer Marsen in Duitsland en  verder  onderzoek
  leerde dat Esselijkerwoude, Rijnsaterswoude en Leimuiden  reeds  in  1063
  kapellen hadden, waaruit en uit andere vergelijkingen opgemaakt kon  wor-
  den dat de kolonisatie van Holland voor 1063 begonnen  moet  zijn.  In de
  verdere studie komt men tot het jaar 1000 voor het eerste begin.  Zoeter-
  meer moet voor 1000 ontgonnen zijn en Zegwaart na 1200 en pas daarna Rog-
  geveen (Rokkeveen). (B127) (O).
  Natuurlijk zijn er in de oudste periode tot omstreeks 1000 wel teksten in
  de volkstaal, het Diets, vastgelegd, maar hiervan is niets teruggevonden.
  Het oudste zinnetje  in  een  Nederlands dialect dat bewaard is gebleven,
  werd in 1934 bij toeval door een Engelse geleerde in Oxford ontdekt.  Het
  zinnetje  luidt: "Hebban alla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu"
  (Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij):  de vertaling van
  een  Latijnse  zin  die  er juist boven staat. Waarschijnlijk dateert het
  zinnetje  uit de elfde eeuw. Het duurde daarna nog wel honderd jaar voor-
  dat er teksten in het Diets geschreven werden waarvan wij afschriften be-
  zitten. (B128).
  Het door  een  Westvlaming in Engeland rond 1100 neergekrabbelde liefdes-
  zinnetje:  "Hebban  olla uogola nestas hagunnan.  Hinase hi(c) [e]nda thu
  uua[t]  (u)ntida(n)  (uu)e nu."  ("Alle  vogelen zijn nesten begonnen (te
  bouwen) behalve ik en jij. Waarop wachten we nu?"). (B24).
  1000 n. Chr. 0,55 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  Voor 1000  waren  er  in  het  Westland  twee  parochies  n.l. Monster en
  Naaldwijk. (B135) (K).
  
  1000-1100
  De eerste dijk werd in Nederland pas in de 11e eeuw aangelegd. (B20).
  In de 11e eeuw kwam een ronde stenen muur in gebruik, zoals te Leiden en
  bij Teilingen nog te zien is. (B144).
  Aanleg  Oude  zeedijk  (Oude Maasdijk)  begonnen  rond het jaar 1000 door
  Egmonder monniken en monniken van de Sint-Paulus abdij. Of  het  twintig,
  vijftig of honderd jaar duurde voordat de dijk klaar was is  niet te zeg-
  gen. (B05, blz 13 t/m 15). In oorsprong is de beroemde weg naar Kralingen
  vermoedelijk  aangelegd door de Romeinen. In de 10e eeuw werd de weg ver-
  hoogd  om  het  water van de Maas te keren en in de 13e eeuw opnieuw ver-
  hoogd zodat de weg vrijwel steeds droog bleef. Na de bouw van  de  nieuwe
  dijk noemde men deze dijk "De Oude Dijk". (B20) (K) (R).
  Slag bij Vlaardingen. ca. 1000. (B117).
  Men meent dat de oudste sluizen dateren van kort na 1000 na Chr. (B65).
  We zien kort na 1000 Dirk III zich nestelen aan de rivier bij Vlaardingen
  "Friese" kolonisten uit het gebied benoorden de rivier waren  begonnen de
  wildernis van kreupelbos en moeras te ontginnen, ze groeven sloten om het
  land droog te  leggen en  omringden hun akkers met kaden.  Ter hunner be-
  scherming en om zijn gezag  te  vestigen  bouwde Dirk  III in dit gebied,
  misschien  bij  Vlaardingen  een sterkte,  vanwaar uit hij tevens de pas-
  serende kooplieden werden gedwongen tol te betalen. Op  de  protesten van
  de bisschop van Utrecht,  aan  wie  dit  gebied behoorde en die van Luik,
  Trier en Keulen,  die  eveneens zekere rechten konden laten gelden, en op
  de klachten  der kooplieden, vooral die uit Tiel, besloot de keizer in te
  grijpen.  Maar Dirk kon zich handhaven, dankzij een overwinning op de ge-
  lande troepen. (B144). (K).
  Rond  1000  (Alpertus Mettensis). Een aantal Friezen vestigden zich in de
  wildernis,  de  Meriwido (Vlaardingen). Maar de roovers hebben hen nader-
  hand onderworpen; aan een ieder wezen zij land toe ter ontginning enz. In
  1018, slag bij Vlaardingen om de Friezen te verdrijven uit hun wederrech-
  telijk ingenomen  woonplaatsen  en  de roovers te verwijderen, (roovers =
  welgeborenen??). (B35) (O).
  "In het moer van Holland, met zijn vennen  en  reigerbossen,  poerden  de
  moddergasten al sinds het begin van de 11e eeuw.  Eerst van de duinen uit
  de wildernis in, later ook vanaf de hoge oevers van Maas en Schie."
  (Bron: Van Hunebed tot Hanzestad, J. de Rek, 1977).
  De Zanddijk tussen Bakkum en Limmen beschermden de abdij van Egmond al in
  de 11e eeuw. (B25). (K).
  Zoetermeer  is  een  ontginningsdorp  in  het begin van de 11e eeuw op de
  oostoever van het Zoetermeerse Meer ontstaan. (B01) (O).
  1005. Koning Hendrik II leidt een krijgstocht tegen de West-Friezen,  ten
  behoeve van Dirk III. (B136).
  1006-1007. Laatste Noormannenaanvallen, beschreven door Alpertus van Metz
  (B136).
  1010-1026. Adalbold, bisschop van Utrecht. (B136) (K).
  1019. Dirk III van Holland verslaat het leger van de bisschop van Utrecht
  en de hertog van Neder-Lotharingen, dat zijn  te  Vlaardingen  gestichtte
  tol kwam vernietigen. (B136) (K).
  Veel minder zeker kunnen  we  zijn van  de status (horige lieden of vrije
  boeren) van de parochianen van  Hillegersberg, het centrum van het Rotte-
  gebied, zij waren onderworpen aan  de  kerkelijke  autoriteit  van de St.
  Paulusabdij, maar over hun werledlijke positie worden we niet  ingelicht.
  (B158) (K).
  De  N.H.  kerk  van Leerbroek dateert vermoedelijk uit het stichtingsjaar
  der gemeente n.l. 1025. (B113). (K).
  Bij  oorkonde van  3 februari 1028 bevestigd keizer Conrad de St. Paulus-
  abdij  in  de  goederen, geschonken door de bisschoppen Ansfried en Adel-
  bold, waaronder de kerk Rotta. Rotta omvat Hillegersberg, en de later er-
  van  afgesplitste  parochies Bleyswijk, Zevenhuizen, Cralingen en Rotter-
  dam. Het woord Rotta  zou  oorspronkelijk afgeleid kunen zijn van een oud
  woord voor ontginning  "rode",  dat  nu  nog  voortleeft in het werkwoord
  rooien.  De kern  van deze ontginning werd waarschijnlijk gevormd door de
  zandheuvel van Hillegersberg. (B150) (K).
  Het kerkje van Hillegersberg was voor 1026 door den bisschop van Utrecht,
  wiens diocees toen bijna het gehele tegenwoordige Nwderland omvatte,  ge-
  schonken aan de St. Paulusabdij (toen nog Hohorst) te Utrecht. (B159) (K)
  De Hillegondakerk van Hillegersberg (Rotte/Rotta)  bestond  al  in  1028.
  (B01). (K).
  De kerk van Rotte bestond reeds in de tijd van bisschop Adelbold (overle-
  den in 1026) (B038). (K).
  3 febr.  1028.  Kerk te Hillegersberg (Rottae) geschonken aan klooster te
  Lokhorst (later de St. Paulusabdij te Utrecht). (B46). (K).
  "Verder  op  lag  nog in 1028 op kleinen afstand van de Merwede (Maas) de
  kerk van Rotta (Hillegersberg). Onbegrensd liep de parochie van Rotta nog
  naar het noorden en oosten uit in het eenzame veenland. Pas later  zouden
  hier hare  dochters,  de  kerken  van Bleiswijk, Zevenhuizen en Kralingen
  ontstaan." (B04) (K) (V).
  1028  Keizer  Koenraad  II  bevestigt  de abdij te Hohorst, de latere St.
  Paulusabdij  te  Utrecht in het bezit van de door de bisschoppen Ansfried
  (995-1010) en  Adelbold (1010-1026) geschonken goederen waaronder de kerk
  te Rotte Vrgl. voor de kerk van Vlaardingen en dochterkerken. (K).
  1039-1049. Dirk IV, graaf van Holland. (B136).
  De belangrijkste aanmuntingen in de noordelijke Nederlanden staan op naam
  van de bisschop van Utrecht. Vanaf de verlening van het muntrecht in 1040
  hebben vrijwel alle bisschoppen van deze stad munten geslagen. (B142) (K)
  1049-1061. Floris I, graaf van Holland. (B136).
  Vroegst bekende vermelding Abtsrecht 1050.
  Op 2 september 1057 overleed abt Reinier de 4e abt van Egmond,  van  zijn
  voorganger Bruno staat in de goederenlijst, in de tijd dat Bruno  abt van
  Egmond was aan de abdij geschonken goederen: "De tiende tusschen Delft en
  Schieland, tot den waterloop Lede,  en  van de Lede tot de  Striclede, en
  van de Striclede tot aan't einde, een  manfe,  die jaarlijks  zes deniers
  opbrengt; noch ter zelver plaatze  een vierendeel,  dat  jaarlyks vyftien
  deniers opbrengt. (B151) (K).
  1057-1067. Bisschop Willem van Utrecht. (B136) (K).
  1061. Floris I van Holland vermoord, bisschop Willem van Utrecht wordt nu
  met zijn graafschappen beleend. (B136) (K).
  1061-1091. Dirk V, graaf van Holland, aanvankelijk onder voogdij van zijn
  moeder Geertrui en haar tweede echtgenoot Robrecht de Fries uit  Vlaande-
  ren. (B136)
  Het  dorp  Overschie  bestond reeds voor 1063 onder de naam Kapel-aan-de-
  Schie en werd later Ouderschie  en  ook wel Oud-Schiedam genoemd. De oude
  kerk van Overschie werd door de Hoekschen in 1489 afgebrand. (B61) (K).
  In oorkonde no. 225 staat Overschie op de kerkenlijst  van  1063.  (B78).
  (K).
  Vroegst bekende vermelding Ruiven 1063. [Achterhaald]
  Zoetermeer was een  bottingambacht;  botting was een belasting, het woord
  is een verbastering  van  bod - ding. Ding is een oud woord voor vergade-
  ring of rechtszitting. In oude tijden bezocht de graaf alle plaatsen  van
  zijn  graafschap  en hield daar een rechtszitting, deze rechtszitting was
  het bod - ding. Later ontstane plaatsen kenden deze belasting  niet.  Van
  der Linden  vermeldt  dat  in het jaar 1100 reeds geen bod-ding meer werd
  gehouden, Hoefnagel neemt aan dat dat reeds in 1063 het geval was. (B127)
  1063.  Esselijkerwoude,  Rijnsaterwoude en Leimuiden in ontginning. (B44)
  (O).
  Vroegst bekende vermelding Pijnacker en Delft 1063/1064.
  In 1064 gaf Koning Hendrik IV het Hollands graafschap met alles wat daar-
  bij behoorde, dus ook de abdij van Egmond aan de stoel te Utrecht. (B13).
  (K).
  Vroeger was de Rotte een riviertje dat vrij in de Maas stroomde; het werd
  vermoedelijk reeds in 1065 door een sluis te Krooswijk van de Maas  afge-
  sloten. (B110).
  De Grote kerk van Dordrecht eertijds gewijd aan Onze Lieve Vrouwe werd in
  opdracht van graaf Dirk V door Pieter de Groot in 1077 gebouwd. Pieter de
  Groot was de grootvader van Anna, een geestelijke maagd die in 1081 gebo-
  ren zou zijn en stierf in 1196 (115 jaar oud). (B165).
  Lijst van kerken, waarover de abdij van Egmond tussen 1083 en 1120 colla-
  tierecht liet gelden, waarin "Berkel.Oldscie." (B13) en (B132) en (B146).
  (K).
  "Ik spreek niet van den blaffert van circa 1083 (Oork., I, no 105), omdat
  de  namen Oldscie en Berkel van de kerken op een lateren tijd kunnen wij-
  zen".  (B03,  blz.  53).  Pastoor  Velthuyse schrijft echter in (B13) dat
  "Rodenrijs - Berkel niet veel later  dan  1050  als zelfstandige parochie
  van  de moederkerk (Overschie) is afgescheiden en "moeten wij tot het be-
  sluit komen,  dat  zich  in  de 2e helft van de 11e eeuw te Rodenrijs een
  ambacht en kerspel met kerk hebben bevonden." (B13) (K).
  Zoetermeer, oorspronkelijk op de Oostoever van het Zoetermeerse Meer ont-
  staan  in  het begin van de 11e eeuw is in de 12e eeuw tijdens de ontgin-
  ning van  de  gebieden  aan  de  zuidzijde  van het meer hiernaar overge-
  plaatst. (B01) (O).
  Graaf  Floris II bijgenaamd "De Vette" heerstte van 1091 tot 1122  vreed-
  zaam over  Holland.  In die tijd kwam in de lage landen - onbeschreven en
  in alle stilte -  een  wonder  tot  stand. Friezen, Hollanders en Zeeuwen
  versjouwden onmetelijke hoeveelheden modder en zand. Zij die  met  sloten
  graven land winnen, mogen dat als vrije mannen behouden, maar een 10e van
  de opbrengst is voor de graaf. Ook ontwierpen  zij  drainage-systemen  en
  verstevigden zij de zeewereingen. Hopelijk  zwaaien  wij  Floris  II  met
  recht alle lof toe voor de  dijkbouw,  inpolderingen  en  droogleggingen.
  (B117).
  Regering van graaf Floris de Vette. (1091-1122). (B118).
  De systematische ontsluiting van  de  wildernis in het graafschap Holland
  moet gedurende de 11e en 12e eeuw in volle gang  zijn  geweest.  Uitgifte
  van wildernis welke aan de ontginningen ten  grondslag hebben gelegen. De
  tijdgenoot placht deze handelingen aan te duiden als "cope". (B44) (O).
  Voor het begin der 12e eeuw was de "Botting" de grafelijke belasting, pas
  daarna kwam de "Bede". Bottingambachten  behoorden dan ook tot het oudste
  woongebied van Holland. (B34).
  1096-1099. Eerste kruistocht. (B143) (K).
  Toen de eerste  kruisvaarders  in  1099 Jeruzalem veroverden  troffen zij
  daar in de  nabijheid van het heilige graf bij de Onze  Lieve Vrouwenkerk
  een hospitaal  tevens  herberg,  gewijd  aan  Johannes  den  Dooper  aan.
  Godfried bracht het tot nieuwe bloei en paus  Paschalis II  nam het onder
  zijn bescherming. Raimond du  Puy  organiseerde het  als  een geestelijke
  ridderorde, om zieken te  verzorgen en voor het  Christendom te strijden.
  De  orde  van  de  Hospitaalridders droegen een rode  mantel  met een wit
  kruis. (B145) (K).
  Ca. 1100. De graven  in  Holland hadden vrij spel in hun gebied. Dat kwam
  omdat het aan de ene kant begrensd werd door de zee en aan de andere kant
  door grote meren en moerassen. (B96). (V).
  Met veel gronds kunnen wy vaststellen dat  het  (Bleiswijk)  zelfs  reeds
  voor of  in  den  jaare  1100  bekend was, daar omtrent dien tyd het slot
  Craanenburg  gebouwd  is;  doch hier van nader - wy blyven intusschen van
  den waaren ouderdom in het onzekere, even als van den naam des geenes die
  men voor stichter, (zo de  Heerlykheid kan gezegd worden een stichter ge-
  had te hebben,) zoude kunnen houden. (B12).
  Gosses  deelt  mede  dat  in Hazerswoude en Zoeterwoude de veencultuur al
  zeer vroeg begonnen moet zijn (voor het begin van de 12e eeuw). (B34) (V)
  
  1100-1200
  In het begin van de 12e eeuw is er sprake van Oostvoorne. (B165).
  Boeken waren zeer zeldzaam, in de 12e eeuw waren zij nog van perkament en
  met de hand geschreven, waarbij ter besparing  van  perkament  veelvuldig
  van afkortingen gebruik werd gemaakt. Tijdens  de kruistochten leerde men
  in Syri de  vervaardiging  van  papier  uit  linnen  lompen en versleten
  henneptouw kennen. In Spanje kenden de Saracenen het reeds. (B145) (K).
  De  Beukelsdijk was een onderdeel van een 12e eeuwse dijk, deze werd aan-
  gelegd door de heren Bokel. (B49).
  In de Nederlandse gewesten bestond de ridderschap in de 12e eeuw  voorna-
  melijk  uit  ministerialen,  dienaren  van onvrije geboorte, die door hun
  heer tot hogere bestuursfuncties of tot de ruiterdienst bestemd  waren en
  daarvoor een dienstleen kregen. (B136).
  Tot rond 1100 was het voedsel van alle bewoners van ons land eentonig, de
  hoofdmoot betond uit graanpappen, daarnaast vis, eieren en vlees. Door de
  kruistochten leerde men ander, duur voedsel kennen. (B104).
  Na ca. 1100 werden de houten burchten vervangen door van  steen  gebouwde
  burchten. (B96).
  De Gantel die het water  uit  Delft afvoerde was lang en dreigde dicht te
  slibben. Dit probleem werd rond 1100 opgelost  door  het  graven  van  de
  Delf. Ter  hoogte  van  de  Kandelaar sloot de Delf aan op de veenstromen
  Leede en Schie. (B99).
  Vast staat dat er in Pijnacker al rond 1100 een  kerkje  heeft gestaan op
  de plaats van de latere scheve toren van Pijnacker. (B109) (K).
  De vervening van Holland nam ruwweg een aanvang in de 12e eeuw. (B34).
  In een oorkonde van 1101 "comes de Hollant" - graaf van Holland; pas  met
  het graafschap van Dirk V is het graafschap Holland een feit. (B107).
  Al  in  de  12e  eeuw water er schutterijen of gilden van schutters, wier
  taak het was de stad tegen onheil te beschermen. In de late  middeleeuwen
  werden er ook op het platteland schutterijen opgericht. (B103).
  De  Schie  ter hoogte van Ruiven heette oudtijds niet Schie maar Delf. De
  stad Delft, oudtijds Delf ontleent haar naam aan het water  waar  zij aan
  ligt. Een Delf is een door mensenhanden gegraven vaart. (In Zeeland  komt
  dit woord nog voor in den vorm van Dulve, d.i. sloot). In 1157  blijkt de
  Delf al gegraven te zijn en had er zich daar  ook  een  nederzetting  ge-
  vormd. In een register van 1105-1120 wordt de Delf echter ook al genoemd.
  In  1106  traden  Hollanders  als  kolonisten op in Duitsland. (Bremen?).
  (B44).
  Onder  Bleiswijk  stond in vroeger tijden aan de westzijde der  Oude Lede
  het riddermatig huis "Kranenburg", dat in 1106 gesticht was door Alewijn,
  burggraaf  of  tweeden  kastelein van Leiden. Het slot Kranenburg dat als
  een der oudste riddermatige huizen van den omtrek aan het geslacht Wasse-
  naar verviel, waarvan een tak de naam  Kranenburg  aannam.  (B29).  (Slot
  Kranenburg bevond zich volgens het 13e eeuwse kaartje van Beekman  ca.  1
  km ten oosten van  het  noordelijkste  punt  van  de  latere  Noordpolder
  Berkel) in Bleiswijk nabij het op de Rotte aansluitende watertje Leede.)
  Byzonderheden. Hier onder zouden wy, mogelyk kunnen betrekken, de  plaats
  alwaar het aloude slot  Craanenburg,  reeds  meermaale  genoemd,  gestaan
  heeft;  hetzelve  werd  gesticht door zekere Alewyn, tweede Castelein van
  Leiden, in den  jaare  1106, wiens afstammelingen het veele jaaren hebben
  bezeten, met 200 morgen lands,  daar  om- en aan gelegen, en uit welk ge-
  slacht het is overgegaan, aan dat van Wassenaar, waarvan Bartholomeus van
  Wassenaar getrouwd was, met  ... van  Bleiwsyk,  van welke afstammelingen
  een tak den naam Cranenburg  heeft  aangenomen; dan, dit slot heeft waar-
  schynelyk ten  tyde van de  Hoeksche  en Kabeljauwsche verdeeldheden, den
  storm  der  verwoestingen  moeten  ondergaan, en door de verveeningen zyn
  daarvan  geene  de  minste  overblyfsels meer te vinden, zo dat wy deezen
  aangaande onze leezers niet verder kunnen heenwyzen, dan gelyk gezegd is,
  slechts in aandenken te beschouwen,  de  plaats  alwaar  hetzelve gestaan
  heeft. (B12).
  Cranenburg  blijkt  evenwel  een voormalig adelijk Huis te Bleiswijk (een
  nabuurdorp van Zevenhuizen) a/d Rotte te zijn geweest dat  waarschijnlijk
  in de Hoekse en Kabeljouwse twisten is verwoest. In 1106 was dit slot van
  Bartholomeus van Wassenaar, die het hoofd van een nieuw geslacht werd  en
  de naam van dit adelijk Huis heeft aangenomen.
  Bij gebrek aan mans oir kwam het  later  door  huwlijk  van Elisabeth van
  Cranenburg Engelsdochter met Adriaen van der Houve in het  bezit  van dit
  huis Van der Houve, waarin het niet lang  bleef,  aangezien  hun  dochter
  Margaretha  het  door  haar  huwlijk met Huybert van der Meer Pieterszoon
  weer in diens geslacht bracht. Deze Huybert van der Meer werd in 1512  op
  de rijksdag te Keulen door Keizer Maximiliaan van Oostenrijk verheven tot
  edelman van het Heilige Roomse Rijk. Hij overleed in 1514 te Eijk-en-Dui-
  nen bij Den Haag. Dit geslacht werd ook wel  genoemd  Van  der  Meer  van
  Cranenburg en was ook in Leiden woonachtig. (B126) (HK).
  "Men dient te beseffen dat in de twaalfde eeuw niet  alleen  de  Maasmond
  zich veel verder  noordelijk  uitstrekte  dan  thans, zoodat Naaldwijk en
  Monster aan den rand van het vasteland lagen, maar bovendien verscheidene
  wateren nog in open verbinding met de zee stonden: De Schie, welks boven-
  loop, gelijk gezegd,  denkelijk door de Oude Lede en de Striklede gevormd
  werd.  Reeds  Beekman  heeft  geopperd,  dat het kromme deel van de Schie
  niets anders zou kunnen wezen dan de voortzetting van het eveneens  krom-
  me, dus natuurlijke watertje dat achtereenvolgens Striclede en Lede heet-
  te en  welks bovenloop nog in de Strikkade ten westen van Pijnacker en in
  de  Oude Lee (langs het dorp van dien naam en in den Akkersdijkschen pol-
  der) terug te vinden is." (B06) ( Gezien de ligging is het echter ook mo-
  gelijk dat de Oude Lede aansloot op de Hark bij Ketel die in de Maas uit-
  monde of de Kene bij Schipluiden die via de Sparte naar de Maas liep.  De
  meest natuurlijke loop is die via de Hark bij Ketel.  De  schrijver  I.H.
  Gosses (B04) is van mening dat dat onmogelijk  was omdat de kerk te Schie
  dan onmogelijk onder Vlaardingen zou kunnen vallen.) (K).
  In de twaalde en dertiende eeuw is de invoering van de baljuw functie een
  algemeen Westeuropees verschijnsel, een uiting van macht der  landsheren,
  die hun territoria in baljuwdistricten verdeelden, waar de baljuw als hun
  plaatsvervanger optreedt. (B26).  In  de  grafelijke baljuwschappen wordt
  een baljuw  direct  door de graaf benoemd. In de heerlijke baljuwschappen
  werden de baljuws door de lokale heer benoemd, maar alleen als de heer de
  hoge  heerlijkheid  over  dat  gebied bezat. (B26). De graven van Holland
  kenden  in  hun  land  reeds voor  de invoering van de baljuw functie een
  functionaris  die optad  als vertegenwoordiger van de graaf n.l. de burg-
  graaf. (B26).
  De burcht  in  Leiden  was  in  1108  in  handen van de Utrechtse leenman
  Adelwinus de Ledene, omstreeks 1125 trad diens familie in diens  geslacht
  in grafelijke dienst. (B70).
  Adelwinus de Ledene, getuige oorkonde 1108, had in 1108 meerderjarige zo-
  nen. (B152).
  1113. De aartsbisschop van Hamburg schenkt veengrond aan Hollandse  kolo-
  nisten ter ontginning. (B126) K).
  1118. De orde van de Tempeliers werd in dit  jaar  door een negental rid-
  ders, waaronder de Vlaming Godfried van St. Omaars, gesticht met het doel
  pelgrims op hun reis van de kust  naar  Jeruzalem  tegen Sacraceensche en
  andere vagebonden te beschermen. De opvolger van Boudewijn I  schonk  hen
  een woning nabij de Tempel van Salomo, vandaar hun naam. Zij droegen wit-
  te mantels met een rood kruis. (B145) (K).
  In 1121 plaatste Petronella, de weduwe van Floris II, haar kapelaan  Axe-
  linus in het klooster (van Egmond) en maakte hem abt om op deze wijze  o-
  ver de goederen van de abdij gemakkelijk te kunnen beschikken.  Axelinus,
  weinig op de hoogte van het kloosterleven verkwistte de inkomsten,  zodat
  de monnikken gebrek begonnen te lijden. Naar aanleiding van de  bouw  van
  een  nieuwe  abdijkerk  benoemde de gravin drie leken tot leiders van  de
  kerk, die op deze wijze de beschikking kregen over de goederen der  kerk,
  deze  roofden  en er  de bruidsschat hunner kinderen mee betaalden.  Toen
  dit alles verkeerd liep besloot Petronella op  aansporing  van   bisschop
  Andreas van Utrecht om een geschikt persoon uit het klooster van Gent  te
  zenden, die als abt orde op zaken zou stellen.  De  nieuwe  abt  Walterus
  kwam in 1130 en heeft in de  geestelijke  en  stoffelijke  positie van de
  abdij verbetering gebracht. (B125). (K).
  1124/1129 Onder abt Acselinus van Egmond geschreven St. Adelbertsboek of:
  "Liber  sancti  Adalberti":  "In Ruvene 16 libras. Juxta Delf 10 mansus 6
  libras.  In  Scipliede 20  libras. Ex parte Delf 9 mansus 9 libras. Juxta
  Scie duo mansus Adaloldi 9  unicias; item mansus Walteri 6 unicias et una
  fiertella 30 denarios." (B146) (K).
  De  Swet  van  Manthete scheidt het tiendgebied van Delft (Hof van Delft)
  van dat van Schieland;  (de grens loopt) naar de Lede (Oude Lede), van de
  Lede  naar de Striclede en van de Striclede naar het einde (het onbegaan-
  bare veen)". De toevoegingen () stammen uit de dertiende eeuw. Bron: Gra-
  venregister van 1125.  Een  Zwet is een grensscheiding gewoonlijk gevormd
  door een sloot, deze Zwet is/was niet de "Berkelse" Zwet. (V).
  In 1125  wordt al gesproken over het onbegaanbare veen in Berkel. Globaal
  kunnen we  stellen dat de vervening van Berkel en Rodenrijs heeft plaats-
  gevonden tussen de 13e en de tweede helft van de 19e eeuw. (B&R) (V).
  In 1128 erfde Christiaan, heer van Weena,  Beukelsdijk  en  Blommersdijk,
  tweede  zoon  van  heer  Alewijn,  burggraaf  van Leiden, de goederen van
  Berkel en Bleiswijk. (B29).
  In 1130 verzocht men aan abt Arnaud van de St. Pietersabdij van Gent  een
  monnik naar Egmond te zenden die de vervallen toestand  in  de abdij  kon
  herstellen. Walter, de proost van Harnes  in  Henegouwen werd tot abt van
  de abdij van Egmond benoemd op 7 september 1130, hij overleed 28-11-1161.
  (B148) (K).
  1133. Petronella van Saksen, weduwe van Floris  II  van Holland  stichtte
  het benedictinessenklooster te Rijnsburg, zonder enig verband  met Egmond
  of  medewerking van die abdij. De gravin liet zusters komen van  het Sak-
  sische klooster St"tterlingenburch. Bisschop Andreas van Kuyk  wijdde  de
  kerk op 15 september 1133 in. Het bleef evenals Egmond voorlopig  een ei-
  genklooster  van  de graaf;  maar  in 1140 droeg graaf Dirk VI  Egmond en
  Rijnsburg over in eigendom van de heilige stoel. Beide genoten  sindsdien
  de bescherming van de paus. Later werden slechts hoogadelijke  nonnen  in
  het convent opgenomen. (B125). (K).
  De in 1133 gestichte abdij van Rijnsburg is in de 80 jarige  oorlog  ver-
  dwenen. (B165).
  Ten  gevolge  van  een  onenigheid  met  gravin Petronella, de weduwe van
  Floris  II  de Vette (overleden in 1122), verloor de Egmondse abdij in de
  12e eeuw zijn betekenis  als mausoleum van het grafelijk huis. Petronella
  stichtte n.l. op een  grafelijk goed te Rijnsburg een Benadictijner abdij
  voor adelijke vrouwen in 1133. (B118). (K).
  De  windmolen  (standerd molen) in Engeland ca. 1137, Frankrijk ca. 1180,
  in Belgie 1183 en in Merum limburg in 1240. De oudst  bekende  afbeelding
  van een standerd molen is van 1275. Het  waren  vooral  de  Cistercinzer
  monniken die zich bezig  hielden  met  molenbouw en nieuwe ontwikkelingen
  daaraan. In het begin allemaal korenmolens. (K) (M).
  In 1139 kwam ook graaf Dirk VI van Holland  (de zoon van Floris II)  naar
  Jeruzalem. Hij werd op zijn  tocht  vergezeld  door  zijn gemalin Sophia,
  dochter van Otto, paltsgraaf aan den Rijn. Dirk VI zag zijn ijver beloond
  door den paus, die op zijn  verzoek  de  abdijen  van Egmond en Rijnsburg
  vrij verklaarde  van  de  Utrechtse kerk en  deze  rechtstreeks onder den
  Heilige Stoel stelde. (B145) (K).
  Vroegst  bekende  vermelding  Papswoude  (Popswoude/Poptestwolde) < 1144.
  (B04).
  Papsou  =  Popteswolde  = woud  van Popta ) Popta is een Friese mansnaam,
  waarschijnlijk  de ontginner van deze streek in de 11e eeuw). Latere naam
  Abtswoude. (B39) (O).
  Vroegst bekende vermelding Akkersdijk (Vrouwenrecht) 1144.
  Omstreeks  1140  schonk  gravin  Petronella  aan  het door haar gestichte
  klooster Rijnsburg een aantal hoeven. Dit gebied heette voortaan Vrouwen-
  recht, naar de abdis (vrouwe) van Rijnsburg. (B39). (K).
  In  Jeruzalem  werd door een Duitscher en zijn vrouw een huis tot verple-
  ging van Duitsche pelgrims gesticht, daarnaast bouwde hij daar een kapel.
  Er  vormde  zich  een  congregatie  van  ziekenbroeders,  die  door  paus
  Coelestinus II  in 1143 erkend en onder het toezicht van den grootmeester
  van de Hospitaalridders gesteld. Uit deze broederschap ontstond tegen het
  einde van de  12e  eeuw de Duitse Orde, wier ridders in witte mantels met
  een zwart kruis gekleed gingen. (B145) (K).
  Al zeer vroeg, voor 1144 was het klooster te Rijnsburg begiftigd met o.a.
  6 hoeven  gelegen  aan  de  Lede, die later een gedeelte van Vrouwenrecht
  zouden gaan vormrn. [Op een  kaartje  van  ca. 1400 ligt dit gedeelte van
  Vrouwenrecht tussen de Oude Lede, de Akkerdijkseweg en de Schie in]. (K).
  1147-1149. Tweede kruistocht. (B143) (K).
  De ontginning van Zegwaard begon omstreeks 1150. (B01) (O).
  Midden 12e eeuw, t.g.v. overstromingen werd het gebied ten zuiden en  ten
  westen van de lijn Loosduinen-Rijswijk-Maasland bedekt onder een kleilaag
  van  max.  1 1/2  m  dikte.  Gespaard  bleven  slechts de duingronden bij
  Monster  en Naaldwijk. Door de overstromingen werden bestaande woonplaat-
  sen en landbouwgronden verwoest. (B135).
  In het midden van de 12e eeuw  werd  het  gebied  aan  weerszijden van de
  Schie-Delf geteisterd door grote overstromingen. (B99).
  Niermeyer (B06) spreekt over 1150 als jaar dat de Oude Maasdijk (zeedijk)
  klaar was. De dijk kwam tot stand in het midden van de  12e  eeuw.  (1150
  voltooid). (B06).
  Reeds veel vroeger had de abdij (Abdij van Egmond)  over  de  tienden  in
  Rodenrise beschikt, omstreeks 1161  ((Oork, I, no 140).  (B03, blz. 52.).
  Het ambacht van Roderise wordt genoemd tusschen 1130-1162 (Oork. I, 140),
  Daniel van Rodenrise wordt vermeld  in  1156  en 1168 (Oork. I, 133, 147)
  (B03) (K).
  Abt Wouter van Egmond (1130-1161) schenkt aan het  ziekenhuis  te  Egmond
  inkomsten uit landerijen o.a. tienden uit Rodenrise. (B13). (K).
  Ad uses serviencium  et hospitum et reliquias fratum insuper  et  deciman
  in Roderinse. (Goederenlijst onder abt Walter/Wouter 1130-1161). (B146).,
  (K).
  De Vlaamse graaf Dirk van den Elzas in 1164 voor de 4e maal naar het Hei-
  lige  land  getrokken kwam in dat jaar in Jeruzalem aan. Dirk keerde naar
  Vlaanderen terug en stierf daar in januari 1168. Hij werd opgevolgd  door
  zijn zoon Philips van den Elzas. Graaf Floris III van Holland had  van de
  afwezigheid van Dirk gebruik  willen  maken,  om de  leenheerschappij van
  Vlaanderen over Zeeland af te schudden, maar hij was  tweemaal  verslagen
  en ten slotte gevangen genomen. Na Philip's troonsbestijging  (1168) kwam
  Floris vrij en zag van verdere aanvallen op Vlaanderen af. (B145) (K).
  In 1184 maakte  hij  zelf (Floris III van Holland) een pelgrimstocht naar
  Jeruzalem. Zijn moeder Sophie, was er reeds tweemaal heengetogen, o.a. in
  1173 met zijn broeder, graaf Otto van Bentheim en vergezeld door IJsbrand
  van Haarlem. Zij overleed op de 3e reis in 1176 te Jeruzalem en  werd be-
  graven in het hospitaal van de Duitse pelgrims. (B145) (K).
  De Maasdijk werd verbeterd en voltooid omstreeks 1170-1180. (B137).
  Rond 1175 werd de Hargpolder bij Ketel bedijkt met financile hulp van de
  abdij  van  Egmond.  "Herstel  dijk Malink (onder Ketel) en aanleg nieuwe
  dijk in Hargan (Ketel)". (B22). (K).
  De  baljuw  functie is omstreeks 1178 in het gebied van de graaf van Hol-
  land geintroduceerd. In 1213 trad er een baljuw van Holland op en in 1230
  bestond het grote baljuwschap Holland. Later in de dertiende eeuw volgden
  afsplitsingen en vormden er zich kleinere eenheden, die kunnen worden om-
  schreven als regionale baljuwschappen (zoals Rijnland, Delfland en Schie-
  land). (B26).
  Rond  1179 werd het eigenkerkrecht vervangen door het patronaatsrecht. De
  adelijke  heren werden i.p.v. eigenaar beschermheer (patroon). Het patro-
  naatsrecht viel geheel onder de kerkelijke rechtsmacht. (B13) (K).
  1189-1192. Derde kruistocht. (B143) (K).
  1188/1189. Tot hen die het kruis opnamen behoorden: graaf Floris III  van
  Holland, zijn zoon Willem en zijn broeder Otto I graaf van Bentheim, heer
  Hendrik van Kuik, graaf Otto I van Gelre, de hertogen van Limburg en Bra-
  bant, de graven van Loon enz. (B145) (K).
  Na aankomst in Antiochi,  breekt  een  ernstige  epidemie  uit.  Tot  de
  slachtoffers behoort graaf Floris III van Holland, die op 1 augustus 1190
  overlijdt. Hij wordt begraven in de kerk van St. Pieter,  nabij  het graf
  van den keizer. Zijn jeugdige zoon Willem, die hem  tegen zij zin gevolgd
  was, vergezelt Frederik van Zwaben naar Arce.  In  oktober 1190 komen zij
  daar aan. In  1191,  na  de  bezetting  van  Acre op 12 juli 1191, keerde
  Willem  van  Holland naar zijn land terug, waar zijn broeder Dirk VII aan
  de  regering  was  gekomen. Deze  gaf hem een  gedeelte van Friesland ten
  Oosten van het Vlie, dat in de 12e eeuw door den keizer aan de graven van
  Holland was geschonken. Toen  Dirk  stierf  en door zijn dochter Ada werd
  opgevolgd, betwiste Willem  zijn  nicht  de  opvolging.  Met  behulp  van
  Kennemers en boerenvolk uit den omtrek van Leiden, slaagde hij  er in het
  graafschap Holland te overmeesteren. (B145)(K).
  Oorkonde  No. 540 van 1198. Graaf Diederik VII van Holland schenkt aan de
  vicarie ter nagedachtenis van zijn vader Floris en gesticht aan de noord-
  zijde  van  de  kerk  van St. Marie te Utrecht, enig land aan de Poel bij
  Naaldwijk. (Naltwic). (B94) (K).
  De Heerlijkheid Rhoon ontstond in 1199. (B01).
  Het stichtingsjaar van Rhoon, 1199 (B106).
  
  1200-1300
  In de middeleeuwen viel vanaf ca. 1200 de Hollandse bevolking  uiteen  in
  twee groepen n.l.: 1) huislieden, te weten vrije en  onvrije  personen en
  2) welgeborenen. (B26).  Voor  beide  groepen bestond  er een rechtskring
  resp.:  schout en lage vierschaar en baljuw en hoge  vierschaar (welgebo-
  ren mannen) (B26).
  Het  stadje  Schoonhoven  is ontstaan rond de burcht die Jan van Lede aan
  het begin van de 13e eeuw hier liet bouwen. (B165).
  De  kerk  van  Haastrecht  heeft een  vroeggotisch (13e eeuws) onderstuk.
  (B165).
  De toren van de kerk van Noordwijkerhout is van oorsprong  13e  eeuws  en
  werd in de 14e eeuw verhoogd. (B165).
  De grote Gotische kruiskerk van Noordwijk-Binnen met toren uit de 13e
  eeuw deelt de Voorstraat als het ware in tween. (B165).
  1200.  Aan  het  eind van de Schie in de latere polder  Schieveen lag een
  tweede Hof te Schie, waartoe o.a. het ambacht Rodenrijs behoorde. Het am-
  bacht waar graaf  Dirk  II reeds een hof bezat grensde aan de Schie, Oude
  Lede, Stricklede en ten oosten aan de landscheiding. Dit hof bestond  uit
  13 hoeven en 360 ha grond. (B37).
  Het  in  de  13e,  14e en 15e eeuw 't Rintveen geheten deel van de polder
  Ackersdijk bezuiden de Oude Leede, behalve 3 morgen in de noordoost  hoek
  en behalve de Zwetkade. (B64).
  Nieuw-Lekkerland komt reeds in de 13e eeuw voor als kerkdorp  "Leckelant"
  (B113) (K).
  Rond de 13e eeuw was de gemiddelde leeftijd van de mens 35 jaar. (B93).
  De Hofstad  De Tempel moet ergens in het begin van de 13e eeuw zijn  ont-
  staan. (B99).
  Het  woord  "Hofstad" vonden we in de 13e en 14 eeuw  in:  Leiden (1223),
  Schie (1268), Monster (1281), 's Gravenzande  (1281), Schipluiden (1295),
  Barendrecht (1320), Rijswijk (1330), Oegstgeest (1355), Rodenrijs (1393).
  (B106).
  In de 13e eeuw werden ook rechtsgebieden uitgegeven die kleiner waren dan
  de baljuwschappen  maar  ook  hoge heerlijkheden vormden. De uitgifte van
  deze  kleine  hoge  heerlijkheden aan lokale heren paste in de grafelijke
  politiek om de ontginning te stimuleren van kleine woeste gebieden. In de
  13e en 14e  eeuw  onstaat  er maar af en toe een nieuw lokaal baljuwschap
  een tweede generatie  lokale  baljuwschappen ontstaat in en omstreeks het
  eerste kwart van de 15e eeuw. (B26) (O).
  Van  Hazerswoude,  Zoeterwoude,  Rijnzaterswoude en Esselijkerwoude wordt
  vermeld, dat ze in de 13e eeuw al  veen  hadden.  (Van  den  Bergh,  64).
  (Veenderij  terminilogie,  H.  Crompvoets,  1981). In de Rijnlandse veen-
  streek ligt op enkele plaatsen  een  oudere verkaveling onder de huidige,
  jongere (die van de dertiende eeuw dateert). (B25) (V),
  Nootdorp is een ontginningsdorp, vermoedelijk in de  13e  eeuw  ontstaan.
  (B01) (O).
  Het dorp  De Lier, voor het eerst vermeld in 1201 is ontstaan aan het ri-
  viertje De Lee. (B01).
  1202-1204. Vierde kruistocht. (B143) (K).
  In 1202 is het hoogheemraadschap Rijnland ontstaan. (B25).
  In 1203 in er al sprake van een Tempelveld, omgeving Dordrecht. (B46).
  Willem I heeft na 1203 (tijdens zijn leven) Friese  kolonisten in Holland
  gehaald, voor ontginning en voor dijkbouw, onder het  patronaat  van  hun
  heilige, St. Odulf (de patroon van het bekende Staverse klooster  en  van
  de hele Friese Zuidhoek). (B25) (K) (O).
  De omzetting van het oude  ambt  van  castellanus, in een leen, burggraaf
  van Leiden, vermoedelijk ca. 1204. (B152).
  Oorkonde No. 569 van 1204-1209 of 1216-1225. Vermelding  van  Suythollant
  (Zuythollant). (B94).
  In 1211 schonk de graaf belangrijke vrijheden aan de lieden van de  abdij
  in Popswoude. (B148) (K).
  1212. Kinderkruistocht. (B143) (K).
  Vroegst bekende vermelding Vrijenban 1212. (B04).
  Vrijenban,  het  poldergebied  waartoe Delfgauw behoorde werd in de jaren
  1212-1214 al genoemd. (B17).
  Oorkonden No. 611 en No. 612 van 1213. De elect Otto vergunt aan de abdij
  Marinweerd op haar goed te Naaldwijk eene kapel te stichten onder zekere
  bepalingen en schenkt haar tiendvrijheid aldaar. (B94) (K).
  Hartman D. (165) vermeldt, dat er rond 1215 in Holland al  geturfd  werd.
  (Veenderijterminilogie, H. Crompvoets, 1981) (V).
  Bokel  (van Matenesse)  (1200, 1215/1216) wordt gezegd gesproten  te zijn
  van "die van Roederyse". (B03).
  Tot de Nederlanders die het eerst in Syri aankwamen,  behoorde  bisschop
  Otto II van Utrecht, een zoon van  Bernhard  van  der  Lippe.  (1216) Uit
  Holland kwam graaf Willem I, deze was door de paus met zijn gehele graaf-
  schap in den ban gedaan wegens  het  feit, dat hij zijn nicht Ada van den
  grafelijken  troon  had  beroofd.  Hij  belaste  zijn  neef Boudewijn van
  Bentheim, voor de duur van zijn afwezigheid en stak 29  mei  1217 met een
  aantal welbemande koggen in zee. Graaf Willem  landde  30 juli  1217  bij
  Alcazar en sloeg het beleg van die stad, op  21  oktober 1217 gaf de stad
  zich over en in november  keerden  de  kruisvaarders terug naar Lissabon,
  waar zij overwinterden. De  Hollandse  graaf  bracht  verslag  uit aan de
  paus; deze drong aan op voortzetting van de tocht. In  het  voorjaar  van
  1218 ging men weer onder zeil en bereikte tenslotte Acre. Graaf Willem  I
  schijnt in den herfst van  1219  te  zijn  teruggekeerd (in Holland), hij
  reisde over Itali en bezocht de nieuwe keizer  Frederik II, die hem zeer
  genegen was te Frankfort aan den Main. Hij huwde  de keizerinweduwe Maria
  van Brabant en stierf in 1223. (B145) (K).
  In  1220  verwierf  Dordrecht als eerste der Hollandse steden stadsrecht.
  (B165).
  1222.  Graaf Floris IV staat aan Dirk van Wassenaar en diens vrouw  Berta
  toe dat hun grafelijke lenen onsterfelijk zullen zijn en bepaalt de volg-
  orde van erfopvolging. (B54).
  1222. De watermolens van de poort Zieriksee worden  door  graaf  Willem I
  aan zijn echtgenote Maria geschonken als bruidsschat. (Molendina aquatica
  de Syricepor[t]h.) (B46) (M).
  Het kasteel Duivenvoorde in Voorschoten heeft reeds een  lange  historie,
  rond 1225 wordt er reeds over een huis op deze plek gesproken. (B165)
  Stormvloeden kwamen voor in 1164, 1170, 1173, 1180, 1196, 1219,  1281  en
  1287-1288.  Bij  de stormvloed  van 1164 kwam het water tot in de Ackers-
  dijkse polder. Men acht het zelfs niet uitgesloten dat in de 12e eeuw de-
  len van Schieland en mogelijk ook Delfland gedurende 50 jaar onder  water
  hebben gestaan.
  1228-1229. Vijfde kruistocht. (B143) (K)..
  Oorkonde  No.  823  van  1231.  Bisschop  Wilbrand  bevestigd  de   abdij
  Marinweerd  in  hare  bezittingen.  O.a.  goederen te Naaldwijk en Lier.
  (Naltwick et in Lira). (B94) (K).
  1233, uitgifte van woest land ter ontginning in Waddingsveen. (B35) (O).
  De  stichter  van  Den Haag  is  de  Hollandse graaf Willem II, de latere
  Roomskoning. Hij regeerde van 1234 - 1256 en nam in 1249 Aken in. (B165).
  Oorkonde No 879. van 1235. Albert van Wulven bezat vier morgen  land  met
  de tienden  in Kovelwade  en schenkt deze aan het kapittel van St. Jan te
  Utrecht en in de plaats  daarvan ontvangt hij twee erven in Vinkenesse en
  een halve hoeve in Bodegraven in leen van de bisschop. (B94) (K).
  Oorkonde  No. 922  van  1238.  De  elect  Otto  zondert  het  gebied  van
  's Gravenzande langs de Oude Maas tot aan eene sluis, die aan de kerk van
  Monster had behoord, af van het kerspel Monster en wijst het toe  aan  de
  door gravin Machteld te 's Gravenzande gestichte kerspelkerk. (B94) (K).
  Oorkonde no. 929 van 1238. De elect Otto neemt het nieuw door wijlen zijn
  broer graaf Klorens en diens echtgenoot gravin Mathilde  gestichte kloos-
  ter te Loosduinen in bescherming en geeft daaraan het recht eigen  pries-
  ters en een kerkhof te hebben. (B94) (K).
  Oorkonde No. 943 van 1239. Elect Otto vergunt het kapitel van  St. Jan te
  Utrecht  eenen  wetering te graven in het veen, liggende  naast 's kapit-
  tels bosch  de  Vuursche, en vandaar langs Soest tot aan  de Eem (enz..).
  (B94) (K) (V).
  Oorkonde No. 949 van 1240. De proost Diederik en het  kapittel ten Dom te
  Utrecht  geven  hunne  goederen te Leiderdorp in  erfpacht aan Alewijn en
  anderen. (B94) (K).
  Oorkonde  No.  969  van  1241.  Willem, graaf van  Holland, geeft aan het
  Duitsche huis het patronaatsrecht  der  kerken te Valkenburg en Maasland.
  (B94) (K).
  Oorkonde  No.  989  van  1242.  De  elect  Otto wijst de bewoners van het
  nieuwe,  door  gravin  Machteld  en  haar  zoon  graaf Willem van Holland
  bedijkte land aan het kerspel 's Gravenzande toe. (B94) (K).
  Oorkonde No. 1041  van 1245. Bisschop Otto geeft aan de kerspellieden van
  Maasland, die wonen van Oostbuurt tot aan de Maas en van de Scheewatering
  tot aan Naaldwijk, vergunning om binnen die grenzen eene eigen kapel, met
  doopvont en begraafplaats, te stichten. (B94) (K).
  Delft kreeg stadsrechten in 1246. (B165).
  Oorkonde  No.  1109  van  1247.  Aanteekening  omtrent  zekere  bij Delft
  gelegene landerijen, welke door den Roomsch-koning Willem op 1 maart 1247
  te Rijnsburg aan  zijne moei Richarda, jonkvrouwe van Holland, gegeven en
  door deze sedert aan de Duitsche orde geschonken waren. (B94) (B162-oork.
  no 1085) (K).
  "Naar  de  plaats  waar  naderhand  Rijnland  aan  Delfland aan Schieland
  grenst.  Daar  vinden  wij al zeer vroeg een lagen dijk die soms de Land-
  scheiding, maar  meestal de Zijdwinde wordt geheeten. Haar westelijk deel
  tusschen het  Bosch  en  Zoetermeer  heet in stukken van vroeger en later
  tijd meer bepaaldelijk  de Ovenzijdwinde: een naam waarmee zij ook wel in
  haar geheel wordt  aangeduid.  Wanneer zij aangelegd mag zijn en op wiens
  kosten,  blijkt niet. In 1324 werden Schieland en Delfland met het onder-
  houd belast. Dagtekening van voor 1246." (B03, blz. 188 en 189). De land-
  scheiding tussen Rijnland  en  Delfland  +  Schieland bestond dus al voor
  1246.
  1248-1254. Zesde kruistocht. (B143) (K).
  Keizer Frederik II van Duitsland stierf in 1250. (B165).
  Het hoogheemraadschap Rijnland is van voor 1255, Fokema Andreae stelt hem
  op ongeveer 1220. (B34).
  Tot en met de 12e eeuw had de gehele Rottestreek slechts n kerspelkerk,
  die  van  Hillegersberg.  In zeer korte tijd is zulks in het begin van de
  13e eeuw veranderd.  Uit Hillegersberg  is o.a. Kralingen gevormd. (B25),
  (K)
  1222.  Graaf  Willem  I  bestemt  100 pond uit de grafelijke inkomsten te
  Delft, Pijnakker, Maasland en Vlaardingen voor de  abdij  van  Rijnsburg.
  (B46) (K).
  1236.  Willem,  ruwaard  van  Holland,  staat aan de abdis en convent van
  Rijnsburg tienden in Rijnsburg en Oegstgeest af in ruil voor inkomsten in
  Pijnacker en Haarlem. enz. "redditibus XII in Pinacker" (B54) (K).
  8-01-1236.  Abdis  en  convent  van  Rijnsburg  ruilden  o.a.  12 pond in
  Pijnacker voor o.a. tienden in Oegstgeest. (B106) (K).
  Gijsbrecht Bokel bleef in 1242 ambachtsheer en tiendbezitter van het ver-
  kochte land van Bleiswijk. (B04).
  6-09-1242. Willem II bepaalt dat wie van Willem Scope en Gijsbrecht Bokel
  land  ter ontginning koopt tussen Rotte en Wilenesbrunne zal zijn vrijge-
  steld van dijklasten. (B18, no 164) (O).
  1242. Graaf Willem II verklaart dat het land in Bleiswijk dat heer Willem
  Scope van hem en van heer Gijsbrecht Bukel heeft gekocht, is  vrijgesteld
  van dijklasten.  enz. "tusschen Rotte ende Wilnesbrunne" (Wilnesbrunne is
  Zevenhuizen  of een gedeelte van Zevenhuizen, het land ligt dus in Bleis-
  wijk) (B54).
  1242. Het is nog steeds een vraag, waar Wilenesbrunne moet worden gezocht
  mogelijk is "Wilders kade" een verbastering van Wilenes. (B160).
  De oudste schriftelijk vermelding van het gebied van  Zoetermeer  dateert
  van 1242. De acte omschrijft het land waarop heer Ghisebrecht  Bokel  het
  recht van de grote en kleine tienden heeft. Hierin worden  ook  Zegwaard,
  Berkel, Bleiswijk en Zevenhuizen genoemd. (B127).
  1248. Stormvloed die tot Delft doordrong. (Op St. Maartensdag). (B118).
  Onder de stormvloed van 1248 had o.a. Delfland te lijden. (B156).
  De Friezen die zich tot  een  kruistocht verbonden hadden, werden door de
  paus van hun gelofte  ontslagen.  In  plaats  daarvan  moesten  zij graaf
  Willem II van Holland, die door invloed van de geestelijkheid  tot koning
  van het Heilige Roomsch-Duitse Rijk was gekozen, bijstaan in zijn  strijd
  tegen de landgraaf van Thuringen, de tegenkandidaat voor het keizerschap.
  Ook vele Hollandse en Zeeuwse kruisridders volgden Willem bij zijn onder-
  neming tegen Aken, waar hij gekroond zou worden. (ca. 1247) (B145) (K).
  Niet  veel later dan het midden van de 13e eeuw zijn de  grafelijke hoven
  van Schie, Rodenrijs, Pijnacker, Tetterode, Aalbertsberg  e.a.,  versnip-
  perd in tal van kleine, losse huurpercelen. (B35).
  Aanleg dijk tussen Bergen en Alkmaar begin 13e eeuw voltooid. (B118).
  Uitgifte  van  een  stuk  wildernis  met tot doel dit tot ontwikkeling te
  brengen; "Zwemencoep" = Swemcoop ca. 1250. Dr. J.F. Niermeyer schrijft in
  zijn  boek:  Delft  en Delfland en hun oorsprong en vroegste geschiedenis
  van 1944 op blz. 58 over "Arnouts Svemen brigghe" en "De naar een zekeren
  Arnout  Svemen  genoemde  brug" en "d.i. Arnout, zoon van Sveme. Sveme of
  Zweme is een mansnaam, die  nog  voortleeft  in  den  plaatsnaam Zwemkoop
  (onder Berkel)". (B&R)
  De Schiedamse Schie is ca. 1250 gegraven. (B05).
  1257 Ruwaard, Floris schenkt het patronaatsrecht en de kerk van Pijnakker
  aan het klooster van Koningsveld. 1261 Bevestiging door Ruwaardes, Aleid.
  (B18, no. 354 en 376). (K).
  Vrouw Aleid (de vrouw van Jan van Henegouwen die in 1257  overleed)  liet
  een woning bouwen in de hoek van de Polderwetering en Schie (Ouwerschie),
  zij liet voor 1260 in de polder Matenesse ook het huis (kasteel)  Riviere
  bouwen. (B38).
  Bisschop Hendrik bekrachtigd de schenking door wijlen Floris,  voogd  van
  Holland,  aan  het  klooster Koningsveld van het patronaatsrecht der kerk
  van Pijnacker. 1259. Oorkonde no. 1499. (B79) (B162 no. 1438) (K).
  Aleyt  van  Henegouwen,  die  kort  voor  1262,  toen zij nog voogdes van
  Holland was de  nieuwen  dam in de Schie had gelegd en Nieuwendam had ge-
  sticht. (B64). 1262 = het geboortejaar van Schiedam. (B64).
  Oorkonde no.  1538  (B162). 10 januari 1264. Bisschop Hendrik vergunt aan
  het H. Geest-hospitaal te Delft een eigen priester-kappelaan te houden.
  Herman  de Witte draagt aan de proost en convent van Koningsveld de ziel-
  zorg  en  de  bewaring  der reliquien in de kerk van Pijnacker op. 1264.
  Oorkonde no. 1626. (B79) (K).
  Oorkonde no 1598 (B162). 24 october 1265. Bisschop  Hendrik  vergunt  aan
  het H. Geest-hospitaal te Delft een eigen kerkhof te hebben  en staat aan
  den kappelaan van dit huis de bediening der Sacramenten toe.
  Gobert  van Perwijs draagt op verzoek van Aleidis van Henegouwen de ziel-
  zorg en de  bewaring  der reliquien in de kerk van Pijnacker over aan de
  proost van Koningsveld. 1265. Oorkonde no. 1669. (B79) (K).
  Het  ambacht  Berkel  was nog geen scherp afgescheiden geheel in 1266. In
  het noorden hielden de  bouw-  en  weilanden op in moer, dat nog tot geen
  administratief  district behoorde. De wildernis kreeg hier de overhand en
  liep  voort,  tot waar een aanzetsel van het ambacht Zoetermeer, Zegwaard
  met Rutkenvene (Roggeveen), van de overzijde in het land opstrekte. (B04)
  In 1266 wordt Roggeveen voor het eerst genoemd en wel in een acte die be-
  trekking  heeft  op  Berkel. Deze acte vermeld, dat de bouw- en weilanden
  van  Berkel  aan  de noordzijde eindigen bij een moerasige wildernis, die
  zich uitstrekt tot aan het ambacht Zegwaart met Rutkenvene. In  Roggeveen
  zit de naam Rutger, vermoedelijk de stichter of de leider van  de  eerste
  kolonisten. (B127).
  Oorkonde 11 december 1266. Waarin Alewijn van  Rodenrise  en  Arnest  van
  Wulven verklaren, dat de kerk die zij te Berkel  gesticht hebben, te alle
  tijde ter collatie van den abt van Egmond zal staan. (B03, blz. 24) (K).
  In  1266  werd de dorpskerk in Berkel gebouwd door Alewijn van Rodenrijs.
  Vanaf  dat  moment  (kerkelijke  samenvoeging) schijnt men pas definitief
  over Berkel en Rodenrijs te spreken. (B04) (B&R) (K).
  Het  abtshuis  in  Overschie  van de abt van Egmond vermeld in 1266. Bron
  Rotterdams jaarboekje 1978. (K).
  Reeds in 1267 had Bleiswijk een kerk. Natuurlijk een dochter van  die van
  Rotte (Hillegersberg). (B04) (K).
  In 1268 gaf graaf Floris V, het de dag ervoor door Aleid aan hem geschon-
  ken goed weer in leen aan zijn neef Floris van Henegouwen (zoon van vrouw
  Aleid) "onse  woninghe  te Nieuwerschie" die hare was en al wat zij bezat
  tussen Ouderschie en de Nieuwe Schiedam, onder voorwaarde dat vrouw Aleid
  dat goed zou bezitten zo lang zij leefde. (B38).
  1270. Zevende kruistocht. (B143).
  Oorkonde no.  1708  (B162). 13 november 1270. N. Domdeken te Utrecht ver-
  klaart, dat Magtildus, dochter van Wiggerus van Craling, voor hem getuigd
  heeft, de tienden van Nieuland bij Craling op zekere voorwaarden in  leen
  te hebben ontvangen van H. abt van St. Paulus te Utrecht.
  In 1272 kreeg Gouda (Ter Gouw) stadsrechten. (B165).
  In 1273 was er al sprake van de Baljuw tussen Scie en Goude. (Schieland),
  (B33).
  In  1273  bepaalt  Floris V dat tussen Schie en Gouwe (Schieland) niemand
  land  mag kopen, tenzij hij in staat is de bijbehorende dijk te onderhou-
  den. (B43).
  Van het baljuwschap Maasland werd reeds in 1276 melding gemaakt. (B34).
  In 1276 is er voor het eerst sprake van een baljuw in het gebied  wat la-
  ter Delfland werd. (B06).
  In de 13e eeuw waren er ook al baljuws, vertegenwoordigers  van  de graaf
  in grote landelijke districten. (B24).
  "In  de lijsten der parochin, die de tienden hadden  betaald,  welke ten
  behoeve van den kruistocht omstreeks het jaar 1270  werden geheven, komen
  Sconrelo,   Vlardingen,   Cralingen,   Blesewiic,    Sevenhusen,    Scie,
  Hildeghersbergh,   Ketel,   Roderise -  allen  tusschen  de  Lier  en Den
  IJsel gelegen - onder het dekanaat van Zuidholland voor." (B03, pag 200).
  (K).
  In 1272 werd Rotterdam ten zuiden begrensd door het  adelijke  slot,  Het
  hof  van  Wena,  gesticht  door  de  heren  van Wassenaar, burggraven van
  Leiden. (B61).
  In  1273  en 1281  vormde Schieland reeds een eigen baljuwschap, maar nog
  geen waterschap onder hoogheemraden. (B03, blz. 22 en 28).
  Het hoogheemraadschap  Schieland  bestond reeds in 1273, het werd gevormd
  door de ambachten Schie (Overschie), Rotte (Hillegersberg), Bleiswijk  en
  Zevenhuizen.  Door bedijking en toevoegingen van Zuid-Waddinxveen en door
  de  uitbreiding  in  1373  met het oosterlijk deel van Zegwaard kreeg het
  heemraadschap  zijn  16e  eeuwse  vorm.   Zuid-Waddinxveen  en  oostelijk
  Zegwaard bleven onder  het baljuwschap Rijnland resorteren. (Voor afwate-
  ring onder Schieland). (B34).
  1276.  Floris  V  verleent Diederic van Zandhorst de ambachtsheerlijkheid
  van Zoeterwoude. (B35).
  Van  het  baljuwschap  de  Zeven  Ambachten werd reeds in 1281 gesproken.
  (B34).
  Het ambacht van Alewijn van Rodenrise en Arnest van Wulven d.i. Berkel en
  Rodenrijs. 1273. (B03, blz. 24).
  De eerste vermelding van het kerspel Bleiswijk vinden we in  het  bekende
  tiendenregister van 1275-1280. Lang kon de parochie toen bezwaarlijk heb-
  ben bestaan. Immers kort voor 1242 werd  deze  veenstraak  door den graaf
  van Holland ter ontginning uitgegeven  aan Gijsbrecht Bokel, een edelman,
  waarschijnlijk residerende op het slot Burgerstein  bij  Rotterdam.  Deze
  verkocht reeds in 1242 den grond maar bleef ambachtsheer  en  tiendbezit-
  ter. De kerkstichting valt uiteraard na 1242 maar voor 1276: dan betaald
  de parochie tienden t.b.v. het Heilige Land. (B147).
  In  1276  is  er  voor  het eerst sprake van een baljuw in het gebied wat
  later Delfland werd. (B06).
  In de 13e eeuw waren er ook al baljuws, vertegenwoordigers  van  de graaf
  in grote landelijke districten. (B24). (1267?)
  Ambachtsheerlijkheid Cool wordt al vermeld in 1280.
  Stichtingsjaren van de kerken in Kralingen en Moordrecht  ca. 1280, Ze-
  venhuizen kort voor 1300.
  De Blijdorpsepolder behoorde oorspronkelijk bij Overschie en de  Bergpol-
  der maakte deel uit van Hillegersberg. (B49).
  Omstreeks 1280 kreeg een zekere Tieman een stuk land in leen  dat de naam
  Ruiven kreeg of droeg. (B39). Thieman van  Ruvene  had 239 morgen land in
  Ruiven in leen. Dit goed van Egmond te  Ruiven wordt ook reeds genoemd in
  een goederenlijst van 1124/1129. (B04).
  In 1280 werd een poldervaart gegraven lopend van Vrijenban naar Schiedam.
  "Zoo in 1280 voor het ambacht dat Diederic Bueckel aan den mond der Rotte
  ingepolderd  had en waarvan verwacht werd, dat het een bevolking zou kun-
  nen krijgen, groot genoeg om het aanvankelijk bepaalde bedebedrag te ver-
  hoogen." (B35).
  1281. Delft en Pinacker behoorden tot de lijftocht van de gravin. (B37).
  In  1281  kreeg Schoonhoven een aantal privileges die met stadsrechten te
  vergelijken zijn. (B165).
  1281. De lijftocht van gravin Mathilde, betaande uit  Monster,  Maasland,
  Lier en Zouteveen en het brengt per jaar 1000 pond op. (B117).
  1281.  De lijftocht van jonkvrouw Ricardis, die bestaat uit Delft, Delft-
  land en Pijnacker en het brengt per jaar 1000 pond op. (B117).
  Oorkonde no. 2006 (B162). 8 juni 1281. Jacobus, deken van St. Jan en pau-
  selijk collector der tienden in het bisdom Utrecht, erkent,  van  broeder
  Jacobus, proost van Koningsveld,  ontvangen  te  hebben de tienden, welke
  dit klooster alsmede de daartoe behoorende kerken van Pijnacker en Schie-
  dam schuldig te zijn.
  Op  20  maart  1281  kocht  heer  Diederik van Teilingen de ambachten van
  Waddingsveen en Polien als leengoed van  graaf  Floris  V  en  daarnaast:
  "Haeswaerdwoude, Benthusen, Segwaerde, Soetermere, Willaemsvene (Wilsveen
  onder Stompwijk) ende dier ander ambochte, die daeran legghen". Op 7  no-
  vember 1282 stierf heer Diederik en de leenen vielen aan de grafelijkheid
  terug. (B04). Tedingerbroek (in Delfland) behoorde tot het veengebied dat
  in 1281 door de graaf aan de heer van Teylingen was verkocht. (B34) (V).
  Bovendien  noemt  Jacob Lois in een handschrift van 1672, dat zich in het
  archief van het Hoogheemraadschap Schieland bevindt, als eerste dijkgraaf
  Danil van  Roderijse  (tevens baljuw van Schieland) en wel in 1281, maar
  deze bewering  laten  wij  geheel voor rekening van Jacob Lois, aangezien
  hiervoor geen enkel bewijs is aan te voeren. (B156).
  1281. Handvest van Floris V waarin Zevenhuizen, Bleiswijk,  Rotte  (later
  Rotteban), Schie (Overschie), het ambacht van  Alewijn  van  Roderise  en
  Arnest van Wulven (Rodenrijs en Berkel) en Broek (Schiebroek)  enz.  ver-
  plicht worden tot gezamelijke bedijking (dijkbeheer). (B03).  Waarschijn-
  lijk  in  verband  met  de  grote overstroming in 1281 welke de dijken in
  Schieland had verwoest. (B22).
  Ca. 1282 "dominus Alewinus Roderise 't ambacht  van  Roderise  tusken  de
  Lantscede ende Striclede, ghedeilt mit haren Arst van  den  Broke"  (B03,
  blz 24).
  1282 Lijst van lenen. "Har Ghisebrecht Bokel: VI pond uter  lentebede  te
  Monster. 't Ambacht te Blesewiic enten tiende, groet ende clene,  opgande
  te  halven  dipe  tusscen  Blesewiic  ende  Zevenhusen, voert opgande van
  halven diepe te halven vene tusscen Berkel enten Segwaert. Den tiende van
  Rotte, groete ende cleinen, opgaenden van Wolfsgaweghe tote den scede van
  Berkel." (B03, blz. 58 en 59).
  In den jaere 1282 is onder Hilgaertsbergh geweest eenen heer  Arnest  van
  Welven, heer van Broeck ofte Schiebroeck; hij was uyt een jonger soon van
  de  heer  van Cralingen,  hij voerde en silvere starre met acht tacken op
  een swart velt, gelijckde heeren van Wateringen voeren. (Bron: Rotterdam)
  In  1282  is  de  landscheiding tussen Schieland en Delfland al aanwezig.
  Niemand heeft zelfs maar bij benadering een verklaring kunnen vinden voor
  de aanwezigheid van een dijk van die lengte op die plaats. Met de verkla-
  ring dat het zou gaan om een lokaal dijkje nemen wij gn genoegen. Voor-
  lopig nemen wij aan dat de landscheiding ook door de Egmonder monniken en
  /of Sint-Paulus monniken is aangelegd.  Als  men nadat de Oude zeedijk in
  ca. 1150 klaar was gelijk is  begonnen  met  de landscheiding dan is deze
  voor 1200 wel klaar geweest. Grootste vraag blijft natuurlijk, waarom een
  landscheiding op die plaats? Wellicht  werd  de landscheiding daar aange-
  legd ter bescherming van de grenzen van het tiendgebied  van de abdij van
  Egmond? "Onbekend blijft wanneer de landscheiding zover noordwaarts in de
  venen is doorgetrokken, dat hij bij de oude  driesprong  de  Brede  Akker
  tussen Berkel en Zegwaard bereikte". "(B11)" (K).
  Dordrecht,  O.L.V. kapel aan de noordzijde van de Grote kerk is gedeelte-
  lijk uit 1280. (B112) (K).
  Het lijkt waarschijnlijk dat er voor 1280 geen molens voor de  afwatering
  bekend waren. Overigens zijn  windwatermolens  zeker  reeds  in  1282  in
  Holland bekend. (B65) (M).
  Zevenhuizen is een ontginningsdorp  vermoedelijk in de 13e eeuw ontstaan.
  (B01).  De  naam  Zevenhuizen  wordt reeds in een "plakkaat" van 1282 ge-
  noemd. (B29) (O).
  Kaartje van 1283. (B64).
  In  de Vijfheerenlanden, welker geschiedenis in 1284 aanvangt en welk ge-
  bied  zijn  naam ontleent aan het feit dat daar 5 landheren, n.l. die van
  Vianen, Arkel, Ter Leede, Hagenstein en  Everdingen  de  septer zwaaiden.
  (B113).
  De stadsrechten van Gorinchem dateren vermoedelijk van 1284. (B113).
  In  1285  werd  Rodenrijs  leenroerig d.w.z.  onder de rechtsmacht van de
  graaf gesteld. Voor 1285 waren de heren van  Rodenrijs in hoog aanzien en
  stonden boven de andere adel. (B07).
  1289/1290. De oorkonde werd op Paasavond uitgegeven. Daar niet bekend  is
  of de Paasstijl werd gebruikt, zijn beide jaren mogelijk. Het betrof hier
  de  oorkonde  m.b.t.  de overgang van Berkel van Schieland naar Delfland.
  (B137).
  "Rodenrijs, dat is te zeggen Berkel en Rodenrijs is in 1289 van Schieland
  tot Delfland overgegaan". (B03, blz. 25 en 26).
  In 1289 laat Floris de Vijfde het  ambacht  van  Rodenrijs  overgaan  van
  Schieland naar Delfland. Het ambacht  Rodenrijs verliest daarbij een stuk
  van haar grondgebied ("lant in Cole ende dien dijc")  maar wordt ontheven
  van het onderhoud aan de Maasdijk. (B&R). Tot 1289 behoorde Berkel en Ro-
  denrijs tot Schieland. (B03).
  Toen in 1290 Berkel en Rodenrijs en een gedeelte van Overschie overgingen
  van  Schieland  naar  Delfland  werden zuidelijk Akkersdijk, de Tempel en
  Schieveen daarin niet betrokken. Tussen 1338 en 1414 kwamen deze toch on-
  der  het hoogheemraadschap Delfland te ressorteren, zij bleven echter te-
  vens onder de  jurisdictie  van Schielands heemraden. Nimmer zijn zij tot
  het baljuwschap Delfland gerekend. (B34).
  Het is bewijsbaar dat het kleine ambacht De Tempel, bestaande uit de hof-
  stad  en 12 morgen land reeds in 1290 bestaat. Bij de overgang van Berkel
  in 1290 van  Schieland naar Delfland wordt de Tempel niet genoemd. Berkel
  draagt vanaf 1290 niet meer bij aan het dijkonderhoud in  Schieland!,  De
  Tempel n.l. wel via het waterschap de 64 Hoeven in Overschie! Waarschijn-
  lijk is het een  kleine plaatselijke ontginning door de van Rodenrijse's,
  jonger  dan  Schieveen  maar  ouder  dan het Hof van Rodenrijs te Berkel.
  (B74) (O).
  Wanneer het gebied tussen de tegenwoordige Bovendijk, de Rodenrijseweg en
  de  huidige Rotterdam-Berkel grens in 1290 al een Vrije en Hoge Heerlijk-
  heid was geweest,  dan zou zij met name zijn genoemd in het charter van 9
  april. Bron: R'dams jaarboekje 1950 "Uit de geschiedenis van de Tempel".
  1289. Oprichting Hoogheemraadschap Delfland. Het huidige Delfland is ont-
  staan uit drie vroegere eenheden, ten eerste de Delflandse (oude)  Schie-
  boezem  ofwel  de Zeven Ambachten, ten tweede de oude bedijking van Maas-
  land/Vlaardingen  en  ten derde het geest- en kleigebied ten westen daar-
  van. Bemoeiing van geestelijke  grondeigenaren  is ook ten aanzien van de
  wording van Delfland wel waarschijnlijk. Maar o.i. ruim zozeer van de ab-
  dij  Marinweerd,  als  van  de abdij van Egmond of de St. Paulusabdij te
  Utrecht. Marinweerd had in Delfland vele bezittingen (met een eigen uit-
  hof, Heimond; later een dochterabdij, Koningsveld bij Delft). (B25) (K).
  Oorkonde no. 2351 (B162). 4 juli  1290.  De  official  van  het  hof  van
  Utrecht gelast den priesters  van  Delft  en  Pijnacker,  den  proost van
  Koningsveld te handhaven in het bezit der kerk van Nieuwendam.
  Het  hoogheemraadschap  en het baljuwschap Delfland moeten tussen 1290 en
  1317 zijn gevormd. (B34).
  3 jan.  1292, Floris V bepaalt dat te Pijnakker de grafelijke lasten over
  alle aldaar gegoeden moeten worden omgeslagen.
  "Zwemcoop,  eertijds  onder  Berkel  en  Rodenrijs,  loc.  cit.   (1295);
  Zuemencoep;  v.  Mieris  Charterb  II,  bl.  61  (1306); Zuevencoep: H.J.
  Moerman 1954 (B44).
  1296.  Het gebied ten oosten van de Rotte behoorde toe aan de graaf.  Het
  gebied  ten  westen  ervan  was  in  1296 door graaf Jan I, in feite door
  Wolfert van  Borselen,  geconfisqueerd  van de heer van Bokel, de bewoner
  van het kasteel Weena. Ook  dit  gebied  gaf  hij  ter bewoning uit, deze
  buurt heette Nieuwpoort, dat later werd verbasterd tot  Oppert.  Door  de
  vestiging van een stad hoopte Wolfert zijn  macht in dit gebied te conso-
  lideren.  Op 17-03-1299  verkreeg  de  Zeeuwse edele Wolfert van Borselen
  stadsrecht voor Rotterdam.  De  Schie, een belangrijk water was in handen
  van Wolferts tegenstanders, de Van Avesnes.  Wolfert  overleed  in  1299.
  (B49).
  Voor Berkel vinden wij de volgende beschrijving  (ca. 1295):  "In  Berkel
  vinden wi denn luden horen upganc van den halven diepe uter Leden (Rotte)
  ten halven vene toe tegens die van Bleiswijjc tote den naeste  lande  van
  Voppe Zivaerts hoeve an die Noirtzide ende voirt van Voppe Zivaerts hoeve
  vinden wij't den grave, al dat dairbuten is, geboent ende ongeboent, tote
  der stede daer Rutkenvene angaet." (B127).
  Rond  1296  werd Zwemcoep (Zwemkoop onder Berkel) voor het eerst genoemd.
  "Voirt van der wildernisse van acht hoeve tote Wike (Wijk  is  een  water
  bij  Bleiswijk)  vinden  wi  den  Grave  tiende  en de ambacht" enz.  "De
  achthoeve" vormde een gebied of een  deel  daarvan  "van Zwemencoep", een
  kleine nederzetting onder Berkel." (B10).
  In  een  grafelijke  keur  voor  Kralingen  wordt voorgeschreven dat land
  alleen gekocht mag worden als de koper de bijbehorende dijk kan onderhou-
  den. 1297 (B43).
  Sedert de stichting van het Hoogheemraadschap Schieland (volgens Teixeira
  de  Mattos  tussen 1296 en 1299) was de baljuw gelijk dijkgraaf en aange-
  steld door de graaf van Holland. (B33).
  Kralingen was  oudtijds een heerlijkheid dat sedert 1299 aan het geslacht
  van die naam behoorde. (B61)
  Nieuwerkerk is op zijn laatst in de 13e eeuw ontstaan (B33).
  Rond  1300  was  de de gemiddelde leeftijd 50 jaar, na aftrek van kinder-
  sterfte. (B24).
  1300-1400
  Pas in de 14e eeuw begon in de Nederlanden de groei van de  geldeconomie,
  er circuleerden b.v. Schilden uit Frankrijk en Nobels uit Engeland en  de
  dubbele Groot, de Groot, de halve Groot en de kwart Groot uit  de  Neder-
  landen. (In de 13e eeuw was de  Karolingse  zilveren penning nog de enige
  muntsoort, in die eeuw werd daar de Groot van 12 penningen aan toegevoegd
  deze Groot werd in de Nederlanden de basis van het muntstelsel). Door het
  grote aantal muntsoorten leverde de boekhoudkundige verwerking  van beta-
  lingen nogal eens problemen op, daarom vertaalde men de ruilwarde van ie-
  dere munt eerst in een standaard rekeneenheid, daarin werd het bedrag ge-
  boekt. De bekendste rekeneenheid was het pond dat onderverdeeld was in 20
  schellingen (s) van 12 penningen (d). (B142).
  Het onderste deel van de toren van de Hillagondakerk van Hillegersberg is
  14e eeuws. (B01) (K).
  Abbenbroek, de N.H. kerk van omstreeks 1300. (B112) (K).
  Katwijk-Binnen, toren N.H. kerk ca. 1300. (B112) (K).
  1303 Jan van Henegouwen, graaf van Holland verleend het privilege van ei-
  gen rechtspraak aan "de gemeene buren van Rorijs". Vanaf dat  moment  be-
  staat de rechtbank uit  schout  en  gesworens.  (B07).  Schout  met  twee
  ambachtsbewaarders  (wethouders)  en 8 agtemannen (gemeenteraadsleden), 2
  uit ieder van de vier blokken in Berkel en Rodenrijs.
  Uit  het handvest van 14 juli 1303 voor Rodenrijs, blijkt dat tot de com-
  petentie van de baljuwhoven (o.a. Hof van Delfland) meer behoorde dan van
  een gerecht  dat  louter  als 'forum privilegiatum' optreedt. Volgens dit
  handvest  blijft exclusief aan het hof van Delfland opgedragen de berech-
  ting van: doodslag en moord, vredebreuk, vechtpartijen, verminking, huis-
  vredebreuk,  diefstal,  roof, vrede weigeren aan de bode, indien deze te-
  recht eist en pandweringe. (B26).
  "Zoo krijgen in 1303 de inwoners van Rodenrijs van Jan II vergunning, dat
  men daar van bepaalde "stucken, die gevallen binnen den ambacht voorseit,
  dingen sal  en  rechten  mitten  recht  en  mitten  geswoornen binnen den
  ambacht". (B35 - V. Mieris II, blz. 33).
  In gelijken zin sprak ook de graaf zich in 1303 uit omtrent  zijn  grond-
  heerlijk ambacht Rodenrijs: "Soo wie die huyrwaer  koopt  binnen  ambacht
  voorseit of behuwelt of besterft, of hoe dat hij daeran comt, wie dat hij
  is, dat hij van desen dage voort an schot en schout  gelde  en ook dienst
  doe, gelycke den anderen gebuiren, van den goede". Hier  kon  dus ook een
  niet-dienstman dienst moeten doen van zijn land. (B35).
  Philips van Leiden spreekt ook van dienstlieden  onder  Berkel. Inderdaad
  is  ons  daar Roderijs in 1303 eenzelfde toestand als in Den Haag bekend:
  "soo wie die huyrwaer  koopt  binnen  ambacht voorseit of behuwelt of be-
  sterft of hoe dat hy daer an comt,  wie dat hy is, dat hy van deesen dage
  voort ende schout gelde, ende ook dienst doe, gelycken den anderen gebui-
  ren van dien goede". Ook hier kon  dus een willekeurig man aan dienst on-
  derworpen worden, doordat hij dienstplichtig land verwierf: de dienst was
  aan den grond  verbonden,  waarmede  wel samenhangt, dat kennelijk de be-
  langrijkste dienstprestatie in het betalen van schot bestaat. (B163).
  In 1304  bedroeg  de totale bevolking van Holland en Zeeland 250.000 zie-
  len. (B117).
  Oorspronkelijk hebben de Wilde Venen deel uitgemaakt van de ambachtsheer-
  lijkheid Zevenhuizen-Zegwaard en op 4 februari 1306 door graaf Willem III
  verkocht aan Beatrix, heer Dieriksdochter van den Dortoghe. (B29).
  Dirk Bokel was in 1306 ambachtsheer van Bleiswijk. (Overleden 1334/1336).
  (B03).
  Willem van Duvenvoorde verkreeg op 15 mei 1313 zeven hoeven  land  in  de
  wildernis bij Nootdorp. (B30).
  Eerste vermelding baljuwschap Maasland - 1317.
  Het oudst bekende stuk m.b.t. Nieuwerkerk in het Rijksarchief is van 22-1
  -1317. Graaf Willem III verkoopt daarbij aan de  heer Jan  van  der Werve
  voor 325 pond Hollands de ambachten Capelle en Nieuwerkerk. (B33).
  In 1319 voegt de landsheer drie heemraadschappen, de Zeven Ambachten,  de
  Geestambachten  en  Maasland  samen tot een nieuwe eenheid; het hoogheem-
  raadschap Delfland. (B26).
  Vroegst bekende vermelding Schieveen (Scievene) 1321. (B02).
  De  polder  Noordland  in Zandambacht is vermoedelijk rond 1322  bedijkt.
  (B32).
  Op last van de landsheer (Willem III) werd in 1323  de  Doenkade gebouwd.
  (B37).
  In 1323 en 1338 werd de Doenkade of Stugge zijdwinde door  de  graaf  van
  Holland aan particulieren in leen uitgegeven  onder  voorwaarde  dat  het
  Hoogheemraadschap Delfland deze kade tot zijn waterkering mocht proclame-
  ren.  Dit is tussen 1338 en 1414 geschied. Het gehele gebied tussen Doen-
  kade en Strickleede,  dus  Schieveen en een gedeelte van Akkersdijk en de
  Tempel, kwamen van die tijd af onder het Hoogheemraadschap Delfland, zon-
  der  echter  de  band met Schieland te verliezen; want ook hier bleef het
  omslagplichtig. (B02).
  Op 31-3-1328 verklaarde abt Dirk II Screvelt van de abdij van Egmond,  40
  pond verzekerd te hebben op de tiendinkomsten te Berkel. (ARA Egmond inv.
  866 (reg 204). (B148)
  In  1329 stonden er lenen in Nootdorp in de Erfenis van Willem van Duven-
  voorde. (B30).
  Op 29-1-1330 krijgt Johannes, cureit te Nootdorp, samen met Johannes, in-
  vestitus  der  kerk  te  Berkel,  last  om broeder Gerardus, kanunnik van
  Insula St. Marie, door Nychelaus, proost van Campus  Regis,  voorgedragen
  tot  pastoor  van  de  kerk te Pijnacker, vacant door de dood van broeder
  Theodoricus, af te kondigen. (Bron: Kroniek van Nootdorp). (K).
  Het oudste in het kerkvoogdijarchief van de R.K.-kerk  van  Bleiswijk be-
  waarde charter dateert uit de eerste helft der  veertiende eeuw, tusschen
  de jaren 1331 en 1339. Het perkamenten stuk bericht ons, dat Jacob Voppen
  bekent, voor zich  en zijn  nakomelingen  10 pond  's-jaars eeuwige pacht
  schuldig te zijn,  gevestigd  op  een  perceel land. Vijf pond zullen den
  pastoor toekomen en vijf pond het Godshuis. Willaem Letaer, cappelaen  te
  Bleeswijk zegelde het charter. (B147).
  Grafelijkheidsrekening 1331. Isebrant van der Tempel  waarschijnlijk  een
  bewoner  of  een  voormalig  bewoner van de hofstede De Tempel in Berkel.
  Bron R'dams jaarboekje 1950.
  In 1334 betaalde de vrije boeren van Berkel 5 pond aan pacht aan de Graaf
  van Holland. Bron: Schetsen uit de geschiedenis van Pijnacker. (B&R)
  In Berkel waren in 1334 door de graaf aan 119  personen  perceelen  lands
  uitgegeven (Grafelijkheidsrek. I, blz. 200 vlg). (B04, blz 97). (B&R).
  1335  Diederic  Beukel,  heer  van  Rodenrijs  stichtte  in  de  kerk van
  Overschie een Maria-altaar. (B13) (K).
  Tussen 1342 en 1354 woedde in geheel Europa "De Zwarte Dood" een ongekend
  sterke uitbarsting van de pest. (B20).
  Hoogst infectueus en dodelijk was de pest, ook wel de gave Gods, de haas-
  tige of  hete  ziekte genaamd die in 1347 400 mensen in Gouda doodde. We-
  gens de zwarte pestbuilen (bubonen) werd de epidemie de "Zwarte Dood" ge-
  noemd. De pest  keerde  tot de 17e eeuw van tijd tot tijd terug. De pest-
  epidemie wordt in Nederland genoemd van 1347-1352. (B104).
  Het in 1266 gebouwde kerkje van Berkel en Rodenrijs werd in 1347 door een
  groter gebouw vervangen. (B13). In het begin van de 15e eeuw werd de kerk
  langszij vergroot met een tweede schip aan de noordzijde.  (Reconstructie
  van S.C. Eldering) (K).
  ca. 1340 begon men met het graven van de Rotterdamse Schie. (B05).
  In  1341  werd  Daniel  van  Rodenrijs  na opdracht van 18 morgen land in
  Schieveen leenman van Willem van Duvenvoorde. (B30). Daniel van Matenesse
  (verwant aan het geslacht Rodenrijs) kreeg het huis Te Riviere bij Schie-
  dam in  leen  van  de Hollandse grafelijkheid. (B30). Dirk van der Spange
  hield zijn huis Ter Spange in Overschie in leen van Daniel van Matenesse.
  (B30).
  Opbrengsten landhuren van de abdij van Emond in 1344/1345 te Ruiven 13 lb
  9 s 2 d en te Schieveen 3 lb 16 s 2 d. (B148).
  Opbrengst tienden abdij  van  Egmond  te  Berkel  in 1344/1345 155 lb 9 s
  (B148).
  In  1346 leende Gravin Margareta 1000 pond Hollands, waarvoor de geldver-
  strekker een rente van 100 pond per jaar ontving waarvoor  deze  goederen
  uit Berkel in onderpand kreeg. (B30).
  1348 Gereed met graven vaart (later de Rotterdamse  Schie)  6 1/2  roeden
  (24,5 M)  breed  en  6  km lang en een weg daarlangs. De Delftse Schie of
  Oude Schie (Delf) werd zo verbonden met de Maas. Deze vaart had verschei-
  dene  bochten verkregen omdat men gebruik maakte van reeds bestaande slo-
  ten en weteringen.)
  In  het  pestjaar  1348  waarde de zwarte dood rond, er stierven bijna de
  helft van 100 miljoen mensen in Europa. (B93).
  Er zijn goede redenen om aan te nemen dat de pest van omstreeks  1350, de
  Zwarte Dood, alleen in het zuiden van Belgi en het oosten  van Nederland
  veel slachtoffers heeft gemaakt, maar in de rest van het gebied nauwe-
  lijks is voorgekomen. (B136)
  "De Graaf heeft zelf deelgenomen aan de ontginning van Berkel  en  Roden-
  rijs; hij bezat tenminste een hof te Rodenrijs. Het Hofland, 41 morgen en
  n hont werd in 1334 afzonderlijk verhuurd;  van  12 7/8 hoeve  (386 5/8
  morgen) werden hofhoenders opgebracht. De eigenaardigheid dat hier vrone-
  scout betaald werd doet vermoeden dat de bevolking hier  uit  het noorden
  geimmigreerd was." (B04, blz. 93). (B&R). Vronescout, de publieke  belas-
  ting welke volgens Niermeijer (B06) oorspronkelijk door de Deense vorsten
  in de Noormannentijd voor de door hen verleende bescherming geheven is in
  Friesland en omgeving. (B&R). (Zie ook 1203). Maar in  West Friesland had
  Floris V bij de onderwepingsverdragen van 1289  de  "huslotha",  een oud-
  Friesche belasting, laten toekennen. (Ze heette  er  "vronescout")  (B35)
  Vronescout is volgens het Belastingmuseum in Rotterdam een  "heerenbelas-
  ting, een soort huizenbelasting. (N) (O).
  Het Middelnederlandsch Handwoordenboek van J. Verdam (1979) geeft aan bij
  Vroonschout, vrone-, -schult, -schoude, znw. vr. Heerenschuld,  eene hef-
  fing ten bate van den landheer. (Vroon = heer/heren en Schout = schuld).
  Het hof van de graaf lag aan de linkeroever van de Schie, in de nabijheid
  van het latere Leeuwenhof aan de Delfweg, in de uiterste zuidhoek  van de
  Schieveense polder. (B13).
  In  Dijken  en dijkdoorbraken in het Nederlands rivierengebied geschreven
  door H. van Heiningen, 1978 staat: Vroonen zijn goederen in het bezit van
  adelijke  lieden  die erin geslaagd zijn vrijstelling te hebben van de op
  de andere landerijen  rustende  verplichting mee te betalen in het onder-
  houd van de dijk.
  Vervolgens  kan  worden  gewezen op de betaling van "vronescout" in Voor-
  schoten  bij  Leiden en in Rodenrijs bij Delft. Voor het overige werd een
  last onder die naam alleen opgebracht in West-Friesland, Waterland en een
  deel van Kennemerland. Kennelijk stamt zij dus in genoemde Hollandse dor-
  pen van  immigranten  van  benoorden het IJ, die na hun overkomst naar de
  nieuwe woonplaats hun  "vronescout"  bleven opbrengen. Mogelijk dankt het
  in de aanvang van de  twaalfde  eeuw aan de wildernis ontworstelde Roden-
  rijs zijn bestaan geheel aan deze lieden. (Gosses  t.a.p. bl. 146 en 313)
  (B44).
  1350 - 1480 Hoekse en Kabeljouwsche twisten. (B96) (HK).
  Naarmate de kleine kabeljauw groeit kan hij grotere vissen in zijn  zwem-
  gebied verschalken. Naarmate hij flinkere vissen opslokt wordt hij dikker
  en  groeit  zijn kracht. Als een groeiende kabeljauw hebben de graven van
  Holland  om  zich  heen gehapt. Iedere kabeljauw, zelfs de grootste is te
  vangen met een  hoek of vishaak. Mits handig uitgeworpen en van het goede
  aas voorzien kan de hoek de kabelauw doen spartelen en  amechtig  op  het
  droge halen. (B117) (HK).
  Willem van Duvenvoorde en zijn naaste familieleden de Polanens waren cen-
  trale  figuren  in de Hoekse en Kabeljauwse twisten. (1350). Tot het kamp
  der Hoeken behoorden o.a. Willem van Duvenvoorde, Dirk III van Brederode,
  Herbaren van der Binkhorst, Jan II van Polanen en Daniel  van  Rodenrijs.
  De Kabeljauwen waren o.a. Jan I van Egmond, Gerard van Heemskerk, Jan van
  Wateringe en Klaas van Zwieten. (B30) (HK).
  Erfstelling  van Willem van Duvenvoorde 29 mei 1350, waarin hij het  goed
  te  Berkel  en  de Tienden van Nootdorp vermaakte aan Gerard van Polanen.
  (B30).
  "multi  obsequiales  sunt  in  uno  loco ut in Berkel, in Hagha, in Monte
  Alberti,  in Scoten, in Thetrode, in Velse." (Aanwezigheid van veel gebo-
  ren dienstlieden  van  de graaf in diverse dorpen in 1350 volgens Philips
  van Leiden). (B35).  Berkel,  den  Haag,  Aalbertsberg,  Tetterode en ook
  Heemstede; het  zijn alle plaatsen waar de graaf groot grondbezitter was.
  (B35).  Ten  slotte echter, ware het niet, dat de "lantgifte" juist voor-
  kwam in ambachten als de Hof van Delft, Pijnacker en Hoogeveen, Ruiven en
  Berkel, waar de graaf oudtijds het land en veel dienstlieden gehad heeft,
  dan zou men  kunnen betwijfelen, of ze iets met een hoorigheidsverhouding
  te maken had gehad. (B35).  Als  bezitters van dienstlieden kennen wij in
  Holland voornamelijk, de graaf, de abt van Egmond, de abdis van Elten, de
  heren van Blois, Voorne, Putten, Heusden, Altena, Teylingen en Brederode.
  (ca 1300).
  Hoekse en Kabeljauwse (burger)oorlog: 1350 - 1492. (B13) (HK).
  Bij  een een mislukte overval op Schiedam werd alles voor de poorten  van
  Delft verbrand, ook Rodenrijs. De bewoners van het Rodenrijs  gingen zich
  nu vestigen in Berkel. (B28) (jaartal?).
  De stationstraat in Zoetermeer heette vroeger Molenweg en daarvoor Kapel-
  laan (ca 1395). (B127).
  Boerderij "Veelust" ca. 1350 gebouwd. (B17). Grondgebied Delfgauw.
  In 1351 - 6 oktober. Het ambacht Nieuweveen bij Nootdorp. (B30).
  29 september 1351 werd Gerard van Herlaer beleend met Berkel. (B30).
  De kastelen Rodenrijs en Starrenburg in het ambacht Overschie,  het  huis
  Steenhuizen  in  Vlaardingen  en  het huis Hodenpyl in het ambacht Schip-
  luiden  werden  afgebroken  rond/in 1351 tijdens de Hoekse en Kabeljauwse
  twisten. (B30).  In  1351  werd  door Willem V de slag bij Vlaardingen op
  zijn  moeder  Margaretha  gewonnen.  De  kastelen bij Overschie gingen in
  vlammen op. (B69) (HK).
  1351/1352 Intrede ambtsverpachting. (B26).
  1351/1352.  Hertog  Willem  schenkt  dan  aan  Philips  Persoenresone het
  schoutambacht  van  Maasland,  omdat hij ten behoeve van een ridder, heer
  Gherid van Herlair, het  schoutambacht van Berckel heeft geruimd. Philips
  had het  schoutambt van Berckel gepacht voor het bedrag van 70 goede oude
  Schilden;  hij  zal op zijn beurt de schout van Maasland weer moeten vol-
  doen. Van de hertog zal Philips een kwitantiebrief ontvangen, hierop zul-
  len de 20  Schilden  worden  vermeld die Philips aan 'Ghisen onsen backer
  van Delf' heeft betaald. Totdat de hertog de gehele schuld heeft voldaan,
  mag Philips het schoutambt van Maasland behouden. (B26).
  Opbrengst tienden abdij  van  Egmond  te  Berkel  in 1351/1352 91 lb 19 d
  (B148).
  In 1356 zag Gerard van Polanen zich het goed te Berkel ontgaan. (B30).
  "Wij hooren  de eerste maal van de (slot) kapel (van het huis Honingen in
  Kralingen) in  1364, als heer Ogier en Willem van Kralingen de boedel van
  hun ouders delen." (B159).
  De N.H. kerk van Ameide, met welks bouw in 1365 werd aangevangen. (B113).
  (K).
  Het  oosterlijk  deel van Zegwaert is op 2 juni 1373 toegetreden tot  het
  water-  en  heemraadschap Schieland. Zegwaert verkreeg toen een watergang
  over de Oude Lede (Bleiswijk), de IJselremeer en het ambacht nan Nieuwer-
  kerk naar  den  IJssel,  welke  in 1386 werd vervangen door een watergang
  naar de Rotte en een eigen sluis te Rotterdam. (B64).
  Handvest  waarin staat dat schotbaar land ongeacht den bezitter schotbaar
  zal  blijven zijn in de loop der 14e eeuw verleend o.a.: aan Rotteambacht
  in 1378 (v. Mieris III, 329; bevestiging van een ouder privilege). (B35).
  In  1381  is  onder  goedkeuring van hertog Albrecht het onderhoud van de
  Berkelse  kade  ten  laste gebracht van het ambacht Berkel geregeld en in
  1448  vastgesteld  dat de Rodenrijse kade ten laste van Berkel, Schieveen
  en Akkersdijk komt. (B11).
  "De Bokelswoning" werd in 1383 beleend door  Thyman  van  Ruiven.  (B17).
  Grondgebied Delfgauw.
  Opbrengst tienden abdij  van  Egmond  te  Berkel in 1383/1384 103 lb 12 s
  (B148).
  1384. Pieter Venijn Janszoon van de Oudendijk, Schout in Berkel en Roden-
  rijs.  Hij  was  voor  1384  Schout van Beukelsdijk en Schoonderloo vanaf
  1368, hij was daar eigenaar van ruim 100 morgen land en van een boerderij
  bij de Delfthavense Schie. (B10).
  "Hetzelfde  veen  dat  Albrecht van de Wateringhe in 1386 in erfpacht af-
  stond  aan  zijn  kamerling  Floris-  Ghijsbrechtszoon,  geleghen  in den
  ambocht van Bleyswijc." (B03) (V).
  1386. Hertog Albrecht gaf  aan  Florijs  Ghisebrechtszoon,  tollenaar  te
  Geervliet  een  veen  in 't  ambacht van Bleiswijk. In 1394 werd hem deze
  gunst onthouden en werd 39 morgen van dit veen opnieuw  verkocht  en  het
  resterende deel van 42 morgen in 1395. (B34) (V).
  1389 Delfhavense  Schie (4 km) gegraven. Van de Oude Schie (Delf) naar de
  Maas. Tegelijk met het graven van de Delfhavense Schie, in het laatst van
  de  veertiende  eeuw  is  het gedeelte Delft-Overschie verbreed en uitge-
  diept. (B06).
  In 1394 schonk hertog Albrecht aan de stad Den Brielle een  stuk  land, "
  waer syn watermoolen ten Briele op plagt te  waateren".  Deze  watermolen
  was toen blijkbaar al heel oud. (Bron: Manuscript Zoetermeer Zegwaard van
  A.J.M. Tetteroo, 1971 - gemeentearchief Zoetermeer). [Vroege windwatermo-
  len]
  De "buren"  van Zegwaard kregen in 1396 van de Schielandse heemraden toe-
  stemming om in hun ambacht te delven. "buren" zijn ingezetenen. (B34).
  "Thymanswoning",  later boerderij "Nooit Gedacht", werd voor 1397 beleend
  aan Claes van Ruiven. (B17). Grondgebied Delfgauw.
  In 1397 gaf hertog Albrecht aan Dirc Cramer toestemming om de 2 morgen in
  Nieuweveen (bij Nootdorp) die hij gekocht had uit te delven. (B34).
  In  1399  gaf  Arend van Egmond uit de inkomsten van Berkel en Rodenrijs,
  100 roze Nobels (Engelse Nobels) aan het door hem gestichtte klooster der
  Bernadieten  te IJsselstein. (B10 en B13). "Cijnsregt over alle de landen
  en huijsen,  monterende  in  't  geheel eene somme van hondert Nobels, de
  Nobel  gerekent  tegen  2 gld - 5 stv,  waarvan  deze Cijns genaamt is de
  Nobels  en  bedraagt  in gld. 225-0-0".  Men  noemde deze belasting later
  Munnikegeld. (B10).  Later  werd deze last verbonden aan 20 hoeven gronds
  (een hoeve  is  30  morgen)  en  kreeg  de  naam "De 20 hoeven van de 100
  nobels". (B13).
  In 1399 moest Rodenrijs 16 riemen leveren (16 roeiers voor het leger  van
  de  landsheer).  In  1399  werd het aantal verlaagd van 16 naar 8 riemen.
  (B07).
  In  1399  verlichtte  hertog Albrecht de dienst in Berkel in de hervaart,
  omdat vele  inwoners  poorters waren geworden (mogelijk van Delft of Rot-
  terdam) of zich onder  andere  heren  hadden  gevestigd,  waardoor Berkel
  "grotelic verarmt ende vermindert" waren. (B34).
  
  1400-1500
  De ambachten van het oorspronkelijke waterschap Schieland vormden  in  de
  15e  eeuw  nog  twee  groepen;  de Westambachten en de Oostambachten, die
  ieder hun eigen bestuur hadden, hun ambachtsbewaarders, en dat daarvan de
  Oostambachten alleen bestonden uit Bleiswijc, Zevenhuzen, Zegwaert en een
  deel van Rotterban, zonder de ambachten langs de IJssel. (B64).
  De Franse school was al bekend in de 15e eeuw in diverse steden in Neder-
  land (B103).
  In 1400 werd het aantal riemen (voor Rodenrijs) = roeiers voor het  leger
  van de landsheer teruggebracht van 8 naar 4. (B07).
  Ca.  1400  vernemen  wij voor het eerst een bemaling in de polder Berkel.
  (B28).
  Plm. 1400 ging het gerucht door de lage landen dat er in Groet een  molen
  was getimmerd die op windkracht liep, en het water "uitworp" (Floris  van
  Alkemade en Jan Grietensoen). Het moeten wel  bijzonder  lichte  bouwsels
  geweest zijn,  want bij harde wind woeien ze om.  Ook hadden ze een vaste
  kap. (Van Hunebed tot Hanzestad, J. de Rek, 1977 - vermoedelijk overgeno-
  men uit "De windmolens" van A. Ronse, 1943) (M).
  Het archief van het hoogheemraadschap Delfland bevat een schat aan infor-
  matie vanaf de 15e eeuw, ook van polders naast haar eigen gebied. (B02).
  In het begin van de 15e eeuw was er niet n watermolen in Schieland (M).
  De hoven van Schie en Delft werden in de 15e eeuw  samengevoegd  tot  het
  Hof van Holland. (B07).
  De twee Bleiswijkschemeren, die een tiental kilometers voorbij  Crooswijk
  liggen. Volgens Gevers Deijnoot zijn zij ontstaan doordien van een aldaar
  aanwezig bosch, in de 15e eeuw gerooid; de grond vergraven en  weggevoerd
  werd. Het bosch behoorde aan het Huis ter Duyn, dat deel uitmaakte van de
  ambachtsheerlijkheid Zevenhuizen. (B29).
  De  huidige  bouw  van  de Hillagondakerk van Hillegersberg is van de 15e
  eeuw. (B01) (K).
  1405 (Rotterdams) visrecht strekte zich uit van het Duifhuis te Crooswijk
  tot Zevenhuizen en Bleiswijk toe. (B03).
  Hollandse molen (windmolen met draaibare kap en konische romp)  de oudste
  binnenkruier in Alkmaar 1407  (windwatermolen).  Waarschijnlijk  afgeleid
  van de torenmolen met draaibare  kap  die al voor 1407 al bestond b.v. de
  torenmolen in Geervliet van 1382. (B08) (M).
  In  1407  reisden  de Hoogheemraden van Delfland naar Alkmaar om daar n
  van de eerste Hollandse poldermolens in bedrijf te zien. De molen was ei-
  gendom van: Floris van Alkemade wonende op het in het ambacht Zoeterwoude
  gelegen Huis Cronestein en Jan Grietensoen burgemeester  van  Leiden.  In
  1413 had de  dijkgraaf van Delfland zo'n zelfde molen op zijn landgoed in
  Schipluiden staan. (Het zou hier om een binnenkruier gaan die zowel koren
  kon malen als water kon uitslaan). (B08) (M).
  1408, windwatermolen in Zoeterwoude gebouwd. (B08) (M).
  1408 (15 juni).  Boudewijn  van Swieten zegelt op 30-12-1408 in de plaats
  van en  op verzoek van zijn neef Dirc van Swieten, hoogheemraad van Rijn-
  land. (B23-23).
  In  Zevenhuizen  was  in  1411  sprake van lastgeld, dat verschuldigd was
  "upten hoghen moer". (B34).
  1411. De leenheer belooft Willem van Egmond, zijn  broer,  jaarlijks  400
  engelse nobels te geven, waarvoor hij hem o.a. het ambacht van Berkel  en
  Rodenrijs in leen geeft. (B91).
  De inpoldering van de polder Nieuwland in Zandambacht vond omstreeks 1420
  plaats. (B32).
  Grootte  der  veenambachten  in   1420  in   morgens:   Mattenes:   150-,
  Ouderschije: 1920-, der Leck: 223-, Boekels dijc: 195-, Scoenreloe: 105-,
  Coel: 195-,   Blomers  dijc: 195-,   Ruijbroeck: 118-, Scijebroeck: 720-,
  Berch polre: 210-,  Rotterban: 3870-,  Cralinghen: 1500-, Copelle: 1110-,
  Nverkerc: 1050-; Bleijswijck: 2130-, Zeuenhuysen: 3120-, Moerdrecht: 840-
  en Zegwaart: 430 morgen. (Hoefslagen Schieland) (B34) (V).
  Sint Elizabethsvloed 18 november 1421.
  In  1426  heeft  een  woeste  bende soldaten onder leiding van Willem van
  Nagel  gruwelijk  huisgehouden  in Hillegersberg. Kasteel en kerk zijn in
  brand gestoken en bijna geheel verwoest. (B05) (K).
  In  1426  is  door huwlijk van Gillisken van Weena, vrouwe van Bleiswijk,
  met Willem van Bronckhorst de hoge heerlijkheid Bleiswijk  in  het  bezit
  van het geslacht Bronckhorst gekomen. (B29).
  In 1426 heeft Rotterdam, dat zich toen als hoofdkwartier van de Kabeljou-
  wen door Jacoba van Beieren en haar Hoekschen aanhang  bedreigd  gevoelde
  en een overval vanuit Gouda vreesde, de muren van  Honingen laten neerha-
  len, opdat zich daar geen vijanden zouden nestelen. (B159).
  In 1429 verlenen de heemraden van Schieland aan de inwoners van Bleiswijk
  vergunning  tot het vervenen langs de landscheiding met Delfland op voor-
  waarde dat er tenminste 3 roeden (ca. 10 m) blijft liggen. (B11).
  Wipmolens zijn vanaf ca. 1430 ontwikkeld. (windwatermolen). (B08) (M).
  Philips van Bourgondi (Philips de Goede) (1433-1467)  ontnam  Jacoba van
  Beieren Holland, Zeeland en Henegouwen. (B96).
  De eerste  houten  wipwatermolen  werd rond 1434 in de Spaanse polder ge-
  bouwd. (B09). In Schieland was reeds in 1434 een watermolen  gesticht  in
  den polder Spangen. (B29) (M). De eerste watermolen van Schieland dateer-
  de van 1434. (B156).
  Jan II  met  de  bellen van Egmond bereikte in 1439 dat zijn heerlijkheid
  Egmond van het klooster werd afgescheiden. (B66).
  1442.  Accoord  bouw  watermolen  door de ingelanden van de Bergpolder en
  Blommersdijk. (B156).
  In 1443 was de R.K-kerk van Bleiswijk in treurige staat. Men kreeg verlof
  van de bisschop de toren af te breken en opnieuw op te bouwen. Tijdens de
  werkzaamheden bleek dat ook kerk en priesterkoor hersteld moesten worden,
  hetgeen men zonder bisschoppelijke machtiging deed, waardoor de kerkmees-
  ters en de patronen der kerk ipso facto den kerkelijken ban  beliepen. Op
  12 december 1443 werden de kerkmeesters en patronen echter absolutie ver-
  leent.  Ter  stimulering van de bouw verleende de bisschop een aflaat van
  40 dagen  aan allen, die iets bijdroegen aan de bouw en de retauratie van
  den toren. (B147).
  Op 19 juli 1446 een uitspraak van de Hoge  Heemraden  van  Delfland. "Dat
  zij wier  land  afgedolven  was  ten behoef van de Rodenrijse Kade (land-
  scheiding)  daarvoor  100 Philippus Boergondsche schilder zou hebben ont-
  vangen en dat een  iegelijk  zijn  kade bloot houde en maaien zou, zonder
  daarop  beesten te laten gaan" Het ging hier om een vergoeding voor afge-
  graven land.  Waarschijnlijk  is er klei gebruikt. Klei was in Berkel be-
  schikbaar op twee kleieilandjes n.l. het Oude land in het Rodenrijs en de
  Kleihoogt in het Noordeinde. (B10).
  1447, 13 november.  Schieveen,  Berkel en Akkersdijk komen in n polder-
  verband. Hof van Delft, Pijnacker en Vrijenban ook in n  polderverband.
  (B02). In 1447 werd een sluitende kade lands de Stricklede aangelegd tus-
  sen de ambachten Berkel en Pijnacker (Strickkade) (B11).
  1450  Uitvinding  boekdrukkunst:  Lauwrens  Janszoon  Koster   of   Johan
  Gutenberg?  (grote gevolgen voor scholing: veel mensen leerden nu ook le-
  zen en schrijven,  zij waren nu niet meer afhankelijk van het met de hand
  overschrijven van boeken) (B96).
  Op  8  oktober  1450  wordt  de scheiding tussen Pijnacker en het Hof van
  Delft en Vrijenban goedgekeurd.
  In  1451  verkocht  het klooster van Sint Aaghten te Delft een stuk grond
  aan Kerstant van Alckemade, die op het landgoed "Leeuwensteyn" aan de an-
  dere kant van Voorburg woonde. (B41).
  In 1454  is er sprake van onrechtmatig turven in de vrijheid en heerlijk-
  heid Bleiswijk. (B23).
  In  1454  vroegen  een aantal ingelanden van Schieveen weer gescheiden te
  mogen worden van  Akkersdijk  en Berkel, in 1458 werd Schieveen een zelf-
  standige polder. (B02).
  Die van  Bleiswijk mochten in 1455 de landscheiding niet nader delven dan
  20 roeden. (B34).
  In  1457  werd  Harman  Pieterszoon  bekeurd  omdat hij achter Katwijk in
  Pijnacker de landscheiding tussen Rijnland en Delfland te na gedolven was
  (B34).
  1459. De bewoners van Oost-Berkel, wonend in het gebied tussen de Berkel-
  seweg (later Noordeindsweg) en de Landscheiding mochten in dit jaar slui-
  sjes maken in de Berkelseweg "om hoer water toten sluyssen ende toten mo-
  len te becomen". Aan de westzijde van de Berkelseweg  liep  een  watering
  die dit water af kon voeren. Zij werd daartoe in 1460 verbreed tot  zeven
  voeten.  Vermoedelijk stond zij in verbinding met de Berkelse meren, van-
  waar het water door de molensloot naar de molens stroomde. (B137).
  1460 sprake van de eerste Schieveense molen. (1597 2 molens, de Achtkante
  en de Wip. In 1614 werd een nieuwe Achtkante gebouwd). (B02) (M).
  De pastoor van Berkel beklaagt zich in 1460 dat hij door het graven (ver-
  venen) aan de wegen zijn  parochianen  in  doodsnood  iet  kan  bereiken.
  (B07). Bron 137 vermeld  "Enige kerstenmenschen bij dien voirss. gebreken
  sonder biechte ende sonder sacramente te ontvangen offlivich mochten wor-
  den". (B137).  De hoogheemraden droegen alle buren van Berkel op binnen 3
  dagen de  sloot  langs de dorpsweg - 7 voet (2,2 m) breed te maken. Hier-
  door zou dan een betere afwatering ontstaan (B137).
  "Int jaer LX (= 1460) Dit sijn die geen die getuycht ende  geseyt  hebben
  bij hoeren ede roerende van dat ongeheerde landt tot Berkel gelegen gehe-
  ten Zwemmecoop ende Jacob die Weldigen lant dits  gedaen  int jaer LX des
  manendages voer jaersdach inden Hage inden Gouden Pot in't jegenwoordich-
  eyt Heynrick Her tot Naeldwijck ende Boudijn Hert.
  * Eerst heeft geseyt bij sijnen ede  Jan Claes zn. als van Zwemmecoop hoe
  dat dit Pieter Melijs zn. verorft heefft ende is gecomen van  Dirck Dolen
  sijn  wijffs  vader  ende  alsoe  die voirs. Pieter Melijs zn. dit voern.
  Zwemmecoop  verorft  heeft  enen  geheten Dammas Jacobs zn. soe heeft die
  selve  Pieter  Melijs  zn.  die gift gegeven voer recht die voirs. Dammas
  Jacobs zn. dese nyet en heeft willen ontfangen.
  * Item  Gerijt Colijns zn. heeft alleens getuycht van dit voirs.  Zwemme-
  coop item.
  * Item Kornelijs Jacobs zn. heeft oick mede hier of alleens getuycht ende
  heeft mede geseyt hoe dat Jan Baertouts zn. Dammas Jacobs wijff heeft.
  * Item Pieter Jans zn. heeft geseyt bij sijnen ede als 't lant dat  gehe-
  ten is Jacob die Weldigen lant hoe dat Jacob die Weldich  dit  selve lant
  laitstwerven selve gebruyct heeft ende die oncosten als van banwerk  ende
  anders daer self of bewaert heeft geliken als daer toebehoerde.
  * Item Claes Geerlofs zn. heeft hier og alleens getuycht.
  * Item die schout van Berkel oick alleens hier of getuycht.
  * Item Geerlof Hugen zn. heeft allens getucht als van Jacob die  Weldigen
  lant als hier voer geroert is.
  * Item  dese  selve Geerlof Hugen zn. heeft mede geseyt ende getuycht als
  van Zwemmecoop geliken die andere personen van Zwemmecoop getuycht hebben
  als boven als hoe dat Dammas Jacobs zn. die gift van Zwemmecoop nyet ont-
  fangen en heeft soe heeft hij nochtans dat lant van  Zwemmecoop  gebruyct
  ende daer toe VI libra ontfangen." (Bron: OAD 1618-H5809 bib HH Delfland)
  1466. Accoord bouw watermolen polder Berg en Broek. (B156).
  Berch: Item geconsenteert bij vervollich van de meestedeel van de eijgen,
  gelegen tusschen den hoelsloot, gelegen van den Berch oestwaert  tot  den
  hoeck,  hemselven te becaen. So sel den Berch wesen huer cade ande noert-
  zijde  ende  ande  Rotte  oic  een  cade te maken. enz. ende dan dair een
  watermolen in te  zetten,  enz.  ende  een hoeltge inde Ommoirder la(a)n.
  (1469) (OV 1977) [ Is dit de Butterdorpse molen in Bergschenhoek ? ] (M).
  [Is dit de vroegste vermelding van Bergschenhoek "den hoeck" ?]
  De buren van  Berkel  groeven diep, sommigen n put, anderen twee, omdat
  "Sij nu eerst (kwamen) tot den besten turff". Dat wijst alles op een vrij
  hoge ligging van Berkel. (1466). (B34). Er waren zelfs venen  waar  koren
  op kon groeien, getuige de verklaringen in het in 1466 aangevangen proces
  over  de venen in Berkel. Door het vervenen waren slechts de uitgespaarde
  ribben nog te gebruiken om gewas op te verbouwen, doch zo smal dat men er
  de ploeg niet kon wenden, getuige de verklaringen van de buren van Berkel
  in 1466,  het was deze lieden daardoor volstrekt onmogelijk koren te ver-
  bouwen. (B34) (V).
  In 1469 is de heerlijkheid Heenvliet tot stad verheven. (B165).
  In  1470 verklaarde de abt (van Egmond die de korentienden t.g.v. de ver-
  vening aan zijn neus voorbij zag gaan) "dat tot Berckel  veel  ruggen van
  landen leggende waren, hoich genoech wesende om coirn  te  dragen,  wairt
  dat men die ploege dair up weijnden mochte" (wijnde = wenden, keren).  De
  ruggen,  de  smalle  ribben die overbleven na het delven waren te smal om
  een  ploeg op te laten wenden. (B34). In 1470 was het waterbezwaar na het
  veendelven in Berkel zo "tot sommige steden bij tijden van jaren een hal-
  ve tonne diep onder water stond". (B34) (V).
  In 1470 betaalde men de 22e turf aan de abdij van Egmond. (B&R) (V).
  1471. Scheiding tussen Berkel en Akkersdijk. (B02).
  Uitspraak, scheiding tussen polderverband Berkel en Akkersdijk in 1471.
  Vermoedelijk hing deze uitspraak samen met een geschil tusen de buren van
  Berkel en de  abt  van Egmond, die op grond van het hem toekomende tiend-
  recht  aanvankelijk  elke  10e  turf opeiste, in 1470 elke 22e turf en op
  2-12-1471 elke 24e turf,  mits de buren van Berkel de molens aan de Schie
  zouden verplaatsen, opdat het land waarvan de abt  het  tiendrecht  bezat
  beter bekaad en bemalen zou zijn. Aangezien Berkel nu niet meer kon afwa-
  teren via de Lede mocht Berkel een  molensloot maken vanuit de meren naar
  de molens. Waren er in 1471 slechts 2 molens,  voor  1490  waren  het  er
  vier. De derde gebouwd kort na 1471. (B137).
  Overschie had in 1477 85 huizen. (B69).
  1475. Item hebben H.H. geconsenteert die Ingelanden gelegen  int  ambocht
  vanden  berych  twysschen  die  cade  die  bij Jacop Mathsz. uploep anden
  Broeckse wech tot den hoeck toe, hem te becaden ende te bezijlen ende een
  molen te zetten als dat behort, enz. (OV 1977) (M).
  1476. Item van de molenmeester van de  molen  die  staet  in  Butterdorp.
  (OV-1977) (M).
  Hillegaersberch: Up Sinte Nyclaes avont int jaer neghen  ende  tseventych
  (1479 !) gaf Aelbrecht Jacobsz. die ghemeen byeren van  die  Botterdorpze
  molen  acht  marghen  lants  (om)  een cade te scieten op voorwaerden van
  vrijdom van ongelden voor de molen ten ewyghen dagen ende dat de bezitter
  van het  land  de  cade zal houden in hare staet buijten cost ende hinder
  van Aelbrecht  Jacobsz.  voirsz. Ende hier hebben bij gheweest als tuijch
  Phylips Willemsz.  ende  Claes  Tasz.  Jan Dircz.  heeft gheloeft up Sint
  Maertins avont die Clerc  van  Scielant te voldoen van alsulcke pennyngen
  als hem comt van 'tAmbocht  van  Rotterban, dat is te weten die helft van
  hondert  hoven  ende 29, te betalen binnen die staende scouwe. (OV 1977).
  (M).
  De  Oestambachten  (van  Schieland)  t.w.   een   deel   van   Rotterban,
  Bleijswijck, Zevenhuijssen ende Zegwaert. 1480. (B106).
  In  1480  stond er al een watermolen in polder Cralingen, in 1486 werd er
  een tweede bijgebouwd. (B156).
  De Gravin van Holland,  Maria  van  Bourgondi (Maria de Rijke) stelde in
  1481 aan het Dominicanerklooster in Den Haag de vis uit de meren van Ber-
  kel ter beschikking. (B15).
  1482.  Willem Dircksz. ende Bartout Pietersz. warden gekozen tot Mmrs. te
  weten van die Butterdorpse molen. (OV 197?) (M).
  Op 22 juli 1484 wordt beslist dat Schieveen de Rijskade moet onderhouden.
  In 1486 constateerden de heemraden van Delfland dat de landscheiding  bij
  Pijnacker opnieuw "te nae gedolven was", waardoor er  water  doorsijpelde
  en de dijk verging. (B34).
  In  1486  staan  er  in  Schieland 2 molens. De eerste was van 1434 en de
  tweede van 1486 (M).
  Twyst ende gesciel als daer gheweest tusschen den ingelanden van 't Hoeck
  (Bergschenhoek) ende Bleijswijck t.e.z. ende Dirc Hobbez. met sijnen zoen
  aen  dander  zijde,  roerende  van  een  molen die verbarnt is binnen den
  ambochte van Bleijswijck. 1486. (OV 1977) (M).
  In 1488 blijkt er al een sluisje in de  Berkelse weg (Noordeindse weg) te
  liggen. Vermoedelijk ook het bouwjaar. (B11). (B&R).
  In 1488 kocht Berkel gronden (haar aandeel in de viervoet) in Zoetermeer,
  Katwijk in de Veur. (B11).
  1488. Verklaring afgelegd door de Schout van Segwaart, daarin is te lezen
  dat voor hem "quamen Eggbert Gerritsen ende Geertruit sijn gegte  wijff,
  geven aan het Godshuis van Segwaart 1/3 van 1 1/2 morgen lants  ende  een
  1/4 deel houts leggende in de Ambochte van Berckel" (B10).
  In 1488 werd Rotterdam onverwacht door jonker Frans van Brederode ingeno-
  men  en  van  hier plunderde en brandschatte hij geheel Holland, ofschoon
  zijn aanslagen op Schoonhoven, Delft, Schiedam en Gouda mislukten. (B61)
  Op 11 februari 1489 werd het dorp Bleiswijk bezet met zeven vendels voet-
  knechten en zes vendels ruiterij: "gewoon wat rou te leven".  E.e.a.  ge-
  beurde tijdens de Hoeksche en Kabeljouwse twisten. (B147).
  Dat zy (Bleiswijk), met andere omliggende dorpen, in den beginne van 1589
  door Jonker Frans van Brederode, als het hoofd der Hoekschen werd gesteld
  op brandschatting, waarop den 11 February eerstvolgende, het  Ambacht be-
  legen werd met 7 vaandels voetknechten, en  6  standaarts  ruitery, onder
  beleid van den Stadhouder  van  Holland,  Jan van Egmond, zynde het hoofd
  der Kabeljaauwsche  party,  zo dat daaruit genoegzaam blykt, dat Bleiswyk
  het lot der tweedragt meer dan te veel heeft ondervonden. (B12).
  1491.  Belofte  van  Cornelis  Cruesinc,  heer   van  Benthuizen  en  Jan
  Oliviersz., rentmeester van Johanna Woutersd. van Egmond, vrouwe van Zeg-
  waard, over de  voorwaarde  waarop Rijnland en Schieland de landscheiding
  tussen Rijnland  en  Schieland,  de  zogenaamde "Hylle" mogen doorsteken.
  (B23-54).
  In 1492 kocht de stad Delft de heerlijkheid Overschie. (B02).
  In  1492  werd  Delft  beleend  met  het  ambacht  Overschie  met renten,
  visscherij, wind en anders. (B69).
  De overgang van het ambacht Schie van Schieland naar Delfland zal in ver-
  band  hebben gestaan met de aankoop van de ambachsheerlijkheid Schie door
  de stad Delft van de heren van Naeltwijc in 1492. (B64).
  24 januari 1493 sprake van de Pijnackerse watermolens (M).
  Overschie had in 1494 65 huizen. (B69).
  In 1494 zijn van de 1800 morgen land in Overschie slechts  50  morgen van
  Overschirs zelf. (B69).
  In 1494 blijkt er al niet veel veen meer te delven  te  zijn  in  Berkel,
  Bleiswijk en Hillegersberg. Rond die tijd zal men dan ook overgegaan zijn
  op het baggeren (slagturven of flodderen) van veen (V).
  In 1494 openbaarde zich een nieuwe ziekte die de naam 'syfilus' kreeg, in
  1500 sloeg een verwoestende epidemie tijdens n der Franse  oorlogen  in
  Itali  als  een razende om zich heen en kostte in korte tijd honderddui-
  zenden levens. (B104).
  1499.  Roerende  de  Rorijscade:  Afschrift van koopacte van het land dat
  Berckel heeft gekocht van enige buren van Hillegersberg, het Godshuis ten
  Berch en de  Gildemeesters van Schiedam van Onser Vrouwen wege, welk land
  ligt in den  Broeck,  om daarop  een kade  te make. (De Roderijse kade)..
  ende was ondergeteiikent,  J. van Duvenvoirde.  Totaal 10 verkopers resp.
  breedte in roede / en lengte  in  roede:  20/5,  14/5,  22/5,  11 1/2 /5,
  8 1/2 /5, 10/5, 9/5, 30/5, 30/5 en 11/4. (B106)
  De zetel van het Hof van Schieland moet eerst in Overschie gevestigd zijn
  geweest, doch omstreeks het einde van de 15e eeuw overgebracht naar  Rot-
  terdam. (B33).
  1500 n. Chr. 0,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  De polder van Berkel was een echte veenpolder het hoofdmiddel van bestaan
  in  deze polder was de veenderij. Omstreeks 1500 voorzag Berkel de omlig-
  gende steden van turf. (B&R) (V).
  
  1500-1600
  Rond  1500  betaalde Schieveen 1/3 aan de omslag voor Delflands sluisgeld
  als lidmaatambacht aan de omslag over de  Berkelse  sluis.  Berkel  moest
  weer  voor 1/5 meebetalen in de sluisrekening der Oostambachten van Delf-
  land. (B02).
  De  bevolking in Nederland liep tussen 1500 en 1650 op van n tot ander-
  half miljoen en dan tot 1750 stationair. In 1795 bij de eerste  volkstel-
  ling is de bevolking opgelopen tot ruim 2 miljoen. (B103).
  Rotterdam heeft in de 16e, 17e en 18e eeuw bijna  alle  heerlijkheden  in
  Schieland bezeten, als Benthuizen, Moercapelle en Wilde Venen, Bleiswijk,
  Moordrecht, Hillegersberg met Rotteban en Bergschenhoek,  Kralingen, Cool
  met  Beukelsdijk en Blommersdijk en ook Katendrecht. (B29).
  In  een cohier van de tiende penning van Ruiven uit de 16e eeuw is de to-
  tale grootte van Ruiven 230 morgen. (B106).
  Begin 16e eeuw moest er door het kerkbestuur van Berkel en  Rodenrijs een
  driejaarlijkse rente aan de pastoor van Overschie worden  betaald,  omdat
  een gedeelte van Berkel en Rodenrijs behoorde tot de  parochie  van Over-
  schie, maar de bewoners ervan gingen in Berkel naar de kerk. (B15) (K).
  In 1507 blijkt ten lange leste de feitelijke separatie  tussen de baljuw-
  schappen Delfland en Schieland te zijn ondertekend. (B26).
  18-12-1507.  Steffen  Baertoutsz. zet 6 morgen land in Butterdorp tot on-
  derpand. Eeuwout Jacobsz. WZ en Jan Symonsz. OZ, strekkende van de Berch-
  wech tot aan de nieuwe wateringe. (B47)
  Het  oudste  document met betrekking tot De Tempel in Berkel en Rodenrijs
  is van 17-2-1511, "Daniel van Cralinghen verhuert Jan Heijnricsz."  enz..
  Bron:  Oud-archief  Berkel  en  Rodenrijs.  In  1500  volgde  Daniel  van
  Cralingen zijn  vader Jan van Cralingen op als leenman van De Tempel. Om-
  streeks de tweede helft van de veertiende eeuw toen Kerstine van Rodenrys
  huwde met Willem  van Cralinghen en later na hun dood werden hun goederen
  verdeeld onder hun  vier  zoons.  Misschien  is toen bij die verdeling De
  Tempel ontstaan als zelfstandig heerlijkheid. Dr. Kersbergen gaf als ver-
  klaring voor de naam "De Tempel": In de middeleeuwen kende men een Tempel
  als  een  voorwerp om iets geopend te houden, in het bijzonder een sluis-
  deur en dan zou de naam gegeven  zijn  aan de plaats waar water in en uit
  gelaten werd, waar men dus "tempelde" Oktober 1512 werd De Tempel overge-
  nomen door de jurist Mr. Jan Jacobszoon  van  Utrecht.  In  1518 werd hij
  dijkgraaf van Delfland. (B10). De Tempel bezat  van  oudsher hoge en lage
  rechtspraak. De Tempel was vanouds vrij van schot, lot ende beeden en van
  grooten thienden. Secretaris van  de  Tempel  was  steeds  secretaris van
  Berkel en Rodenrijs. (Bron: artikel Sonneveld in De Schakel)
  1512.  Betreffende het verzoek van de ambachtsheren om bij rechtsonzeker-
  heid  te Zouteveen naar de Lier te gaan voor advies en bij rechtsonzeker-
  heid  aldaar  naar  Berckel  te  gaan, is de landsheer van oordeel dat de
  regeling  die  de  oude  costumen  geven, dient te worden gehandhaafd. De
  Lierenaars hoeven bij  onzekerheid  niet naar Berkel, maar mogen zelf hun
  problemen en die van Zouteveen oplossen. (B26-221-223).
  Omstreeks 1512 had de stad Delft het Baljuw- Dijkgraafschap van Schieland
  in pacht en werd de Baluw-Dijkgraaf door haar benoemd. (B33).
  1512-1771. Rekeningen van de molenmeesters van Butterdorp.  (B97-D32-34).
  (M).
  Grootte  der  veenambachten  in  1514  in morgens: Berkel 1350, Bleiswijk
  1050,  Hillegersberg 3870,  Pijnacker 1700,  Ruiven 95+?, Schiebroek 720,
  Vrijenban 1800, Zegwaard 853 en Zevenhuizen 3120 morgen. (B34) (V).
  Overschie had in 1514 59 huizen. (B69).
  Aantal  woningen  in  1514:  Berkel 111, Bleiswijk 75, Hillegersberg 140,
  Pijnacker 115, Ruiven 8, Schiebroek 21,  Vrijenban  13  en  Zegwaard  74.
  (B34).
  In  1514  bevat Overschie nog 6 heerlijkheden: 1) de poorterije (vrijdom)
  van Rotterdam met 3 huizen, 2) de poorterije (vrijdom) van Delft met 24 a
  35 huizen, 3) de heerlijkheid Akkersdijk met 8 huizen toebehorende aan de
  vrouwe van Reynsbourch, 4) 't ambacht  van  Sciebrouck  waar  Adraen  van
  Egmond  ambachtsheer  is  20 huizen, 5) Beuckelsdyck van ambachtsheer Mr.
  Jan van  Almonde met 14 huizen die tot het kerkelijk gebied van Overschie
  behoren en  6)  de heerlijkheid Matenesse met 9 huizen. In Overschie zelf
  59 huizen. (B69) (K).
  1514. In Berkel werd dit jaar 2400 ton turf gedolven. (B34) (V).
  In 1523 was de toestand van de kerk in Bleiswijk opnieuw  deerniswaardig,
  in 1532 was er voldoende geld om een nieuw choor, hoofdaltaar en toren te
  bouwen. (B147)
  "Die van Berckel ende Pijnaecken hebben beloeft voerden dgr. H.H. hoe dat
  sij met die buren vant Oestende van Rotten  met  malcander  ghelden  ende
  betalen sullen alle die costen die  daer  sijn  roerende dat leckwater...
  (ca. 1523) (B106).
  Ca 1525 woonden er in Dordrecht, Delft en Gouda tussen de 10.000 en 15000
  mensen, in Rotterdam en Den Haag tussen de 5.000 en  10.000  mensen en in
  Schiedam en Gorinchem tussen de 2500 en 5000 mensen.  Bron:  Handleiding,
  beoefening lokale en regionale geschiedenis, W. Jappe, 1984 (2e druk).
  In 1525 begint Berkel een proces voor het Hof tegen Bleiswijk, Hillegers-
  berg en Schiebroek i.v.m. intensieve  vervening  aan de Schielandse zijde
  van de landscheiding. In 1529 wordt o.m. bepaald dat tien roeden langs de
  landscheiding zullen blijven liggen, waarvoor Berkel 200 gulden moest be-
  talen. (B11).
  "Die buren van Berckel hebben beloeft dat sij een hoeltgen macken  sullen
  inden Berckelsen wech ten bate van die van Bleyswijck". (ca 1526) (B106).
  1527 blijkt de (Zwet)sluis al aanwezig te zijn. (B&R).
  Delflands heemraden verordeneren in 1528 i.v.m. de  landscheiding  tussen
  Delfland en Schieland (vooral achter Berkel zwaar  gehavend)  dat  aldaar
  een nieuwe kade aangelegd moet worden. (B34).
  1529. Tijdens een dijkschouw ziet  men  "eenen  wech  genoempt  't Scheyt
  achter Berckel". (B12).
  In 1532 werd in Bleiswijk een andere kerk herbouwd. Deze nieuwe Hervormde
  kerk heeft een preekstoel uit 1622, doophek, koperwerk en herenbanken uit
  het laatste kwart van de 17e eeuw. Het orgel is van 1841. (B01) (K).
  Michiel Claesz. uit Bleiswijk had tegen de regels in 7 koeien op de land-
  scheiding  tussen Berkel en Bleiswijk geschut. De boer verzette zich hef-
  tig  tegen  het  afvoeren van zijn beesten naar de singel van het kerkhof
  van Berkel die als schutwei dienstdeed. Onderhandelingen met de hoogheem-
  raad over de  borgsom mislukte zodat Michiel Claesz. met zijn zoon en een
  vijtal mannen,  allen gewapend des 's avonds een nieuwe poging ondernamen
  hun koeien terug te krijgen. 1537 (B37).  Een  zeer oude gewoonte was het
  opvangen "schutten" van het op de wegen of op andermans  land  loslopende
  vee. (B69).
  1540. Willem Dos, Jan  Jansz.,  Hermen  Willemsz.,  Neel  Huygensz,  Mijn
  Quant,  jonge  Jacob Jacopsz., Ghijs Pietersz. van Delft, Jan Adriaensz.,
  Heyntge  jonge  Heinsz.,  Joorys Branckez, Claes Jacopsz., Jan Dircxz. en
  Jaep  Gerijtsz.,  allen  uit Berkel krijgen een bekeuring wegens ongeoor-
  loofd slagturven (in eigen grond). (B23-199).
  Op 23 maart 1540 stonden voor de vierschaar van Delfland enige boeren te-
  recht, die vee hadden laten weiden op de landscheiding. De dijkgraaf eis-
  te, dat hun rechterhand, zou worden afgehouwen. De heemraden waren geluk-
  kig milder, het vonnis werd: veertig carolus guldens  boete,  vergiffenis
  vragen in de eerstvolgende openbare zitting van de vierschaar, barrevoets
  meegaan in de eerstvolgende kerkprocessie te Pijnacker met een  brandende
  kaars van twee pond was. (B127) (K).
  In 1542 moesten de turfverkopers uit Bleiswijk, Zevenhuizen en Schiebroek
  in Rotterdam de  16e  penning  op  hun  turfverkopen  betalen, terwijl in
  Delft,  Gouda  en Schiedam niets betaald hoefde te worden. Rotterdam leed
  grote  schade  omdat  de  turfverkopers  niet meer naar Rotterdam kwamen.
  (B34) (V).
  De eerste droogmakerijen in Holland in Geestambacht onder  Oudkarspel van
  het Dergmeer in 1542 en het Kerkmeer in 1547. Het waren  ondiepe plassen.
  (B34)
  Arent  Hoflant  "schut"  in  1544  reeds  paarden  op de landscheiding in
  Bleiswijk. Hij neemt dus paarden in beslag, die vrijgekocht konden worden
  tegen betaling  van  een boete. In 1545 trad hij reeds als bode op en wel
  in een uitzonderlijke  zaak:  een rechtzaak op straat voor de deur van de
  herberg "Sint Maerten" en zonder het rechtscollege van hoge heemraden. De
  bode stelt  de  boete  vast en Meester Ewout Simonsz., priester, moet als
  getuige van dit  voorval  officile kracht aan de uitspraak verlenen. Een
  vroeg voorbeeld van vereenvoudigde afdoening. (B106).
  17-1-1545.  "De  Hofstede  genoempt  den  Tempel onder Ouderschie". In de
  margine lezen we" "Te vraeghen waeromme en de waer  uijt dat  hij  weeten
  dat  Den  Tempe l onder Ouderschie ende neijt onder Berckel sorteert. Zoe
  den Tempel d' een soe nae leijt als d' ander". (B10).
  In  het  derde schuldboek van Rotterdam opgenomen in OV 1995: (Bergschen-
  hoek) 1)  (107.107v)  1548: Aernt Claesz. Hofflant, oud 28 jaar, gezworen
  bode van  Schielant,  Joris  Willemsz.,  oud 25 jaar, wagenaar, Ghijsbert
  Cornelisz.,  oud ca. 27 jaar, dienaar van Frans van Roen, baljuw van Rot-
  terdam, Jan  Arysz.  oud  ca.  28  jaar en Roel Fransz., oud ca. 29 jaar,
  affirmeren:  Vsz.  Aernt en Roel Fransz. daar zij op 26-7 laatstleden uit
  naam van de baljuw teneinde  te bewaren het recht van de keizer inzake de
  turfmaat binnen Hillegersberg "nae oude haerkommen", gekomen waren aldaar
  en vsz. Aernt als  bode  en  gemachtigde van de baljuw gedaagd had Pieter
  Tassen Claes (= Claes Pietersz. Tas) en Willem Dircxz. op boete van 10 's
  Heren ponden, dat zij hem zouden wijzen hun eigen turf en die  van  enige
  anderen tot 3 of 4 eigenaren toe, opdat  zij  konden meten de hoeveelheid
  turf van ieder apart.  Maar  zij  waren  beiden  onwillig  en vsz. Pieter
  Tassen Claes zei: Ik wil het niet doen, ik heb de brui van u en van allen
  die u aangaan en krijg de pestilentie, met meer dergelijke kwade woorden.
  Waarop Aernt Hofflant  zeide:  Wijst ons dan uw eigen turf. Waarop Pieter
  zeide: Ik wil het niet doen en hebt die pestilentie. En daar zij onwillig
  bleven heeft vsz. Aernt uit eigen kracht van zijn commissie deze personen
  gedaagd voor des baljuws  vierschaar.  [Claes  Pietersz.  Tas  en  Willem
  Dircxz. hadden turfland in Bergschenhoek wat als "ten Houck" werd  aange-
  duid.] 2) (107v, 108) 1548: Jan Adriaensz., secretaris der stede van Rot-
  terdam, zegt dat Dinsdag 1.1. 8-8 de baljuw van Scielant heeft aangespro-
  ken Pieter  Tassen  Claes  en Willem Dircxz. Nadat zij hadden gevraagd en
  gekregen een  copie van de eis van 10 herenponden elk, werden zij opnieuw
  gedaagd om n dag later met de baljuw rond te gaan om de turfstekers aan
  te wijzen,  waarop  zij  mopperende weggingen. Vsz. Arent Hofflant, Joris
  Willemsz., Ghijsbrecht  Cornelisz., Jan Arysz. en Roel Fransz. affirmeren
  dat zij op 8-8 gereden  zijn  met  de baljuw van Schielant tot Hillegers-
  berch en van daar ten Houck. En onderweg werden zij gewaarschuwd door een
  zekere mr. Henrick chyrurgijn,  wonenden ten Houck, dat er veel volk ver-
  gaard was, dat zeer kwaad  en  verstoord  was. Daarna kwam Aernt Hofflant
  ten  huize  van  zijn  zuster  Meynsgen  Hofflants  en  "screyde" de vsz.
  Meynsgen, zeggende: Lieve broeder, wilt ge ten Houck, gij zult ervan niet
  levend wederkomen, er is wel 100 man verrzameld. Maar de baljuw ging ver-
  der en sprak, van de wagen komende: Goede mannen, zijt gij zo gezind? Het
  was gezegd dat iedereen op zijn eigen veld  zou  blijven  voor meten. Wat
  hebt gij voor? Waarop zij riepen: Wij willen  onze turf niet gemeten heb-
  ben, gij moet uw moer bruijen! En meer dergelijke  dreigende woorden. Wat
  is uw commissie, wij willen die zien. Wij zijn in  lange jaren niet geme-
  ten. Zij scholden de baljuw de pestilentie te krijgen.  De  baljuw zeide:
  Is dat uw aller mening, zo steekt de handen op. Toen staken allen de hand
  op. Vsz. Ghijs, Joris en Jan zeggen nog dat zij waren ten huize  van  Jan
  Pas  en  hoorden  dat  enigen zeiden, dat zij met elkaar gezworen hadden.
  Noch Pieter Tassen Claes, noch Willem Dircxz., gedaagden, wilden na  som-
  matie  meegaan  om  te meten. De baljuw vroeg ene Colijn Cornelisz.  waar
  zijn turf  stond, maar die weigerde te wijzen waar en zeide: Gij moet  uw
  moer bruijen.  Hij  ging  terzijde  staan en op zij dagge wijzende  zeide
  hij: Gij zult aan meer dagen van uw leven niet toekomen. En allen stonden
  dreigend om de baljuw en gevolg om hen in te sluiten. De baljuw en getui-
  gen zijn toen op de wagen  gegaan.  En  een  vrouwspersoon,  volgens  Jan
  Arysz. was het Jan Vos wijff, riep:  Als ge komt meten en ge staat aan de
  kant van de dobbe, dan zullen wij u erin stoten.  3)  7-9-1548:  Cornelis
  van Reneghom Cornelisz., dijkgraaf en baljuw, heer  Willem van Alckemade,
  Floris van Assendelft, Adriaen van Matenes,  ridderen  en  Frederick  van
  Duvenvoerde, Hoge en Welgeboren Heemraden van Schielandt, hebben  gemach-
  tigd Wouter de Hont Dammesz., hun klerk, mrs. Aelbrecht  Bouwensz., Jacob
  Potter, Adriaen de Vaute, procureurs in de Grote  Rade  des  keizers  tot
  Mechelen, om namens hen te behandelen de zaak versus  de  ingelanden  van
  Zevenhuysen, Moerdrecht, Bleyswijck c.s. en alle anderen.  Belovende  van
  waarde te houden al hetgeen  zij  geconstitueerden  in  deze  zaak zullen
  doen. [Er is aangenomen dat het hier nog steeds gaat over het geschil be-
  treffende het meten van de turf.] 4) Colijn Cornelisz., Cornelis Dircxz.,
  Arien Jansz. Cleyn, Arien Arysz.,  Gerijt Jansz.,  Willem  Vranckez. Vos,
  Pieter Arysz., Cornelis Jansz.  Ouwerschie,  Willem Dircxz., Jan Ariensz.
  Tant, Claes Pietersz. Tas, Bartout Jacobsz., Arien Jansz. machtigen samen
  Jacob Herwyer procureur en  zij  ratificeren  de  procuratie  die  Pieter
  Dircxz. Huysman, David Euwoutsz. en Colijn  Cornelisz.  gepasseerd hebben
  en ratificeren alles  dat  uit  krachte  van  deze  procuratie door Jacob
  Herweyer gedaan zal worden. [Inwoners Bergschenhoek  waren  dus: Jan Pas,
  Claes Pietersz. Tas, Willem Dircxz., mr. Henrick chyrurgijn, Colijn  Cor-
  nelisz., Jan Vos en Jan Vos wijff.] (V).
  In 1549 moeten Heynrick Vranckez. en Symon Jacobsz. de doorvaart die  zij
  in de Zoetemeerseweg gegraven hebben weer dempen. Zij krijgen ook nog een
  boete van 25 Karolusgulden. (B23-263).
  Rond 1550 kost het onderhoud van de (Zwet)sluis hondert  pont  per  jaar.
  (B&R)
 1550-1771 Rekeningen van de molenmeesters van Oostende. (B97-D36-38) (M).
  Pieter Luijtensz., eerst klerk en later gemeentesecretaris van  Berkel en
  Rodenrijs (tweede helft 16e en begin 17e eeuw). (B07).
  "Maar  dat  oostwater  van Bleiswijk, Hillegersberg en van Schiebroek be-
  dreigt telkens het ambacht (Berkel en Rodenrijs) door het  overlopen  van
  de landscheiding". ca. 1550. (B10).
  Berkel procedeerde in 1551 met Pijnacker over het windas in de Strickkade
  of Stricklede. De ingelanden van Pijnacker hadden deze overhaal, liggende
  tussen  de  Klapwijkscheweg en de Berkelscheweg, provisorisch met puin of
  vuilnis opgehoogd  om het overlopende winterwater te weren. De vierschaar
  droeg  Pijnacker op het windas weer bruikbaar te maken. Berkel moest, het
  windas  verhogen zodat Pijnacker geen last meer zou hebben van het water.
  (B37)
  De pastory van Overschie is in het jaar 1551 door den abt van Egmond,  W.
  (Willem) van der Goes, na de dood van priester  (in  Overschie  van 1486-
  1551)  Volkert  Korneliszoon  gegeven  aan  heer Nicolaas van Assendelft,
  proost der Aarnemsche kerke. (B161)
  Aan  de  oostzijde wordt Katwijk in de Veur in 1553 op last van dijkgraaf
  en  hoogheemraden  voor  rekening van Pijnacker en Berkel afgesloten door
  het leggen van de Berkelse kade, gewoonlijk Pissenkade genoemd. (B11).
  De landscheiding van Schieland was vastgelegd in een overeenkomst, geslo-
  ten door ambachtsbewaarders van Berkel en Schiebroek op 13 juli 1533 voor
  het Hof van Holland, naar aanleiding van geschillen over het  delven  van
  de Slingerkade, die van de Schieveensche landscheiding  tot  Berghambacht
  liep. (B160).
  In 1555 is het pastoorsambt van Berkel door de abt van Egmond (Willem van
  der Goes) gegeven aan de heer en meester Leendert Diderykszoon. (B161).
  De door de stad Delft in 1555 van Karel V verkregen tol op de Klapwijkse-
  weg  wordt  in  1802  aan  de gemeente Pijnacker verkocht, die de rechten
  doorverkoopt aan Jan Langeveld en Gerard Erbervelt (ambtenaren in Berkel)
  Zij verkopen de tol aan de gemeente Berkel en Rodenrijs. In 1846 verkoopt
  de gemeente de tol aan C.P. van der Burg om de uitbreiding van de gemeen-
  teschool  mee  te kunnen financiren. In 1922 koopt de gemeente Pijnacker
  de tol terug en in 1932 koopt de provincie Zuid-Holland de tol af. (B07).
  Betreffende Bleiswijk, het blijkt dat er in het wapen van  deze  gemeente
  o.m. een dubbele adelaar voorkomt. Doelt deze figuur soms  van  oorsprong
  op oostenrijk? Immers Koning Filips II heeft in  1557  Bleiswiik verkocht
  aan  Joost  van  Bronkhorst? En was Filips vader Karel V (1500-1558) niet
  een kleinzoon van Maximiliaan van Oostenrijk en van Maria van Bourgondi?
  (B126).
  In  een  zaak  betreffende de betaling van het pondgeld te De Lier worden
  door de schouten  van Hof van Delft, Maasland, Pijnakker, Nootdorp, Sint-
  Maartensrecht, Byeslandt, Berkel, Hogeveen, Vrijenban, Dorp en Nieuweveen
  verklaringen afgelegd. 23-12-1555. (B26).
  "de  Prince  van Gameren, grave van Egmont aan Jan Claesz." eens opdracht
  heeft gegeven om "eene Korenmolen" te bouwen in Beijerlant" 1559.  (B10).
  (M).
  28-04-1559.  Cornelis  Cornelisz. Versijde, schout in de ambacht van Ber-
  ckel  en de gezworens in dat ambacht, oorkonden dat Claes Adriaansz. onze
  mede buurman,  wonende bij de Berckelssche korenmolen, verklaart verkocht
  te hebben  de leproosmeesters buiten Rotterdam tot behoef van de leprozen
  een losrente  van  18 carolusgulden per jaar. Verzekerd op 11 morgen vrij
  eigen land, gelijk  buurland,  zoals hij onder ede verklaart te zijn. Met
  huis, schuren bergen en  geboompte daarom staande, liggende in het Noord-
  einde van dit ambacht.  Strekkende  van  de  Berckelsche(nn) tot de land-
  scheiding toe. Joest Cornelisz.  en  Lenrt  Jansz. NZ en het molenhuis en
  erf, Adraen Pietersz., Ganghert  Vobrechtsz.  en Maerten Jansz. Kock, elk
  met eigen of met bruikwaar. (B47) (M).
  Op 20 september 1559 geven Hoge Heemraden een consent af aan  twee  buur-
  lieden  te  Berkel  om een zijl (=sluis) met een schotdeur in de Berkelse
  weg te leggen. (De  Berkelse  weg was de weg die nu Noordeindse weg heet)
  (B&R).
  De kosten  van de mest die zekere Dirck Jan Ghijsz. in 1561 op zijn huur-
  land  in  Pijnacker bracht, werden voor tweederde door de eigenaar gedra-
  gen. (B34).
  Veelal poogde men althans op de ribben iets goeds te doen groeien, al was
  het slechts hooigras, zoals in de Tempel onder Berkel. In de putten  vond
  men slechts wat riet. (Opgave Berkel voor de 10e penning van 1561) (B34).
  Sinds 1561 was de  abdij  van  Egmond  toegewezen aan het nieuw gestichte
  dom Haarlem, de bisschop van Haarlem werd tevens abt van de abdij van Eg-
  mond. Haarlem viel onder het aartsbisdom Utrecht. Omstreeks 1580 eindigde
  zowel het bestaan van de abdij van Egmond, als het bischoppelijke bestuur
  (B15).
  In 1566 woedde de beeldenstorm in Delft en omstreken (B13).
  Een oude kaart van dit gebied (het Rotte stroomgebied) is een kaart van
  Jan Jansz. Potter uit 1567. (B150).
  1568-1648 Tachtig jarige oorlog.
  De in 1133 gestichte abdij van Rijnsburg is in de 80 jarige  oorlog  ver-
  dwenen. (B165).
  In  1568  werd Lamorael van Egmond onthoofd, de goederen waaronder Berkel
  en Rodenrijs vervielen aan de staat. In 1578 werden de goederen weer  te-
  ruggegeven aan de familie van Egmond. (B07).
  In het archief van Hillegersberg is een copie-overeenkomst van 17 septem-
  ber  1569  aanwezig,  regelende  de onderhoudskosten van de toen genoemde
  Ommoordsche  brug door de dorpen Hillegersberg, Sevenhuysen, Bleiswijk en
  Segwaart. (B29).
  Op 12-3-1572 zijn de kerken te Kralingen, Hillegersberg en aan de Kapelle
  door de beeld stormers van altaren, van staande en hangende beelden,  van
  alles berooft. (B161).
  Op 1 aril 1572 veroverden de Watergeuzen Den Briel op Alva. Deze  Spaanse
  onderdrukker, Ferdinand Alvarez de Toledo, hertog  van  Alva  verloor Den
  Briel als eerste  Nederlandse  stad  aan  "Den  Prins",  prins Willem van
  Oranje. (B165).
  In 1573  werd de uitoefening van de Katholieke eredienst verboden door de
  Staten van Holland. (B07).
  Tijdens  het beleg van Leiden (1573/1574) waren er in Berkel en Pijnacker
  ongeveer 500 Spaanse soldaten ingekwartierd. (B109). (S).
  De universiteit van Leiden kreeg omstreeks 1574 de  opbrengsten  van  het
  tiendrecht over de heerlijkheid Berkel. (B21).
  Leidens ontzet 3 oktober 1574. (B165).
  "We willen ook nog het volgende vastleggen. Op 11-9-1574 hebben  soldaten
  uit Overschie onder hopman Broeckhuysen melkkoeien  afhandig  gemaakt  om
  naar Den Haag te worden afgevoerd van: Comelis Klaesz Breetvelt,  Comelis
  Pieter Brandtsz, de zoon van Adriaen Pietersz Grootevaer, Jan Maertensz.,
  Comelis Maertensz, Leendert  Michielsz  (Schoenmaecker),  Jan  Jansz (van
  Alphen),  Andries  JAnsz,  Quirijn  Adriaensz  met zijn moeder en Adriaen
  Bouwensz (Breetvelt?), allen ingezetenen van Bleiswijk. Door  tussenkomst
  van  het  Hof  van Holland in Den Haag konden de eigenaars de melkbeesten
  terugbekomen van de soldaten, mits zij aan de genoemde hopman 3 ponden en
  10 schellingen voor elke melkkoe betaalden" Bron: A.R.A.  's  Gravenhage,
  Dagvaarten en resoluties van de Staten van Holland en Westfriesland No 10
  fol. 82, 87 en 88 d.d. 9-9-1574 resoluties der ingezetenen van Bleiswijk.
  (Ook in B126).
  Sinds het laatst der 16e eeuw,  ongeveer  1574  hebben  de regeerders van
  Rotterdam, de ambachtsheerlijke rechten over  Hillegersberg  uitgeoefend.
  (B29).
  De  Staten  van  Holland  besloten op 30 juli 1574 Delfland, Schieland en
  Rijnland onder water te zetten. Op 1 augustus 1574 werden de bewoners van
  het platteland van Delfland, Schieland en Rijnland  gelast  zich binnen 8
  dagen naar een stad of sterkte onder gehoorzaamheid van de Prins te bege-
  ven. Op 3 augustus 1574 werd met het doorgraven van de  dijken  begonnen.
  (B127).
  In 1574 had men in Holland de volgende  koperen  munten:  Oord of dubbele
  Duit (gewicht ca. 4 gram), Duit (gewicht ca. 2 gram)  en  de  Penning  of
  halve Duit (gewivht ca. 2 gram).
  Van Boisot voer op 5 september 1574 tegen de avond uit om zich een  beeld
  te vormen van het Schielandse deel van de  landscheiding.  Bij  Bleiswijk
  had hij een schermutseling met de vijand. Hij stak hier  enige  huizen in
  brand en bracht een troep koeien mee terug naar Rotterdam. (B127).
  1574  Spanjaarden. Tot de dorpen die het zwaarst getroffen waren door het
  oorlogsgeweld hoorde zeker  Berkel  dat "gederaliseert ende meest al ver-
  brandt wesende en naderhant  deur  't  innelaten  van  de  wateren eenige
  jaeren woest ende wilt gelegen hadde zonder inwoonderen,  moolens, caden,
  heulen ende  andere  des  gemene ambachtswercken". Behalve de watermolens
  was ook de korenmolen in Berkel in vlammen opgegaan. (B37) (M) *S).
  Op 14 februari 1576 kocht de stad Rotterdam het Baljuw- en Dijkgraafschap
  Schieland van de Staten van Holland en  West-Friesland. Sedertdien en tot
  de Bataafse revolutie stelde zij de Baljuw-dijkgraaf aan. (B33).
  Het stadsbestuur van Rotterdam, dat sinds 1576 den baljuw  van  Schieland
  aanstelde. (B159).
  Op 11 mei 1577 verzochten de Regenten  van  Pijnacker  aan de Prins en de
  Staten  van  Holland  om  afschaffing  van de betaling van de haverpacht.
  (B10).
  Rhoon kreeg haar eerste predikant in 1580. (B15).
  In 1581 was iedere godsdienstige bijeenkomst van Katholieken in kerken of
  particuliere huizen verboden. (B159).
  Schiedam kreeg haar eerste predikant in 1581. (B15).
  In 1582 kocht de stad Rotterdam Bleiswijk voor 5980 gulden  (nalatenschap
  van Laurens van Bronckhorst). (B29).
  Ds.  Bernardus  Dwingelo, geboren te Delft in 1582, in 1614 als predikant
  van Berkel en Rodenrijs naar Leiden vertrokken. In 1648 vestigde hij zich
  in Haarlem waar hij in 1660 is overleden. (B15).
  Bodegraven kreeg haar eerste predikant in 1583. (B15).
  Sinds 1585 vergaderde de Staten-Generaal in Den Haag, sinds 1593 werd da-
  gelijks  behalve  op  zondag  vergaderd.  Voor de financin droeg Holland
  58 %, Friesland en Zeeland 11 %, Gelderland, Utrecht en Groningen 5 %  en
  Overijssel 3 % bij. (B103).
  Alphen aan den Rijn kreeg haar eerste predikant in 1587. (B15).
  Berkel en  Rodenrijs  kreeg  haar  eerste predikant in 1587, Ds. Vedastus
  Coornwinder. (B15).
  In  1587  zeggen  de  Hoogheemraden  van  Delfland dat: "de hoge Zijdwind
  strekkende is van Wassenaarsegeest zuytwaert op tot achter die kercke van
  Berckel" (B03, blz. 189).
  7-11-1588.  Abraham  Jansz.  (van de Lier) en zijn collega Vedast Coorne-
  winder  (van  Berkel)  worden  "vermaent ende ghebeden, dat zij (ghelijck
  oock de  andere dienaers) de lijckpredicken willen naelaeten, ghelijck in
  den laetsten Suythollantschen Synode verordineert is". (B91).
  Op 16 oktober 1589 schrijven  schout   en gezworens van Berkel een zekere
  "Doe Willemsz ende Arien Lenartsz., wonende bij  Coelen  inde jurisdictie
  van  Pijnacker  opt  (w)uijtpadt  ofte  wech,  toecomende het ambocht van
  Berckel"  andermaal gerechtelijk te verbieden "om haer niet te bevorderen
  te timmeren  ofte  huijsen  ofte  schuijren  te  setten"  enz. Bron: Gem.
  archief Berkel: deel 29 ptf 3 en 39.
  Rotterdam  en  Delft  hadden in 1590 een hooglopend conflict over de brug
  bij Overschie.
  In Overschie verluidde  in  1590  van  een zekere Jan Cornelisz., dat hij
  "uut de dobben, toebehoorende Barenvelt (Johan van  Oldenbarnevelt),  met
  consent van denselven 30 roe" wilde slagturven. (B34).
  "Rechtdach den IX December anno 1591 in Berckel". "Pouwels Aertsz. Schout
  contra  Arien Arienz. Jong van Bleijswijck". Bekeuring en arrestatie "we-
  gens het verkopen van 11 koebeesten op zondag". (B10).
  Berkel  verkocht  in  1591  zijn aandeel in de gronden van de viervoet in
  Zoetermeer (Katwijk in de Veur). (B11).
  Ca. 1592. Wat waren nu die vijf heerlijkheden waarvoor hij (Johan van Ol-
  denbarnevelt) zijn ziel verpandde? De voornaamste - de enige  'hoge heer-
  lijkheid' met eigen halsrechtspraak - was De Tempel, niet ver van het la-
  tere dorp Rodenrijs in de Zuidpolder. Het was een complex  van  heerlijke
  rechten, retributies voor dit, recognities voor  dat, zoals er veel heer-
  lijkheden  waren en Oldenbarnevelt er ook enkele zou aankopen. Op de Tem-
  pel stond een boerderij, met een kamer gereserveerd voor de heer, als hij
  er kwam overnachten. Oldenbarnevelt heeft zich als  vertegenwoordiger van
  zijn  oudste  zoon, die het eigenlijk gerfd had, heer van den Tempel ge-
  noemd  en  is  daarmee  doorgegaan, toen deze al volwassen was. De tweede
  heerlijkheid was Zuidwind of Zijd(e)wind en bestond uit zekere rechten op
  een dijk: de landscheiding tussen Delfland  en Schieland. De  derde heer-
  lijkheid was Rodenrijs, gelegen in de Schieveense polder. Deze zal  waar-
  schijnlijk  de  hele  Schieveense polder omvat hebben, al was niet al het
  land in zijn bezit. De laatste twee heerlijkheden waren de Stormpolder of
  Cralingerpolder bij Rotterdam en Groeneveld, een vruchtbaar Westlands ge-
  bied tussen De Lier en 't Woud. (B154).
  26-8-1592. "Den Hofstede den Tempel, gelegen tusschen Berkel ende  Ouder-
  schie" (B10).
  29-1-1595, Sevenhuijsen; Catgens- Moer en de Swanckeschepolder  4 molens.
  Bleijswijck; boven de Hoef 1 molen, Clappolder 1 molen,  d'  Overbuijrtse
  polder  1  molen,  d' Hoockentschepolder  1 molen. Hillecharsbergh; Esse-
  polder  1 molen, Wolfoppe 1 molen, Oosteijnde 2 molens, Berchpolder 1 mo-
  len, de  Bregge  en  de Botterdorpsche polder 2 molens, Berch- en Brouck-
  polder 2 molens. (Bron:Molenbestand/inventaris Schieland) (M).
  1597  Staking  onder  zowel  aannemers als onder de 3000 arbeiders bij de
  droogmaking van o.a. de Zijpe. (B118).
  1597-1774.  Notitieboek, publicatin van schout, molenmeesters in Butter-
  dorp (B97- no 1301 t/m 1319) (M).
  Op  11  juli 1598 verzoek tot aanleg windas (= overtoom) omtrent de Hoek.
  Op 27 oktober 1598 geven Burgemeesteren van Rotterdam 72 ponden aan  Ber-
  kel  voor  deze  windas.  Kleine scheepjes werden met een windsas over de
  dijk of  landscheiding  gebracht, aan beide zijden van zo'n dijk werd een
  hellend  vlak van zwaar hout gemaakt, waarop rollen aangebracht werden en
  dan met hulp  van  een lier of katrollen over de dijk gebracht. Vermoede-
  lijk was dit de windas bij het dorp. (B10, deel III, pagina 52). (B&R).
  
  1600-1700
  9-11-1600 Wordt gesproken over een  vaart  van  de  landscheiding  achter
  Bleiswijk tot aan den Berkelse weg. (naar de Grooten molen in Bleiswijk).
  (M).
  18-11-1600. Een paar rechten van de Heerlijkheid Berkel en Rodenrijs  wa-
  ren o.a. korentienden uit Schieveen en tienden uit Ackersdijk. (B15).
  Kaartje van 1600 "De ambachten van Schieland": Oude Matenes, Lec,  Ouder-
  schie,  Bocelsdijc,  Cool,  Schoonreloo, Berchpolre, Blommersdijc, Schie-
  broec, Rubroec, Rotterban, Cralinge, Capelle, Bleiswijc, Zegwaert, Zeven-
  huzen, Nieuwerkerc,  Moordrecht  en  Zuut  Waddinxveen. Huizen stonden in
  Ouderschie: De Tempel onder het ambacht Berkel, afwatering via Schieland,
  Overschie. De Lec: Starrenburch. Oud-Matenes: Matenes. Bokelsdijc:  Span-
  gen. Schoonreloo: Schoonreloo.  Cool:  Bulgerstein.  Blommersdijc: Weena.
  Rotterban: Crooswijc.  Cralinge:  Honinge.  Capelle:  Capelle  en  Keten.
  Bleiswijc: Cranenborch. Zevenhuzen: Ter Duun en Moercapel?. (B64).
  Rond  1600  is  men 100 morgen aan het vervenen en is 300-400 morgen door
  vervening plas geworden. De lasten op turf blijken 1/2 stuiver per  roede
  te zijn en moet men voor de aanvoer van turf op de markt in Delft en  el-
  ders  XX  penning accijns betalen en zij die turf delven moeten voor elke
  zesde roede  aan  de abt van Egmond een oirken geven. (Oirken = lastgeld,
  vermoedelijk 1 stuiver). (B&R) (V).
  In 1603 heerste in Overschie de Pest of heete sieckte. (B69).
  8 april 1609. Verzoeken Ambachtsbewaarders van Berkel aan  de  Schout  en
  Ambachtsbewaarders en achtemans van Hillegersberg "om  dellen  en slenken
  van de Bergse Zijde te doen maken". De regenten van  Hillegerberg  zeggen
  op 10 april "dat het maken van dien weg hen niet aanging".  De  Zijde was
  een veenweg die lag waar nu de Boterdorpse weg ligt. Het grootste gedeel-
  lag  in  de  Boterdorpse polder, het grondgebied van Hillegersberg. (B10)
  (V).
  In 1615 was de gehele streek een bolwerk der Arminianen (Arminius was een
  meer vrijzinnig georienteerde Leids hoogleraar). Ook de  predikanten  van
  Bleiswijk  en  Berkel waren Armeniaans. (Armenianen werden ook wel Remon-
  stranten genoemd). (B127).
  Op  2  augustus  1614  verschenen  24 rederijkerskamers te Ketel voor een
  feest.  Onder  hen   "de  Pijnappelboom"  van  Pijnacker  en  "de dubbele
  Hofbloem" van Bleiswijk. (B127).
  Tussen 1614 en 1616 is het Zoetermeese Meer ingepolderd. (B01).
  1614. Zoetermeerschemeerpolder te Zoetermeer, 533  Ha  drooggemaakt.  Oc-
  trooidatum 15-3-1614, gereed in 1616.
  Ten zuiden van het IJ vormt het Zoetermeerse meer (1614) de oudste droog-
  makerij. (B92).
  Droogmaking  Zoetermeerse  meer in 1614 voltooid. (B34). Het Zoetermeerse
  meer was niet door vervening ontstaan! (B34).
  Ds. Theodorus Swanius vertrok als predikant  in  1616  van  Woerden  naar
  Berkel en Rodenrijs. In 1619 werd hij uit zijn ambt gezet. (B15).
  1616.  Resolutie  van  schout  en armmeesters betreffende de levering van
  roggebrood aan de bedeeelden door de bakkers te Bergschenhoek en  op  het
  dorp. (B97- no 1572).
  In 1617  beriepen de contra-remonstranten van Zoetermeer een eigen predi-
  kant: Johannes Georgij. Hem werd tevens de zorg voor de gemeenten Hazers-
  woude, Benthuizen, Zevenhuizen en Bleiswijk opgedragen. (B127).
 1617-1797. Bestekken wegens diverse werken in  Butterdorp,  Oostendse  en
  Bospolder. (B97-D80).
  Eind 1620 vormden Zoetermeer, Zegwaart, Bleiswijk en Zevenhuizen  tesamen
  een remonstrantse gemeente onder leiding van Ds. Paschier de Fijne,  bij-
  genaamd: "het ijsvogelke"; omdat hij als er ijs was  zijn  schaatsen  ten
  dienste van zijn ambt onderbond. (B127).
  1618.  Het  Hof  van  Holland  verbiedt  Schieland  om Cornelis Lenertsz.
  Schuijt, Cornelis Jansz. Trim en Pieter Cornelisz., wonend bij de  verla-
  ten te Zegwaard  verder  te  vervolgen  wegens verslagturven bij de land-
  scheiding. De Binnenwegse polder viel onder Rijnland en niet onder Schie-
  land. (B23-745)
  1621.  Willem Maertensz. van het Noordeinde te Berkel en Jacob Adriaensz.
  Dwaling  te Zegwaard hebben te dicht langs de landscheiding in de Binnen-
  wegse polder geslagturfd. Willem had land in de Binnenwegse polder. (B23)
  (V).
  In 1623 werd Ds. David Coornwinder uit Berkel en Rodenrijs  in  Den  Haag
  onthoofd, gevierendeeld en op staken geplaatst. Zijn stoffelijk overschot
  werd in het geheim weggehaald en begraven in een boomgaard  in  Nootdorp.
  (B07)
  In of kort na 1630 begon Willem Huygensz.  als  rondtrekkend  missionaris
  zijn  zegenrijke  arbeid  in  Berkel,  Zegwaard,  Zoetermeer,  Pijnacker,
  Bergschenhoek, Bleiswijk en Zevenhuizen. Hij overleed in 1656. (B13).
  De vader van Willem Huygensz., was Hugo (of Huygen) uit "De Hey" (Terhei-
  de).  Toen  Willem  10 jaar was, was Adrianus Lacobs pastoor van Monster,
  broer van de Brielse martelaar Jacobus Lacobs, kapelaan te Monster. (B13)
  Hij was van 1630-1656 pastoor in Berkel.
  Ca. 1630. De schouten van Berkel en Rodenrijs waren praktizerende  katho-
  lieken, eveneens de chirurgijnen van Berkel en Zegwaart, in tegenstelling
  tot hun collega in Bleiswijk, een "kwaadaardige" afvallige. (B13).
  Ca.  1630.  "Vele  afgedwaalden  keerden terug naar de (R.K.) moederkerk,
  o.a.  bijna  alle wevers, Brabantse uitgewekenen, te Berkel en Bleiswijk.
  (B13) (K).
  De preekstoel van de Hillegondakerk in Hillegersberg is van 1631. (B01).,
  (K).
  Het aantal huizen langs Westweg, Oostweg en Achterweg, dat zijn de wegen,
  die vanuit Bergschenhoek het veen in liepen, was in 1632 bijna  40 %  van
  alle huizen in het westelijk deel van het ambacht (Hillegersberg). (B82).
  (V).
  In 1632 moet het verlaat  (sluis)  (Zwetsluis)  verplaatst  en  vernieuwd
  worden. De kosten waren f 500.  Op  oude landkaarten staat de sluis eerst
  in lijn met de Zwet later onder een hoek van ca. 90 graden. (B&R).
  Niet  alle dorpen zijn in leen uitgegeven. Enkele zijn aan de  grafelijk-
  heid gebleven of er aan teruggekomen en behouden. In de 18e eeuw komt het
  ook voor dat de bestuurders van het dorp zelf de heerlijkheid  kopen. Een
  voorbeeld is het dorp Pijnacker in Delfland. (Teg. Staat XVI,  blz. 552).
  (B123).
  Van sommige ambachten was de hoge heerlijkheid in andere  handen  dan  de
  ambachtsheerlijkheid. (Voorbeelden zijn: Wateringen,  Lier en Abtsregt en
  Rijswijk: cf. Teg. Staat XVI, blz. 566 seq. en 576-577). (B123).
  1633. De Tempel wordt verheven met twee paar "drijvende en broedende zwa-
  nen"  In  dit  jaar  verkreeg  De  Tempel het recht van de zwaan, ook wel
  zwaandrift genoemd. [ Lange tijd oefende  de  burggraaf  van  Leiden  het
  recht uit om zwanen  te  houden,  de  zogenaamde zwaandrift, een modever-
  schijnsel dat in later eeuwen in onbruik is geraakt. (B68)].
  1634. Leenaert Cornelisz., een kuiper  uit Zoetermeer stelde enige vragen
  over het lezen van de H. Schrift aan  pastoor  Willem Huygensz. te Berkel
  en Rodenrijs tijdens het dispuut, begin december van genoemd jaar. (B13).
  Palmzondag 1635. Berekende men dat er in het Noordeinde van  Berkel  150,
  in Rorijs en op de Lee 50 en in Pijnacker-Ruyven 50 communicanten  waren.
  (B13)
  In Berkel woont n seculier, die ook Pijnacker, Bleiswijk,  Zevenhuizen,
  Zegwaard en Nootdorp bedient. ca. 1638. (B88)
  1638. De secrataris van Overschie zegt dat in de  omslag  voor  Schieland
  begrepen zijn: "alle morgentalen van de polder Schieveen, 100 morgen over
  Swet en 12 morgen van den Tempel  in  Berkel,  uitbrengende  te samen 800
  morgen" Bron: Archief Delfland no 1321.
  Verzoekschrift van de Schout, Ambachtsbewaarders en achtemannen van  Ber-
  kel  en  Rodenrijs aan de Burgemeesteren van Delft, tot het maken van een
  afloop aan weerszijden van de te verhogen heul in de Schieweg (Zwetheul),
  aarde en  specie afkomstig van de bouw van het nieuwe kruithuis en van de
  kaaden in de stad, te mogen halen, met beschikking van 31 juli 1639.
  Volgens de priesterlijst van 1645 werden  de  Schielandse  dorpen  vanuit
  Rotterdam toen mede bediend  door  Cornelius van Wijck, een Utrechtenaar,
  die in Leuven had gestudeerd en in 1636 door  Rovenius tot diaken was ge-
  wijd. De datum van de priesterwijding  is  niet  bekend. Het is mogelijk,
  dat hij de priester is geweest,  die in 1646 uit Bergschenhoek is verdre-
  ven, al had men daar vijftig jaar  later  geen  herinnering meer aan hem.
  (Herinneringen van "sommige oude lieden" van c. 1690  over  het  ontstaan
  der statie Bergschenhoek.  Zie Bijdragen Haarlem. Dl. 42, blz. 284). Pas-
  toor  van  Wijck  stierf op 15-9-1652 op 40-jarige leeftijd te Kralingen.
  (B159).
  Omstreeks 1645 meende de apostolische vicaris Rovenius, dat de tijd geko-
  men  was,  om  in Schieland vaste staties van wereldheeren te vestigen en
  aan het wisselvallige van de ambulante missie door seculiere en reguliere
  geestelijken tegelijk een einde te maken. De keuze  viel  aanvankelijk op
  Bergschenhoek, waar de bevolking nog zeer Katholiek  was  en waar de pas-
  toor buiten den gezichtskring der predikanten  zijn werk zou kunnen doen.
  (Bergschenhoek kreeg eerst in 1658 een predikant.) Maar zelfs wat in dien
  uithoek van Schieland gebeurde, bleef voor de  classis niet verborgen. Er
  rees verdenking,"dat aen den Bergschenhouck  een  klooster  ofte wooninge
  voor cloppen ende  den Paep wert getimmert" (onderwerp vermeld in classis
  vergadering 2-10-1645)  en  onmiddelijk werden vier predikanten naar Rot-
  terdam gezonden om aan de burgemeesters "ernstelijc remedie tegen de aen-
  groyende swaricheden" te verzoeken. In een der volgende vergaderingen van
  de classis (onderwerp vermeld in classis vergadering 9-4-1646) deelden de
  afgevaardigden mede, dat de burgemeesters "goedt antwoord" gegeven hadden
  maar het huis was inmiddels  afgebouwd en door de kloppen betrokken en er
  werd kerk gehouden. Opnieuw werd een deputatie naar  Rotterdam  gezonden.
  25 Juni 1646 kon zij de classis gerust stellen, "als dat de Achtbare Hee-
  ren Burgemeesteren belooft  hadden,  daertegen  soodanige ordre te sullen
  stellen, dat de Edele classis daer in soude nemen contentement".  Dit te-
  vreden stellen van de classis beteekende, dat de statie in  Bergschenhoek
  ten doode was opgeschreven. Wij hooren verder niet  van  haar - het beste
  bewijs, dat priester en kloppen het huis hadden opgegeven. (B159).
  Door de  staten van Holland en West-Friesland werd den 8sten October 1646
  het eeste  octrooi  verleend  tot  droogmaking van den polder "De Honderd
  Morgen of Wilde Venen." (B29).
  Omstreeks  1646  had pastoor Cornelis van Wijck, die vanuit Kralingen ook
  te  Bergschenhoek  de  zielzorg  verrichtte aldaar (in Bergschenhoek) een
  huisje  voor  pastoriekerkje laten bouwen. Het kerkje moest echter worden
  afgebroken, of in ieder geval gesloten worden. (B13) (K).
  In  1647  kreeg Henricus de Jongh als pastoor de speciale zorg over Berg-
  schenhoek, Bleiswijk en Zevenhuizen. (B13).
  Reeds in  het  midden van de 17e eeuw gaat men water weer tot land maken.
  In 1648 wordt het Oostmeer (groot ongeveer 60 morgen) drooggelegd. In het
  polderarchief lazen we van een octrooi van 28 maart 1648 tot  droogmaking
  van het Oostmeer verleend door de staten van Holland aan de burgemeestren
  van Delft?! Met welke watermolens men het Oostmeer drooglegde is niet be-
  kend.  (gedeeltelijk B34). Het Oostmeer was niet door vervening ontstaan!
  (M).
  Het hoogheemraadschap Delfland verleende in 1648 octrooi tot drooglegging
  van het 60 morgen tellende Oostmeer onder Berkel. (B130-blz:120).
  De  Oostmeer en de Westmeer waren natuurlijke meren die door voortdurende
  afslag  van  de  slappe  veenoever uit de Oude leede zijn ontstaan. (B99)
  (V).
  In  1649  verzocht  men een "Vaart van de Achterafsche kade tot de Hazen-
  heul"  te  mogen graven. Hazenheul was een brug zo ongeveer tegenover het
  huidige  (1998)  gemaal in het Noordeinde. Met deze vaart ontstond er een
  vaarweg van de Noordpolder plassen naar de Meerpolders. (B&R).
  In  1649  verzocht  men  reeds een "Vaart van de Achterafsche kade tot de
  Hazenheul" te mogen graven. In 1674 werd op herhaald verzoek e.e.a. (pas)
  goedgekeurd. (B&R).
  Moerkapelle is een wegdorp in de polder De Wilde Venen, drooggemaakt tus-
  sen  1648  en 1655, het dorp is vermoedelijk direkt na de droogmaking ge-
  sticht. (B01).
  1650  "Inbraak  van  de  Rotte in de Binnenwegse polder". Een stukje land
  "liggende in de Binnewegse Polder te Zegwaart". De Binnewegse Polder  van
  Zegwaart strekte zich uit vanaf de Hellervoetse Brug over de Rotte - deze
  lgt op de grens van de gemeente Moercapelle - tot aan de Breede Akkerdijk
  van de latere Noordpolder in Berkel. Dus kwam het gevaar van die "inbraak
  van de Rotte niet van Zuid-oostelijke zijde maar uit het  oosten  van het
  Ambacht Berkel en Rodenrijs. (B10).
  1650. Overdracht op titel van koop ten overstaan van  schout en schepenen
  van Zoetermeer van 2 morgen en 2 hond moerassig  (gebroken) land met twee
  schuren, gelegen bij de landscheiding, door  Adriaen Joosten, wonende aan
  de Groenewech, aan zijn zoon Gerrit Adriaensz. Joosten. (B23-849).
  Rond 1650. "Op sommige Zon- en feestdagen ging Huygesz.  de  H. Mis lezen
  en  preken  te  Pijnacker,  waar de Berkelaren zich dan ook heen begaven.
  (B13).
  In 1650 bedroeg het aantal  katholieke gezinnen te Berkel ongeveer 85, te
  Pijnacker 38 en te Zoetermeer-Zegwaart 25. (B13).
  Voor 1652  maakte  Bergschenhoek  deel uit van Den Berg of Hillegersberg,
  Bergschenhoek werd lokaal vermeld als Ten Hoeck. (B77).
  Theodorus  Cannius  moest  zich in 1652 als pastoor in Bergschenhoek ves-
  tigen. (B13).
  De R.K.-schuilkerk  in  Bergschenhoek.  De  pastoor was in 1652 Theodorus
  Cannius. (K).
  Maar tusschen Kralingen en  Bergschenhoek  lag  Hillegersberg,  waarop de
  Kralingers als oudste statie recht meende te hebben. Volgens de  Herinne-
  ringen van "sommige oude lieden" van c. 1690 over het ontstaan der statie
  Bergschenhoek. Zie Bijdragen Haarlem.  Dl.  42,  blz. 284), had Theodorus
  Cannius daar in 1652 een huis en kerk gebouwd. Door de classis werd  ech-
  ter pas sedert 1659, maar toen ook langdurig  en  hartstochtelijk over de
  Papisten daar ter plaatse geklaagd. Zij  maakten  het er zoo bont, dat de
  dijkgraaf zich in 1660 genoodzaakt zag om een kerkdienst te storen. (Ver-
  gadering  classis 4-10-1660 besproken). Aan Joannus Cannius was door pas-
  toor Roose toegezegd dat hij vanuit Kralingen Hillegersberg mocht blijven
  bedienen,  maar na zijn dood zou de Rotte de grens tusschen de beide sta-
  ties worden. Theodorus Cannius heeft ook zijn heerbroer niet in financie-
  ele moeilijkheden willen brengen en drong daarom niet  op  grensscheiding
  aan. Maar toen de pastoor van Bergschenhoek in 1679 overleed, vreesde  de
  Kralingsche Cannius, dat diens opvolger hem minder goed gezind zou  zijn.
  Hij maakte zich meester van alle papieren, die  op  de  grensregeling be-
  trekking konden hebben. Het heele archief  van  de  statie verhuisde naar
  Kralingen, Natuurlijk waren de kerkmesters van Bergschenhoek diep veront-
  waardigd. Zij hadden zoo gehoopt, dat het waarschijnlijk niet onbemiddel-
  de Hillegersberg hun  toe  zou vallen en zij deden dan ook hun beklag bij
  de landdeken. Tot troost  kregen  zij den zeer welgestelden Christiaan de
  Weerdt tot pastoor, die Bergschenhoek tot een centrum van Papisme maakte.
  Predikanten, die op kondschap  uitgingen,  wisten te vertellen, dat in de
  pastorie twee wereldheeren en elf  kloppen  gehuisvest waren, in een aan-
  grenzend huis zes kloppen  en  twee  geestelijke broeders en dat nog ver-
  schillende andere kloppen  in de buurt woonden. (Medegedeeld classis ver-
  gadering 23-4-1686).  De  kwestie  van de grensscheiding werd in 1684 ten
  gunste van Bergschenhoek beslist. Bergschenhoek heeft in 1839 bijna veer-
  tig procent Katholieken, Hillegersberg  twaalf  procent,  sprekende voor-
  beelden, hoe beslissend het voor de Katholiciteit van een dorp was, of er
  een statie gevestigd werd of dat de geloovigen gedoemd  waren  om  buiten
  het ambacht te kerken.
  Begin 1654 brandde de enige windwatermolen van de Binnenwegse  polder af.
  Een noodoplossing werd gevonden door tegen vergoeding op Berkel te lozen;
  Berkel moest hiervoor extra malen. Op 1 november was de nieuwe molen  ge-
  reed en kon men weer zelf malen. (B127) (M).
  1655. Overdracht op titel van koop ten overstaan van schout  en schepenen
  van Zoetermeer van de helft van een woning met 4 morgen en  4 hond moeras
  (gebroken) land aan de Groenenwech (bovenwech)  bij  de  landscheiding en
  van de  helft  van 1 morgen, 1 hond, 2 kwartier veenbaggergrond (flodder-
  land) gelegen  aan  de  Groenewech  (binnewech)  door Jacob. Davitsz. van
  Vlieth aan  zijn  broer Cornelis, aan wie de andere helft al toebehoorde.
  (B23-863) (V).
  Pijnacker is een op een kreekrug gelegen wegdorp. Van 1656 is de hofstede
  "Acht is meer dan duizend", Kerkweg 56. (B01).
  In de buurt van Rotterdam is telkens n seculier gevestigd te Kralingen,
  Bergschenhoek, Ketel, Berkel en Pijnacker. 1656. (B88).
  1658. Overdracht  op titel van koop ten overstaan van schout en schepenen
  van Zoetermeer van 1 morgen en 450 roeden land met daarop een  schuur na-
  bij " 'Scheydt" aan de Groeneweg door Jacob Davitsz. van  Vliet aan  zijn
  broer Cornelis Davitsz. van Vliet. (B23-878).
  In 1658 is het dorp Bergschenhoek, dat zich door  voorspoed  der bewoners
  flink had uitgebreid, door de burgemeesteren van Rotterdam, in hun kwali-
  teit als ambachtsheeren van Hillegersberg als een afzonderlijke kerkelij-
  ke gemeente ingedeeld. (B29) (K).
  In maart 1658 werd een erf en een schuur gekocht die in 3 weken tijd werd
  omgebouwd tot kerkgebouw en op 1 mei 1658 predikte ds Zegelt  van Son als
  eerste in deze eerste  "Gereformeerde" kerk van Bergschenhoek. Op 29 sep-
  tember  1658  werd  ds Jacobus van Couwenhove als eerste predikabt beves-
  tigd.
  Op 8 mei 1659 branden in Bergschenhoek 44 huizen en de kerk af.  Er  werd
  een nieuwe kerk gebouwd; eind 1659 was de nieuwe "Gereformeerde" kerk van
  hout met een stenen vloer klaar. (K)
  Hendrik van Losecaet, drost van Heukelom gehuwd met Anna Maria van Naald-
  wijk, sedert 1660 vrouwe van Berkel en Rodenrijs, die 21 Jan. 1658 weduwe
  was en 3 Jan. 1665 stierf, een dochter Ida Margaretha nalatend. (B152).
  1660. Memorin of lijsten der landerijen in  Oostende,  Butterdorp  enz.,
  welke voor het ambacht door onmacht van eigenaars zijn blijven liggen, en
  door schout en ambachtsbewaarders vrij van ongelden zijn verkocht, alsme-
  de van zodanige, welke met geld verwaarborgd zijn sedert 1600 en  waarvan
  het ambacht de ongelden moet betalen. (B97-D79).
  Op 25 april 1662 werd voor notaris Johan Lissant te 's-Gravenhage een ak-
  te  gepasseerd, waarbij Cathurina Sierxma, weduwe van Mr. Adriaan Pijnak-
  ker,  advocaat  vosor  den Hove van Justitie te 's-Gravenhage, twee lenen
  verkocht. De kopers waren Johan Houttuijn, ontvanger der verpondingen, en
  Johan Moons, Raad in de Hoge Raad van Holland. De verkochte lenen betrof-
  fen het recht  tot  het  houden van twee broedende zwanen op de Berckelse
  Meer, welke  rechten  Catharina  van haar man had gerfd. Pijnakker bezat
  die lenen van de heer  van  Wassenaar en ze waren hem aangekomen van zijn
  oom Cornecti Pijnukker en vervolgens na diens dood vererfd op de toen nog
  onmondige zoon Cornelis. (B152).
  Kaartje van ca. 1664, bron H.H. Delfland inv. nr. 3179. Waarin opgenomen:
  "De Berckelse wecht" = huidige Noordeindseweg; "De Berckelse wecht" =  de
  huidige Rodenrijseweg; de weg die aansloot op de "Leeweg" (nu Klapwijkse-
  weg) op een weg richting Bergschenhoek heette "Berckelse Zijde" en na het
  dorp  "Berchse  Zijde"; wat nu Bonfut heet heette in 1664 "Dick Molenaers
  Cade".
  1668. Driemanspolder te Zoetermeer en Stompwijk, 980 Ha drooggemaakt. Oc-
  trooidatum 23-6-1668, gereed in 1668.
  In 1669 werd de Delftschen kapelaan Joannes Cannius, een zoon van de Rot-
  terdamschen advocaat Mr. Jacob Cannius opvolger in Kralingen van de over-
  leden pastoor Roose. Met zijn  heerbroer  Theodorus  Cannius, pastoor  te
  Bergschenhoek, bediende hij het grootste gedeelte van Schieland. (B159).
  Uit een kerkrekening van 1670 blijkt dat gedurende de preek de deuren van
  de  kerk  open  stonden,  want in genoemd jaar wordt de grafmaker betaald
  voor het "uytweren der honden onder de preikatin" Overschie. (B69) (K).
  1679. De  kerkeraad van Berkel en Rodenrijs zoekt een voorzanger en voor-
  lezer. Uit zes personen kiezen zij Johannes van Santen  uit  Zevenhuizen.
  Van Santen was in zijn vrije tijd bakker. Hij overleed 23  maart  1714 in
  Berkel en Rodenrijs. (B15) (K).
  In 1679 werd door de kerkmeesters van Overschie een hardstenen zerk  aan-
  getroffen waarop vijf maal het wapen van Oldenbarnevelt voorkwam. Of hier
  de toenmalige heer van Rodenrijs begraven is, is nog steeds niet opgehel-
  derd, een onderzoek ter plaatse in 1822 ten spijt. (B69) (K).
  1680-1685. Stukken betreffende de verkoop bij willig decreet van de heer-
  lijkheid De Tempel door Hans Cracht,  heer  van  Milendonck,  c.u.  Maria
  Doublet aan mr. Robbert le Pla, advocaat voor de hoge raad. (B97-no 2301)
  Hillegersberg (dorp), overgegaan naar statie Bergschenhoek, 1684. (B159).
  1686. Johan van Mo(e)tsveld (Motzfeldt), heer van Zegwaard. (B23-924/925)
  In 1690 was Johannes Chr. de Weerdt  tweede  pastoor  van  Bergschenhoek.
  (B13) (K).
  In 1691 besloot men in Bergschenhoek het kerkgebouw van 1659 te vervangen
  door een nieuwe N.H.-kerk, deze was in 1694 gereed. (K).
  In 1693/1694 werd de landscheiding met klei opgehoogd en  de  lekken  ge-
  dicht. (B&R).
  Ca. 1694. "De erfpagten die  het  Ambagt  van  Berkel en Rodenrijs had te
  pretenderen op enkele huijzen, erven en landen in Keulen onder het Ambagt
  Pijnacker waren niet geind" (B10).
  Pastoor Greef uit Zoetermeer beklaagde zich bij het Hof van Holland  over
  pastoor Correije uit Pijnacker omdat deze in de  parochie  Zoetermeer als
  priester had dienst  gedaan.  ca. 1694.  (Greef  was  aanhanger  van  het
  Jansenisme, Correije blijkbaar niet). (B127).
  In 1695 brak de Hoefkade op de grens met Bleiswijk door,  de  Binnenwegse
  polder liep onder water en bleef door gebrek aan geld 2 jaar onder  water
  staan. (B127).
  Omstreeks 1696 wordt er door de bewoners van Berkel geklaagd, dat de reis
  naar  Bergschenhoek  een  omweg vereist helemaal via Zoetermeer en Bleis-
  wijk, of om de zuid via Schiebroek en wellicht de Bovendijk en Hillegers-
  berg. (B10)
  Bij  een geschil tussen de heer en secretaris van Berkel en het polderbe-
  stuur  van  Schieveen in 1697 beslissen hoogheemraden van Delfland, dat f
  400 waarborggeld  zal  moeten  worden betaald voor iedere morgen verveend
  land in de  polder,  waarvoor  5 1/2  morgen land tot de betaling daarvan
  borg zal zijn. Zo deed dus het systeem van het stellen van waarborggelden
  zijn intree in Schieveen. (2) (V).
  1697 Aanleg Berkelseweg (300 ellen over de landscheiding).  In  dit  jaar
  werd  ook  de  Huismanskade verhoogd en verbreed. Vanaf dat moment noemde
  men deze weg "de heer zijn weg" of Berkelseweg. (B&R).
  De  aarde  die nodig is om de kanten te vesterken van de 300 ellen moeten
  de aannemers op eigen kosten gaan halen van het land in Butterdorp.
  De aanbesteding van de Huismankade geschiedt in 7  percelen,  "van  Berg-
  schenhoek tot no. 1, lang omtrent 49  roe,  Maarten  de  Bruin  1-3-0 per
  roede = 56-7-0" voor het eerste perceel.
  Het uitgewerkte  wegenplan van Kruger had tot gevolg dat Bergschenhoek in
  de dorpskom er  een  straat  bij kreeg. Voor 1697 waren er in de dorpskom
  maar  twee wegen n.l. de Dorpsstraat en de Smitshoek. Door de aanleg van
  de  nieuwe weg vindt er een doorbraak plaats ten oosten van de dorpskerk,
  waar voorheen een boerenerf lag. Ds. Kruger kocht een deel van dat erf en
  liet de daarin liggende sloot afdammen en een tol plaatsen. (B10).
  De  tol  in  1697  door Ds. Kruger op de weg naar Bergschenhoek geplaatst
  komt in 1854 in het bezit van "het Zedelijk lichaam tot verzorging van de
  armen  van  de  familie  van der Burg". In 1948 neemt de provincie de weg
  over.  Sindsdien  werd de weg eigendom en enkele jaren later in onderhoud
  aan de gemeenten Bergschenhoek en Berkel en Rodenrijs overgedragen. (B07)
  Van  1697  tot 1714 stond de tol in Bergschenhoek met aan de ene kant van
  de weg de "abeele boom" en aan de andere kant een mestput. (B10).
  "Notaris  Kruijt  onder Hillegersberg en Rotteban residerende, present de
  getuigen Pieter Deckhuijzen  en dezelfs huijsvrouw Jannetje Schoon, mits-
  gaders Johannis Wagemaker  Mr.  Chirurgijn  out  vijf  en vijftig jaaren,
  Claes  Hoflant  out drie en zestigh jaaren, Cornelis Louwe van Zuijle out
  drie en  vijftig jaaren en de Corstiaan Buijtenwegh out negen en veertigh
  jaaren, alle inwonende aan de Bergsenhoek, de voorn. Deckhuijzen en zijne
  vrouw van den jare 1697 tot in de jare 1714 zonder intermissie het voorz.
  passage  gelt  hebben  ontvangen en ook jaarlijks aan beijde (Heeren) het
  zelve hebben betaald" (B10).
  Ca.  1698.  Wijnkoper  Jacob  van  der Sluijs uit Rotterdam heeft wijn en
  jenever  geleverd  maar  ontvangt  nooit betaling. Daarom stelt hij er de
  president ambachtsbewaarder van Berkel en Rodenrijs aansprakelijk voor en
  met  deze  het gehele Collegie. Hij heeft blijkbaar een vermoeden dat die
  het geestrijke vocht wel opgedronken zullen hebben! (B10)
  
  1700-1800
  1700. Achterhoef, Voorhoef te Bleiswijk, 720 Ha. drooggemaakt.
  1700 Binnenwegsepolder te Zoetermeer, 725 Ha. drooggemaakt.
  1700. Ds.  Johannes Wilhelmus Dukerus, predikant op De Leur in de Baronie
  van Breda wordt  beroepen door Berkel en Rodenrijs en werd op 16 mei 1700
  bevestigd door Ds. Petrus Gribius van Delft. Op 27 september  1733  over-
  leed Ds. Dukerus, 69 jaren en 19 dagen oud te Berkel en Rodenrijs. (B15).
  Door de vervening ontstonden grote plassen en  werd  menigmaal  te  dicht
  langs dijken verveend zodat talloze doorbraken  ontstonden. Ook de steeds
  groter wordende watermassa sloeg wegen weg b.v.  De Zijde in 1700 vol met
  dellen en slenken (geulen en gaten). Uiteindelijk kon men alleen door het
  droogmaken van de ontstane plassen de zaak weer in de hand krijgen. (B&R)
  (V).
  De  Mienlaan  was  een  waterkering  en  tevens de grens van de ambachten
  Bleiswijk en Hillegersberg. Omstreeks  1700  is zij doorgebroken. Daar de
  onder Bleiswijk gelegen Hoekeindsche polder  nu op den Oosteindschen pol-
  der afwaterde, werd de capaciteit  van  de  watermolens aanzienlijk opge-
  voerd. (B160).
  De  seculieren  hebben  staties in Schoonhoven, Bergschenhoek, Kralingen,
  Roon, Moordrecht, Waddinxveen. 1701 (B88).
  Verder  hebben  de  seculieren  staties  in  Brielle, Poeldijk, Nootdorp,
  Berkel, Ketel, Rijswijk, Wateringen, Maasland,  Pijnacker,  Delfshaven en
  Eikduinen. 1701. (B88).
  Op 8 december 1703 was Jacobus de Roy pastoor te Pijnacker.
  1703-1728.  Stukken  betreffende  diverse processen in Berkel, Bleiswijk,
  Pijnakker, Schiebroek, Zegwaard enz. (B97- no 2303 t/m 2570).
  Ca. 1704 was de Berkelaar Nic. van Outshoorn pastoor van Nootdorp. (B13).
  Onrust in de parochie (Jansenisme). Welk een onrust ontstaan was,  blijkt
  uit  een  schrijven  van 1 maart 1704 van J. de Weerdt, pastoor van Berg-
  schenhoek, die  eveneens tot de weerspannigen behoorde, over "de droevige
  onrust ende opschuddinghe,  die  hier (Bergschenhoek) niet minder is, als
  die te Berkel zo lang  geweest  is; ...  dat haast genoodsaekt zal worden
  den kerkelijken dienst te staeken, dat ook zo te Berkel zal gaan, want 't
  is niet te beschrijven, wat de  omleggende Heren zo in 't particulier als
  op de preekstoelen afgeven." (B13) (K).
  Substituut-secretaris  Kruijt  van Berkel en Rodenrijs wordt niet lang na
  1705 meermalen genoemd als Notaris "bij den Hove van Holland geadmiteerd,
  onder Hillegersbergh en Rotterdam residerende". (B10).
  Intocht  Mr.  Johan van der Hoeven in de Heerlijkheid Berkel en Rodenrijs
  op  1  mei 1706. "Zo haast wij de Bergschenhoek waren gepasseerd, werd er
  een begin gemaakt met het luiden van de klok te Berkel en raakte alles op
  de been". (B15).
  1706 Klappolder te Bleiswijk, 625 Ha. drooggemaakt.
  Een gedenksteen in de kerkmuur, die Johan van der Hoeven in het begin van
  de 18e eeuw liet maken: "Voor de overledene, tegenwoordige en  toekomende
  Heren en Vrouwen van Berkel en Rodenrijs heeft  dit  grafteken  opgericht
  Johan van der Hoeven, raad en oud-burgemeester  mitsgaders  hoofdofficier
  der stad Rotterdam, heer van Berkel en Rodenrijs, anno 1707" (B165).
  Tussen  1710  en  1712  stonden  R.K.-kerk en pastorie geheel verlaten in
  Bergschenhoek. (B13) (K).
  Bij  brief  van  24  oktober 1710 vroegen Dijkgraaf en  Hoogheemraden van
  Schieland schout, krooshemraden en molenmeesters  van  den  Oosteindschen
  polder om advies terzake van een bij hen  ingekomen  request van de inge-
  landen tusschen den Achterweg, ook genaamd het Groenewegje, en de Berkel-
  se landscheiding. Deze weg was omstreeks 1650 op verzoek van eenige inge-
  landen gemaakt en liep van  Bergschenhoek  tot aan de "gemeene laan". Hij
  was  gekeurd  op  een  breedte van 10 roede voeten en een voet boven  het
  hoogste winterpeil. In dien tijd waren er ter  wederzijden van  dezen weg
  meest heele landen gelegen,  doch  een  vijftigtal  jaren later waren die
  landen verveend en het duurde niet lang of de verhoefslaagden bleken niet
  meer in staat het Groenewegje uit den schouw te houden, omdat het op vele
  plaatsen werd overstroomd.  Zij  wendden  zich daarom tot Schieland om de
  keur op het schouwen van dien weg te doen  vernietigen.  De  regenten van
  den Oosteindschen polder vereenigden zich ermede,  dat  een  gedeelte van
  den weg van het schouwen zou worden ontheven. (B160).
  1712 Uitgifte van de kaart van Delfland. Enkele opmerkelijke namen op de-
  ze  kaart:  Roomse Heul,  Rietsloot,  Kors Watering, Vogelkooy Laen, Buer
  Pat, Groote- en Kleine Negenhovense Tient, het Lge Zaet, De Schuddebaker
  (Schuddebocer), De Schrok, Draey, 't Spytje  Bakhuys,  Het  Bosch  en  de
  Slimme Camp.  Allemaal  namen  behorende  tot  het  gebied  van Berkel en
  Rodenrijs.  De Munnicke Kade loopt in de buurt van het in Pijnacker gele-
  gen Munnicken Huys, wellicht is naam daaraan ontleend. (B&R).
  Het toezicht op het Ambacht Berkel en Rodenrijs wordt verscherpt, ze moe-
  ten "in  de  Herberge  van de Son te Delft, op huijden 16 april 1713 ver-
  schijnen, voor Sonnen ondergang en zo lang gijseling te houden tot dat "
  enz. enz. (B10).
  Leendert Versteeg was schoolmeester in Berkel en Rodenrijs van 1714-1717,
  in 1717 vertok hij naar Zevenhuizen. Hij was ook  voorzanger/voorlezer in
  de kerk. (B15) (K).
  Tengevolge van een doorbraak van de Rottekade onder  Bleiswijk  kreeg  de
  Oosteindsche polder in 1715 in zulk een mate met overtollig water te kam-
  pen, dat de uitgezette turf wegspoelde en er bij noordoosten wind  gevaar
  was, dat de Hoekschekade zou bezwijken. Het leggen van  een  duiker heeft
  deze bezwaren ondervangen. (B160).
  In 1715 kocht Mr. Johan van der Hoeven De Tempel  voor f 6000,-. Toen hij
  trouwde met Adriana van der Cloot was hij eigenaar geworden van een boer-
  derij in Schieveen die hij Berkeloord had genoemd.  Bij  de  koop  van De
  Tempel werd bedongen dat de heerlijke rechten van De  Tempel  ook  zouden
  gelden voor zijn bezit Berkeloord aan de Schie. De naam  Berkeloord  werd
  later door van der Hoeven gewijzigd in De Tempel. (B10).
  In  12  december  1715  werd  in  het Rechthuis te Berkel het veen van De
  Tempel  geveild,  op  die dag verkocht men 2 morgen voor f 4125. Een jaar
  later  blijkt het veenbezit totaal f 24.000 te zijn. De Tempel was ca. 12
  morgen groot. De vervening van De Tempel is in 1715/1716  begonnen. (B10,
  "Berkelaar") (V).
  2-11-1716.  Een  heul bij de Pijnackerse molens, de Laanheul bij Delfgauw
  en  de  Cromme  heul  tussen  Delft  en Delfgauw moeten gedeeltelijk door
  Berkel en  Rodenrijs  onderhouden worden. De Hofweg, de Cingel, de weg in
  't Noordeinde tussen  Slingersloot  en  Keulen (in Pijnacker) zijn geheel
  voor rekening van het Ambacht Berkel (B10) (M).
  1716.  "Het  Rotterdamse  Pat in 't Zuijdeijnde" (Was dit het in 1775 ge-
  noemde Schiebroekse Pat, thans Bonfut en Wilderse Kade?). (B10).
  1719. Brief van Cornelis van Zuylen aan de schout Allert van der Duyn be-
  treffende  de  achterstallige huur van een huis in Bergschenhoek, bewoond
  door  een  door  de Armen gealimenteerde zeemansweduwe met vier kinderen,
  die  weigerachtig  is  het  MERKTEKEN op hare kleding te dragen. (B97- no
  1576).
  In  1720  stortte  Johan van der Hoeven, heer van den Tempel en Rodenrijs
  (De onverlaat van de gele ruit (Zie 1730) (B07)) f 2000 waarborggeld voor
  de  droogmaking van zijn veenderij van 14 morgen, 12 morgen van De Tempel
  en 2 morgen in Schieveen. Over dit gebied moest hij ook molen-, sluis- en
  penninggeld in Schieveen betalen. (B02) (M) (V).
  1723.  Overdracht op titel van koop ten overstaan van schout en schepenen
  van Zegwaard van een huis met twee schuren en een partij moeras (gebroken
  veenland)  gelegen  in  de  Buitenwegse  polder  door Claes de Vrient uit
  Leiden aan Dirck van 't Scheyt. (B23-1036) (V).
  1724. Ariaantje van der Boon, vroedvrouw te Berkel en Rodenrijs heeft een
  aanbod gekregen van die van Vlaardingen, "om zich  daar te vestigen en ze
  zal daar verdienen 100 gld's jaars, bij ziekte en  gezondheid  en daarbij
  nog  enige  douceurs.  Vroedvrouwen  waren  blijkbaar schaars in die tijd
  omdat men de vroedvrouw een zelfde bedrag aanbood! (B10).
  Tekeningen  van  ca. 1729 gemaakt door G. van Giesen die zich bevinden in
  het  gemeentearchief  van 's Gravenhage: No 33. Pijnacker, zoals het zich
  vertoont, van Delft nabij het dorp komende. No 34. Berkel, zoals het zich
  vertoont van buiten het dorp, op de weg naar Pijnacker, bij de scheepsma-
  kerij. (B74).
  1729.  Missive van schout en ambachtsbewaarders van Berkel, houdende ver-
  zoek dat de ingezetenen van Berkel mogen varen door het Schiebroekse ver-
  laat gedurende de herstelwerkzaamheden aan het Berkelse verlaat. (B97- no
  1279).
  Rond  1730 schreef Johan van der Hoeven voor dat armlastigen op de linker
  bovenarm een gele ruit met de letters "B.R." moeten dragen. (B07).
  Van  der  Hoeven noteerde verder, "dat de landscheiding tussen zijn Heer-
  lijkheid en Schiebroek ter lengte van 80 roeden ook zijn eigendom is" ca.
  1730 (B10).
  Toen  het met de veenderij rondom Bergschenhoek na 1730 snel bergafwaarts
  ging, zochten velen een heenkomen naar Berkel en Pijnakker, ook wel  naar
  Reeuwijk  en  Sluipwijk  en  enige  andere dorpen in het Utrechtse-Noord-
  Hollandse,  als Mijdrecht, Wilnis en Amstelveen, alwaar voor de veenderij
  nog mogelijkheden waren. (B82) (V).
  De landerijen ten westen van de Molenlaan in den  Butterdorpschen  polder
  zijn Ommoordsch bezit geweest. In  1732  werd  er  een groot gedeelte van
  verkocht om van de opbrengst een  nieuwen Ommoordschen watermolen te kun-
  nen bekostigen. (B160).
  In  1732  stonden  er  aan  de weg door de veenderijen vanaf de grens van
  Schiebroek  tot  in Bergschenhoek, de z.g. Westweg of Laag Rotte, 55 hui-
  zen. Van de 34 die het diepste in het veen lagen, staat bijna de helft te
  boek als oud en vervallen. Ook aan de Achterweg, bij Bergschenhoek, ston-
  den 5  van  de 13 huizen direct op wegspoelen en met de overige stond het
  er rampzalig voor. (B82) (V).
  Uit  oude  stukken  blijkt  dat  in  1732 het hoofdmiddel van bestaan nog
  steeds die van de veenderij was. Per verveende roe grond moest men echter
  een  bepaald  bedrag betalen voor dijkbeheer en om later de droogmakingen
  te kunnen financieren (In 1697, 1 stuiver per verveende roede). (B&R) (V)
  Aannemer  en  architect  David van Stolk uit Rotterdam bouwde in 1732 een
  nieuwe "Gereformeerde" kerk in Berkel en Rodenrijs. Aanbestedingen  op 19
  maart  1732,  eerste  steen  gelegd  op  20 juni 1732, eerste preek in de
  nieuwe kerk op 14 december 1732. (B15) (K).
  1734. Copie-certificatie betreffende de  afkooppenningen van de Vogelkooy
  in de Rotte onder de polder Oostende. (B97-no 1021).
  1734 Oktober, De bode heeft gerapporteerd dat hij had  geinsinueert  Arij
  Bonifaes van Scheijt om de boomen binnen de 100  roe  staende van de But-
  terdorpsche molen om te hakken. Item dat bij  denzelven Arij Bonifaes van
  Scheijt was aangenomen bij t afvallen van de bladeren. (B160).
  October 1734. De groote butterdorpse mole vacant; de swager  van  Hendrik
  Huijsman solliciteert dienaangaende. (B160).
  1734.  Overdracht op titel van koop ten overstaan van schout en schepenen
  van  Zegwaard  van  5  hond  moerassig  (gebroken veenland) gelegen in de
  Katwijk in de Veur, door Jacobus Arijensz. Hoogervorst aan Philips Heyman
  uit Katwijk aan de Veur met de voorwaarde dat de koper zijn deel  in  "De
  Buerbrugge" zal onderhouden en - in geval van droogmaking - de grond  zal
  blijven behoren tot het ambacht Zegwaard. (B23-1052) (V).
  1  Januari  1735  is  molenaar  geworden van de groote Butterdorpse molen
  Leendert Janse Kerckhoff. (B160).
  1737. De Rotte is weer eens doorgebroken. (B10).
  In den polder (Boter- of Butterdorpsche polder) waren omstreeks  1745 ge-
  legen de twee valbruggen "de Laenheul" en  de  "Knollemansheul",  de heul
  bij de wed. Uijttenbroek en de heul aan de  Zijde. Bij de Zijde (weg) was
  gelegen de Haesjes brug, waarvan een bestek van vernieuwing werd gevonden
  van 1665, (B160).
  1746-1754. Stukken betreffende de slechte gesteldheid van de weg De Zijde
  van de  Westweg  tot  de  landscheiding  bij  Berkel en de verkoop van de
  voorn. weg namens burgemeester en regeerders van Rotterdam als eigenaars.
  (B97- no 1162).
  1747. Ds. van Hoven predikant onder de Remonstranten in Berkel vraagt aan
  het  Collegie vergunning of de bedestonden van 2 tot 3 uur 's middags mo-
  gen  worden  gehouden i.p.v. woensdagavonds van 7 tot 8 uur, omdat de ge-
  meenteleden uit Oude Leede, Schiebroek en elders moeten komen enz. (B10).
  1 mei 1747. De Schout van Berkel en Rodenrijs heeft heel wat te vertellen
  over  de  omliggende  dorpen  zoals Bergschenhoek, Bleiswijk, Zoetermeer,
  Overschie, Maassluis en de  Ketel. Overal was er beweging en uitingen van
  Oranje-gezindheid. (Het  verhaal van de Schout besloeg 4 kantjes). Ook in
  Berkel en Rodenrijs wapperde de "princevlag" op de kerktoren. (B10) (K).
  Geschat  rond  1750/1760  jaarlijks honderd duizend roeden land verveend,
  waarvan iedere roede op zeven tonnen turf  gerekend  wordt.  (700.000 ton
  per jaar). (B12). (B&R) (V).
  De Zijde, gaande van den Westweg tot aan de landscheiding  van  Schieland
  en  Delfland (Roderijskade), was vooral tijdens den winter de gewone rij-
  weg (van Bergschenhoek)  over  Berkel naar Delft. In het begin van de 18e
  eeuw  geraakte  hij  in onbruik, gelijk in een memorie aan Rotterdam door
  den schout Claudius Johannes  Steenlack  is  uiteengezet. Deze weg, welke
  door  zeventien  ingespoelde  gaten was onderbrokenm werd in 1752, na ge-
  deeltelijke meting, geschat op een lengte  van  meer  dan  200 roeden. De
  Zijdeweg moest onder  Hillegersbergin de ordinaris verponding, het karre-
  geld, het penninggeld en de binnenlandsche kosten volgens  de  gaarboeken
  verongelden voor  450  roeden, had in de extra ordinaris verponding remis
  en stond in het molengeld niet bekend. (B160).
  Claas van Sol huurde een opkamer in het  huis waar de as bewaard werd aan
  de Bergweg  in  de polder van Butterdorp, 1760, het huis was eigendom van
  de H.G. armmeesters. (B97 - Nr. 1499).
  1762 Palesteinschepolder te Zegwaard, 505 Ha. drooggemaakt.  Octrooidatum
  9-6-1759, gereed in 1760-1762.
  Schippers  (Cornelis S., heer van Bodegraven, schout van Berkel en Roden-
  rijs), CC. 9 Juli 1765. (B152).
  1766-1815.  Droogmaking  3635  morgen Bleiswijk en gedeelte Hillegersberg
  (B97 no 1109 t/m 1127).
  Omstreeks  1766 was bijna de helft van de wateroppervlakten aan weerskan-
  ten van de Rotte opnieuw bedijkt en drooggelegd en voerden 31 molens  hun
  water op de Rotte. (B29) (M).
  Droogmakerij  van  de polders van Hillegersberg, Bleiswijk  en Bergschen-
  hoek. 14-01-1769 Octrooi voor droogmaking van o.a. de  Butterdorpse  pol-
  der. 10-01-1772 Start uitvoering droogmaking  van  o.a.  de  Butterdorpse
  polder. We maken even een uitstapje naar onze buurgemeenten die in janua-
  ri 1772  begonnen  met  de  droogmaking van de polders van Hillegersberg,
  Bleiswijk  en  Bergschenhoek.  De begroting voor deze droogmaking bedroeg
  f 1.422.530.  Waar maar liefst 27 molens aan te pas kwamen. Zoals al eer-
  der aangegeven  betaalde  Berkel  f 20.000 mee aan deze droogmaking ofwel
  1,4 procent  van  de  totale begroting, waarvoor men zegge en schrijven 1
  nieuwe molen kon laten bouwen in die tijd. De eerste serie van 6 bovenmo-
  lens werden in 5,5  maanden  gebouwd  en  na ca. 1,5 jaar de tweede serie
  lager geplaatste molens  enz.  De eerste landverkoop was op 19-08-1778 en
  de laatste op 18-08-1784  met een totale opbrengst van f 430.000. In 1780
  stierven tienmaal zoveel mensen in Bergschenhoek als voor het droogvallen
  van het land. Besef van  de  waarde  van goed drinkwater was er blijkbaar
  niet. Berucht waren ook de Zeeuwse koortsen, een vorm van malaria (M).
  H.G. armmeesters stichtten een asschuurtje op de Rottekade bij de Butter-
  dorpse watermolen, 1769 (B97 - Nr. 1500) (M).
  2 juni 1769.  "Verdrag  tussen Schout en Ambachtsbewaarders, (van Berkel)
  als bij Schout, Ambachtsbewaarders en achtemannen en de molenmeester over
  de Lede gequalificeerd (= bevoegd verklaard) en de molenmeesters  van  de
  Zuid en Noordpolders van Delfgauw, waarbij eerstgenoemden  het  onderhoud
  van de Laanheul en de Kromme heul (in Delfgauw) afkochten". (B10) (M).
  Men was in 1771 bijna gereed met het  droogleggen  van  de  plassen onder
  Hillegersberg  (waaronder Bergschenhoek  ook viel) en Bleiswijk. (Notitie
  Hr. Eldering archief Berkel.
  1771 Nieuwe polder Zoetermeer.... Octrooidatum 24-1-1767, gereed in 1768-
  1771.
  1772 Honderdtienmorgen te Hillegersberg, 85 Ha. drooggemaakt.  Octrooida-
  tum 5-8-1772, gereed in 1772.
  1772 Polder Schiebroek te Hillegersberg, 570 Ha. drooggemaakt.
  Een Regthuys is in 1773 in de Kerkstraat gebouwd. (B&R), (B07).
  De  brand  in  Pijnacker op zondag 12 september 1773 vraagt van Berkel en
  Rodenrijs  achteraf  geen  collecte, maar wel op die dag zelf twee brand-
  spuiten met de nodige  manschappen.  Op  1  december 1773 wordt er in het
  Collegie gesproken over de brand en de verschuldigde vergoeding van  f 25
  per brandspuit, eigenlijk zou men twee maal f 25 is f 50 moeten  rekenen,
  maar er wordt besloten de hand over het hart te strijken, want  een goede
  vriendschap is toch ook veel waard! (B10).
  Achterof (Noordeinde in de omgeving van de Kleihoogt groot ca 400 morgen)
  notitie van Hr. Eldering archief Berkel.
  Volgens een aantekening in het archief van Berkel en Rodenrijs kan in ok-
  tober 1774 met uitmalen worden begonnen. (B&R). De totale kosten  voor de
  gehele "grote droogmaking", meer dan f 513.000 (B21).  1  juli  1776.  De
  polderwerkers waren grotendeels afkomstig  uit  het  Duitse  grensgebied.
  Hendrik Boer, afkomstig uit Munsterland bleek de raddraaier van de  onge-
  veer 90 stakers te zijn, die de werkwilligen  molesteerden  en soms zelfs
  zwaar mishandelden. (B21). Op 28-05-1777 werden de eerste kavels verkocht
  (kavel no. 28, groot 19 morgen en 221 roeden) werd gekocht door Frank van
  der Burg voor f 180 per morgen. (B21).
  In  1777  toen de Zuidpolder drooggemalen werd, werden er acht hardstenen
  palen geplaatst om de grenzen tussen De Tempel en Berkel en  Rodenrijs af
  te bakenen. (B10, "Berkelaar"). (B&R).
  Volgens  informatie  van  een zeer oud man aan (de) Kandelaar onder Over-
  schie  woonachtig  heeft in den Tempel een Houten Galgh gestaan. Nadat de
  Heerlijkheid  drooggemaakt  was  heeft  men  Twee Steene pilaaren met een
  Zwaar IJser daarboven tot een  Galgh  doen  vervaardigen in 's najaar van
  1777. (B10).
  1777 Westpolder, Noordpolder en Zuidpolder te Berkel,  850 Ha.  droogge-
  maakt. Ook wel Oude droogmakerij. Octrooidatum 8-12-1767, gereed in 1777.
  In 1778  werd molen (vijzelmolen) "De Stap" gebouwd in de Oude Bieslandse
  Polder en in 1931 afgeknot en verbouwd tot dieselgemaal. (B17) (M).
  1778.  Jan Scheurkogel,  schoolmeester  in  Berkel  en Rodenrijs. In 1779
  stellen Arij Scheurkogel te Schiedam en  Teunis  Westvelt  te  Zoetermeer
  zich borg voor f 400, "zoo J. Scheurkogel in gebreke mocht blijven om  de
  genoemde penningen (borgsom voor de tol) te voldoen". Naast schoolmeester
  was J. Scheurkogel ook tolgaarder en  voorzanger/voorlezer  in  de  kerk.
  Scheurkogel  kwam  van  Noordwelle  en  werd  na  ca.  2 jaar  ontslagen.
  (Ged.: B15) (K).
  1779  Octrooi  van  de staten van Holland voor Hillegersberg en Rotterban
  tot  droogmaking  van zekere 110 morgen in den Bergerbroekpolder. Volgens
  van der Gouw (B11) was deze droogmaking in 1779 gereed?!
  1779 Bleiswijk  en een gedeelte van Hillegersberg, 3500 Ha. drooggemaakt.
  Octrooidatum 14-1-1769, gereed in 1772-1778
  In 1779, 1780 en 1781 heersten er in Bleiswijk, Hillegersberg, Bergschen-
  hoek, Terbregge, Berkel en  Schiebroek talloze ziekten;  een epidemie van
  besmettelijke Moeraskoorts of Malariaachtige ziekten; veroorzaakt door de
  rottende planten- en dierenresten vrijkomend bij de droogmaking.  In sep-
  tember 1780 stonden  er 93 mensen op de lijst van doden van Hillegersberg
  en Bergschenhoek.
  In 1781  werd de Staten-Generaal gevormd door afgevaardigden van de zeven
  provincin, waarbij elke provincie n stem uitbracht. (B103).
  Ds. Pieter van den Bosch vestigde zich in 1783 opnieuw in Zoetermeer, hij
  was Remonstrants predikant en vurig patriot (= tegenhanger van de Oranje-
  gezinden).  Op  18 september 1783 kwam te voet en te paard een troep volk
  uit Bleiswijk, die voor de woning van Van den Bosch  halt  maakte. (B127).
  1784. Differenten gerezen  omtrent het maken van zeker einde van de Berg-
  weg in  het  dorp  Bergschenhoek tussen de twee bruggen aan de einden van
  hetzelve dorp liggende. (B97-D59)
  1784. Krijnus Elberts Vente,  ged. Nieuwerkerk a/d IJssel 7-9-1746, begr.
  Hillegersberg  15-12-1797.  Kocht  van  Jan Tempel voor f 975 huis en erf
  bep. en bepl. mitsgaders een overdekte kolfbaan aan de Rotte in de nabij-
  heid van  het Boterdorpse verlaat, het huis geapropieerd tot een herberg.
  23-04-1784 datum koopakte. (B53).
  6 maart 1785.  Jan  Moolenaar zijn been moet er af!. Een behandeling "met
  mes en zaag". Er blijkt echter een "Meester van de Kleyweg" te  zijn  die
  het been wellicht nog kan redden. De kosten voor de reddingspoging  waren
  f 350, onder voorbehoud dat hij (de Meester van de  Kleyweg)  garandeerde
  dat het been na een half jaar nog genezen is! In 1788 betuigt de "Meester
  van de Kleyweg" dat hij het been niet kan genezen  en dat hij dus af moet
  zien van het bedongen loon van f 350. E.e.a. speelde zich af in Berkel en
  Rodenrijs met tussenkomst van de kerkeraad. (B15) (K).
  In 1786 bleek de Gemeenlandskade aan  Berkelse zijde al opgehoogd te zijn
  t.b.v. de droogmaking. (B&R).
  1786 Polder  Zestienhoven-Oudendijk  te  Overschie, 420 Ha. drooggemaakt.
  Octrooidatum 23-8-1786, gereed in 1786.
  In 1787 werd er met de polder Berkel een overeenkomst gesloten waarbij de
  Hofweg van de Rijskade tot de watering door Schieveen in eigendom overge-
  nomen werd. Het westelijk gedeelte bleef aan Berkel. (B02).
  In 1787 werd een vuurmachine (stoomgemaal) gebouwd in de Blijdorpse  pol-
  der, in 1797 echter al weer afgebroken. Dit  gemaal zou volgens Marrenga-
  Stapff het eerste stoomgemaal in een polder  in  Nederland  zijn geweest.
  (B09).
  Op 6 september 1789 werd Maarten van den Toorn  geboren  in  Hazerswoude.
  Hij was van 1810 tot 1869 schoolmeester in Berkel  en  Rodenrijs.  Op  29
  juli 1821 trouwde hij met Adriana Gerdes, weduwe van Kors Gouka uit Moer-
  kapelle. Na zijn pensionering in 1869 vestigde M. van den  Toorn  zich in
  Den Haag (Zeestraat 33) alwaar hij op 16 maart 1873 overleed.
  1789 Nieuwe of  drooggemaakte polder van Pijnacker, 610 Ha. drooggemaakt.
  Octrooidatum 14-3-1766, gereed in 1782-1789.
  In  1793  koopt  Adriaans Batenburg uit Terbregge de bakkerij, deze bijft
  een eeuw lang in de familie. Rond 1910 kocht C. van der Breggen de bakke-
  rij, die nu (1998) nog in de Herenstraat in Berkel staat. (B10).
  In  1793  wordt het rechthuis gehouden in de herberg "De Oranjeboom", dat
  ook het rechthuis van den Tempel is. (B12). (B&R).
  1793. In  het  boek  van L. van Ollefen: "Den Bergsen-hoek", "Hillegonds-
  berg",  "Hoog-  en  Woud-Harnasch",  "Rok-Anje",  "Biert",  "Benthuyzen",
  "Hazardwoude" en "Calslagen".
  Ds. Volkert Swart,  predikant  te  Nieuwkoop kwam in 1794 naar Berkel als
  predikant van de Remonstrantse gemeente en vertrok na  twee  jaar  (1796)
  naar Hazerswoude. (B10).
  Ca. 1795. In Rijnland, Delfland en Schieland is elk  dorp  (ambacht)  n
  geheel; aan  het  hoofd staat de schout, die als het dorp een hooge heer-
  lijkheid is, tevens baljuw is en dan voor de  crimineele  justitie  wordt
  ter zijde gestaan  door  mannen.  Nevens  deze  schout  staan  schepenen,
  ambachtsbewaarders, kroosheemraden, turfmeters, gezworens.  (d.z.  schat-
  ters van dorpslasten). (B123).
  Op  24  november  1795  werd de prijs van het brood onder het bestuur van
  Rijnland belangrijk verhoogd. Roggebrood (het brood voor de  gewone  man)
  werd daardoor duurder dan in Delf- en Schieland. Behoeftige burgers ging-
  en door nood gedwongen hun brood in Pijnacker, Berkel of Bleiswijk kopen,
  waardoor de broodbakkers in Zegwaart en Zoetermeer  grote  schade  leden.
  (B127).
  Akkersdijk,  Abtsrecht,  Biesland,  Ruiven en de Tempel bij Pijnacker ge-
  voegd in het jaar 1795. (B16).
  Ds. Gerbrand Bruining werd beroepen van  Bleiswijk  in  1796,  kwam  naar
  Berkel als  predikant van de Remonstrantse gemeente en  vertrok  in  1803
  naar Nieuwkoop. (B10). In Berkel van 1796-1803).
  Juni 1797. Ds. IJssel Groothuijs predikant te  Berkel  en  Rodenrijs  die
  beroepen is te Hoorn moet hier blijven (mag  niet  naar  Hoorn).  Oktober
  1797 een tweede poging en wederom mag hij niet weg. (B10).
  Ds. Samul Kan, predikant N.H.-kerk  kwam  op 24 juni 1798 uit Woudenberg
  te Berkel zijn intrede doen. Hij overleed op 27-04-1828. (B15) (K).
  7-1-1799. Het Berkels dorpsbestuur beraadt  zich er over of men geen ver-
  gunning zou kunnen verkrijgen om de landscheiding tussen Berkel en Schie-
  broek te vervenen. (B10).
  1799 Oude  droogmakerij  Schieveen,  Schiebroek, 80 Ha. drooggemaakt. Oc-
  trooidatum 23-8-1786, gereed in 1792.
  
  1800-1900
  Rond 1800 woonden er in ons land ruim 2 miljoen inwoners. (B105).
  6-8-1800. Het huis, bewoond door Paulus Droog en Jannetje van Eijk, egte-
  lieden, op de Leedeweg onder Pijnacker is door brand verwoest. (B10).
  In 1801 werd bepaald dat iedere heerlijkheid, nu gemeente genoemd een ge-
  meentebestuur moest hebben, de heerlijke rechten werden afgeschaft. (B28)
  Cockuijt, Didericus, predikant Remonstrants Berkel, 1803-1808
  In  1804  had  Berkel  nog een veenfonds van f 456.865,-, het hoogste van
  heel Delfland. (B28) (V).
  Eind 1805 kregen Arend Franke van den Burg en Hendrik  Meijer  vergunning
  voor het verslagturven van het Oostmeer. (B&R) (V).
  12 juli 1806. "P.C. de Koning, Schout van  Maasland,  J. van Koetsveld du
  Crocq, Schout van Woutharnas, J.H. Huijgens  en N. van der Velden, Schout
  van Vrijenban" (B10).
  In 1809  is  er  een  inschrijving  voor  levering van hout aan de Polder
  Berkel. Wijnaendts (van de Zweth), Slingeland en Sonsbeek uit Waddinxveen
  en  Abraham  Stolk  uit Rotterdam zijn de inschrijvers. De laatste zal de
  levering wel gekregen hebben omdat hij beneden de f 3000 bleef. (B10).
  In 1810 was de schoolopziener B. Spoelstra uit Den Haag. (B10).
  In 1810 kreeg de N.H.-kerk uit Berkel en Rodenrijs haar eerste  orgel af-
  komstig uit de Waalse kerk te Amsterdam. De heer J. Robbers,  organist en
  klokkenist  uit  Rotterdam  bespeelde   het  orgel   voor  het  eerst  op
  14-10-1810. (B15) (K).
  In 1811 telde ons land 4551 scholen met 190.000 leerlingen. (B103).
  Vredesgerecht van het kanton Hillegersberg,  tot dit gerecht behoorden in
  1811,   Bleiswijk,   Hillegersberg,  Bergschenhoek,  Berkel,  Capelle a/d
  IJssel,  Moordrecht,  Nieuwerkerk a/d IJssel, Zevenhuizen en Waddinxveen.
  (B97).
  Voor  1811  registreerde  kerken,  geboorte-, huwlijks- en sterfdatum. In
  1811  voerde  Napoleon  de  burgerlijke stand in. De inwoners van Holland
  werden verplicht om een familienaam aan te nemen. (B21) (K).
  In  1811  wordt  Vrijenban bij Delft gevoegd en in 1812 Biesland, Ruiven,
  Abtsregt, Akkersdijk en Tempel bij Pijnacker. (B16).
  Volgens Mr. Kemper over het Franse recht etc.  van  1812  was  de  Tempel
  (Rodenrijs) onbewoond en viel onder de gemeente Pijnacker.  Verder hoorde
  de gemeente Berkel en Rodenrijs onder  het  kanton  Hillegersberg.  Later
  duikt de Tempel weer op als gemeente,  om in 1855 definitief ingelijfd te
  worden bij Berkel en Rodenrijs. (B28).
  "Jacob van den Bos(ch), geboren te Nootdorp;  opgeroepen  15  april 1812,
  gediend bij het 146 Regiment infanterie".  "Vermoedelijk  krijgsgevangene
  gemaakt en naar Rusland vervoerd". Inwoner van Berkel en Rodenrijs. (B10)
  Ca. 1812 "Jans Val, geboren te Waddinxveen, gediend bij het  146 Regiment
  infanterie". "Vermoedelijk krijgsgevangene gemaakt en  naar  Rusland ver-
  voerd". Geboren op 14-1-1788 en in 1789 in Berkel  en Rodenrijs komen wo-
  nen. (B10).
  Op  21  oktober 1812 vond afscheiding van Bergschenhoek van Hillegersberg
  plaats. Eerste burgemeester werd Arie van Oosten, zoon van de Hoekse chi-
  rurgein. De bovenverdieping van herberg de Rozenboom  werd  als  raadhuis
  in gericht.
  "Klaas  van Velzen geboren te Kralingen, gediend bij het 146 Regiment in-
  fanterie op 20 augustus 1813 krijgsgevangene gemaakt en naar Rusland ver-
  voerd" Klaas was zoon van Willem van Velzen en  Francijntje  van  Bras en
  inwoner van Berkel en Rodenrijs. (B10).
  "Theodorus Wassenberg, geboren te Leiden, opgeroepen 19 October 1811, ge-
  diend bij de Keizerlijke kanoniers van het 9 Regiment ...  Compagnie.  De
  laatste tijding die men van hem heeft gehad is van Thorn aan de  Weichsel
  van den 30 Meij 1812". "Vermoedelijk krijgsgevangene gemaakt en naar Rus-
  land vervoerd". Inwoner van Berkel en Rodenrijs. (B10).
  "Gerrit  de  Groot geboren te Overschie, opgeroepen October 1813, ... ge-
  plaatst bij een Regiment Grenadiers, de laatste tijding die men van heeft
  gehad was uit ... en is  toen  naar  Duitsland  vertrokken.  Vermoedelijk
  krijgsgevangene gemaakt en naar Rusland vervoerd". Inwoner van  Berkel en
  Rodenrijs. (B10).
  "Wiegert  Jacob  van  Putten, geboren te Ameide, opgeroepen 6 maart 1812,
  heeft gediend als Grenadier in het 4 Regiment  van  de  tiraileurs  Garde
  van de gewezen Keizer van Frankrijk, ... batalion 2 compagnie. De laatste
  tijding die men van hem  heeft  gehad  is  geweest  den 29 April 1812 van
  Metz,  hebbende  als  toen  ... dat hij ..... Duitsland moest vertrekken.
  Vermoedelijk  krijgsgevangene  gemaakt en naar Rusland vervoerd". Inwoner
  van Berkel en Rodenrijs. (B10).
  Na het vertrek van de  predikant  van  de  Remonstrantsche  kerk  (Gerrit
  Gijsbert  van  Paddenburg) uit Berkel in 1815 werd de Remonstrantsche ge-
  meente gecombineerd met Bleiswijk en later in 1846 met Zegwaart  en  Zoe-
  termeer. In laatstgenoemd jaar ondertekende Ds. J. van Leeuwen, predikant
  in Berkel, Zegwaart en Zoetermeer in Berkel zijn  eerste notulen.  (B10).
  (K).
  Op 26 maart 1815 ontvangt het gemeentebestuur van Berkel en Rodenrijs be-
  richt over het contingent militairen voor het district Gouda, daarvan zal
  er in 1815 door Berkel 3 man geleverd moeten worden en de  volgende jaren
  2 man. (B10).
  De loting van de Nationale militie voor 1815 -  3  man uit Berkel - heeft
  uitgewezen dat Gerrit Berkel, Aart van Rossum en Hijmen Verhoef op 20 mei
  te Gouda moeten opkomen.
  Op 10 april 1815 moeten 10-span paarden,  plus  voorlieden  uit Berkel en
  Rodenrijs  om  6  uur  's morgens gereed staan op de Paardemarkt te Delft
  voor het vervoer van de munitie naar Krimpen aan de Lek. (B10).
  In  1801  werd  bepaald  dat iedere heerlijkheid, nu gemeente genoemd een
  gemeentebestuur moest hebben, de heerlijke rechten werden  afgeschaft. In
  1815 werd dit echter weer herroepen. (B28).
  De nieuwe Hollandse waterlinie is een optelsom van een reeks aaneengeslo-
  ten  forten,  sluizen,  bruggen, bunkers en inundatiegebieden die van het
  IJsselmeer tot de Biesbosch loopt. De linie werd aangelegd tussen 1815 en
  1855  ter vervanging van de befaamde oudere Hollandse Waterlinie die niet
  meer voldeed. (Bron: Heemschut 1999)
  1816.  Een arme oude man wonende in Alkemade maar met een acte van indem-
  niteit  van  Berkel en Rodenrijs en dus onderhouden door een Berkelse in-
  stantie is overleden.  Het  gemeentebestuur  van Alkemade bericht dat het
  onder de bitterste armoede plaats gehad heeft,  zij zullen voor de begra-
  fenis zorgen, maar zeggen meteen dat zij dadelijk  na afloop hun Nota van
  gedane voorschotten zullen overzenden. (B10).
  1817. Akkersdijk, Abtsrecht, Biesland, Ruiven, Hoog- en  Woudharnasch  en
  't Woud worden weer zelfstandig (B16).
  1819. Het tabernakel, voor f 300 van het opgeheven kerkje te Wilsveen bij
  Nootdorp overgenomen. Het altaar met kruisbeeld  afkomstig van Zoetermeer
  aan de kerk te Berkel en Rodenrijs geschonken.  Dit altaar keerde in 1877
  terug naar Zoetermeer ten dienste van  de kapel  der  Eerwaarde  Zusters.
  (B13) (K).
  In  de  statie  Bergschenhoek was onenigheid ontstaan tussen pastoor Arn.
  van Gulick en het kerkbestuur, hetwelk, nog onder invloed van  de  Franse
  vrijheidsgeest,  te  eigenmachtig  optrad. De landdeken van Rotterdam be-
  noemde een commissie tot regeling, bestaande uit een negental parochianen
  uit Bergschenhoek en  pastoor  Awater  van  Berkel (1823). Deze commissie
  kreeg  tot  taak, de samenstelling van een nieuw regelment op het kerkbe-
  stuur, het vinden van een voor  beide  partijen bevredigende oplossing in
  zake een door pastoor Van Gulick  gekocht  huis,  het  orde brengen in de
  verwarde staat der financin en het beramen  van middelen om te komen tot
  de bouw van een nieuwe kerk. Ondertussen nam  pastoor  Van Gulick ontslag
  (1824). Daarom werd de 26e december, drie dagen na  zijn priesterwijding,
  kapelaan A.J.J. Keyl den pastoor van Berkel toegevoegd  ter bediening van
  Bergschenhoek. Deze statie werd daardoor min  of  meer  een  bijkerk  van
  Berkel. Dit zinde den Bergschenhoekers  allesbehalve. De dag van aankomst
  van  den  nieuwen  kapelaan.  31  december, werd dit den Bergschenhoeksen
  kerkmeester  Schokx door pastoor Awater medegedeeld; hij verzocht hem te-
  gelijk, de  volgende  morgen  den kapelaan naar hun statie te rijden. Men
  dacht er echter  niet aan, bijkerk van Berkel te worden en daarom besloot
  het kerkbestuur geen  kapelaan van Berkel af te halen; met gevolg, dat op
  nieuwjaarsmorgen de  Bergschenhoekse  parochianen voor niets naar de kerk
  kwamen - er was geen priester. In de middag begaf Keyl zich naar de Hoek,
  waar Schokx hem van het  besluit van het kerkbestuur op de hoogte stelde.
  Toch schijnt het onderhoud een vriendschappelijk verloop gehad te hebben;
  de kapelaan bleef bij Schokx overnachten.  Aartspriester Cramer, die Keyl
  tot kapelaan van Berkel benoemd had,  bracht  een  voorlopige  oplossing,
  door hen nu tot deservitor van Bergschenhoek  te  benoemen.  Als  zodanig
  verbleef hij daar van 24 januari tot 20 maart.  Na  3 maanden verblijf in
  Berkel-Bergschenhoek werd hij naar Middelburg overgeplaatst. Na Keyl trad
  als deservitor van Bergschenhoek op H.F. Kropman,  die reeds het volgende
  jaar, 21 september 1826 op 36 jarige  leeftijd  overleed  en  als  eerste
  priester op het nieuwe R.K. kerkhof te Berkel werd begraven. Op de 8e de-
  cember  kondigde pastoor Awater van de preekstoel af, dat hij nu zelf be-
  noemd  was  tot  pastoor  van Bergschenhoek, welke statie hij met die van
  Berkel zou  blijven  bedienen tot er een nieuwe kerk gereed zou zijn, hij
  verzocht aan  de  Berkelse  parochianen,  den kapelaan, J. van der Hulst,
  daarheen te rijden.  Maar het Bergschenhoekse kerkbestuur ging er wederom
  niet mee accoord, en ging op audintie  bij  de  aartspriester te Zoeter-
  woude. Het verkreeg toestemming dat  de  kapelaan  van Berkel de pastorie
  van Bergschenhoek bleef bewonen. J. v.d. Hulst bleef daar tot 20 mei 1827
  en vertrok toen als pastoor naar Wieringen. Maar toen kreeg Bergschenhoek
  eindelijk weer een eigen pastoor: D.J.F. Gertsen. (B13) (K).
  In 1826 verkocht de staat der Nederlanden het recht tot tiendheffing over
  bepaalde  landerijen  in  Berkel  en Rodenrijs. Arend Franke van der Burg
  kocht 3 percelen n.l. het Ledeblok, de Kleine en Grote Negenhovense Tiend
  tesamen voor de som van f 1600,-. (B21).
  1826.  Alles  ten westen van de Schie en van Delft komt bij Hof van Delft
  en alles ten oosten van de Schie bij Vrijenban. (B16).
  Het het orgel van de Hillagondakerk te Hillegersberg  is van 1830. (B01).
  (K).
  Rond 1830 woonden er in ons land ruim 3 miljoen inwoners. (B105).
  1833. Biesland komt bij Vrijenban. (B16).
  Influenza  epidemie  vanaf  1833,  toen er een overstroming was van Berg-
  schenhoek en Bleiswijk na een doorbraak van de Rottedijk. (B28).  Ook  in
  Berkel had men last van deze epidemie.
  In 1833 werd in  Bergschenhoek begonnen met de bouw van  de  R.K.  Water-
  staatskerk, de kerk  was op 25-8-1834 gereed. (K).
  Bergschenhoek,  26  december  1833, doorbraak Rottekade. In een uitvoerig
  gedrukt  verslag  van 7 december 1835, uitgebracht door den fabrijk-land-
  meter van Schieland J.A. Scholten Hzn., kan men het gehele verhaal van de
  doorbraak  en  de  wijze waarop de herstellingen der schade plaats had in
  extenso lezen. (B29).
  1833/1834  Aanleg  (verdieping/verbreding)  laatste  gedeelte  Rodenrijse
  vaart tot aan de Bovendijk  in  verband met de Nieuwe Rodenrijse droogma-
  king ten Noordwesten van het Rodenrijs.  Deze inpoldering gestart oktober
  1845 was begin 1847 klaar en reikte tot aan de Zwet en de watermolens die
  daar stonden. In 1847 maalt men ook de Molenplas, het Westmeer en de Oude
  Leede  plas  (In 1949 nog in bebruik als bergboezem) droog en omtrent die
  tijd  (1850) werden  ook de Noordeindse plas en de Ruivense plas droogge-
  maakt (Naam ontleend aan kasteel Ruiven). De Ruivense plas heeft de toen-
  malige   eigenaar,  de  familie van den Burg zelf droog laten malen (rond
  1850). 26-2-1845 Ontwerp  tot het droogmaken en bemalen van de plassen in
  den polder Berkel van A. Greve, ingenieur.  1845 Droogmaking Oostmeerpol-
  der, de Nieuwe droogmaking en de Nieuwe  Rodenrijse  droogmaking,  totaal
  500 HA. 1854 Bergboezem.  27/6/1846 en 18/7/1848 Bergboezem overeenkomst.
  okt. 1845 - jan. 1855 rekeningen droogmaking Rodenrijse  plassen  en  het
  maken van de Bergboezem.  Gemeenteraad:  5  april  1845 werd er gesproken
  over droogmakerij, Rodenrijse droogmakerij was 14-11-1846 bijna voltooid.
  26-2-1851 gesproken over droogmaking Oostmeer, 5-9-1854  blijkt  deze  al
  voltooid te zijn.  1850  Eerst  de Nieuwe Rodenrijse droogmakerij en niet
  lang daarna de Nieuwe  droogmakerij  ten  noorden  van Berkel dorp en het
  Noordeinde. Meerpolder omstreeks 1850 drooggemaakt. (M).
  Ds. Cornelis  Eliza  van Koetsveld kwam in 1835 naar Berkel en Rodenrijs,
  zijn tweede gemeente, hij bleef tot 30 september 1838. "De koortsen, ont-
  staan volgens zijn zeggen door de overstroming van de Rotte,  hebben  hem
  uit Berkel verjaagd naar Schoonhoven". (B15).
  1835 en later. Piet de Vogel was n van de twee rietdekkers in Berkel en
  Rodenrijs. Nu eens hing hij aan de ronde kap van  een  watermolen  in  de
  storm.  Dan  weer  zag men hem op een molenwiek wandelen en stak zijn ge-
  daante tegen de  wolken af. Twee of driemaal in de 24 uur was hij dronken
  en was zijn geld op dan ging hij weer aan het werk ean was nuchter en op-
  geruimd als tevoren. 10 jaar later vertelde De Vogel dat hij op een vroe-
  ge  zomermorgen  opweg  was naar de molens toen hij opeens een duidelijke
  stem  achter  zich  hoorde zeggen "Piet de Vogel! van dit uur af zult gij
  nooit  meer  jenever  drinken".  Het  verhaal gaat dat hij nooit meer een
  druppel  jenever  heeft  gedronken.  Op 14 december 1860 overleed hij als
  ouderling van de N.H.-kerk. (B15) (M) (K).
  1839  Percentages  katholieken. Pijnacker 43,61 %, Berkel-Rodenrijs 48,47
  %, Zoetermeer 55,20 %, Nootdorp 43,61 % enz.  Daarentegen laat Bergschen-
  hoek in zijn 39,61 % duidelijk de invloed zien van de daar omstreeks 1650
  gevestigde statie. (B88) (K).
  16 mei  1840.  Een alles vernielende hagelbui verwoest de oogst van land-
  bouwer Arie Nooteboom in het Noordeinde van Berkel en Rodenrijs. De scha-
  de werd begroot op f 1418. In 1840 vertrok er ook een Arie Nooteboom naar
  Amerika, of het hier dezelfde persoon betrof is niet bekend. (B10).
  Tot 1840 bleef Holland ongedeeld. Toen werd het opgedeeld in twee provin-
  cies: Noord-Holland en Zuid-Holland. (B165).
  1845. Ruiven komt bij Pijnacker. (B16).
  1848 Nieuwe  droogmakerij  polder  Berkel, 375 Ha. drooggemaakt. Octrooi-
  datum 19-10-1847, gereed in 1848
  In 1801 werd bepaald dat iedere heerlijkheid, nu gemeente genoemd een ge-
  meentebestuur  moest  hebben,  de heerlijke rechten werden afgeschaft. In
  1815  werd dit echter weer herroepen en in 1848 werden de heerlijke rech-
  ten definitief afgeschaft. (B28).
  1850.  Tot  de R.K. statie van Bergschenhoek behoorden ook Hillegersberg,
  Schiebroek, Bleiswijk en het grootste gedeelte  van  Zevenhuizen.  (Bron:
  Van der Aa).
  Vrijenban  heeft  als  burgerlijke  gemeente  bestaan  van 1850 tot 1921,
  (B17).
  In 1853 is het ambachtsheerlijkheid Hillegersberg, Rotteban en Bergschen-
  hoek  verkocht.  Rotteban  was het gedeelte van het ambacht, dat zich ten
  westen van de Rotte uitstrekte. (B29).
  In 1853 verkocht Rotterdam Bleiswijk met alles wat daaraan verbonden was.
  (B29).
  In 1853 verkocht de gemeente Rotterdam de ambachtsheerlijkheid Hillegers-
  berg en Rotterban aan L.P. Rietstap, wel een zonderlinge transactie,  om-
  dat iets werd verkocht wat in feite niet meer bestond. (B160).
  8  mei  1854.  Vlaardingen is door een ramp getroffen. Er zijn 24 vissers
  omgekomen  bij  een  storm  en  voor  de 69 weduwen en wezen wordt ook in
  Berkel een collecte gehouden en de opbrengst is f 42,07! (B10).
  In  1854  werd  de Heerlijkheid Berkel en Rodenrijs verkocht voor f 17700
  aan het Zedelijk Lichaam (fam. v.d. Burg). (B07).
  In  1855 worden Vrijenban, Groeneveld, Abtsregt en Akkersdijk en Vrouwen-
  recht samengevoegd tot n gemeente: Vrijenban. (B16).
  Het eerst zijn de Delflandse ambachten opgeheven. Bij besluit der  Staten
  van Zuidholland van 10 November 1857 no. X, nader aangevuld  bij  besluit
  van 9 Juli 1861 en later koninklijk goedgekeurd, werd hiertoe overgegaan.
  Met 1 juli 1858 zouden sommige werken in beheer en onderhoud overgaan aan
  het hoogheemraadschap, andere aan de gemeenten, andere aan  polders.  Aan
  het hoogheemraadschap gingen over: de hoefslagen op  de  Maasdijk  en  de
  landscheiding tusschen Schieland, Rijnland en Delfland. de sluizen in den
  Maasdijk, het schoon- en diephouden der groote kanalen, dienende tot  af-
  voer  van  het  boezemwater naar de sluizen, voorts verschillende bruggen
  over de kanalen. Aan gemeenten kwam het beheer en onderhoud van verschil-
  lende bruggen, wegen, wateren en voorts gingen op sommige dezer  colleges
  over verrichtingen als klokluiden, doodschieten van dolle honden etc. die
  in enkele ambachten aan de zorgen van der ambachtsbesturen waren opgedra-
  gen gebleven. Aangezien echter de staten niet de bevoegdheid  hadden  tot
  deze opdrachten aan de gemeenten, is de overgang der werken op de gemeen-
  tebesturen later veelal bij accoord geregeld.  Ook  particulieren  kregen
  werken in onderhoud. Het beheer der afkoopkassen zou nader door het hoog-
  heemraadschap  worden  geregeld.  De archieven der ambachten moesten naar
  het hoogheemraadschap Delfland worden overgebracht. (besluit in het  Pro-
  vinciaal Blad, 1857, no. 114). Dezelfde staten besloten in de zomerverga-
  dering van 1861 (10 Juli) tot opheffing van de ambachten in Schieland. Op
  dit besluit volgden er nog twee van 17 Juli 1862 en 14 Juli 1863. Op  ul-
  timo December 1869 zouden "de waterschappen, genaamd ambachten  in  Rijn-
  land" zijn opgeheven. (B123).
  1857 Nieuwe droogmakerij Schieveen....  Octrooidatum 10-9-1856, gereed in
  1857
  Polder Biesland werd in 1860 drooggemaakt. (B17).
  Katwijk  in  de  Veur  behoort  tot  de  laatste droogmaking in Pijnacker
  (1860). (B11).
  1862 Ouden of Hoogenpolder Pijnacker, 265 Ha. drooggemaakt.  Octrooidatum
  14-10-1860, gereed in 1862.
  Op  13  november  1864 wordt er door de Sociteits Commissie een onderzoek
  ingesteld naar het voortbestaan van enkele Remonstrantsche gemeenten. Met
  name van Bleiswijk,  Berkel  en Zevenhuizen. In Berkel blijken bijna alle
  gemeenteleden (v.d. kerk)  woonachtig  te zijn te Oude Leede nabij Delft,
  het wordt gewenscht geacht om de gemeente met die van Delft te verenigen.
  (B10) (K).
  Kort voor 1866 werd een  particuliere  gasfabriek gevestigd in Overschie,
  gasstraatverlichting  werd  in  1866  aangebracht  en in 1879 weggenomen!
  (B69).
  Tussen 1866 en 1872 werd de Nieuwe Waterweg gegraven. (B165).
  7 november 1866. Vorig jaar werd turf verkocht voor 15 cent per mud en nu
  ligt er een aanbieding van 25 cent per mud op tafel en daar gaat de  raad
  van Berkel en Rodenrijs met graagte op in! (B10) (V).
  1866 Eerste  stenen  gelegd  voor  het Bergsche verlaat of Schiebroeksche
  verlaat,  op  3  september van  dit jaar door het Verenigd bestuur van de
  polders Schiebroek, Berg en Broek en Honderdtien Morgen. (B29).
  In 1867 besloot men in Bergschenhoek de N.H.-kerk van 1694  te  vervangen
  en bouwde een nieuwe kerk die in 1870 gereed was. (K).
  De Zwethsluis uit 1862 werd in 1992 vrijwel geheel vernieuwd. (B99).
  Ds.  Johan Koster kwam als predikant (N.H.) op 5-01-1868 van Bleskesgraaf
  naar Berkel om op 26-07-1868 weer te vertrekken naar Nijkerk. Wellicht is
  dit de predikant waarvan het verhaal de ronde doet dat het hem  zo slecht
  beviel in Berkel en Rodenrijs dat hij de koffers niet eens  heeft  uitge-
  pakt maar letterlijk weer met de noorderzon vertrok. (B15) (K).
  1868.  Ds.  Eliza  Anne Lazonder afkomstig van Noordwijk aan Zee komt als
  predikant (N.H.) naar  Berkel en Rodenrijs. Op 18 april 1873 vertrekt hij
  naar Oldenbroek. (B15) (K).
  Op  een publieke veiling verkocht de wed. P.G.J. Hoog van ter Aa 27 Maart
  1868 de heerlijkheden Hillegersberg en Bergschenhoek aan P.L. Le Sage ten
  Broek, van wiens weduwe de tegenwoordige bezitter, Jhr. Ir. P.T.M.  Stoop
  van Hillegersberg deze heerlijkheden erfde, terwijl  Rotterban  op 5 juli
  1881 afzonderlijk werd gekocht. (B160).
  De  aanleg  van  de  begraafplaats langs de Bergweg in Bergschenhoek vond
  plaats in 1870. (K).
  18 mei 1870. De burgemeester van Berkel en Rodenrijs brengt in de gemeen-
  teraad  de plannen tot spoorweg aanleg tussen Rotterdam en Zoetermeer ter
  sprake.  De  raad  vindt  het een goed plan voor Berkel als tenminste die
  nieuwe spoorlijn langs de landscheiding komt. (B10).
  1870 Puttershoek, stoomgemaal " 't Hooft van Benthuizen" gebouwd. (B01).
  30 mei 1874. Concessie  tot  droogmaking van de Noordpolder te Vrijenban.
  De voor deze droogmaking ook in 1874 gebouwde molen is in 1925 afgebrand.
  In 1876 en 1877 werd de 48 ha gewonnen land verkocht. (B17) (M).
  1874 Noordpolder Delfgauw... Octrooidatum 30-5-1874, gereed in 1874-1875.
  Ds. G. van Dorssen kwam in 1877 van Lexmond naar Berkel en vertok in 1881
  naar Staphorst. (B15).
  1878  Aanleg  weg  tussen de bovenmachine (het boven gemaal in het Roden-
  rijs) en de Oude Leede. (B&R).
  Ds. J.F.W. van Troostenburg de Bruijn in 1885 van Sommelsdijk naar Berkel
  gekomen als N.H.-predikant. Hij vertrok in 1890 naar Montfoort. (B15).
  1890 De families Havenaar, Vogelaar, Klapwijk, de  Greve  en  van  Rutten
  legden de grondslag voor de tuinbouw in Berkel en Rodenrijs. (B28).
  In Bergschenhoek stak een klein achtkant boven zijn zaagschuur  uit  (ge-
  bouwd 1892, gesloopt 1932, vlucht 12 m, vierkante voet. "De molen van Ba-
  tenburg".
  Op 12 januari 1895. Notaris Schenkenberg van Mierop te Rotterdam. (B15).
  De brand te Overschie, die in 1899 kerk en  toren in de as legden. E.e.a.
  werd vermeld i.v.m. de aanleg van bliksem-afleiders op  de  N.H.-kerk  in
  Berkel en Rodenrijs. (B15) (K).
  
  1900-2000
  De omzet van maalderij Treurniet bestond in 1900 voor het  grootste  deel
  uit artikelen voor de menselijke consumptie en  werd  per  paard en wagen
  afgeleverd in Berkel, Pijnacker,  Bergschenhoek,  Bleiswijk en Hillegers-
  berg. (Bron: Jubileumboekje - 125 jaar 1992).
  Rond 1900 woonden er in ons land ruim 5 miljoen inwoners. (B105).
  ca. 1900 en later. Naast het tolhuis in Berkel dorp was de werkplaats van
  "Jan Honderd", een klompenmaker. Maar die werkplaats  diende ook nog voor
  iets anders. Veel inwoners van Berkel hadden in die dagen dokter Moree en
  later dokter Hoedemaker van Bergschenhoek als huisdokter.  In de klompen-
  makerij werden 's morgens de briefjes  afgegeven  waarmee  men  de dokter
  ontbood en 's middags stonden daar  de  medicijnen gereed voor de zieken.
  (B10).
  Van  1900 - 1929  was  G.B.  Fss kastelein-eigenaar van "De Vlashandel".
  Hij  kocht  de Vlashandel in 1900 van een familielid genaamd J. Rabeling.
  In 1929 is  de  zaak door v.d. Schee gekocht en vanaf 1930 zat de familie
  v.d. Vlugt in de Vlashandel. Bron: De heer G.J. Fss, Bergschenhoek.
  1907.  Secretaris J.A. Verveen van de gemeente Berkel en Rodenrijs vraagt
  ontslag  wegens  zijn  benoeming  als  burgemeester van Kethel en Spaland
  (B10).
  De tienden werden in 1909 bij wet afgeschaft. (B07).
  In 1909 bouwde men in de Dorpsstraat in Bergschenhoek het  eerste gemeen-
  tehuis. Daarvoor zetelde het gemeentebestuur in herberg De Rozenboom.
  1910 Aanleg weg op de Bovendijk. (B&R).
  Op 15 december 1910 gegonnen mert de bouw van de huidige R.K.-kerk in
  Bergschenhoek, de kerk was gereed op 12-6-1911. (K).
  In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog werden op gashouders  van diverse
  gasfabrieken een naar het noorden wijzende pijl met links en rechts daar-
  naast een letter aangebracht, dit voor de orintatie van  de  luchtvaart.
  AL = Alphen, BI = Brielle, DF = Delft, HG = Hillegom, KW = Katwijk , LI =
  Lisse, GD = 's Gravendeel en SL = Sliedrecht. Er is  een  lijst  gevonden
  met 189 plaatsnamen voorkomende op gashouders van gemeentelijke en parti-
  culiere gasbedrijven. (Archief Stichting De Lansingh).
  Sinds 1914 is Hoek van Holland deel van Rotterdam. (B165).
  1914-1918 Eerste Wereldoorlog waarin 8,5 miljoen mensen stierven.  Neder-
  land was neutraal in deze oorlog.
  In 1919 verkocht de familie van der Burg uit Berkel en Rodenrijs een paar
  huisjes in Bergschenhoek aan C. Koot voor f 7100,- (B21).
  In 1920 stonden er nog tollen op de Leeweg in Berkel, in Berkel dorp,  op
  de Kleiweg in Schiebroek, op  de  kruising  Kleiweg-Straatweg,  langs  de
  Schie ter hoogte van de  Hoog  Ouden Dijksche Polder, in Nootdorp, in het
  dorp Overschie, in de Zestienhovense polder lands de Schie (Overschie).
  1921. Vrijenban  opgedeeld  aan  Delft, Pijnacker, Nootdorp, Overschie en
  Rijswijk. (B17).
  Bij het weggraven van de Bult in  Schiewijk,  Overschie,  september  1922
  stuitte men op de resten van een gebouw als de thans nog bestaande burcht
  te Leiden. Omdat geen tufsteen werd aangetroffen wordt aangenomen dat de-
  ze  burcht  van de 13e eeuw is. Volgens de aardewerk scherven gevonden in
  de put moet  de burcht  voor 1500 geslecht zijn, want geen spoor van gla-
  zuur werd gevonden. Wellicht is dit "het hof te Schie" geweest genoemd in
  1266. (B69).
  In 1923  verkocht  de familie van der Burg uit Berkel de iepen die de weg
  tussen Berkel en Bergschenhoek sierden voor f 3400,- (B21).
  Juni 1923. Onderzoek naar de aanleg van centrale verwarming in  de  N.H.-
  kerk  van  Berkel en Rodenrijs. In Overschie blijkt de hete lucht verwar-
  ming alleen  's zaterdags al acht mud anthraciet te verslinden om 's zon-
  dags de kerk  verwarmd te hebben. In Capelle aan den IJssel pompt men met
  een electrische motor het water door buizen in de kerk, een dergelijk sy-
  steem heeft in Hillegersberg f 3905 gekost. (B15) (K).
  In 1926 werd de Nieuwstraat in het dorp van Berkel doorgetrokken. (B21).
  31  juli  1928.  Onderzoek  naar de aanleg van centrale verwarming  in de
  N.H.-kerk van Berkel en Rodenrijs. De kerkvoogden gingen op onderzoek uit
  en bezochten: Noordwijk, Den Haag, Koudekerk, Naaldwijk en Hillegersberg.
  (B15) (K).
  In 1928 werd een nieuw gemeentehuis in Berkel gebouwd, later  bibliotheek
  en nu (1998) staat de A & P er, de bibliotheek op de  eerste  verdieping.
  (B07).
  Eind 1929 wordt de de kerkkachel uit de N.H.-kerk van Berkel en Rodenrijs
  weggegeven aan het Evangelisatielokaal op Voorne Putten,  maar  men vindt
  het niet de moeite waard om de kachel op te halen. Ten  einde  raad wordt
  de kachel voor f 35 verkocht aan de firma Rath en Dodenheefer  te  Schie-
  broek. (B15) (K).
  In 1931 opende Bert van der Lugt een winkel in de Vogelaarstraat.  (Bron:
  Jubileumboekje - 125 jaar 1992).
  In  1932 werd een vuurtoren (routelicht voor de luchtvaart) gebouwd in de
  Oude Leede, 23 meter hoog. (B109).
  De strekvaart  in  Hillegersberg  (1936) wordt afgesloten door het Boter-
  dorpsche verlaat, dat naar de Rotte voert. (Juksluisje). (B29).
  Van  de onder Zevenhuizen resorterende buurtschap het Soodjes- of Oudver-
  laat, tijdens een wandeling in 1936 nog aanwezig. (B29).
  Tijdens een wandeling in 1936 langs de Rotte op het grondbebied van Berg-
  schenhoek, de ruberoid fabriek van de firma gebrs. Kramer en  de  kisten-
  kratten- en broeiraamlijstenfabriek van de firma s. van Logchem  en Zoon.
  (B29).
  Berkel en Rodenrijs kreeg haar eerste openlucht zwembad in 1936. (B28).
  Boterdorpseweg tussen Berkel en Bergschenhoek in 1938 in gebruik genomen.
  (B21).
  1940-1945. Dropping van wapens en agenten uit Engeland.  De wapens werden
  vaak onder zeer moeilijke omstandigheden, zoals eenmaal 's  winters op de
  Rottemeren uit het ijs binnengehaald. (B07).
  In de oorlog 1940-1945 was Nederland opgedeeld in distributiekringen,  de
  kring  Pijnacker  omvatte  de  gemeenten: Pijnacker (9000 inw.), Nootdorp
  (2300 inw.), Bleiswijk (2700 inw.), Bergschenhoek (3400 inw.)  en  Berkel
  en Rodenrijs (5600 inw.), totaal 23.000 voor levensmiddelen in aanmerking
  komende consumenten. (Bron: Jubileumboekje - 125 jaar 1992).
  De heer Mulder uit Nieuw-Weerdinge kwam in  1943 naar Berkel en Rodenrijs
  om daar hoofd van de Hervormde school te worden. (B15).
  25-01-1943. Beschikking no. 25778 B.B. betreffende wijziging van de gren-
  zen der gemeenten Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Rozenburg,  Schiplui-
  den, Berkel en Rodenrijs, Capelle aan den IJssel en Barendrecht en ophef-
  fing van de  gemeenten IJsselmonde, Hillegersberg, Schiebroek, Overschie,
  Kethel en Spaland en Vlaardinger-Ambacht. (Staatscourant 3-2-1943).
  In 1949 is er in het gehele gebied Berkel en Rodenrijs, Zoetermeer, Berg-
  schenhoek  en  Pijnacker  slechts  n  sociaal werkster die pionierswerk
  moest verrichten. (B28).
  In 1949 werkten er slechts enkele  Berkelaars buiten de gemeente n.l.: in
  de diepvries-inrichting te Bergschenhoek. (B28).
  1949. Tenslotte dienen Delfland en Schieland (gemeenten Delft, Pijnacker,
  Berkel en Rodenrijs) nog als het belangrijkste  tuinbouwgebied  te worden
  genoemd, dat geheel  als  een  uitloper  van  het Westland kan worden be-
  schouwd. De glascultuur (voornl. plat glas)  is  hier  sterk  ontwikkeld.
  Komkommers, sla, peen,  bloemkool, sperciebonen en spinazie vormen  er de
  voornaamste producten. (B92).
  In het Rotterdams jaarboekje van 1950 staat geschreven  dat  het  archief
  van de leenheren van De Tempel  berust  in  kasteel Twickel, onder Delden
  (B75).
  1951.  Deskundige/organist  A. v.d. Akker van de Hilladondakerk te Hille-
  gersberg. Mej.  C. Gerritsen uit Den Haag werd organiste in de  N.H.-kerk
  in  Berkel  en Rodenrijs en na een half jaar werd A. Sluik  uit Rotterdam
  organist. (B15) (K).
  In 1954 was N. v.d. Hooven uit Capelle aan de IJssel organist in de N.H.-
  kerk in Berkel en Rodenrijs. (B15) (K).
  Bij de restauratie van de N.H.-kerk te Berkel en Rodenrijs in 1954  heeft
  men van Johan van Oldenbarnevelt geen enkel spoor gevonden. (B126) (K).
  In 1972 werd het  N.H.-kerkgebouw van 1870 gesloopt en vervangen door het
  huidige kerkgebouw. (K).
  1978. Aan de Rottemeren, ter hoogte van Bergschenhoek vond  men  een 6300
  jaar oude visfuik.
  Rond 1980 woonden er in ons land ruim 14 miljoen inwoners. (B105).
  In 1983 bouwde men in Bergschenhoek het huidige gemeentehuis, dat het ge-
  meentehuis van 1909 in de Dorpsstraat verving.
  Bij  de  realisering  van de bouwlocatie Delfgauw en het bedrijventerrein
  Ruiven langs rijksweg 13 zijn in 1997 vondsten gedaan die  bestonden  uit
  restanten van een boerenhoeve uit ca. 1050. (B109).
  Bij de bouwlocatie Ypenburg,  bijna  op de grens van Nootdorp zijn ca. 20
  skeletten aangetroffen ca. 3000 voor Chr. (B109). (In 199?)
  199? n. Chr. 0,00 m N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  1999. Op bouwlocaties voor de  Vinex-wijken  in  de  polders, Meerpolder,
  Westpolder en Oudeland zijn boringen verricht. In  de Westpolder en Oude-
  land zijn deze boringen verricht door het bureau Bodem  Oudheidkundig On-
  derzoek Rotterdam (BOOR), door het handmatig boren van 350  gaten van ca.
  5 meter diep. De boringen werden gedaan in juli en augustus  van dit jaar
  en er werden resten van familienederzettingen  uit  Berkel  aangetroffen,
  die akkers bewerkten en  aan  veeteelt  deden. De resten kunnen afkomstig
  zijn van Berkelse  families  uit de nieuwe steentijd, tussen 4000 en 3000
  jaar voor Chr. Deze bewoners hebben gedeeltelijk op vaste plekken gewoond
  maar er  waren  ook tijdelijke "campeerplatsen" wanneer men ging jagen of
  vissen. Er  zijn  houtskoolresten  gevonden  uit  de steentijd. In polder
  Oudeland is zelfs de mogelijkheid aanwezig dat er  resten uit de Romeinse
  tijd of uit de middeleeuwen worden gevonden. In oktober zal  men doorgaan
  met de werkzaamheden. Pas als er daadwerkelijk gegraven gaat worden, wor-
  den de vondsten daadwerkelijk zichtbaar. (Bron: De Heraut 1999).
  
  Water, veen en ontginningen
  De onderkant van het veen op grote diepte lag in Rotterdam 12 a 15 m,  in
  Zoetermeer ca 14 m van de oppervlakte. Dit veen kan alleen aan de  opper-
  vlakte ontstaan zijn en Dr. Tesch neemt aan  dat  het  ontstaan  van  het
  diepe veen zo'n 20.000 jaar geleden de zeestand 20 m lager lag dan nu  en
  daarna is blijven rijzen.  In  dit oudste tijdperk van het holoceen steeg
  de gemiddelde vloedhoogte van  20  tot ongeveer 5 meter beneden de tegen-
  woordige stand. (B107) (V).
  Omstreeks 5000 v. Chr. werd uit het pleistocene zand  van  het  zuidelijk
  deel van de Noordzee met behulp  van  de  golven  en de zeestromingen een
  schoorwal  opgebouwd, die als een strandwal het achterliggende  waddenge-
  bied van de  open  zee  afsloot.  Daarachter  vormde zich een strandmeer,
  waarvan het water door de  toevoer van rivierwater steeds meer verzoette.
  In dit strandmeer ontstond  het  veengebied  van Holland en Utrecht. Toen
  het meer met veen was dichtgegroeid, ontwikkelde zich een bos van  elzen,
  berken, hazelaars, dennen en wilgen (moerasbos). Daarna zette, onder  in-
  vloed van het vochtige klimaat, de veenmosgroei weer in en vormde zich op
  het moerasveen een laag veenmosveen. Van 1700 v. Chr. tot 500 na Chr. was
  het  klimaat  koud  en droog en voor veenvorming minder geschikt. De zee-
  spiegel  was  in  die  tijd 2 a 3 meter lager dan thans. In de sub-atlan-
  tische periode (vanaf ca. 500 na Chr.) kreeg het veen een aanzien van een
  waterrijk  landschap  met tal van plassen en meren en van natuurlijke wa-
  terlopen, terwijl de begroeiing over grote uitgestrektheden,  behalve uit
  gras en riet, uit bossen van elzen  en  waterwilgen  bestond.  Als  zulke
  veenwateren  kunen  we  de  Rotte  en de meren in Berkel en Zoetemeer be-
  schouwen. (B34) (V).
  Tussen  300  voor  Chr. en het begin van de jaartelling drong  de zee bij
  vloed via geulen en kreken diep het land binnen, waardoor zand en klei in
  de  geulen  en op het ondergelopen veen bezonk. Ook het gebied van Berkel
  en Rodenrijs behoorde tot het waddengebied van de delta. Rondom de kreken
  vonden  tot  diep  in het  achterland kleiafzettingen plaats (tot voorbij
  Delft), in Berkel en Rodenrijs is dat nog steeds waarneembaar in de jonge
  zeekleiafzettingen in de polder Oudeland en de Voorafsche polder. (B99).
  Het grote laagveen bereikte voor de inklinking een dikte van 2 tot  6 me-
  ter omstreeks het begin van onze jaartelling, de vloedstand was toen  on-
  geveer 2 meter lager dan heden. (B107) (V).
  Pas  omstreeks 800 begonnen de nog spaarzame ontginningen van de veenwil-
  dernis achter de duinen. Verspreid op  de  kreekruggen werden boerderijen
  gebouwd, zoals bij de Kandelaar. (B99).
  Slechts de Rottemeren en het reeds lang verdwenen IJsselmeer onder Nieuw-
  erkerk an den IJssel zijn natuurlijke vormingen. (B157).
  Het  oorspronkelijke laagveengebied is in de periode van ca. 1000 tot ca.
  1300 vauit de woonkernen van de Maas. deollandse IJssel, de Gouwe  en  de
  Rijn geleidelijk ontgonnen. (B157).
  Graven gaven grote delen grond in leen uit, de leenmannen waren van lage-
  re  adel  dan  de graven. De uitgegeven stukken grond werden ambachten of
  heerlijkheden genoemd, of ook wel ambachtsheerlijkheden en de leenman am-
  bachtsheer. De ambachtsheer gaf de grond uit aan kolonisten  om  de grond
  te ontwateren en te ontginnen. De bevoegdheid om recht te  spreken en be-
  lasting te innen delegeerde de ambachtsheer aan de schout en de schepenen
  die in bezit moesten  zijn van landerijen om voor die functies in aanmer-
  king te komen. (B155).
  Ook de Waver, de Mije, de Kromme Aar, de Rotte enz. moeten als van  ouds-
  her bestaande veenwateren worden beschouwd. (B92) (V).
  Oeverwallen  zijn de zandrijke ruggen, die een stroomrivier langs de bed-
  ding vormt, wanneer deze overloopt door toename van stromend water, waar-
  door bij het afnemen der stroomsnelheid na  de  zijwaartse  afvloeiing de
  zwaardere meegevoerde zwevende stoffen het eerst bezinken. (B122).
  Een Katwijkse Rijnmond heeft nimmer bestaan, omdat het veengebied  achter
  de duinen zich dan nooit had kunnen ontwikkelen zoals het zich heeft ont-
  wikkeld. (B122) (V).
  De dikte van de veenlagen in de Ronde Hoepspolder (noordelijk van  Water-
  veen is ca. 6 m, evenzo in het gebied ten zuiden van  de  Ronde  Venen en
  ook in de polder Zegveld. (1959 dus na inklinking van ?  meters).  (B122)
  (V).
  Ontginning:  Behalve  het  verwijderen  van bomen en/of struikgewas moest
  voor afvoer van het water worden  zorggedragen.  De  greppels  groef  men
  recht (of bijna recht) op het afwateringskanaal, om zo de kortste afwate-
  ringsweg te verkrijgen. Meestal  werd  aan de kopkant, bij de rivier (als
  transportweg belangrijk) een hofstede gebouwd. (OV) (O).
  De ontginning vond plaats in smalle stroken met een lengte van 13  roeden
  of ongeveer 48 meter bij een diepte van 8 turven (1 meter) en een breedte
  van iets meer dan 1 meter (de breedte van 7 turven). (B156).
  Vele natuurlijke stroompjes als Rotte, Striclede, Piclede, Gouwe, Aar  en
  Drecht vonden oorspronkelijk ergens midden in de Hollandse  veenmassieven
  hun oorsprong, om vandaar hun loop naar de randen daarvan te beginnen. De
  venen liepen dus naar het midden toe op. (B44) (V).
  Steden en dorpen vindt men dus niet in de polders van het oude land, maar
  er aan of er tusschen, daar zij aan de wegen moesten liggen. Hierop  zijn
  slechts een paar uitzonderingen b.v. Pijnakker en Zegveld, maar het is de
  vraag of daar niet twee polders vereenigd zijn, zoodat de weg waaraan zij
  liggen vroeger polderkade was. (B107).
  Sommige  dorpen,  waaromheen  alles is weggeveend en drooggemaakt, zooals
  Leimuiden, Hazerswoude, Zoetermeer, Zegwaard, Berkel enz.  zijn  daardoor
  ten opzichte  van  het  omringend terrein op een hoogen bonk veen blijven
  liggen, omkaad met eigen afwatering. (B107) (V).
  Pas geruime tijd na de ontginning van het veen verschenen de eerste  dij-
  ken. Aanvankelijk verliep de afwatering zonder veel problemen doordat het
  veen boven het waterpeil van de rivieren lag. De Leede,  Schie  en  Rotte
  lagen  onder  het  niveau  van  het maaiveld, zodat de afwatering vanzelf
  ging. Maar door  het  onttrekken  van water aan het veen verloor het veen
  veel volume en begon ze te dalen (inklinken?), terwijl de zanderigge bed-
  ding  van  de veenstromen op dezelfde hoogte bleef. Als dan vanaf 1100 de
  zeespiegel weer stijgt, wordt  het  noodzakelijk dijken aan te leggen. Om
  de enorme hoeveelheid water uit het veenpakket af te kunnen voeren werden
  er vanuit het achterland een groot  aantal  ontwateringskanalen  richting
  rivier gegraven (b.v. Schiekanaal en de Zweth). (B99) (O) (V).
  Het woord  "polre"  beteekende  aanvankelijk uitsluitend een bij het oude
  land aangedijkt stuk land, in tegenstelling enerzijds tot het "oude land"
  zelf, dat  tallooze  malen in de stukken met dien vaststaanden naam wordt
  genoemd en anderzijds tot de als eiland op plaat bedijkte gronden, die in
  Holland en Zeeland "wart"  of  "nes" heetten. Oorspronkelijk waren de am-
  bachten Hildegaertsberch  en  Schiebroec  gescheiden door de Vliet, en de
  daar thans  bestaande  polderkade is eerst gemaakt bij de droogmaking van
  de  Schiebroeksche  plas  in  1772/9. Zo was de Louwersloot de scheisloot
  tussen Hildegaertsberch en Berchpolre. (B64).
  De  meest  voorkomende  nederzettingsvorm was het systeem van de zesvoor-
  linghoeven, men ging hierbij uit van een bepaalde werkbasis, meestal  wa-
  ter,  dus  een  meer, een riviertje of een gegraven wetering. Ook wel een
  weg of dijk. Het  voor  de  werkbasis  liggende te ontginnen terrein werd
  eerst afgebrand en vervolgens werd de werkbasis verdeeld in gelijke stuk-
  ken van 30 roeden (30 x 3,77 = 113 meter). Daarna werden de uiteinden van
  de werkbasis en hiertussen op onderlinge afstand van 30 roeden sloten ge-
  graven. Dit was het opstrekken. Men groef de sloten 6 voorling lang (ruim
  1243 meter). (B127) (O).
  In het veenmoeraslandschap bevonden zich kreken en kreekruggen met  daar-
  tussen "veenkussens". Deze veenkussens konden heel wat water  absorberen;
  ze raakten echter op gegeven moment "vol";  regenwater  dat  dan  over de
  oppervlakte  van  zo'n  veenkussen  richting  rivier  afstroomt vormt een
  "veenstroom" zoals de Rotte, de Schie en de Leede. Uit het patroon van de
  veenstromen  en  hun  stroomgebieden laten zich globaal de hoogste punten
  van de  nu  geheel  verdwenen  veenkussens afleiden; het hoogste punt lag
  even ten zuiden van Zoetermeer. Van daaruit zijn drie stroomgebieden ont-
  staan, waar  verschillende  veenriviertjes  afwaterden. Nog steeds is dit
  punt herkenbaar in de  begrenzing van de waterschappen Rijnland, Delfland
  en Schieland. (De Driesprong?) (B99) (V).
  De strookvormige ontginningen. De diepte in  voorlingen  en de breedte in
  roeden uitgedrukt. Veelal een breedte van ca. 30 roeden (soms  ca. 60) de
  lengte veelal 6 voorling. Een hoeve van 30 roe  bij  6  voorling  was  de
  standaard maat. Ter halver diepte en ter dubbele breedte was dus zeer on-
  gewoon. De strookdiepte ca. 1250 m. (B44) (O).
  
  Algemeen
  Tijden (B120)
  Paleolihicum - oude steentijd - 300.000 tot 8.800 voor Chr. (B120).
  Mesolithicum - midden steentijd - 8.800 tot 4.900 voor Chr. (B120).
  Neolithicum - nieuwe steentijd - 5.300 tot 2.000 voor Chr. (B120).
  Bronstijd - 2.000 tot 800 voor Chr. (B120).
  IJzertijd - 800 - 12 voor Chr. (B120).
  Romeinse tijd - 12 voor Chr. tot 450 na Chr. (B120).
  Vroege middeleeuwen - 450 na Chr. tot 1050 na Chr. (B120).
  Late middeleeuwen - 1050 na Chr. tot 1500 na Chr. (B120).
  Nieuwe tijd - 1500 na Chr. tot heden. (B120).
  Benaderde gemiddelde hoogte van de zeespiegel
  3000 v. Chr. 4,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  2000 v. Chr. 3,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  1500 v. Chr. 2,50 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
   750 v. Chr. 1,85 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
     0         1,30 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
   250 n. Chr. 0,90 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  1000 n. Chr. 0,55 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  1500 n. Chr. 0,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  199? n. Chr. 0,00 m N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
  Tijden (B96)
  Steentijd - (Hunnebeddenvolk) 2000 v Chr. - 1600 v Chr. (B96).
  Bronstijd - 1600 v Chr. - 600 v Chr. (B96).
  IJzertijd -  600 v Chr. -  50 v Chr. (ons land werd bewoond door Germaan-
  se stammen). (B96).
  Romeinse tijd - 12 v Chr. - 250 na Chr.  Ons land maakte deel uit van het
  Romeinse rijk. (B96).
  Grote volksverhuizing - 400 na Chr. - 500 na Chr. (B96).
  Middeleeuwen - 500 na Chr. - 1500 na Chr. Vroege- volle- en late-. (B96).
  Vroege middeleeuwen - 500 na Chr. tot 800 na Chr.,  Friezen,  Franken  en
  Saksen bewonen ons land. (B96).
  Volle middeleeuwen - 800 na Chr.- 1300 na Chr. (B96).
  800 - 925 Onze bevolking en grondgebied eerst opgenomen in het Frankische
  gebied, daarna in Lotharingen. (B96).
  925 - 1515 Graventijd; ons land maakt deel uit van het Duitse rijk (B96).
  Late middeleeuwen - 1300 na Chr. tot 1500 na Chr. (B96).

   Woordenboek (vertalingen en vermeende vertalingen).
   -----------
   Aanmerkte = opmerkte.
   Accouchementen = verlossingen.
   Achteman = gemeenteraadslid.
   Agteman = gemeenteraadslid.
   Achterban = in het leenstelsel: oproepen door de leenheer van de leenmannen
               (ban) en van de achterleenmannen (achterban).
   Achterhaelt = betrapt.
   Acte(n) = vergunning(en).
   Actum = gedaan.
   Ad vitam = voor het leven.
   Advent = voorbereidingstijd op Kerstmis.
   Adverteren = in te lichten.
   Aelmisse = aalmoezen.
   Aesdomrecht = 7 geswoorens + 1 schout, per 14 dagen vergaderen.
   Aflaat = brief waarin kwijtschelding van bedreven zonden werd verleend.
   Afgedolven = afgegraven.
   Afterlaeten = nalaten.
   Agent = minister.
   Aise = gemak.
   Al = groot (Almere = groot meer).
   Alae = ruiterij.
   Alchemie = geheime leer m.b.t. het veranderen van onedele metalen in goud.
   Alias = 1) een grappenmaker, 2) anders, 3) bijnaam.
   Allerheiligenvloed = stormvloed op 1 november 1570 waarbij grote delen van
                        Friesland, Noord-Holland en bijna alle Zuid-Hollandse
                        en Zeeuwse eilanden overstroomden.
   Allodium = eigen, van oudsher overgerfd bezit.
   Allodium = grond in eigendom en dus niet in leen.
   Allodiaal = erfvrij.
   Alluvium = aanspoelsel.
   Ambt, ook ambacht.
   Ambacht of ambachtsheerlijkheid = rechtsdistrict op het platteland.
   Ambachtsbewaarders = wethouders.
   Ambachtsheer = bestuursambtenaar die de lagere rechtspraak uitoefende.
   Amende = boete.
   Amerij = 1) een ogenblik, 2) de tijd nodig om een Ave Maria op te zeggen.
   Amortisatie = het maken van een wereldlijk goed tot kerkelijk goed.
   Annalen = jaarboeken.
   Annaten = pauselijke belasting op hoge beneficies, 1/3 inkomen 1e jaar.
   Appliceren = toedienen.
   Apokrief = niet betrouwbaar.
   Apprehendeeren = aanhouden. (gevangen nemen).
   Approbatie = goedkeuring/vergunning.
   Archeion = archief.
   Armenbos = armenbus.
   Assche van averuit = citroenkruid.
   Assega = rechtzegger.
   Assessor = wethouder.
   Aterling = ellendeling.
   Augias = buitengewoon vuil.
   Baanderheer = ridder die de vlag af banier mocht dragen, ook wel de
                 benaming voor een edele die een eigen vlag voerde.
   Baanderheer = baron.
   Balcka = brugje, vonder.
   Balliu = baljuw.
   Baljuw (Drost / Ruwaard) = Ambtenaar die sedert de 12e eeuw de graaf
   vertegenwoordigde in de verschillende delen van zijn gebied met name op
   het gebied van rechtspraak en het vaststellen van keuren. Deze bezoldigde
   ambtenaar was naar willekeur benoembaar of afzetbaar.
   Ban = landstreek, afgegensd gebied (B17). of ambacht.
   Ban = 1) plechtige afkondiging van een gebod of verbod onder bedreiging
            van straf o.a. verbanning.
         2) het afkondigen van en houden van rechtszittingen.
         3) een bepaald rechtsgebied.
         4) heerban: het te strijde roepen van de vazallen door de leenheer.
         5) het uitsluiten van mensen vande gemeenschap der gelovigen.
   Barende bomen = vruchtbomen.
   Barg = hooiberg.
   Bastant = financiel in staat zijn.
   Bede = middeleewse vorm van belasting.
   Beden = belasting/aanvraag tot opbrengen van een geldsom aan de landsheer.
   Bedlam = krankzinnigengesticht.
   Beeterkoop = goedkoper.
   Begard = man die een vroom en kuis leven leidde zonder daarbij in te
   treden in een klooster.
   Begaven = gaven.
   Begijn = vrouw die een vroom en kuis leven leidde zonder daarbij in te
   treden in een klooster.
   Begijnhof = Een complex afgescheiden van de buitenwereld waar de begijnen
   in leefden. Een begijnhof was een religieuze instelling.
   Behelpen = beroepen.
   Behoirden = beheersten.
   Beiden = afwachten.
   Beleijt = behandeld.
   Beleyt = behandeld.
   Beletten = biljetten.
   Belijden = bekennen.
   Beneficie = blijvend en onvervreemdbaar recht op de inkomsten aan een abt
   verbonden.
   Beneficium = feodaliteit.
   Berkel zegt iets over de soort bomen die er groeiden (Berken) (B15).
   Beroem = opschepperij.
   Bezetten = beschikken.
   Bornagie = komkommerkruid.
   Bemaeld = beschilderd.
   Berchambacht = Hillegersberg.
   Bericht = advies.
   Beschutten = behoeden.
   Besogneren/gebesogneert = beraadslagen/beraadslaagd.
   Bestaet = besteed.
   Beste = meest waardevolle.
   Betragt = zo bekeken.
   Bevruchte = zwangere.
   Bezit (eigen goed) = heriditas, portio, proprietas, allodium
   Bijnnen = binnen.
   Blaak = blinkend water.
   Blaffert = een protocol van keuren, vergunningen, vonnissen en resolutien
   van het Hoogheemraadschap.
   Blanken = zilveren munten.
   Blasphemeert = lastert.
   Blauwgrasland = voedselarm hooiland.
   Bleiswijk = Bleeswije, Blesewijc, Bleeswic, Bleyswijck, Bleijswijck,
               Blesewike, Bleiswijc, Bleiswijck, Belsswick, Bleyswyc, Bleyswic.
   Blikken = zand.
   Bloedstortinge = bloedvergieten.
   Bloedvaan, of rode vaan = de oorlogsvaan, b.v. overgedragen bij verlening
              of overdracht van een vrije- of halsheerlijkheid.
   Boecwey = boekweit.
   Boede = bode.
   Bolster = bovenste losse en verweerde veenlaag.
   Bonkaarde = bovenste laag van het hoogveen.
   Bommel = gescharrel.
   Borgeren = burgers.
   Bot = speling.
   Broek = drassig laagland.
   Broot = brood.
   Burggraaf = edelman met de erfelijke functie van stadhouder van een stad of
   een streek, aanvankelijk zetelend in een burcht.
   Bij de luy = in het leven.
   Bij de schoft = per dag.
   Bul = zegel van metaal, goud, lood enz. aan een oorkonde of de oorkonde zelf.
   Buurschap = organisaties van boeren op het platteland die binnen hun gebied
               de lagere rechtspraak en het plaatselijke bestuur uitoefenden.
               Een buurschap werd ook wel als rechtsgebied aangeduid.
   By = overeenkomstig.
   C-14 methode = ouderdomsbepalingsmethode van organisch materiaal o.b.v. het
                  feit dat radioactiviteit langzaam afneemt.
   Capitularin = verordeningen.
   Cappellan = kapelaan.
   Caritaten = liefdadigheid.
   Caresseren = liefkozen.
   Casseren/gecasseerd = vernietigen/vernietigd.
   Census, cijns = belasting.
   Censuskiesrecht = alleen welgestelden mogen stemmen (In Nederland 1848-1896).
   Censeur = keurmeester ((onderwijs)-inspekteur).
   Charter = oorkonde. Een blad perkament waarop een akte is geschreven, die
   ter bekrachtiging is bezegeld.
   Chirurgijn = huisarts.
   Citeeren/geciteerd = dagvaarden/gedagvaard.
   Cleen = klein.
   Clericus = klerk, geestelijke van lagere rang.
   Cloester = klooster.
   Cohorten = voetvolk.
   Colere = woede.
   Collatierecht = Vroeger het recht om een predikantsplaats te vergeven.
   Comitatus = graafschap. (gebiedsdeel, gouw, provincie)
   Communiteit = kloostergemeenschap.
   Complainite = gedienstigheid, inschikkelijkheid.
   Comptoir = kantoor.
   Concipieren/geconcipieert = in ontwerp opstellen/opgesteld.
   Condemmeren/gecondemmeerd = veroordelen/veroordeeld.
   Condemneren = keuren.
   Confessie = bekentenis.
   Confirmeren/geconfirmeerd = bekrachtigen/bekrachtigd.
   in Conformite van = overeenkomstig.
   Conscriptie = opschrijving.
   Consent = tevredenheid.
   Consenteert = gaat akkoord.
   Conservatorium = puaselijke beschermingsbrief.
   Considerabel = aanzienlijk.
   Considerende = overwegen.
   Consistorie = vergadering van paus en kardinalen.
   Consultor = pauselijk raadsheer.
   Cont = bekend.
   Continuatie = in het vervolg.
   Covenieren = verplichten.
   Cum annexis = met toebehoren.
   Curateuren = voogden.
   Curato = voor de pastoor.
   Curiam = hof.
   Curtis = hof.
   Cureit of curatos = pastoor.
   Custidi = voor de koster.
   Custor = koster.
   Cijns, census, tijns, tins = belasting.
   Dalver = armoedzaaier.
   Darren = durven.
   Dat = doe.
   De ongewapende massa = invalida plebeia manus.
   Declineren/gedeclineert = van de hand wijzen.
   Deerlijk = droevig.
   Defendeerden = verdedigden.
   Deilen = delen.
   Delf = gegraven waterloop.
   Dellen = geulen.
   Delven = begraven.
   Den boozen ouden = Neptunus.
   Den gonen = degene.
   Dependent = afhankelijk.
   Depossederen = uit het bezit stoten.
   Derde stand = de niet tot de adelheid of geestelijkheid behorende gegoede
   burgerij.
   Derrie, dary, darinc = soort veen.
   Deux aas = eenvoudige volk van geringe stand.
   Devoiren = pogingen.
   Dictamen = 't schrijven, 't voorstel.
   Diefte = diefstal.
   Diets = volk. (Duyts was in de 16e eeuw een nevenvorm van Diets)
   Dikmaal = dikwijls.
   Ding = Germaanse volksvergadering waarin rechtszaken werden behandeld.
   Dingboeken = Vanaf ca. 1680 bevatten processtukken, doch alleen maar met
   de namen der partijen.
   Dingtalen = conclusies.
   Discoureren = praten.
   Dispereren = de moed opgeven.
   Dissolveeren = opheffen.
   Dijk = watervrije weg (gn waterkering) (B20).
   Dijkgraaf = vertegenwoordiger van een waterschap en bestuurslid van een
   hoogheemraadschap.
   Dijkgraaf = baljuw.
   Diluvium = zondvloed.
   Doese = toen ze.
   Doleanten = klagenden.
   Doleantie = scheuring N.H, kerk in 1886.
   Donk = zandige opduiking in moerassig terrein.
   Doopceel = geboortebriefje gelicht uit hetr doopregister.
   Dorestad = Wijk bij Duurstede.
   Dos = bruidsschat of stichtingskapitaak van kerk of klooster.
   Doug = mest.
   Draf = drab.
   Draperye = lakenindustrie.
   Drecht = vaarwater en plaats waar je het water kan oversteken.
   Drost = vergelijkbaar met baljuw, schout
   Duimkruid = geld.
   Edik = azijn.
   Ee = water (o.a. in Zieriksee, Elkersee enz.) ook wel Ye of Ie.
   d' Eesten = droogoven.
   Eer = liever.
   Emmer = ooit.
   Emo = vervallen.
   Eeuwe = gewoonte, praktijk.
   Electie = keus.
   Erste = eerste.
   Esse = is.
   Even = haver.
   Even = juist.
   Ewelicke = eeuwiglijk.
   Euphorbium = wolfsmelk.
   Examineren = ondervragen.
   Excommunicatie = persoonlijke uitsluiting uit de gemeenschap van de kerk.
   Ex humatie = opgraving van een lijk.
   Ex offio = ambtshalve.
   Ex tempore = zonder dralen.
   Ex voto = volgens gelofte.
   Exederen = overschrijden.
   Exspireren/gexspireert = aflopen/afgelopen (ten einde lopen).
   Faber = smid.
   Fabriek = vervaardiging.
   Feodum = in leen uitgegeven bezit.
   Fiool = fles.
   Force = dwang.
   Fundatie = stichting.
   Fundatie = gift bestemd voor het jaarlijks verrichten van kerkelijke diensten.
   Fuut = fout (overtreding) ook wel feat.
   Gabel, de = indirecte belasting.
   Gagelant = land begroeid met een soort houtgewas.
   Gagen = dienstloon.
   Gagien = bezoldiging.
   Garing = heffing.
   Geadverteert = gewaarschuwd.
   Gearresteerd = goedgekeurd.
   Gebuijre = gebuuren.
   Gecontribueert = toe bijdragen.
   Gemaneert = uitgevaardigd.
   Gexauthoreert = uit al zijn rangen gezet.
   Gefenynigt = vergiftigd.
   Geharst = gebraden.
   Geheet of geeet = ge-eed, de eed afgenomen
   Geheimschrijver = secretaris.
   Geleden = ten koste van de kas gebracht worden.
   Gelubt = van teelkracht beroofd.
   Gemeen = volk.
   Gemene heerd, haard = gelagkamer.
   Generalen storm = stormaanval.
   Geprontieerd = uitgesproken.
   Gerangeert = opgesteld.
   Geregaleert = onthaald.
   Gerecipiert = ontvangen.
   Gerend = schuin afwijkend.
   Geresolveerd = besloten.
   Geriefhout = hout voor eigen gebruik bij een boerderij.
   Geronnen melk = wrongel.
   Geschiedenis = dat wat geschied is.
   Gesneden = gecastreerd.
   Gestempeld = met houten stempels dicht houden van de deuren van een sluis.
   Geswoorens = schepenen. (rechters).
   Gefolgschaf = trouw beloofd.
   Gemeyntineert = gehandhaafd.
   Geweer = wapen.
   Gewijn = gewin.
   Gezindes = gezin.
   Ghebreuct = beboet.
   Ghelt = vergoedt.
   Ghecoeft = gekocht.
   Gheset = aangeplant.
   Ghoten = tovermiddel.
   Glavin = 6 man.
   Glaye = 3 man.
   Gleye = goed stro.
   Glosse = nadere verklaring aan de zijkant van een geschrift.
   Godsoordeel = bewijsmiddel in de middeleeuwse rechtspraak o.a. de vuurproef,
                 ketelvang en de waterproef.
   Goeden = goederen.
   Goesting = smaak.
   Gors = gers = gars = gras.
   Gouden eeuw = 17e eeuw.
   Gouw = oudste naam voor gewest of landstreek.
   Gouwe = kleine administratieve eenheid.
   Gouwe (1139) Golda[m] = het goudkleurige water.
   Gouwen = pagus.
   Graafschap = kleine administratieve eenheid.
   Graaf = vertegenwoordiger van het koninklijk gezag, belast met de openbare
   orde, rechtspraak, militaire aangelegenheden, bestuur en belastingheffing in
   een graafschap.
   Grappelen = grabbelen.
   Gregoriaanse kalender = 4-10-1582 ingevoerde kalender als correctie op de
                           Juliaanse kalender. In 1582 werd het jaar met 10
                           dagen bekort 4 oktober werd gevolgd door 15 oktober.
   Greide = grasland.
   Grondmorene = kleileem (water ondoordringbare leem).
   Grote volksverhuizing = grootschalige verplaatsing van Germaanse en
                           Aziatische stammen tussen eind 4e eeuw en de 7e eeuw.
   Grijne = Amerikaans grenen(hout).
   Guyl = paard.
   Hachje = stuk, brok, homp, buit, bezit.
   Handlichting = wettelijke verklaring waarbij een minderjarige de rechten
   krijgt van een meerderjarige.
   Harst = rug.
   Harug = heiligdom (Germaans) ===> Harg = Kethel
   Have = losse goed, de roerende goederen (levende have = vee).
   Hazeoor = turfspade/vleugelspade = een puntige spade met aan n zijde
   een vleugel(oor) onder een hoek van 90 graden. Haze(n)sloot is vermoedelijk
   afgeleid van dit (veenderij)gereedschap.
   Hede of Hidde = mansnamem.
   Heer = leger.
   Heerlijke rechten = rechten en bevoegdheden die uitsluitend de heer van een
   gebied toekomen.
   Heerlijkheid = In leen uitgegeven gebied. Een ambachtsheerlijkheid was
   alleen bevoegd tot het berechten van "lage" zaken. Indien men ook
   competent was tot het berechten van zware misdaden werd van een hoge
   heerlijkheid of halsheerlijkheid gesproken.
   Ook aan de heerlijkheidsrechten verbonden waren: jachtrecht, tolrecht,
   visrecht, veerrecht enz. daarnaast mocht men schoolmeesters, gerechts-
   boden, veldwachters en omroepers aanstellen.
   Heete ziekte = pest.
   Heilo = Heiligelo = heilig lo = (heilig bos uit heidense tijden) Germaans
   Heinde = dicht bij.
   Hertogts-togten = hartstochten.
   Hervaart/heervaart = verplichting om met een aantal mannen met de landsheer/
   graaf ten oorlog te togen.
   Heug = geest, beraad, lust.
   Heulen = (hol of holte), duikers (ook een aanduiding voor een brug).
   Heuren = haren.
   Hei = diep of stroom.
   Hi = hij.
   Hilickte = in het huwlijk treedt.
   Historie = (historein = navorsen) = onderzoek naar dat wat geschied is.
   Hoekse en Kabeljouwse twisten = 1345- ca. 1500.
   Hof = in de middeleeuwen een bij een woning behorend afgesloten stuk grond
         bijv. een erf of een boerenwoning met bijbehorende landerijen. Later
         ook de woning of het verblijf van een aanzienlijk persoon of de gehele
         omgeving waarin hij leefde.
   Hofmeier = majordomus.
   Hoge adel = houders van aanzienlijke lenen rechstreeks van de kroon.
   Hoge heerlijkheid of halsheerlijkheid. zie heerlijkheid.
   Holland = rond 1100 vernoemd naar Hotland, de streek tussen Noordwijk en
             haarlem.
   Hontemunde = bovenmond.
   Hoofdgerfden = voornaamste ingelanden (grondeigenaren).
   Hoogheemraadschap = vanaf de 13e eeuw organisaties van ingelanden uit een
   groot gebied die te zamen voorzieningen voor waterkering of waterlozing
   bekostigen.
   Hoogveen = veen dat boven het grondwaterniveau ligt.
   Hoosje = kous.
   Horigheid = erfelijke onvrijheid.
   Horst = met kreupelhout begroeide opduiking in moerassig terrein.
   Hou = genegen.
   Houdt = hout.
   Houwertie = degen.
   Huike = kapmantel.
   Huis = geslacht.
   Huisraad houden = samenwonen.
   Huisvrouw = echtgenote.
   Huyck = kap.
   Hout = bos.
   Hout/-holt = plaatsen met droog bos.
   Hurden = mat van teen.
   Ignorantie = onkundigheid.
   IJemen = iemand.
   Impune = straffeloos.
   Inbraak = doorbraak.
   Inbreck = doorbraak
   Incorporatie = volledige onderwerping van een parochiekerk aan een klooster
   of kapitel.
   Indicateur = agenda..
   Indifferent = onverschillig.
   Indult = pauselijke gunst.
   Ingelanden = grondeigenaars.
   Injureren = beledigen.
   Injurierende = kracht.
   Inlegering = inkwartiering.
   Innocente = krankzinnige.
   Inserteren/geinserteert = invoegen/ingevoegd.
   Insinueren = ervoor pleiten.
   Installatie = het officieel in bezit stellen van een kerkelijk ambt.
   In 't wilde = zonder beperkende bepalingen.
   Intendenten = ambtenaren.
   Inter Liora et Isla = grootste gedeelte huidige Schieland en Delfland.
   Interdiceren = verbieden.
   Interdict = uitsluiting van een groep uit de gemeenschap van de kerk.
   Interdictie = rechterlijk verbod.
   Irrevocable = onherroepelijke.
   Investituur = symbolische verlening van een geestelijk ambt door een
   wereldlijk machthebber.
   Investitus = pastoor.
   Item = evenzo.
   Jaarbede = zie bede.
   Jaarstijl = 1) kerststijl, jaar begint 25-12, 2) boodschapstijl, jaar begint
               25-3 en 3) Romeinse stijl, jaar begint op 1-1.
   Jonker = (oudste) zoon van een edelman die nog niet zelf regeerde en dus geen
             titel voerde. Later de titel van leden van adelijke geslachten die
             geen functie uitoefenden.
   Jonker-Fransen oorlog = 1489-1492 Laatse fase in de Hoekse en Kabeljouwse
                           twisten
   Jor = jonker.
   Juliaanse kalender = 44 v. Chr. ingevoerd en genoemd naar Julius Caesar,
                        in 1582 vervangen door de Gregoriaanse kalender.
   Jurisdictie = rechtspraak.
   Jurisdictie = geestelijke macht van een kerkelijk ambtsdrager.
   Ka = dijk.
   Kak = ophef, opschik, drukte, vertoon.
   Kallen = vertellen.
   Kallen = praten (van raaskallen).
   Kannunik = lid van een niet kloosterlijk kappitel.
   Kansbiljetten = effecten.
   Kanselrij = kamer waarin de oorkonden en akten werden opgesteld en
               uitgevaardigd.
   Kapittel = vergadering van kanunniken , van de domheren, van de priesters
   van de domkerk.
   Karolingers = genoemd naar de beroemdste telg Karel de Grote 742-814, de
                 Karolingers regeerden tot 987 over het westen van het
                 Frankische rijk.
   Katoen = rustig.
   Katteklei = blauwe zeeklei.
   Keeg = kaag = koog = buitenland.
   Keur = oorkonde of charter waarbij de landsheer n of meer plaatselijke
   voorrechten verleenden.
   Kinhen = Kennemerland.
   Keur = op schrift vastgestelde regeling.
   Klapper = index.
   Klooster = (claustrum = afsluiting) gemeenschap van monniken levend volgens
              een bepaalde regel. Ook het gebouw waarin zij leven.
   Knoflook en onlook = ui.
   Knootstooven = knotwilgen.
   Kogen, kagen, nessen = nes = neus = uitstekende punt.
   Kolder = palen.
   Krag = drijvend stuk veen.
   Krouwels = haak met drie omgebogen tanden.
   Kruistochten = 1e 1095-1099, 2e 1147-1149, 3e 1189-1192, 4e 1202-1204.
   Kwade goirles = klaplopers.
   Kwakken = soort reiger.
   Laan = klein dijkje.
   Laat dunken = toeschijnen.
   Labberdaan = zoutevis.
   Lage adel = houders van lenen gehouden van een graad, hertog enz.
   Land = terra, ager, territorium, locus
   Land met behuizing = hova, praedium, curtis, curtilis, domus, casa, mansus
   Landsheerlijke tijd = periode in de geschiedenis der Nederlanden van de 10e
                         tot de 14e eeuw waarin de graven grotendeels onafhan-
                         kelijk waren van het Duitse of Heilige Roomse Rijk.
                         In een poging nog iets van hun gezag te redden,
                         bekleedde de Duitse Keizers de loyale bisschoppen van
                         Utrecht en Luik met grafelijke macht. Toen de paus na
                         1122 de benoeming van de bisschoppen weer aan zich trok
                         ging ook dit wapen verloren.
   Lan(d)sing = landscheiding, scheiding tussen twee waterstaatkundige eenheden.
   Lantwere = landsverdediging.
   Le(e)de = waterloop, watergang.
   Lede/liede = gegraven waterloop.
   Leen = stuk land waarvan de leenman het vruchtgebruik had en dat bewerkt werd
          door horigen.
   Leenhulde = Eed vantrouw (fides) van de leenman (vazal) aan zijn leenheer ter
               bezegeling van de feodale relatie.
   Leesen = lessen.
   Legaat = pauselijk afgezant.
   Legakker = smalle strook grond tussen twee trekgaten, waarop het afgegraven
              veen te drogen werd gelegd.
   Lege-leggers = watervaten.
   Legger = een staat van te ontvangen vaste inkomsten en ook blaffert
   genoemd als het om inkomsten uit grond ging.
   Legihem = Leyens, Leijens.
   Lethe = vergetelheid.
   Linge = lenge = lengte = lang water.
   Loo = bos of open plek in een bos.
   Lo als uitgang betekend "Bos" (B15).
   Look = prei.
   Loye = wet.
   Luijen = lieden.
   Lijfstraffelijke = criminele.
   
   Made = weiland.
   Maetsen = metselen.
   Magen = verwanten.
   Maiestatis = majesteitschennis.
   Maintineeren = handhaven.
   Mannen = een man nemen.
   Mancipium = onvrijen.
   Masau = Maasgouw.
   Maselant = Maasland.
   Maasgouw = Karolingsche gouw (gewest) gelegen tussen de oevers van de Maas
              tussen Luik en Nijmegen. In 870 werd het gouw verdeeld in de
              opper- en Neder-Maasgouw, resp. op de linker en rechteroever.
   Mansen = kampen lands of hoeven.
   Marsum = Maasland.
   Mark = grens, grensgebied.
   Meanderen = het kronkelen van een rivier.
   Meent = gezamelijke weidegrond.
   Meerstal = waterplas in de hoge venen.
   Meier = beheerder van de vroonhoeve.
   Meierij = hofstede.
   Men = hem.
   Mercstene = grenspaal.
   Meug = lust, zin.
   Middeleeuwen = vroege 500-100/1100, hoge = 1000/1100-1300, late 1300-1500.
   Middeldijken, meeldijken = slaperdijken.
   Miede = mede = made = grasland (Oorspronkelijk hooiland).
   Mier = mijne.
   Mijt = 1/2 penning.
   Miles = ridder.
   Militie = soldaten.
   Milium = gierst.
   Ministralen of dienstmannen = onvrije leenmannen.
   Miserable = arme.
   Missi = zendboden.
   Mist, misse, missche, mis = mest.
   Modestie = bescheidenheid.
   Modicque = geringe.
   Moeder = echtgenote.
   Moey = tante.
   Moor of moer = oud Nederlands voor veen, vergelijk: Moordrecht, Ommoord,
   Moerdijk enz.
   Moer = veen.
   Moer = moeras.
   Moortbrant = brandstichting.
   Morlant = moerland.
   Moveren = opwerpen.
   Muiden = plaats bij monding van waterloop.
   Munda = mond.
   Municipaliteit = gemeentebestuur.
   Muteren = veranderen.
   Muyten = huis.
   Na-maag = nasleep.
   Nadien = omdat.
   Neerstelycken = ijverig.
   Nepotisme = begunstigen van eigen familie.
   Nes/nisse = uitstekende landtong omgeven door water.
   Nieuwe tijd = 1500-1870. (tijd direkt na de middeleeuwen).
   Nijenrode = nieuwe ontginning.
   Noormannen (ook Vikingen) = 8e tot 11e eeuw West- en Oosteuropa belagend.
   Nouland = nijland of nieuw land.
   Novale tienden (rottiende) = tienden van nieuw ontgonnen land.
   Nuctoriteit = gezag.
   Nundinarum = van de markt.
   Observeeren = in acht nemen.
   Octrooi = machtiging door een bevoegde autoriteit.
   Of = af.
   Offensie geven = beledigen.
   Officum = ambacht.
   Oflaet = afdak, luifel.
   Oflijvich wordt = overlijdt.
   Oir = erfgenaam.
   Ommoord(en) = Ouwemoord(en)
   Onbegrepen = zonder fouten.
   Onderwond = overging.
   Ongelden = onkosten of belasting.
   Onlook en knoflook = ui.
   Ontfaen = ontvangen.
   Ontgheven = opgeven.
   Oord = ort = hoek of punt.
   Oorlogsbede = heervaart.
   Opdrachtbrieven = koopbrieven.
   Opposeren = in verzet komen.
   Oude Leede = die Lede, Oude Lede, Leede, Lede.
   Outheydt = op latere leeftijd.
   Overmits = wegens.
   Overtoom = (overhaal, overdracht, windas) Oudste Spaarnedam bij het IJ,
   1200. Overtomen werden later vervangen door (schut)sluisjes.
   Oversticht = in de middeleeuwen het oostelijk deel van het bisdom Utrecht,
               ongeveer gelijk met het huidige Overijssel, Drenthe en Groningen.
   Paalende = grenzende.
   Pagus = gebiedsdeel (gouw), soms ook als go of ga voor een dorp of parochie.
   Palde = palmde.
   Paleren = glanzen, polijsten.
   Pandt = bezit.
   Paspoorte = vrijgeleide.
   Pastori = voor de pastoor.
   Patroniemen = vadersnamen.
   Pecunia = Latijns voor 'geld' afgeleid van pecus = kudde.
   Peenen = staffen.
   Pele - mele = ongesorteerd, overhoop.
   Penden = afdammen.
   Pene = staffe.
   Peremtoirlijk = afdoend.
   Perkament = geschaafd lamsvel b.v. gebruikt voor oorkonden.
   Permoveren = bewegen.
   Persoen = pastoor.
   Persoenre = pastoors.
   Persuaderen = overreden.
   Petitio = bede.
   Piclede = waterleiding met en pekkleur.
   Pistorius = bakker.
   Poene = straffe.
   Polder = bemalen land.
   Polyphagen = veeleters.
   Pomp = duiker.
   Pong = zak.
   Pontsnider = muntsnoeier.
   Poort = portus.
   Porselein = postelein.
   Possessoir = in bezit neming.
   Post-factum = na het feit.
   Potagie = soep.
   Plakkaat = Een voor algemene bekendmaking bestemde verordening, uitgevaar-
   digd onder een opgedrukt zegel. Oorspronkelijk werd het niet opgeplakt
   maar van de pui van het raadhuis e.d. afgelezen.
   Pracken = tekeer gaan.
   Prebenden = etensporties.
   Precaria = bede.
   Preparere = voorbereid.
   President = burgemeester.
   Pretenderen = voorgeven. (verlangen)
   Prime = prima.
   Principael = hoofdschuldige.
   Privilege = handvest.
   Procurator = een van de titels van de econoom in Egmond.
   Proost = plaatsvervangend abt.
   Propoosten = gesprekken.
   Propositie = voorstel.
   Provisioneel = voorlopig.
   Puerlicken = zuiver.
   Punieeren = straffen.
   Quadyen = boosdoeners.
   Quakken = kwartels.
   Qualificeren/gequalificeerd = bevoegd verklaren.
   Quiteerden = verlieten.
   Quoet = kwaad, slecht.
   Raat = plan.
   Rade in plaatsnamen betekend "rooien" (B15).
   Rakkers = agenten.
   Rantsoen = losgeld.
   Recognitie = gelden die de gebruiker aan de eigenaar betaalde en waarmee
   hij diens eigendomsrecht erkende. (Symbolische) erkenningsplicht.
   Rede = gerede.
   Reetste = gereedste.
   Reformistische = sociaaldemocratische.
   Regalen = voorrechten.
   Regaleerden = onthaalden.
   Regalia = koninklijke rechten/aanspraken.
   Remotie = verwijdering, ontslag.
   Remonstranten, ook Armanianen = aanhangers Jacobus Armenius (1560-1609).
   Renoveren/gerenoveert = vernieuwen, herhalen.
   Renvoijren/gerenvoijert = verwijzen/verwezen.
   Resignatie = het afstand doen van een kerkelijk ambt.
   Resoluties = Bescheiden die de besluiten van een bestuursorgaan bevatten.
   Repertorium = index.
   Restitutie = teruggave.
   Reyse = keer.
   Ribben = smalle stroken.
   Rijp = oever.
   Riemtale = aantal riemen voor bemanning van de koggen = aantal mannen dat
   per ambacht moest (roeien) voor de landsheer/graaf.
   Rinlant = Rijnland.
   Risum = rijst.
   Rode in plaatsnamen betekend "rooien"