27-12-1999
HISTORISCHE SPROKKELINGEN (Stichting De Lansingh)
Studie verzameling geschiedenis 3B-Hoek en omgeving (C) Henk Berghout.
Landbouwgeschiedenis Nederland (4500 voor Chr. - heden)
De landbouwgeschiedenis van ons land begint omstreeks 4500 voor Chr. met
de vestiging in het zuiden van de tegenwoordige provincie Limburg van een
boerenbevolking, die afkomstig was uit de Donaulanden. Deze boeren ver-
bouwden verschillende graansoorten en hielden ook vee. Aangezien zij na
enkele honderden jaren ons land weer verlieten en hun aantal en het ge-
bied waarin zij woonden klein waren, hebben zij waarschijnlijk geen con-
tact gehad met andere bewoners van ons tegenwoordige grondgebied. Deze
inheemse bevolking leefde nog eeuwen daarna als voedselverzamelaar en pas
sinds de komst van de hunebedbouwers, die ca. 3500 voor Chr. uit het oos-
ten ons land binnentrokken, werd ons land onafgebroken door landbouwers
bewoond. (B104) (L).
Kort na 4000 voor Chr. Bandkeramische cultuur op de lss in Nederlands
Limburg en Belgi. De dragers daarvan kenden landbouw en veeteelt. (B136)
3000 v. Chr. 4,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
5000 jaar geleden (3000 voor Chr) woonden er boeren op de Hazendonk. Deze
top van een rivierduin in de huidige Alblasserwaard. Omstreeks 2000 voor
Chr. werden zij door de hoge waterstand gedwongen de plek op te geven.
(B158).
Vanaf 2900 v Chr. tot 2250 v Chr. bestond het gebied tussen Den Haag,
Gouda en Rotterdam uit wad, kwelderland en rietgorzen met ten dele brede
kreken. Via de Rijn-Maasmond had het getij vat op deze "biesbos". Ons
land was in deze tijd bewoond door vissers en jagers. Omstreeks 2400 v
Chr. dringen andere volken het land binnen, die hier het wiel en de ko-
persmederij introduceren, ook bij Vlaardingen en Hekelingen zijn sporen
van bewoning gevonden. (B150).
Ca. 2500 voor Chr. raakten Voorschoten, Leidschendam en Vlaardingen be-
woond, hun cultuur wordt de Vlaardinger cultuur genoemd. Ongeveer vijf
eeuwen heeft de Vlaardinger cultuur bestaan en rond ca. 2000 voor Chr.
verdreven door de zee. (B107).
De Vlaardinger cultuur is van ca. 2500 v Chr. (B24).
Voor 2000 voor Chr. Hunebedbouwers in Oost-Nederland, zij kenden landbouw
en veeteelt. (B136).
Ca. 2000 v. Chr. Meer zuidelijk was de Rotte een tak van de IJssel, die
langs Nieuwerkerk en Terbregge moet hebben gelopen. Dit is te zien op
luchtfoto's waarop de klei-afzettingen goed uitkomen. Ook de hoogtekaart,
het huidige verloop van sloten en de opvallende versmalling van de Rotte
bij Terbregge zijn hier aanwijzingen voor. Pas in 1164 zou deze IJsselarm
bij een invasie van zee uit zijn verdwenen. (B150).
2000 v. Chr. 3,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
1500 v. Chr. 2,50 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
Ca. 1300 voor Chr. Halssnoer van Exloo vervaardigd. (B136).
Na 1000 voor Chr. Infiltratie van Kelten en Germanen. (B136).
Ca. 800 voor Chr. Begin van de urnenvelden. (B136).
750 v. Chr. 1,85 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
Ca. 300 voor Chr. Begin van de terpenbouw in Friesland. (B136).
Resten van aardewerk uit de 2e eeuw voor Chr. werden op de begraafplaats
van de N.H. kerk te Hillegersberg gevonden in 1957. (B102) (K).
De berg te Hillegersberg heeft geen Romeinse bewoning gehad echter wel
een pr Romeinse (dit o.b.v. de gevonden scherven op de begraafplaats).
(B102). (K).
De donk (berg) te Hillegersberg is een pleistocene opduiking voornamelijk
uit het Boven-Turbantien daterende afzetting van het laagterras. (B101).
Hillegersberg, Hildegondsberg, Hellegaertsberg of Hidegaertsberg, waarvan
zeker is dat de heuvel niet door mensenhanden is opgeworpen. (B61).
In 1892 liet Prof. Reuvens ten westen van de op den heuvel gebouwde kerk
boringen verrichten. Op een diepte van 3 1/2 meter trof hij een hellende
veenlaag van 3 dm dikte, waarmede hij de natuurlijke samenstelling van
den heuvel aantoonde. (Hillegersberg) (B160).
De oudste sporen van mensen in het stroomgbied van de Rotte dateren van-
uit de ijzertijd en zijn gevonden in de omgeving van Terbregge. Ruim 200
meter oostelijk van de huidige Rotte werd in 1920 bij het graven van een
sloot een oude boot opgegraven. Het was een zogenaamde stakboot, die in
een later verlande kreek lag: de bodem van de bedding bestond uit klei
met wortelstokken van riet. Daar bovenop werden in het veen resten van
moerasbos gevonden. Achter in de boot, die met stenen werktuigen uit
eikehout is gehakt, is een brandplek te zien. Hij heeft een massieve,
overhangende en van boven platte boeg, waarin een gat zit met een door-
snede van ongeveer 5 cm. Daar kan een stok doorgestoken worden, waarmee
de boot kan worden vastgelegd. De stakboot heeft tenslotte een eigenaar-
dige vaste versterking bij het achtereind (wrang) en de uitholling loopt
naar achter staffelsgewijs op. Op grond van aardewekvondsten die ter
plaatse werden gedaan, heeft men deze boot oorspronkelijk gedateerd op
de 6e of 7e eeuw. In de veertiger werden iets noordelijker potscherven
gevonden bij het maken van een graskuil. De randen hiervan zijn gekar-
teld, doordat de makers er met de vingers in drukten. Men veronderstelt
dat ze uit de 1e eeuw dateren. Ze vertonen zoveel overeenkomst met de
eerder genoemde vondsten, dat men thans meent dat ook deze en de stakboot
uit de 1e eeuw afkomstig zijn. (B150).
Tijdens de transgressiefasen voor de jaartelling overstroomde het stroom-
gebied van de Gantel, er ontstond een wijdvertakt stelsel van getijdekre-
ken in het veengebied. Na verloop van tijd raakte de monding van de Gan-
tel in de Maas (tussen Monster en 's Gravenzande) in de zee uitmonde ver-
stopt en verlanden de kreken. Het gebied dat zich uitstrekte van Monster
langs Poeldijk en Wateringen naar Delft en Pijnacker werd daardoor bedekt
met vruchtbare klei en zand, het z.g. Ganteldek. De nu ontstane zand- en
kleiruggen waren geschikt voor het bouwen van huizen en werden voor bewo-
ning opgezocht. Aanvankelijk werd alleen de grond in de direkte omgeving
van de oeverwallen vruchtbaar gemaakt. Vanaf de 8e eeuw werd de ontgin-
ning van de wildernis zelf ter hand genomen. (B137).
Romeinse tijd - 12 v Chr. - 450 na Chr.
58-50 voor Chr. Julius Caesar verovert Galli. Hij bedwingt ook de Bel-
gische stammen in het zuiden, o.a. de Menapirs en de Eburonen. (B136).
Tussen 51 en 12 voor Chr. Vestiging van de Bataven in de Betuwe en van de
Canninefaten in de duinstreek van Holland. (B136).
Ongeveer 50 jaar voor Chr. kwamen de Romeinen door gebiedsuitbreiding
naar het noorden in contact met de bewoners van wat nu Nederland is. De
stammen die daar woonden hadden met elkaar gemeen dat het Germanen waren.
(B104) (R).
12-9 voor Chr. Veldtochten van Drusus in de Nederlanden. (B136).
12-9 voor Chr. Veldtocht in Germani van Drusus, onderwerping van de Ba-
taven, de Friezen en de Chauci. (B143).
Kort voor het begin van onze jaartelling werden in het Maasmondgebied bij
Vlaardingen al simpele houten duikers gebruikt; afwateringsgoten met een
eenvoudig schuifmechanisme dat met de hand kon worden bediend. Dit sys-
teem moet door de plaatselijke bevolking zijn ontwikkeld. (B158). De hou-
ten duikers zijn in 199? gevonden bij Vlaardingen. (Infomap Archeologie
Pro Biblio, 1998).
Het jaar 0: 1,30 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
9 na Chr. De provincie Germani wordt opgeheven, maar de Rijngrens blijft
gehandhaafd. (B143).
28-47 na Chr. Opstand van de tribuutplichtige Friezen tegen Olennius, on-
derdrukt door Corbulo. (B136).
Turf als brandstof is al zeer oud. Reeds in 47 na Chr. gebruikte de
Kauchen, de bewoners van de kuststreek van het in later tijd verdronken
land van de Zuiderzee, "de door de zon maar meer nog door de wind ge-
droogde aarde als brandstof". H. Crompvoets schrijft echter in zijn boek
over veenderijterminilogie: "Al in 77 na Chr. maakt Plinius Maior in zijn
"Historia Naturalis" melding van het feit dat de Chauken, een Germaanse
stam aan de Noordzee tussen Eems en Elbe, het slijk mat de handen kneed-
den om het vervolgens te laten drogen in de wind en de zon, waarna ze het
gedroogde slijk gebruikten om hun ledematen te verwarmen." (V).
De Corbulogracht, lengte 23 mijl, van Maas naar Rijn - ruwweg vanaf het
castellum Matolone (Roomburg bij Leiden) via Naaldwijk naar het zuidwes-
ten. (Na ca. 47 na Chr. gebouwd). (B117) (R).
Voor het Romeinse publiek schreef de Romeinse senator Cornelius Tacitus
een overzicht over het gebied en de gewoonten van de Germanen. In het
jaar 98 was het boek klaar dat onder de naam "Germania" bekend zou wor-
den. Tacitus begint met de mededeling dat het landschap voornamelijk be-
staat uit 'ofwel borstelige wouden ofwel stinkende moerassen'. Hij ver-
meld dat onze voorouders roodachtig haar hadden. Maar deze rode kleur was
niet natuurlijk; men gebruikte Bataafs schuim, een soort haarverf. (B104)
(R) (V).
98-117 Regering van Keizer Trajanus, die Nijmegen waarschijnlijk tot de
rang van municipium heeft verheven. (B136).
Na 250 De Rijngrens in de Nederlanden wordt opgegeven in verband met wa-
teroverlast. (B136).
250 n. Chr. 0,90 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
Ca. 300. Herstel van de Rijngrens. (B136).
Eind 3e eeuw bestond het gebied dat later Delfland werd uit een slecht
toegankelijke waterrijke wildernis, alleen de strandwallen waren voor be-
woning geschikt. (B137).
Ca. 400. Grote invasie van Germanen in Galli. (B236).
Hoofdstuk VII, blz. 80: "De Historie" (1950). De Bataven zijn te beschou-
wen als een grensvolksstam uit de groep der Chatten; zij werden waar-
schijnlijk door de Romeinen verplaatst naar de Betuwe; waarom? Of indien
zij uit vrije verkiezing uit het Hessenland wegtrokken, waarom gingen ze
juist naar de Betuwe? Drusus had in de Rijnstreek voedsel nodig en dit
kon hij alleen bereiken door graanbouw en door voorziening van vee en
veeproducten. Hij moest de Betuwe daarom voor de landbouw vrij maken van
waterovervloed, wat gelukt moet zijn. (B122) (R) (L).
Dat de Brittenburg een Romeins fort geweest zou zijn, heeft Holwerda be-
streden en ons inziens terecht. (B122) (R).
Het is voorts bekend dat tal van plaatsen die in de Romeinse tijd bewoond
waren - het Westland, belangrijke delen van Zeeland en zuiderlijk Zuid-
Holland en het gebied van de grote rivieren - omstreeks de IV de eeuw na
Chr. ontvolkt raakte. De oorzaak daarvan blijkt te liggen in een trans-
gressie, die de oude bewoningsplaatsen voor een aanzienlijk deel met een
kleipakket afdekt. (B65) (R).
300-400
Oorzaken van de volksverhuizingen. Waarom hebben de Germanen zich ver-
plaatst? Woelingen in China die zich in de 4e eeuw voordeden hadden tot
gevolg dat Mongoolse nomaden, de Hiang-Nou of Hunnen naar het westen
moesten wijken. Omtrent 370 verschenen ze ten oosten van de Zwarte Zee en
dreven op hun beurt de Goten vooruit. (De Goten dreven de Germanen voor-
uit) en de Germanen begonnen het Romeinse rijk binnen te vallen. Het
meest tastbare van de volksverhuizingen is het ontstaan geweest van Ger-
maanse koninkrijken op grondgebied van het Romeinse rijk. (B111) (R).
In de transgressieperiode (stijging zeewaterniveau) die van ca. 300 tot
800 na Chr. duurde en waarin de zee eveneens oude geulen benutte om het
land binnen te dringen en de oevers te overstromen. In dit tijdvak werden
in grote gebieden sedimenten van klei afgezet. (B31).
Er is zelfs een goede reden om aan te nemen, dat het gehele veengebied
onbewoonbaar is geworden na ca. 300 na Chr. Wij vinden namelijk in het
onderzochte terrein een deklaag van uitgesproken veenklei, van een gebied
vanaf de Oude Rijn naar het noorden uitwiggend tegen bosvenen. (B122) (V)
Omstreeks het jaar 350 verlegde Sint Servatius, bisschop van Tongeren
(Belgi) zijn zetel naar Maastricht, waarmee het zuiden zijn eerste bis-
schop kreeg. (B105) (K).
Een legende zegt dat Sint Servatius bisschop van Tongeren uit Tongeren
weggejaagd werd en omstreeks het jaar 370 naar Maastricht vluchtte en
daar zijn zetel vestigde. (B105) (K).
400-500
De Merovingse koningen (Merovech overl. in 456 t/m Chlodovech II t/m 657
kenden voornamelijk twee belastingen: hoofdgeld (voor hen die geen grond-
belasting betaalden) en grondbelasting (de gebruiker van de grond betaal-
de). (B121)
481. Childerik, koning der Salische Franken sterft te Doornik. (B136).
Middeleeuwen ca. 450 na Chr. - 1500 na Chr.
De bewoning in het westen van ons land was in de vroege middeleeuwen
vrijwel geheel bepaald door de bodemgesteldheid. Bewoning treffen we aan
op de zand- en geestgronden, de rivierklei en op enkele eilandjes in het
veen liggende oude klei. Deze laatste bewoning, op kleieilandjes, kwam
voor in het gebied ten zuiden van Zoetermeer in Pijnacker en Berkel. (de
Kleihoogt). (B127) (V).
Een merkwaardige middeleeuwse ziekte was de Sint-Vitus-dans (chorea
maier), lijders aan deze ziekte werden gegrepen door danswoede. Zij tol-
den rond in adamskostuum, opgetuigd met bloemen tot ze erbij neervielen.
(B104).
In de middeleeuwen was het vrouwenoverschot blijvend groot. (B93).
In de middeleeuwen dienden meisjes zich op hun 8e jaar te verloven zodat
ze op 13 jarige leeftijd konden worden uitgehuwlijkt. (B93).
In de middeleeuwen waren er ontelbare buitenechtelijke kinderen. (B93).
De heraldiek was een schepping van de ridderlijke middeleeuwen. De rid-
derlijke wereld was ontstaan doordat in de middeleeuwen, onder invloed
van het leenstelsel een geheel nieuwe stand geboren was. Door het geven
van lenen aan zogenaamde ministrialen kwamen deze vrijwel op n lijn te
staan met de oude, vrije adel.
Ridders waren zwaargewapende en geharnaste ruiters, die de kracht van het
middeleeuwse leger vormden. Dienaren van lager geboorte, die zich als
krijgslieden onderscheidden, konden ook in die groep worden opgenomen en
kregen daardoor voet in de adelstand. De Amstels, Egmonds, Wassenaars,
enz. zijn als verdienstelijke "ministerialen" (d.i. dienaren) omhoog ge-
komen. (B144).
20 nakomelingen in n verbintenis (gedurende de middeleeuwen) waren geen
zeldzaamheid, hoewel de meeste baby's vrij spoedig na hun geboorte stier-
ven. (B93).
In de middeleeuwen vond men veel concubines bij zowel hoog als laag; de
kinderen verwekt bij de concubine - de z.g. bastaarden - werden binnen de
familie als normale kinderen aanvaard. (B93).
In de middeleeuwen bestond voor een groot deel van het gewone volk de
huwlijksdwang, lijfeigenen werden verplicht te trouwen voor een bepaalde
leeftijd, zodat ze ruime aantallen nieuwe lijfeigenen konden voortbren-
gen. (B93).
Middeleeuwse reizigers legden ca. 5 km per uur af zowel te voet als op
een door een paard voortgetrokken wagen, per dag dus hoogstens 30 tot 50
km. (B93).
De Tempel, verwijst naar het latijnse templa; een balk (schoor) die dient
om een sluisdeur open te houden, zodat het water door kan stromen. De
naam werd in de middeleeuwen ook gegeven aan een plaats waar water in- en
uitgelaten werd. (B99).
In de middeleeuwen was de muntslag n van de rechten van de vorst. Voor
de Nederlanden waren dat in de late middeleeuwen de Duitse Keizer en de
Koning van Frankrijk. (B142).
600-700
In de 7de eeuw werd het Maasmondgebied opnieuw vrij dicht bewoond. De ar-
cheologen beschouwen het als een kerngewest. Met deze naam worden streken
aangeduid met een zekere oudheidkundig aantoonbare bewonersconcentratie.
(B158).
De verhoging of terp waarop de kerk (in Berkel) staat, moet rond 600 zijn
opgeworpen als vluchtgebied voor de toenmalige bewoners in verband met de
hoge waterstanden. (B07). (lokatie is de plaats waar nu (1998) de N.H.-
kerk staat). (K).
600-700. Frankische missionarissen in de zuidelijke Nederlanden, o.a.
Eligius en Amandus. (B136) (K).
629-639. Dagobert weer koning van het gehele Frankische rijk. Hij sticht
een kerkje te Utrecht, dat onderhorig wordt aan het aardsbisdom Keulen.
(B136) (K).
Kerkgeschiedenis (630 - ca. 1000)
Onder koning Dagobert I hebben de eerste botsingen tussen Franken en
Friezen plaats. Koning Dagobert verslaat de Friezen in 630 en laat in dat
jaar het eerste Christenkerkje in onze noordelijke Nederlanden bouwen.
Het is de Sint Thomaskapel. Vijftig jaar later (ca 680) ontstaat er in
het Frankische rijk een geweldige strijd om de opvolging. Daarvan maakt
de Friese hertog Radboud gebruik; hij verovert het aan koning Dagobert
verloren gebied, dringt ook Utrecht binnen en vernielt daar de eerste
Christenkapel. In 690 landt Willebrord met zijn gezellen aan onze kust,
zij varen de Rijn op en bij Utrecht aangekomen wacht hen een bittere te-
leurstelling! Radboud regeert, alle sporen van Cristendom zijn verdwenen
en geen vrijheid om te preken. Hij werkt hoofdzakelijk in het zuiden van
ons land. In 695 wordt Willebrord door paus Sergius tot aardsbisschop der
Friezen gewijd. Radboud was inmiddels verslagen zodat Willebrordus zich
nu onbevreesd naar Utrecht kon begeven. Er wordt een kerk gebouwd, de
Sint Salvatorkerk en naast de kerk een klooster. Later bouwde hij ook nog
de Sint Martinuskapel, de hofkapel die later uitgroeide tot de machtige
Domkerk. Eveneens bouwde hij bij Heilo het eerste christenkerkje in West-
Friesland. Als omstreeks 719 Radboud sterft staat niets de prediking van
het evangelie meer in de weg. Willebrord stierf uiteindelijk in 739 te
Echternach. Onder de priesters die enkele jaren na Willebrord vanuit
Engeland naar ons land kwamen en onder de Friezen het evangelie predikten
hoorde ook de Heilige Adalbert; hij bouwde het kerkje waar nu Egmond
ligt. Het kerkje werd tijdens Adalberts afwezigheid door Radboud ver-
woest. Na de nederlaag van Radboud wordt het kerkje weer opgebouwd. In
740 stierf St. Adalbert. Een derde prediker (uit Frankrijk) was de
H. Wulfraam die predikte in Medemblik onder de Friezen, hier stond ook
het paleis van koning Radboud. Een vierde prediker onder de Friezen was
de H. Bonefatius (uit Duitsland), hij werd ca. 755 vermoord op de plaats
waar nu Dokkum ligt. De Noormannen verwoesten het door Adalbert gebouwde
kerkje in Egmond en na de herbouw verwoesten zij het kerkje opnieuw.
Graaf Dirk I liet op een kwartier afstand van het kerkje een houten
klooster bouwen in het dorp Hallem, het tegenwoordige Egmond-binnen. Dirk
II bouwde de St. Adalbertabdij in steen als vervanging voor het houten
klooster. Deze abdij werd in de loop der eeuwen begunstigd/overladen met
geschenken. (B105) (K) (N).
Kerkgeschiedenis
Als kerken uit de Sint-Willibrords tijd worden uit schriftelijke overle-
veringen vermeld: Marsum (Vlaardingen?), Vlaardingen, Oegstgeest en de
kapellen: Hargen (Ketel) bij Schoorl, Overschie, Rijnsburg, Warmond, Lei-
muiden en kort erop worden andere genoemd waarvan sommige zeker tot
Willibrordus zullen teruggaan: Ouderkerk, Lekkerkerk, Krimpen in de Krim-
penerwaard, Monster, Valkenburg bij Leiden. De gebouwen waren van van
hoogst eenvoudige constructie. Het rechthoekige gebouw, soms met een
versmald en rechtgesloten koor verlengd, was zeer klein. 5, 6, 7 of 8 me-
ter breed en 10, 11, 12, 16 meter lang. Met de uitbouw van het koor werd
de lengte dan 5 tot 6 meter langer. De meeste van deze kerkjes waren van
hout, staande op stenen fundamenten, vaak van veldkeien gevormd. Het was
niet al te kostbaar om de kleine houten kerken en kapellen te bouwen,
daartoe waren rijkere grondbezitters allicht toe in staat. Zij hebben dan
ook gewoonlijk zulke kerken gebouwd: voor hun eigen gebruik, voornamelijk
voor hun horigen en omwonende vrijen. (B125). (K).
Hoornaar, N.H. kerk gebouwd in 642, door de Noormannen verwoest en in 694
herbouwd. (Vroege missie van de Noormannen?, gewoonlijk invallen in
Nederland tussen 800 en 1000). (B113). (K) (N).
687. Slag bij Tetry. Pippijn II hofmeier van het gehele rijk. (B136).
689. De Friese koning Radbod verslagen bij Dorestad. (B136).
689. Dorestad muntrecht van Pippijn ontvangen. (B144).
690-739. Prediking van Willebrord in de Nederlanden. (B136) (K).
695 Willebrord aangesteld tot aartsbisschop der Friezen. (B136) (K).
Naast de kerken te Vlaardingen en Velzen die hem geschonken zijn, sticht
Willebrord nog kerkjes in Oegstgeest, Velzen, Petten en Heilo. De kerk en
een stuk moeras kreeg Willebrord van de geestelijke Heribald. (ca. 695?).
(B117). (K).
Tijdens Willebrords verblijf in Rome stak er een noordwester storm op,
waardoor alle bomen 'van dat wilde wout sonder ghenaden' in het Oost-
frankische Rijk 'dat nu Hollant heet' werden geveld. Deze gebeurtenis
staat ook bekend als 'de grote boomstorting'. Of het in 700, 840, 860 of
1170 gebeurde (de grote boomstorting) blijft de vraag. (B22). (K).
700-800
Oudste scholen
Bij de oudste en voornaamste kerken moeten de oudste scholen gezocht wor-
den. Globaal in 8e eeuw. Dit waren scholen voor geestelijken/aankomende
geestelijken. Omstreeks 1200 waren er parochiescholen in Hallum en Farm-
sum. Op dorpen heten oude gebouwtjes waarin vroeger school werd gehouden
soms nog kosterij. (Koster en schoolmeester waren synoniem geworden).
(B125). (K).
St. Maartensrecht was mogelijk reeds in de 8e eeuw aan de Dom van Utrecht
geschonken. (B39). (K).
In de 8e eeuw, in de Frankische tijd zijn er vermoedelijk al dijkjes ge-
weest in het rivierengebied van Nederland. (B27).
Vlaardingen is een zeer oude plaats, vermoedelijk stichtte Willibrord
hier kort na 700 een kerk. (B01). (K).
Ca. 700. Dood van Lambertus, bisschop van Maastricht te Luik. (B136) (K).
Pippijn of Pepijn van Herstal, overleden 714. (B144).
714-719. Verwarring na de dood van Pippijn II. Veroveringen van Radbod.
(B136).
714-741 Karel Martel, een buitenechelijke zoon van Pippijn II, verovert
de positie van majordomus en na strijd met Neustri en Aquitani hersteld
hij het rijk. (B143).
Na de dood van zijn vader in 714 maakte Karel Martel (d.i. hamer) zich
van het gezag meester. (B144).
In de tijd van Karel Martel (in 717 bij de dood van zijn vader 25 jaar
oud) werden op grote schaal aanvallen gedaan op de bezittingen (lande-
rijen) van de kerk, deze werden door hem geconfisqueerd en gegeven aan
machtige vazallen. De kerk werd daarmee van haar inkomsten beroofd zodat
haar taken van armenzorg, ziekenverpleging en eredienst gevaar begonnen
te lopen. Pippijn de Korte (koning der Franken 754-768) zag in dat daar-
mee indirect de staat werd ondermijnd. Teruggeven van de bezittingen aan
de kerk was ondenkbaar, het volgende werd bedacht: de geconfisqueerde
kerkelijke bezittingen werden door de vazallen aan de koning teruggegeven
en onmiddelijk daarna weer door hem aan hen teruggeleend, waarbij de va-
zal een tiende van de opbrengst moest afstaan aan de oorspronkelijke ei-
genaar. Hiermee waren de kerkelijke tienden geboren, maar had ook het
leenstelsel zijn intrede gedaan. (B121) (K).
Karel Martel 717, 741 (invoering leenstelsel). De koning trad op als
leenheer, de leenmannen moesten verplicht mede ten strijde trekken met de
hoorigen.
Om de Moren af te wijzen moet Karel Martel een maatregel hebben genomen
die verstrekkende gevolgen had. Voor de strijd was ruiterij nodig, maar
het geld om ze te bekostigen was schaars. Hij onderving dit door de rui-
ters land in vruchtgebruik te geven, welk land hij voor een deel ontnam
van de kerk, die door schenkingen der gelovigen een uitgestrekt grondbe-
zit had verworven. Asl vergoeding kreeg de kerk het recht om op zulke
gronden tienden te heffen. Karel Martel versloeg de opdringerige Islam
bij Poitiers in 732. (B144) (K).
734. De Friezen verslagen bij Boorne. (B136).
Na Karel Martels dood in 741 ging de macht over op zijn zoon Pippijn, ge-
naamde de Jonge. (B144)
741-751. Pippijn III hofmeier. (B136).
In 751 liet Pippijn de Jonge de laatste onbeduidende naamkoning met goed-
keuring van de aanzienlijken, in een klooster plaatsen en liet zich als
soeverein erkennen. De kerk bevestigde dit doordat Bonifatius, op gezag
van de paus hem zalfde met gewijde olie. De paus herhaalde dit later nog
eens, waarbij hij hen, die iemand tot koning zouden verkiezen, die niet
tot Pippijns stamhuis behoorde, met uitstoting uit de kerk bedreigde.
Deze welwillendheid van de paus sproot voort uit de hulp, die Pippijn de
paus aanbod tegen de Longobarden, die het de paus lastig maakten. De
Longbarden werden verslagen en de paus ontving het gebied om Rome, waar-
door deze wereldlijk heerser werd in een zelfstandig gebied. (B144) (K).
751-768. Pippijn III koning. (B136) (B143).
Toen Pippijn in 768 stierf liet hij twee zoons na, doch reeds in 771 werd
de jongste, Karel, door de dood van zijn broer de onbetwiste alleenheer-
ser. (B144).
Karel de Groote (in 800 Keizer), regeerde van 768 - 814. Hij stelde
rijkswetten vast, de capitularia. Het rijk was verdeeld in gouwen. Aan
het hoofd kwamen ambtenaren te staan, de gouwgraven. Zij zorgden voor: 1)
de rechtspraak in de gouw, 2) het innen van de belastingen en 3) het op-
roepen van de heerban de lichting uit de gouw. Het bestuur van de gouw-
graven werd gecontroleerd door keizerlijke inspecteurs, de zendgraven,
zij brachten verlag uit aan de keizer. De gouwen in Holland waren:
Maselant = Maasland, Rinlant = Rijnland en Kinhen = Kennemerland. Om-
streeks 800 is in Noord-Nederland de kerkelijke indeling ingevoerd die
tot 1559 van kracht is gebleven. Keulen werd daarbij aartsbisdom en
Utrecht werd daaraan onderhoorig als suffragaan bisdom, dat zich uit-
strekte over bijna heel ons land ten noorden van de Maas. (K).
Karel de Grote regeerde van 768-814. Hij regeerde met hulp van het hof
(comitatus). Naast de oude Merovingsche hofbeambten komen de paltsgraaf
voor de rechtsbedeling en de kanselier (ontwikkelde clericus) als hoofd
van de kanselarij; de kanselier is tevens kapelaan voor geestelijke aan-
legenheden. Meervoudige bekleding van alle ambten. De controle op de gra-
ven en op het gehele bestuur (ook van de bisschoppen ) wordt uitgeoefend
door de koningsboden (missi dominici). Voor de militaire bescherming van
de rijksgrenzen worden marken gevormd onder markgraven met speciale vol-
machten. Uitbreiding van het aantal graafschappen. Naast de graven staan
de immuniteitsheren. (B143) (K).
Karel de Grote 768-814 ondernam 52 veldtochten en vergrootte zijn rijk
tot over de Alpen en Pyreneen. (B144).
Eind 8e eeuw kwam Karel de Grote aan de macht. Toen brak de z.g.
Karolingsche tijd aan. Mensen vestigden zich bij Vlaardingen en Delft en
op de oude strandwallen, rond de mond van grote rivieren en op de Rijnoe-
vers. Willebrord schonk een stuk moeras aan het volk. Later werd daar de
"Hof van Vlaardingen" gebouwd, naast enkele boerderijen en een kerkje.
(B164)
777-866 Lijst van de goederen en hoorigen der St. Maartenskerk te Trecht:
Rufinghem = Ruiven onder Pijnacker en Legihem = de polder Leyens bij
Zoetermeer. Oorkonde no. 49. (B78). (K).
Lijst van goederen en horigen der St. Maartenskerk te Utrecht (777-866).
Rufinghem (of dit Ruiven onder Pijnacker is valt te betwijfelen omdat in
de middeleeuwen Ruiven onder Pijnanacker Ruvene of Ruveen heette en nie-
mand zal toch willen beweren dat deze laatst naam etymologisch zonder
enige moeite te verklaren en volkomen in overeenstemming met de gesteld-
heid van de bodem daar ter plaatse een verbastering van Rufinghem kan
zijn. (B152) (K).
785. Onderwerping van de Saksische hertog Widukind aan Karel de Grote.
Daarmee zijn alle Nederlandse gebieden onder diens gezag. (B136).
Ca. 790. In deze tijd was de Penning 1,71 gr zilver en de 1/2 Penning of
Obol de helft van dat gewicht in zilver, een Schelling was 12 Penningen
en een Pond 240 penningen. (B24).
Al spoedig onderwierp Karel de Grote de Friezen, wier laatste verzet ein-
digde in 790. (B144).
In 794 voerde Karel de Grote de zilveren Karolingse penning in in zijn
gehele rijk. (B142). De zilveren denarius of penning van Karel de Grote
werd o.a. te Dorestad (Wijk bij Duurstede) geslagen na 793. (B142).
Vondsten: Monster laat 8e eeuw of vroeg 9e eeuw "beslag" (B135).
Vondsten: Wateringen tusen de 8e en de 10e eeuw "munt en aardewerk"
(B135)
Vondsten: Naaldwijk 8e eeuw en later "grafveld, aardewerk en bewonersspo-
ren. (B135).
800-900
Na de 8e eeuw heeft het leenstelsel (feodum) zich als een olievlek
over geheel West-Europa verbreid. Daarvoor was eigen bezit meer gebruike-
lijk. (B121).
25 december 800, Keizerkroning van Karel de Grote. (B143)
Aantal inwoners Nederland in de 9e eeuw ca. 500.000 (B15).
800-1000. Invallen Noormannen in de Nederlanden. (B143).
Ca. 800. Liduger, een Fries van afkomst, predikt in de Groninger gouwen.
Later wordt hij bisschop van Munster. (B136) (K).
Op de hoge kleiruggen in Pijnacker hebben zich de eerste bewoners waar-
schijnlijk tussen het jaar 800 en 1000 gevestigd. (B109).
In Vlaanderen (uit de tijd der Karolingers ca. 800) is de gouw Rodanensis
(Aardenburg) bekend, meer noordelijk Marsum (later Masalant) (Maasmon-
ding), circa oras Rheni (Rijnland), Niftarlake (rond Utrecht), Theanti
(Drenthe). (B114).
810. Begin van de Noormannentochten naar de Nederlanden. (B136).
Onder de streken die in het bezit waren van de Noormannen, aktief tussen
810 en 1007 vielen ook het latere Delfland, Schieland en Maasland. (N).
28 januari 814. Karel de Grote sterft in Aken en wordt bijgezet in Mun-
ster. (B143).
814-840. Lodewijk de Vrome. (B136).
834-837. Plundering van Dorrestad. (B136).
Giselbrecht (840-841) wordt vermeld als graaf in het Maasgebied, mis-
schien Masau. (B114).
841. Harold en Rorik krijgen lenen in de Nederlanden. (B136).
843. Verdelingsverdrag van Verdun. De Nederlanden bij het Middenrijk, be-
halve het gebied ten westen van de Schelde. (B136).
855. De Nederlanden een deel van Lotharingen, het gebied van Lotharius II
(B136).
866. In Hollum op Ameland klooster bebouwd. (abdij Bethani). (B118) (K)
869. Lotharius II sterft zonder wettige nakomelingen. (B136).
870. Verdrag van Meersen. De Nederlanden verdeeld tussen Oost- en West-
Franci. (B136).
879-883. Grote Noormanneninval. (B136).
880. Verdrag van Ribmont. Lotharingen geheel bij Oost-Franci. (B136).
882-885. Heerschappij van Godfried de Zeekoning, die vermoord wordt door
Gerulf en andere graven. (B136).
888-893. Arnulf (van Gent) graaf van Holland. (B136).
889. Arnulf van Oost-Franci schenkt Gerulf enkele goederen gelegen bin-
nen zijn graafschap in het westelijk kustgebied. (B136).
895-900. Zwenibold, koning van Lotharingen. (B136).
De stichting van de kapel te Schie is op kerkgeschiedkundige gronden te
stellen op het einde van de 9e eeuw. (J.A.A. Rogier). (B69). (K).
900-1000
De plaatsnaam Sassenheim zou te vertalen zijn als "huis der Saksen". In
de 10e eeuw zou het zijn ontstaan, doordat een groep Saksen zich hier
verzamelde voor de oversteek naar Engeland. (B165).
Waarschijnlijk reeds in de 10e eeuw was in Friesland de ontdekking gedaan
dat de laagveenmoerassen, die in hun natuurlijke toestand slechts door
enkele jagers en vogelaars bezocht werden, tot uitstekende weiden gemaakt
konden worden door op korte afstand evenwijdige sloten te graven, die
haaks uitmonden op een natuurlijke waterloop of gegraven wetering. (B136)
Vroegst bekende vermelding van Overschie (Schie) en Hillegerberg (Bergan)
900. (B05, blz 13). Van de gebieden van Schie uit, waar de ontginning
reeds in de eerste helft van de 10e eeuw was tot stand gekomen. (B13)
(O).
In de eerste helft van de 10e eeuw begon vanuit Schie de ontginning van
het woeste veen langs De Leede en de Stricleede. (B99) (O) (V).
Overschie is een wegdorp, in de 10e eeuw ontstaan aan de buitenzijde van
een bocht in de Schie. Zie ook bij het jaar 900. (Schie - Ouwerschie -
Overschie - Oude Scye - Scye). (B01).
In de 10e eeuw lag volgens de laatste onderzoekingen Overschie geheel om-
ringd door veenpoelen en plassen, terwijl in het zuiden de Maas toen
Merwede geheten voorbij stroomde. (B69) (V).
In Kennemerland in West-Friesland hebben de bewoners tussen 900 en 950
een systeem van dijken aangelegd. (B118).
911. Karolingen in Duitsland uitgestorven. De Lotharingse hoge heren er-
kennen nu grotendeels de West-Frankische koning. (B136).
Aan de hand van een geheimschrift van Pieter Luijtensz., eerst klerk en
later gemeentesecretaris van Berkel en Rodenrijs (tweede helft 16e en be-
gin 17e eeuw) kon met moeite worden ontcijferd en aan de feiten worden
getoetst dat Berkel en Rodenrijs tussen 911 en 991 als zelfstandig
ambacht is ontstaan. Overschie, eertijds Ouwerschie en nog vroeger met
Oude Scye aangeduid, is de benaming voor wat in de vroegste tijden Roden-
rijs moet zijn geweest. "Rodenrijs" was een algemene benaming voor een
streek die in cultuur gebracht moest worden. Rodenrijs was een wandelende
gemeenschap d.w.z. dat het zich in de loop der eeuwen steeds heeft ver-
plaatst. Er zijn meerdere gebieden geweest met de naam Rodenrijs. (B07).
In het Zuidelijk gedeelte moest meer rijs of ris uitgeroeid, gerooid
worden; vandaar de naam Rodenrijs. In het Noordelijk gedeelte meer
berkenhout; vandaar de naam Berkel, mogelijk afkomstig van berkelo, d.i.
berkenbos. (B13). Rodenrijs = ontwatering, droogmaking, een rode of roede
was een stuk veen- en/of bosgrond dat van het opgaand houtgewas was ont-
daan, terwijl het werkwoord risen of rijzen nu nog wordt gebruikt in de
papierfabrikage voor het proced om papier te ontvochten, het watervrij
maken van papier. Alle woorden en namen met rijs duiden op droogmakings-
werkzaamheden o.a. Rijsoord, Rijswijk, Rijsdijk, Rijskade en Rodenrijs.
Rode vindt men ook in Bredenrode, Berkenrode, Nijenrode enz. (B07).
De uitgang lo betekent hoge bosstreek. We vinden die mogelijk in Berkel
dat uit Berkelo gevormd kan zijn. De veronderstelling is gewettigd dat
Berkel inderdaad hoog gelegen was. (Lo betekent soms ook plas, stilstaand
water of moeras). Mij dunkt, dat verspreid hoger gelegen gebieden in de
wildernis voorkwamen. Naast de naam van Berkel kan die van Hogeveen (bij
Nootdorp) hierop wijzen. (B34).
Toen een gedeelte van rijksweg 13 bij Overschie werd aangelegd is men op
de fundamenten van dat kasteel gestuit. (Hofstad of kasteel Rodenrijs).
(B13) (V).
918-965. Arnulf de Grote van Vlaanderen. (B136).
918-975. Balderik, bisschop van Utrecht. (B136).
Opkomst van het graafschap Holland. Omstreeks 920 zijn er vier machten in
de lage landen die hun stempel het sterkst op de ontwikkeling drukken: 1)
Het bisdom Utrecht waar de jeugdige bisschop Balderik zijn entree doet.;
2) Kennemerland! Deze machtskern komt tot ontplooing in een uithoek van
het hertogdom Lotharingen.; 3) "Graaf in Friesland", zo luidt de titel
van graaf Gerulf, die vrijwel onbereikbaar achter het moerassenland zijn
gang kon gaan. De uitgestrekte bossen in zijn graafschap, hout- of holt-
land, zullen anderhalve eeuw later de naam Holland opleveren.; 4) Het
graafschap Vlaanderen onder Boudewijn II. (B108). (K).
922. Karel de Eenvoudige van West-Franci schenkt Dirk I van Holland wat
land in zijn graafschap. (B136).
922. Dirk I, prefect van de kuststreek, zoon van Gerulf ontmoet de West-
frankische koning Karel de Eenvoudige (tevens heerser over Lotharingen)
in Bladel en krijgt daar "De kerk van Egmond en al het land, dat er rech-
tens toebehoort met de hoeven en het dienstvolk enz. enz." van deze oor-
konde bestaat alleen nog een afschrift van 1172. Vermoedelijk had Dirk I
het gebied van Egmond dat toebehoorde aan het klooster te Echternach zich
reeds rustig toegeigend en deze gebiedsuitbreiding door de zwakke koning
van het Westfrankische rijk (die niet eens zijn leenheer was!) laten wet-
tigen. (B108). (K).
De zoon van Gerulf, Dirk I, ontvangt van de Westfrankische koning Karel
de Onnozele goederen o.a. de kerk te Egmond met alles wat daar rechtens
toegehoord. (B144) (K).
15 juni 922. Koning Karel III schenkt, op voorspraak van graaf Hagano,
aan Dirk I de kerk van Egmond met alle toebehoren van Swithardeshage tot
Fortrapa en Kinnem. (B46). (K).
Omstreeks 922 verrees de eerste kapel in het Rodenrijs. Behalve de kapel
te Overschie heeft Rodenrijs van oudsher nooit een andere kerk bezeten
(Zie ook bij het jaar 1083). (B07). (In het Rodenrijs = in het
ontginningsgebied Rodenrijs = in Overschie?). (K) (O).
HET ONTSTAAN VAN DE NEDERLANDSE LEENSTAATJES, GESCHIEDENIS HOLLAND.
De oorsprong van het graafschap Holland ligt bij de Vikinghoofdman:
Godfried. Keizer Lotharius had hem aangesteld, om de kuststreken tegen
zijn stamgenoten te verdedigen. In 922 had Dirk I, zoon van een onderge-
schikte van Godfried de Noorman, Kennemerland en Rijnland in leen, o.a.,
de kerk en de kerkelijke goederen van Egmond. Onder zijn zoon Dirk II
kwamen daar nog de streken in Maasland en West-Friesland bij, o.a. Medem-
blik en Texel. Dirk III was al zo machtig, dat hij tol hief van de sche-
pen, die de Maas opvoeren; toen de kooplieden hierover klaagden bij de
keizer en toen deze zijn leger zond onder hertog Godfried van Lotharingen
en bisschop Adelbold van Utrecht, versloeg Dirk III dit leger bij Vlaar-
dingen in 1018. In 1064 gaf keizer Hendrik IV, Holland in leen aan bis-
schop Willem van Utrecht. Graaf Dirk V was minderjarig, maar zijn stief-
vader Robert de Fries vocht tegen bisschop Willem en tegen de hertog van
Lotharingen: Godfried met de Bult. Tenslotte slaagde Dirk V (1091-1122)
erin zijn gebied te behouden. (B95). (K) (N).
Sinds de tijd, dat Holland bijna ten onder was gegaaan, was dit graaf-
schap klein en onbelangrijk; het bestond voor een groter deel uit water
dan uit zand en de Kennemerboeren en de West-Friezen gehoorzaamden nauwe-
lijks aan de graven die beurtelings Floris en Dirk heetten. Ook hadden de
Hollandse graven het aan de stok met Vlaanderen over het bezit van Zee-
land-bewester-Schelde. De Hollandse graaf Willem II (1234-1256. geb.
1226) werd Rooms koning in plaats van Frederik II van Hohenstaafen, maar
hij is nooit algemeen erkend geweest en heeft het nooit tot het keizer-
schap gebracht. Hij heeft een stenen jachtslot laten bouwen in 's Graven-
hage (nu de Ridderzaal). Hij sneuvelde in 1256 tegen de West-Friezen bij
Hoogwoud. Zijn zoon en opvolger Floris V (1256-1296, geb. 1254) stond
aanvankelijk onder regentschap van zijn oom Floris de Voogd en daarna van
zijn tante Aleidis, deze heeft veel gedaan voor de opkomst van Schiedam
en Rotterdam (bedijking en inpoldering). Floris V ondernam een veldtocht
tegen de West-Friezen, hij wist ze te onderwerpen. Floris V werd in 1296
vermoord. Opvolger van Floris V was zijn 16 jarige zoon Jan I (1296-
1299). De oude vijanden, West-Friezen, Vlamingen en de bisschop van
Utrecht staken de kop weer op, zij werden bedwongen door de Zeeuwse edel-
man Wolfert van Borselen, die de jonge graaf Jan I geheel in zijn macht
hield. Met graaf Jan I stierf het Hollandse huis (922-1299) uit. De naas-
te erfgenaam was Jan van Avenes, graaf van Henegouwen; voortaan zouden
Holland, Zeeland en Henegouwen dus onder n graaf staan. Willem III (de
Goede) volgde Jan van Avenes op en na Willem III (de Goede) werd de Hene-
gouwse graaf Willem IV graaf, deze werd opgevolgd door zijn zuster Marga-
retha (gehuwd met Lodewijk van Beieren), hun zoon Willem V, de Verbeider
(1345-1358) zou na de dood van zijn moeder Margaretha, graaf van Holland,
Zeeland en Henegouwen worden ook nam hij voor haar waar bij haar afwezig-
heid. Gravin Margaretha en haar zoon Willem V, de Verbeider hadden on-
enigheid over het bestuur. Achter Willem stonden de kabeljouwen en achter
de gravin de meeste edelen, de Hoeken welke voor handhaving van de feoda-
le toestand waren. (B95).
In de tijd dat de Duitse keizers hier het gezag uitoefenden - van 925 tot
het midden van de 13e eeuw, formeel zelfs tot veel later datum, maar dat
was een wassen neus - benoemde de keizer de graven en bisschoppen. (B104)
(K).
Omstreeks 925 stichtte Dirk I, de heerser van het westelijk kustland, een
klooster voor zusters te Egmond. Dirk I die in 922 Egmond van Karel de
Eenvoudige van Frankrijk had ontvangen plaatste dit klooster op zijn ei-
gen gebied. Hij werd dus de 'heer' van het klooster, dat zijn eigenkloos-
ter werd. Het was een eigenklooster van de graven uit het westelijk kust-
land, later Holland genaamd. Zij droegen dit klooster niet op aan de ko-
ning, noch stelden zij het onder 's konings bescherming. Zij oefenden
zelf de voogdij uit, of lieten dit door een onder-voogd doen (door de he-
ren van Egmond). Welliswaar droeg graaf Dirk IV de abdij over aan de hei-
lige stoel, maar dit bracht de grafelijke rechten op de abdij niet in ge-
vaar. (B125). (K).
Overschie bestond in 1929 1000 jaar, geboortejaar van Overschie is dus
929. (B69). Overschie, Ouweschye, Schie, Sche.
Ca. 930 eerste bewoning Overschie. (B132).
944. Wegens zijn trouw in de opstand van de Lotharingse heren krijgt bis-
schop Balderik van Utrecht, goederen in de gouw lake et Isla, die toebe-
hoord hadden aan Radbod en Waldger, een broer van Dirk I van Holland.
(B136) (K).
Van de gebieden van Schie uit, waar de ontginning reeds in de eerste
helft van de 10e eeuw was tot stand gekomen, werd de cultivering geleide-
lijk voortgezet door inpoldering van het veengebied, hetwelk zijn natuur-
lijke grens vond aan de Lede (Oude Lede) en de Stricklede. (B13) (O) (V).
In de tweede helft van de 10e eeuw reisde een Moors gezant van de Maas-
mond naar Utrecht. 's Zomers als de wateren opgedroogd zijn, op hun wei-
den gaan en daar het leem met bijlen in tegelvorm afsnijden. (B34) (V).
De abdij van Egmond ca. 950 gesticht door Dirk II en zijn gemalin
Hildgardis. Dirk II bezat ook goederen in Vlaanderen bij Gent b.v. het
land van Waes, hij werd zelfs meerdere malen graaf van Gent genoemd. De
goederen werden omschreven als "uitgebreide persoonlijke goederen" (B148)
(K).
Het geslacht van Ricfried in de Betuwe, waartoe Erenfried (overl. 960),
broer van bisschop Balderik en zijn neef en erfgenaam Ansfried behoorden.
Deze familie bezat de graafschappen Hattuaria, de Betuwe, Teisterbant,
Toxandri en die in de Maasgauw, noordelijk Maasland en West-Friesland,
doch zij stierf uit of werd overvleugeld door de graaf van Leuven. Het
geslacht Ricfried beschikte niet over kloostergoederen. (B114). (K).
Het jaar 963 wordt aangehouden als het geboortejaar van Berkel en Roden-
rijs. (B07).
In Nederland is de oudste vermelding van een door waterkracht aangedreven
molen van het jaar 970. (Waterradmolen) (M).
In 973 werd er al veen gestoken in de omgeving van de stad Utrecht. (B20)
(V).
976-990. Folcmarus (Poppo) bisschop van Utrecht. (B136) (K).
DE ONTGINNING VAN DE PAROCHIE SCHIE.
De middeleeuwse openlegging door ontginning van het veengebied, waarin
ook de parochie Scie ligt, vangt waarschijnlijk aan in het laatste kwart
van de tiende eeuw met als oudste centrum Vlaardingen. Reeds in het begin
van de achtste eeuw schenkt een zekere Heribald aan Willebrord een kerk
met de tiendrechten in dit gebied, maar na stijging van de zeespiegel in
de negende eeuw is door wateroverlast het land zover ontvolkt, dat pas in
985 het als keizerlijk domein opnieuw wordt uitgegeven aan de graven van
het latere Hollandse huis en omstreeks 1040 zijn in het achterland van
Vlaardingen twee kleine bevolkingskernen ontstaan met elk een kapel, re-
sorterende onder de kerk van Vlaardingen, n.l. Hargan, nu Kethel, aan de
bovenloop van een ten dele verland riviertje de Harg, en Skie op de zware
kleirug, afgezet door een grote, eveneens ten dele verlande kreek, de
Schie. Deze kleirug loopt vanaf het dorp Overschie langs de Rotterdamse
Rijweg en de oude Kleiweg, waar hij het karakter van rug verliest, maar
het laatste restje van de bovenloop van de kreek is zelfs nu nog tendele
aanwezig als een watertje, dat de grens vormt tussen de voormalige ge-
meenten Schiebroek en Hillegersberg en in de middeleeuwen tussen de paro-
chies Schie en Rotte. De ontginningen gaan aan weerskanten uit vanaf de
kleirug en staan ten naaste bij met hun percelen loodrecht op zijn slin-
gerend beloop. Deze percelen zijn niet diep, 500 tot hoogstens 700 meter
en soms nog minder. Gaan wij deze na van west naar oost: In de Galchhoeck
ligt het westelijk deel in oost-west gerichte kavels, in het oostelijk
deel zijn deze noord-zuid gericht. De boerderijen en de kerk liggen allen
op de oeverwal van de Schie. In de Kleinpolder ten oosten van de Rotter-
damse rijweg liggen de percelen weer oost-west, eindigende tegen een we-
tering. Het grootste deel van deze landerijen vormt een aaneengesloten
complex Van Rodenrijs-landen, n.l. Van Rodenrijs, Van den Veen en Van der
Spangen. Ook hier liggen de boerderijen op de kleirug o.a. Willems hof-
stad van den Vene ten zuiden van de kerk. Ten noorden van de Oude Kleiweg
eindigen de percelen ook tegen een wetering, de Elvezwet, en lopen noord-
zuid, wat ook het geval is ten zuiden van de weg, waar de wetering later
vergraven is tot een deel van de Rotterdamse Schie. Vooral in de hoek
tussen deze wetering en de weg ligt een complex Van der Spangen-landen,
waartegenover aan de noordzijde ook Van der Spangen-bezit. Aan de zuid-
zijde van de Rotterdamse rijweg liggen de percelen straalsgewijs, eindig-
ende tegen de Blijdorpse watering en twee sloten; een lopend naar de
Horenweg, de andere naar de Rotterdamse Schie. Dit gehele bovengenoemde
complex vormt de vroeg elfde eeuwse ontginning van Schie, waarvan een be-
langrijk deel in het bezit was van de Van Rodenrijs-groep blijkt te zijn.
De eerste uitbreiding van deze kern is in zuidelijke richting langs de
hoge noordelijke oever van het riviertje de Spangen, waarbij men de lange
percelen ten zuiden van de kerk tot dubbele diepte over de Horenweg ver-
lengde: de State ter Spanghen, en hierop aansluitend een tweede ongeveer
evengroot complex: de Bridorp Sate. Deze laatste bestaat uit enkele grote
percelen, strekkende van de Blijdorpse watering tot de Spangen zelf. De
eerste sate heeft kennelijk n groot landbouwbedrijf gevormd. Deze beide
grote "saten" zijn zo belangrijk geweest, dat zij naamgevend zijn gewor-
den voor grotere complexen, n.l. de Spaanse (= Spangense) polder en de
Blijdorpse (= Bridorpse) polder. Hierop aansluitend volgen naar het oos-
ten enkele grote regelmatige percelen, waarvan de laatsten in het noorden
de Rotterdamse Schie bereiken, waarlangs - en evenwijdig aan een kade
loopt, die grafelijk domein blijkt te zijn, de 's Gravenweg. Het eerste
perceel van dit complex is Van der Spangen c.s. bezit, zodat hier de fa-
milie een deel van de ontginning geclaimd heeft. Over het tijdstip van
deze laatste ontginning kunnen wij slechts gissen, maar deze zal vrijwel
gelijktijdig zijn met die van Zestienhoven in het noorden. Hier is n.l.
in eenmaal een concessie van 16 hoeven, elk groot 30 morgen in totaal dus
480 morgen uitgegeven. In tegenstelling tot de oudere ontginningen zijn
de percelen hier ongeveer 2250 meter diep; in het noorden eindigt deze
ontginning tegen een kade of een zijdwinde, die grafelijk bezit is en se-
dert de dertiende eeuw in leen wordt uitgegeven. In het oosten eindigen
zij eveneens tegen een ontginningskade, de landscheiding, die bescherming
biedt tegen het water van het nog onontgonnen Schiebroek; in het westen
wateren de percelen af op de (Delftse) Schie. De Van Rodenrijse's hebben
hier het deel dat het dichtst tegen de oudere ontginningen aansluit en
ongeveer 3 a 4 hoeven groot is. De ontginningen worden later voortgezet
met Schieveen en Ackersdijk en ook hier weer hetzelfde beeld. Weer is een
groot deel van het tegen de oudere ontginningen aansluitende land Van
Rodenrijs-bezit. Met het bereiken van de Oude Lede hebben de ontginners
de ontginningen bereikt, die in zuidelijke richting vanuit het Hof van
Delft plaats vinden en thans kunnen wij ons wagen aan een tijdsbepaling.
Het gebied ten noorden van de Oude Lede wordt door gravin Petronella,
overleden 1144, geschonken aan het door haar in 1133 gestichte klooster
te Rijnsburg, zodat vauit het noorden de Lede dus omstreeks 1135 is be-
reikt. Wouter, abt van Egmond (1130-1161), beschikt over de tienden van
Rodenrise en schenkt deze aan het hospitaal te Egmond, wat er dus op
wijst, dat de ontginning plaats heeft gehad. Wij mogen dan ook stellen,
dat deze in de eerste helft van de twaalde eeuw hebben plaatsgevonden en
inderdaad zien wij in 1156 voor het eerst een Van Rodenrijs optreden. In
het zuiden van de oudste ontginningen is inmiddels een zelfstandig com-
plex Matenesse ontstaan, maar sedert de tweede helft van de twaalfde eeuw
wordt het gebied hier bedreigd door het water, daar een nieuwe stijging
van de zeespiegel is begonnen. In Kethel worden in 1164 grote verwoestin-
gen aangericht en worden omstreeks 1170 dijken ter bescherming van het
land aangelegd, die door een dam in de Schie dicht bij de kerk van Over-
schie, aansluiten op de oude ontginningskaden op de oeverwal van de
Schie, die verhoogd worden tot waterkerende dijken. Ook langs de Spangen
komt er een dijk te liggen en als omstreeks 1200 het laatste meest ooste-
lijke deel van de Blijdorpse polder ontgonnen wordt in percelen van onge-
veer 1100 meter diepte, dient ook hier gelijktijdig een beschermende dijk
aangelegd te worden. En deze dijk draagt de naam van de ontginner, n.l.
Bokelsdijk; ook de tienden in dit deel van de Blijdorpse polder heten de
Bokeldijkse tienden en uit de oudste verhoefslaging van de later zeedijk
van Schieland blijkt, dat dit deel van de Blijdorpse polder oorspronke-
lijk Bokelsdijk heet. Het kan geen toeval zijn dat wij op 3 november 1200
voor het eerst een Theodericus Bokel ontmoeten. In het zuiden wordt ont-
ginnen bedijken en als eerste bedijking komt het poldertje de Zeventig
Morgen tot stand, door verbindingsdijken aan te brengen tussen die van
Matenesse enerzijds en die van Galchhoek en de Bridorpsate anderzijds.
Dit gebeurt voor de aanleg van de dam in de Schie te Schiedam en na de
bedijking van de Blijdorpse polder, dus tussen 1200 en 1245. De helft van
dit poldertje, liggende voor de Sate ter Spanghe en de Bridorpsate komt
in het bezit van de Van Matenesse-Van der Spangen-groep. Omstreeks deze
tijd moet de erfdochter van Dirc Bokel, heer van Matenesse, gehuwd zijn
met het hoofd van deze groep, zodat hier waarschijnlijk sprake geweest is
van een wel overwogen zakelijk huwlijk. De noordelijke dijk van dit pol-
dertje, die de zate ter Spanghe verbindt met Dirc Bokels hofstad uter
Nesse, komt op de zeventiende eeuwse kaarten voor als Vermaveldijk. In de
middeleeuwen kan een "V" zonder bezwaar de plaats van een "B" innemen en
met deze wetenschap wordt deze vreemde naam ons duidelijker n.l. ver
Mabelsdijk, dus de dijk van vrouwe Mabelie. Het is wel erg verleidelijk
in vrouwe Mabelie de erfdochter van heer Dirc Bokel te zien! Nu is het de
beurt aan de Bokels om het dijkfront naar het zuiden en westen op te
schuiven; de latere ambachten Bokelsdijk en Blommersdijk, tot stand geko-
men in het begin van de dertiende eeuw. Hierbij claimen de Van der
Spangens het land binnen deze bedijking gelegen voor de Bridorpsate en
zelfs buiten de nieuwe dijk tot aan de rivier. Inmiddels is in het noord-
oosten de onginning van het veengebied voortgegaan. Voor de landscheiding
van Ackersdijk-Schieveen ontstaat het ambachtje de Tempel en de Hof van
Rodenrijs, waarschijnlijk in de eerste helft van de dertiende eeuw en
kort hierna wordt ook het lage broekland achter Zestienhoven en Oudendijc
tot ontwikkeling gebracht. Ook hier treffen we 2000 meter diepe kavels
aan. (K) (L) (O) (V).
Graaf Arnulf (Arnoud), zoon van Dirk II, schonk tussen 980 en 993 de
kapel en tiendrecht te Schie aan de abdij van Egmond. (B13) (K).
Evangelie aantekeningen - giften graaf Arnulf: "Similiter Hargan et Sche
cum decimacione sua." (B146 ca. tussen jaren 980 en 993).
In een register van de abdij van Egmond staat dat graaf Arnoud (Arnulfus)
en zijn gemalin Lutgarda (Luitgard) aan de abdij o.a. de kapel te Schie
en het tiendrecht aldaar geschonken hebben. Arnoud (zoon van graaf Dirk
II de graaf van Holland) huwde in 980 met Luitgard en sneuvelde in 993
bij Winkel tegen de West-Friezen. M.i. is het zeker dat de allereerste
bewoning van Schie zal dateren van minstens 50 jaar voor deze schenking.
Overschie is overigens niet gesticht maar landzamerhand ontstaan. (B69).
(K).
Reeds in het jaar 985 was er al sprake van de Oude Leede en de Strik-
leede. (B04, pag. 101).
Op 2 september 1057 overleed abt Reinier de 4e abt van Egmond, van zijn
voorganger Bruno staat in de goederenlijst, in de tijd dat Bruno abt van
Egmond was aan het klooster geschonken goederen:"De tiende tusschen Delft
en Schieland, tot den waterloop Lede, en van de Lede tot de Striclede, en
van de Striclede tot aan't einde, een manfe, die jaarlijks zes deniers
opbrengt; noch ter zelver plaatze een vierendeel, dat jaarlyks vyftien
deniers opbrengt. (B151). [985 lijkt aannemelijk als jaartal in B04.] (K)
In 985 kreeg graaf Dirk II van de keizer alle goederen tussen IJssel en
Lier in bezit. (Facetten van Delft, G.D.B. - 12, div. , 1985).
985. Dirk II wordt graaf genoemd in Kennemerland, Tessel en Maasland.
(B136).
De kleitong Delft-Pijnacker was sinds 985 priv-eigendom van de graaf
(B137).
In 990 lag Overschie (Schie) aan het uiteinde van de Schie, op de plaats
waar de Schie de Maas bereikte. Overschie lag toen nog aan zee. (B05).
(Met zee zal hier wel de Merwede, later Maas bedoeld zijn.)
Ca. 993 vermelding "kapel te Sche" (B132). (K).
Graaf Diederik III (993-1039) die zijn graafschap uitbreide aan de
Merwede (Oude naam Maas), met Vlaardingen als operatiebasis, geholpen
door de abdij van Egmond en voor meer westelijke gebieden door de St.
Paulus-abdij te Utrecht. "De parochies van het oude decanaat Hollandia
behoorden alle aan deze abdijen. Het oude land dezer Schielandse paro-
chies is n gemeenschappelijke bedijking dier twee abdijen, welke de pa-
rochies Rotte, Bleiswijk en Zevenhuizen (van St. Paulus) en Schie (van
Egmond) omvatte" (B13). (K).
993-1039. Dirk III, graaf van Holland. (B136).
995-1010. Ansfried, bisschop van Utrecht. (B136) (K).
In het zuiden vormde Maasland, de omgeving van Vlaardingen en Maasland,
een gebied, dat reeds in de 10e eeuw bedijkt was. Ten westen daarvan ge-
scheiden door de rivier de Lier, lag een reeds vroeg omdijkt gebied rond
Naaldwijk. Ten oosten van Maasland liep de oudste waterkering ook vrij
wat verder binnenwaarts. Nadat vooral in het gebied waar de Schie en de
Rotte in de Nieuwe Maas, toendertijd Merwede genoemd, vloeiden, verschil-
lende opwassen waren bedijkt, werd nog voor de dertiende eeuw het geheel
binnen een aaneengesloten waterkering getrokken, waarvan binnen de stad
Rotterdam de Hoogstraat en de Schiedamse dijk de meest markante delen
vormen. (B92).
Met de ontginning van het uitgestrekte veengebied is waarschijnlijk niet
eerder dan in de 10e eeuw een aanvang gemaakt. (B43). De methode van
evenwijdige opstrekkende verkaveling volgens welke de Hollands-Utrechtse
laagvlakte is ontgonnen, is door Van der Linden uitvoerig bestudeerd.
Uitgegaan wordt van een rivier, veenstroom of gegraven watergang als ont-
ginningsbasis, waarlangs boerderijen worden gebouwd. Van daar worden de
hoeven uitgemeten, idealiter elk met een gelijke breedte en diepte. Aan-
nemelijk is dat de eerste ontginningen zijn aangevat vanaf de nog niet
ontgonnen delen der oeverwallen, de klei-op-veen oevers van de grote ri-
vieren en de direkt daarop uitkomende veenstromen. (B43) (O) (V).
Ontginning: Tot 1955 meenden historici dat de kolonisatie van de Hol-
lands-Utrechtse laagvlakte omstreeks 1200 begonnen was. (Geboren uit het
feit dat de oudst dan bekende oorkonde welke betrekking heeft op de kolo-
nisatie in Holland van 1233 dateert). Hollanders zo bleek later, koloni-
seerden in 1106 reeds de Bremer Marsen in Duitsland en verder onderzoek
leerde dat Esselijkerwoude, Rijnsaterswoude en Leimuiden reeds in 1063
kapellen hadden, waaruit en uit andere vergelijkingen opgemaakt kon wor-
den dat de kolonisatie van Holland voor 1063 begonnen moet zijn. In de
verdere studie komt men tot het jaar 1000 voor het eerste begin. Zoeter-
meer moet voor 1000 ontgonnen zijn en Zegwaart na 1200 en pas daarna Rog-
geveen (Rokkeveen). (B127) (O).
Natuurlijk zijn er in de oudste periode tot omstreeks 1000 wel teksten in
de volkstaal, het Diets, vastgelegd, maar hiervan is niets teruggevonden.
Het oudste zinnetje in een Nederlands dialect dat bewaard is gebleven,
werd in 1934 bij toeval door een Engelse geleerde in Oxford ontdekt. Het
zinnetje luidt: "Hebban alla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu"
(Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij): de vertaling van
een Latijnse zin die er juist boven staat. Waarschijnlijk dateert het
zinnetje uit de elfde eeuw. Het duurde daarna nog wel honderd jaar voor-
dat er teksten in het Diets geschreven werden waarvan wij afschriften be-
zitten. (B128).
Het door een Westvlaming in Engeland rond 1100 neergekrabbelde liefdes-
zinnetje: "Hebban olla uogola nestas hagunnan. Hinase hi(c) [e]nda thu
uua[t] (u)ntida(n) (uu)e nu." ("Alle vogelen zijn nesten begonnen (te
bouwen) behalve ik en jij. Waarop wachten we nu?"). (B24). 1000 n. Chr. 0,55 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
Voor 1000 waren er in het Westland twee parochies n.l. Monster en
Naaldwijk. (B135) (K).
1000-1100
De eerste dijk werd in Nederland pas in de 11e eeuw aangelegd. (B20).
In de 11e eeuw kwam een ronde stenen muur in gebruik, zoals te Leiden en
bij Teilingen nog te zien is. (B144).
Aanleg Oude zeedijk (Oude Maasdijk) begonnen rond het jaar 1000 door
Egmonder monniken en monniken van de Sint-Paulus abdij. Of het twintig,
vijftig of honderd jaar duurde voordat de dijk klaar was is niet te zeg-
gen. (B05, blz 13 t/m 15). In oorsprong is de beroemde weg naar Kralingen
vermoedelijk aangelegd door de Romeinen. In de 10e eeuw werd de weg ver-
hoogd om het water van de Maas te keren en in de 13e eeuw opnieuw ver-
hoogd zodat de weg vrijwel steeds droog bleef. Na de bouw van de nieuwe
dijk noemde men deze dijk "De Oude Dijk". (B20) (K) (R).
Slag bij Vlaardingen. ca. 1000. (B117).
Men meent dat de oudste sluizen dateren van kort na 1000 na Chr. (B65).
We zien kort na 1000 Dirk III zich nestelen aan de rivier bij Vlaardingen
"Friese" kolonisten uit het gebied benoorden de rivier waren begonnen de
wildernis van kreupelbos en moeras te ontginnen, ze groeven sloten om het
land droog te leggen en omringden hun akkers met kaden. Ter hunner be-
scherming en om zijn gezag te vestigen bouwde Dirk III in dit gebied,
misschien bij Vlaardingen een sterkte, vanwaar uit hij tevens de pas-
serende kooplieden werden gedwongen tol te betalen. Op de protesten van
de bisschop van Utrecht, aan wie dit gebied behoorde en die van Luik,
Trier en Keulen, die eveneens zekere rechten konden laten gelden, en op
de klachten der kooplieden, vooral die uit Tiel, besloot de keizer in te
grijpen. Maar Dirk kon zich handhaven, dankzij een overwinning op de ge-
lande troepen. (B144). (K).
Rond 1000 (Alpertus Mettensis). Een aantal Friezen vestigden zich in de
wildernis, de Meriwido (Vlaardingen). Maar de roovers hebben hen nader-
hand onderworpen; aan een ieder wezen zij land toe ter ontginning enz. In
1018, slag bij Vlaardingen om de Friezen te verdrijven uit hun wederrech-
telijk ingenomen woonplaatsen en de roovers te verwijderen, (roovers =
welgeborenen??). (B35) (O).
"In het moer van Holland, met zijn vennen en reigerbossen, poerden de
moddergasten al sinds het begin van de 11e eeuw. Eerst van de duinen uit
de wildernis in, later ook vanaf de hoge oevers van Maas en Schie."
(Bron: Van Hunebed tot Hanzestad, J. de Rek, 1977).
De Zanddijk tussen Bakkum en Limmen beschermden de abdij van Egmond al in
de 11e eeuw. (B25). (K).
Zoetermeer is een ontginningsdorp in het begin van de 11e eeuw op de
oostoever van het Zoetermeerse Meer ontstaan. (B01) (O).
1005. Koning Hendrik II leidt een krijgstocht tegen de West-Friezen, ten
behoeve van Dirk III. (B136).
1006-1007. Laatste Noormannenaanvallen, beschreven door Alpertus van Metz
(B136).
1010-1026. Adalbold, bisschop van Utrecht. (B136) (K).
1019. Dirk III van Holland verslaat het leger van de bisschop van Utrecht
en de hertog van Neder-Lotharingen, dat zijn te Vlaardingen gestichtte
tol kwam vernietigen. (B136) (K).
Veel minder zeker kunnen we zijn van de status (horige lieden of vrije
boeren) van de parochianen van Hillegersberg, het centrum van het Rotte-
gebied, zij waren onderworpen aan de kerkelijke autoriteit van de St.
Paulusabdij, maar over hun werledlijke positie worden we niet ingelicht.
(B158) (K).
De N.H. kerk van Leerbroek dateert vermoedelijk uit het stichtingsjaar
der gemeente n.l. 1025. (B113). (K).
Bij oorkonde van 3 februari 1028 bevestigd keizer Conrad de St. Paulus-
abdij in de goederen, geschonken door de bisschoppen Ansfried en Adel-
bold, waaronder de kerk Rotta. Rotta omvat Hillegersberg, en de later er-
van afgesplitste parochies Bleyswijk, Zevenhuizen, Cralingen en Rotter-
dam. Het woord Rotta zou oorspronkelijk afgeleid kunen zijn van een oud
woord voor ontginning "rode", dat nu nog voortleeft in het werkwoord
rooien. De kern van deze ontginning werd waarschijnlijk gevormd door de
zandheuvel van Hillegersberg. (B150) (K).
Het kerkje van Hillegersberg was voor 1026 door den bisschop van Utrecht,
wiens diocees toen bijna het gehele tegenwoordige Nwderland omvatte, ge-
schonken aan de St. Paulusabdij (toen nog Hohorst) te Utrecht. (B159) (K)
De Hillegondakerk van Hillegersberg (Rotte/Rotta) bestond al in 1028.
(B01). (K).
De kerk van Rotte bestond reeds in de tijd van bisschop Adelbold (overle-
den in 1026) (B038). (K).
3 febr. 1028. Kerk te Hillegersberg (Rottae) geschonken aan klooster te
Lokhorst (later de St. Paulusabdij te Utrecht). (B46). (K).
"Verder op lag nog in 1028 op kleinen afstand van de Merwede (Maas) de
kerk van Rotta (Hillegersberg). Onbegrensd liep de parochie van Rotta nog
naar het noorden en oosten uit in het eenzame veenland. Pas later zouden
hier hare dochters, de kerken van Bleiswijk, Zevenhuizen en Kralingen
ontstaan." (B04) (K) (V).
1028 Keizer Koenraad II bevestigt de abdij te Hohorst, de latere St.
Paulusabdij te Utrecht in het bezit van de door de bisschoppen Ansfried
(995-1010) en Adelbold (1010-1026) geschonken goederen waaronder de kerk
te Rotte Vrgl. voor de kerk van Vlaardingen en dochterkerken. (K).
1039-1049. Dirk IV, graaf van Holland. (B136).
De belangrijkste aanmuntingen in de noordelijke Nederlanden staan op naam
van de bisschop van Utrecht. Vanaf de verlening van het muntrecht in 1040
hebben vrijwel alle bisschoppen van deze stad munten geslagen. (B142) (K)
1049-1061. Floris I, graaf van Holland. (B136).
Vroegst bekende vermelding Abtsrecht 1050.
Op 2 september 1057 overleed abt Reinier de 4e abt van Egmond, van zijn
voorganger Bruno staat in de goederenlijst, in de tijd dat Bruno abt van
Egmond was aan de abdij geschonken goederen: "De tiende tusschen Delft en
Schieland, tot den waterloop Lede, en van de Lede tot de Striclede, en
van de Striclede tot aan't einde, een manfe, die jaarlijks zes deniers
opbrengt; noch ter zelver plaatze een vierendeel, dat jaarlyks vyftien
deniers opbrengt. (B151) (K).
1057-1067. Bisschop Willem van Utrecht. (B136) (K).
1061. Floris I van Holland vermoord, bisschop Willem van Utrecht wordt nu
met zijn graafschappen beleend. (B136) (K).
1061-1091. Dirk V, graaf van Holland, aanvankelijk onder voogdij van zijn
moeder Geertrui en haar tweede echtgenoot Robrecht de Fries uit Vlaande-
ren. (B136)
Het dorp Overschie bestond reeds voor 1063 onder de naam Kapel-aan-de-
Schie en werd later Ouderschie en ook wel Oud-Schiedam genoemd. De oude
kerk van Overschie werd door de Hoekschen in 1489 afgebrand. (B61) (K).
In oorkonde no. 225 staat Overschie op de kerkenlijst van 1063. (B78).
(K).
Vroegst bekende vermelding Ruiven 1063. [Achterhaald]
Zoetermeer was een bottingambacht; botting was een belasting, het woord
is een verbastering van bod - ding. Ding is een oud woord voor vergade-
ring of rechtszitting. In oude tijden bezocht de graaf alle plaatsen van
zijn graafschap en hield daar een rechtszitting, deze rechtszitting was
het bod - ding. Later ontstane plaatsen kenden deze belasting niet. Van
der Linden vermeldt dat in het jaar 1100 reeds geen bod-ding meer werd
gehouden, Hoefnagel neemt aan dat dat reeds in 1063 het geval was. (B127)
1063. Esselijkerwoude, Rijnsaterwoude en Leimuiden in ontginning. (B44)
(O).
Vroegst bekende vermelding Pijnacker en Delft 1063/1064.
In 1064 gaf Koning Hendrik IV het Hollands graafschap met alles wat daar-
bij behoorde, dus ook de abdij van Egmond aan de stoel te Utrecht. (B13).
(K).
Vroeger was de Rotte een riviertje dat vrij in de Maas stroomde; het werd
vermoedelijk reeds in 1065 door een sluis te Krooswijk van de Maas afge-
sloten. (B110).
De Grote kerk van Dordrecht eertijds gewijd aan Onze Lieve Vrouwe werd in
opdracht van graaf Dirk V door Pieter de Groot in 1077 gebouwd. Pieter de
Groot was de grootvader van Anna, een geestelijke maagd die in 1081 gebo-
ren zou zijn en stierf in 1196 (115 jaar oud). (B165).
Lijst van kerken, waarover de abdij van Egmond tussen 1083 en 1120 colla-
tierecht liet gelden, waarin "Berkel.Oldscie." (B13) en (B132) en (B146).
(K).
"Ik spreek niet van den blaffert van circa 1083 (Oork., I, no 105), omdat
de namen Oldscie en Berkel van de kerken op een lateren tijd kunnen wij-
zen". (B03, blz. 53). Pastoor Velthuyse schrijft echter in (B13) dat
"Rodenrijs - Berkel niet veel later dan 1050 als zelfstandige parochie
van de moederkerk (Overschie) is afgescheiden en "moeten wij tot het be-
sluit komen, dat zich in de 2e helft van de 11e eeuw te Rodenrijs een
ambacht en kerspel met kerk hebben bevonden." (B13) (K).
Zoetermeer, oorspronkelijk op de Oostoever van het Zoetermeerse Meer ont-
staan in het begin van de 11e eeuw is in de 12e eeuw tijdens de ontgin-
ning van de gebieden aan de zuidzijde van het meer hiernaar overge-
plaatst. (B01) (O).
Graaf Floris II bijgenaamd "De Vette" heerstte van 1091 tot 1122 vreed-
zaam over Holland. In die tijd kwam in de lage landen - onbeschreven en
in alle stilte - een wonder tot stand. Friezen, Hollanders en Zeeuwen
versjouwden onmetelijke hoeveelheden modder en zand. Zij die met sloten
graven land winnen, mogen dat als vrije mannen behouden, maar een 10e van
de opbrengst is voor de graaf. Ook ontwierpen zij drainage-systemen en
verstevigden zij de zeewereingen. Hopelijk zwaaien wij Floris II met
recht alle lof toe voor de dijkbouw, inpolderingen en droogleggingen.
(B117).
Regering van graaf Floris de Vette. (1091-1122). (B118).
De systematische ontsluiting van de wildernis in het graafschap Holland
moet gedurende de 11e en 12e eeuw in volle gang zijn geweest. Uitgifte
van wildernis welke aan de ontginningen ten grondslag hebben gelegen. De
tijdgenoot placht deze handelingen aan te duiden als "cope". (B44) (O).
Voor het begin der 12e eeuw was de "Botting" de grafelijke belasting, pas
daarna kwam de "Bede". Bottingambachten behoorden dan ook tot het oudste
woongebied van Holland. (B34).
1096-1099. Eerste kruistocht. (B143) (K).
Toen de eerste kruisvaarders in 1099 Jeruzalem veroverden troffen zij
daar in de nabijheid van het heilige graf bij de Onze Lieve Vrouwenkerk
een hospitaal tevens herberg, gewijd aan Johannes den Dooper aan.
Godfried bracht het tot nieuwe bloei en paus Paschalis II nam het onder
zijn bescherming. Raimond du Puy organiseerde het als een geestelijke
ridderorde, om zieken te verzorgen en voor het Christendom te strijden.
De orde van de Hospitaalridders droegen een rode mantel met een wit
kruis. (B145) (K).
Ca. 1100. De graven in Holland hadden vrij spel in hun gebied. Dat kwam
omdat het aan de ene kant begrensd werd door de zee en aan de andere kant
door grote meren en moerassen. (B96). (V).
Met veel gronds kunnen wy vaststellen dat het (Bleiswijk) zelfs reeds
voor of in den jaare 1100 bekend was, daar omtrent dien tyd het slot
Craanenburg gebouwd is; doch hier van nader - wy blyven intusschen van
den waaren ouderdom in het onzekere, even als van den naam des geenes die
men voor stichter, (zo de Heerlykheid kan gezegd worden een stichter ge-
had te hebben,) zoude kunnen houden. (B12).
Gosses deelt mede dat in Hazerswoude en Zoeterwoude de veencultuur al
zeer vroeg begonnen moet zijn (voor het begin van de 12e eeuw). (B34) (V)
1100-1200
In het begin van de 12e eeuw is er sprake van Oostvoorne. (B165).
Boeken waren zeer zeldzaam, in de 12e eeuw waren zij nog van perkament en
met de hand geschreven, waarbij ter besparing van perkament veelvuldig
van afkortingen gebruik werd gemaakt. Tijdens de kruistochten leerde men
in Syri de vervaardiging van papier uit linnen lompen en versleten
henneptouw kennen. In Spanje kenden de Saracenen het reeds. (B145) (K).
De Beukelsdijk was een onderdeel van een 12e eeuwse dijk, deze werd aan-
gelegd door de heren Bokel. (B49).
In de Nederlandse gewesten bestond de ridderschap in de 12e eeuw voorna-
melijk uit ministerialen, dienaren van onvrije geboorte, die door hun
heer tot hogere bestuursfuncties of tot de ruiterdienst bestemd waren en
daarvoor een dienstleen kregen. (B136).
Tot rond 1100 was het voedsel van alle bewoners van ons land eentonig, de
hoofdmoot betond uit graanpappen, daarnaast vis, eieren en vlees. Door de
kruistochten leerde men ander, duur voedsel kennen. (B104).
Na ca. 1100 werden de houten burchten vervangen door van steen gebouwde
burchten. (B96).
De Gantel die het water uit Delft afvoerde was lang en dreigde dicht te
slibben. Dit probleem werd rond 1100 opgelost door het graven van de
Delf. Ter hoogte van de Kandelaar sloot de Delf aan op de veenstromen
Leede en Schie. (B99).
Vast staat dat er in Pijnacker al rond 1100 een kerkje heeft gestaan op
de plaats van de latere scheve toren van Pijnacker. (B109) (K).
De vervening van Holland nam ruwweg een aanvang in de 12e eeuw. (B34).
In een oorkonde van 1101 "comes de Hollant" - graaf van Holland; pas met
het graafschap van Dirk V is het graafschap Holland een feit. (B107).
Al in de 12e eeuw water er schutterijen of gilden van schutters, wier
taak het was de stad tegen onheil te beschermen. In de late middeleeuwen
werden er ook op het platteland schutterijen opgericht. (B103).
De Schie ter hoogte van Ruiven heette oudtijds niet Schie maar Delf. De
stad Delft, oudtijds Delf ontleent haar naam aan het water waar zij aan
ligt. Een Delf is een door mensenhanden gegraven vaart. (In Zeeland komt
dit woord nog voor in den vorm van Dulve, d.i. sloot). In 1157 blijkt de
Delf al gegraven te zijn en had er zich daar ook een nederzetting ge-
vormd. In een register van 1105-1120 wordt de Delf echter ook al genoemd.
In 1106 traden Hollanders als kolonisten op in Duitsland. (Bremen?).
(B44).
Onder Bleiswijk stond in vroeger tijden aan de westzijde der Oude Lede
het riddermatig huis "Kranenburg", dat in 1106 gesticht was door Alewijn,
burggraaf of tweeden kastelein van Leiden. Het slot Kranenburg dat als
een der oudste riddermatige huizen van den omtrek aan het geslacht Wasse-
naar verviel, waarvan een tak de naam Kranenburg aannam. (B29). (Slot
Kranenburg bevond zich volgens het 13e eeuwse kaartje van Beekman ca. 1
km ten oosten van het noordelijkste punt van de latere Noordpolder
Berkel) in Bleiswijk nabij het op de Rotte aansluitende watertje Leede.)
Byzonderheden. Hier onder zouden wy, mogelyk kunnen betrekken, de plaats
alwaar het aloude slot Craanenburg, reeds meermaale genoemd, gestaan
heeft; hetzelve werd gesticht door zekere Alewyn, tweede Castelein van
Leiden, in den jaare 1106, wiens afstammelingen het veele jaaren hebben
bezeten, met 200 morgen lands, daar om- en aan gelegen, en uit welk ge-
slacht het is overgegaan, aan dat van Wassenaar, waarvan Bartholomeus van
Wassenaar getrouwd was, met ... van Bleiwsyk, van welke afstammelingen
een tak den naam Cranenburg heeft aangenomen; dan, dit slot heeft waar-
schynelyk ten tyde van de Hoeksche en Kabeljauwsche verdeeldheden, den
storm der verwoestingen moeten ondergaan, en door de verveeningen zyn
daarvan geene de minste overblyfsels meer te vinden, zo dat wy deezen
aangaande onze leezers niet verder kunnen heenwyzen, dan gelyk gezegd is,
slechts in aandenken te beschouwen, de plaats alwaar hetzelve gestaan
heeft. (B12).
Cranenburg blijkt evenwel een voormalig adelijk Huis te Bleiswijk (een
nabuurdorp van Zevenhuizen) a/d Rotte te zijn geweest dat waarschijnlijk
in de Hoekse en Kabeljouwse twisten is verwoest. In 1106 was dit slot van
Bartholomeus van Wassenaar, die het hoofd van een nieuw geslacht werd en
de naam van dit adelijk Huis heeft aangenomen.
Bij gebrek aan mans oir kwam het later door huwlijk van Elisabeth van
Cranenburg Engelsdochter met Adriaen van der Houve in het bezit van dit
huis Van der Houve, waarin het niet lang bleef, aangezien hun dochter
Margaretha het door haar huwlijk met Huybert van der Meer Pieterszoon
weer in diens geslacht bracht. Deze Huybert van der Meer werd in 1512 op
de rijksdag te Keulen door Keizer Maximiliaan van Oostenrijk verheven tot
edelman van het Heilige Roomse Rijk. Hij overleed in 1514 te Eijk-en-Dui-
nen bij Den Haag. Dit geslacht werd ook wel genoemd Van der Meer van
Cranenburg en was ook in Leiden woonachtig. (B126) (HK).
"Men dient te beseffen dat in de twaalfde eeuw niet alleen de Maasmond
zich veel verder noordelijk uitstrekte dan thans, zoodat Naaldwijk en
Monster aan den rand van het vasteland lagen, maar bovendien verscheidene
wateren nog in open verbinding met de zee stonden: De Schie, welks boven-
loop, gelijk gezegd, denkelijk door de Oude Lede en de Striklede gevormd
werd. Reeds Beekman heeft geopperd, dat het kromme deel van de Schie
niets anders zou kunnen wezen dan de voortzetting van het eveneens krom-
me, dus natuurlijke watertje dat achtereenvolgens Striclede en Lede heet-
te en welks bovenloop nog in de Strikkade ten westen van Pijnacker en in
de Oude Lee (langs het dorp van dien naam en in den Akkersdijkschen pol-
der) terug te vinden is." (B06) ( Gezien de ligging is het echter ook mo-
gelijk dat de Oude Lede aansloot op de Hark bij Ketel die in de Maas uit-
monde of de Kene bij Schipluiden die via de Sparte naar de Maas liep. De
meest natuurlijke loop is die via de Hark bij Ketel. De schrijver I.H.
Gosses (B04) is van mening dat dat onmogelijk was omdat de kerk te Schie
dan onmogelijk onder Vlaardingen zou kunnen vallen.) (K).
In de twaalde en dertiende eeuw is de invoering van de baljuw functie een
algemeen Westeuropees verschijnsel, een uiting van macht der landsheren,
die hun territoria in baljuwdistricten verdeelden, waar de baljuw als hun
plaatsvervanger optreedt. (B26). In de grafelijke baljuwschappen wordt
een baljuw direct door de graaf benoemd. In de heerlijke baljuwschappen
werden de baljuws door de lokale heer benoemd, maar alleen als de heer de
hoge heerlijkheid over dat gebied bezat. (B26). De graven van Holland
kenden in hun land reeds voor de invoering van de baljuw functie een
functionaris die optad als vertegenwoordiger van de graaf n.l. de burg-
graaf. (B26).
De burcht in Leiden was in 1108 in handen van de Utrechtse leenman
Adelwinus de Ledene, omstreeks 1125 trad diens familie in diens geslacht
in grafelijke dienst. (B70).
Adelwinus de Ledene, getuige oorkonde 1108, had in 1108 meerderjarige zo-
nen. (B152).
1113. De aartsbisschop van Hamburg schenkt veengrond aan Hollandse kolo-
nisten ter ontginning. (B126) K).
1118. De orde van de Tempeliers werd in dit jaar door een negental rid-
ders, waaronder de Vlaming Godfried van St. Omaars, gesticht met het doel
pelgrims op hun reis van de kust naar Jeruzalem tegen Sacraceensche en
andere vagebonden te beschermen. De opvolger van Boudewijn I schonk hen
een woning nabij de Tempel van Salomo, vandaar hun naam. Zij droegen wit-
te mantels met een rood kruis. (B145) (K).
In 1121 plaatste Petronella, de weduwe van Floris II, haar kapelaan Axe-
linus in het klooster (van Egmond) en maakte hem abt om op deze wijze o-
ver de goederen van de abdij gemakkelijk te kunnen beschikken. Axelinus,
weinig op de hoogte van het kloosterleven verkwistte de inkomsten, zodat
de monnikken gebrek begonnen te lijden. Naar aanleiding van de bouw van
een nieuwe abdijkerk benoemde de gravin drie leken tot leiders van de
kerk, die op deze wijze de beschikking kregen over de goederen der kerk,
deze roofden en er de bruidsschat hunner kinderen mee betaalden. Toen
dit alles verkeerd liep besloot Petronella op aansporing van bisschop
Andreas van Utrecht om een geschikt persoon uit het klooster van Gent te
zenden, die als abt orde op zaken zou stellen. De nieuwe abt Walterus
kwam in 1130 en heeft in de geestelijke en stoffelijke positie van de
abdij verbetering gebracht. (B125). (K).
1124/1129 Onder abt Acselinus van Egmond geschreven St. Adelbertsboek of:
"Liber sancti Adalberti": "In Ruvene 16 libras. Juxta Delf 10 mansus 6
libras. In Scipliede 20 libras. Ex parte Delf 9 mansus 9 libras. Juxta
Scie duo mansus Adaloldi 9 unicias; item mansus Walteri 6 unicias et una
fiertella 30 denarios." (B146) (K).
De Swet van Manthete scheidt het tiendgebied van Delft (Hof van Delft)
van dat van Schieland; (de grens loopt) naar de Lede (Oude Lede), van de
Lede naar de Striclede en van de Striclede naar het einde (het onbegaan-
bare veen)". De toevoegingen () stammen uit de dertiende eeuw. Bron: Gra-
venregister van 1125. Een Zwet is een grensscheiding gewoonlijk gevormd
door een sloot, deze Zwet is/was niet de "Berkelse" Zwet. (V).
In 1125 wordt al gesproken over het onbegaanbare veen in Berkel. Globaal
kunnen we stellen dat de vervening van Berkel en Rodenrijs heeft plaats-
gevonden tussen de 13e en de tweede helft van de 19e eeuw. (B&R) (V).
In 1128 erfde Christiaan, heer van Weena, Beukelsdijk en Blommersdijk,
tweede zoon van heer Alewijn, burggraaf van Leiden, de goederen van
Berkel en Bleiswijk. (B29).
In 1130 verzocht men aan abt Arnaud van de St. Pietersabdij van Gent een
monnik naar Egmond te zenden die de vervallen toestand in de abdij kon
herstellen. Walter, de proost van Harnes in Henegouwen werd tot abt van
de abdij van Egmond benoemd op 7 september 1130, hij overleed 28-11-1161.
(B148) (K).
1133. Petronella van Saksen, weduwe van Floris II van Holland stichtte
het benedictinessenklooster te Rijnsburg, zonder enig verband met Egmond
of medewerking van die abdij. De gravin liet zusters komen van het Sak-
sische klooster St"tterlingenburch. Bisschop Andreas van Kuyk wijdde de
kerk op 15 september 1133 in. Het bleef evenals Egmond voorlopig een ei-
genklooster van de graaf; maar in 1140 droeg graaf Dirk VI Egmond en
Rijnsburg over in eigendom van de heilige stoel. Beide genoten sindsdien
de bescherming van de paus. Later werden slechts hoogadelijke nonnen in
het convent opgenomen. (B125). (K).
De in 1133 gestichte abdij van Rijnsburg is in de 80 jarige oorlog ver-
dwenen. (B165).
Ten gevolge van een onenigheid met gravin Petronella, de weduwe van
Floris II de Vette (overleden in 1122), verloor de Egmondse abdij in de
12e eeuw zijn betekenis als mausoleum van het grafelijk huis. Petronella
stichtte n.l. op een grafelijk goed te Rijnsburg een Benadictijner abdij
voor adelijke vrouwen in 1133. (B118). (K).
De windmolen (standerd molen) in Engeland ca. 1137, Frankrijk ca. 1180,
in Belgie 1183 en in Merum limburg in 1240. De oudst bekende afbeelding
van een standerd molen is van 1275. Het waren vooral de Cistercinzer
monniken die zich bezig hielden met molenbouw en nieuwe ontwikkelingen
daaraan. In het begin allemaal korenmolens. (K) (M).
In 1139 kwam ook graaf Dirk VI van Holland (de zoon van Floris II) naar
Jeruzalem. Hij werd op zijn tocht vergezeld door zijn gemalin Sophia,
dochter van Otto, paltsgraaf aan den Rijn. Dirk VI zag zijn ijver beloond
door den paus, die op zijn verzoek de abdijen van Egmond en Rijnsburg
vrij verklaarde van de Utrechtse kerk en deze rechtstreeks onder den
Heilige Stoel stelde. (B145) (K).
Vroegst bekende vermelding Papswoude (Popswoude/Poptestwolde) < 1144.
(B04).
Papsou = Popteswolde = woud van Popta ) Popta is een Friese mansnaam,
waarschijnlijk de ontginner van deze streek in de 11e eeuw). Latere naam
Abtswoude. (B39) (O).
Vroegst bekende vermelding Akkersdijk (Vrouwenrecht) 1144.
Omstreeks 1140 schonk gravin Petronella aan het door haar gestichte
klooster Rijnsburg een aantal hoeven. Dit gebied heette voortaan Vrouwen-
recht, naar de abdis (vrouwe) van Rijnsburg. (B39). (K).
In Jeruzalem werd door een Duitscher en zijn vrouw een huis tot verple-
ging van Duitsche pelgrims gesticht, daarnaast bouwde hij daar een kapel.
Er vormde zich een congregatie van ziekenbroeders, die door paus
Coelestinus II in 1143 erkend en onder het toezicht van den grootmeester
van de Hospitaalridders gesteld. Uit deze broederschap ontstond tegen het
einde van de 12e eeuw de Duitse Orde, wier ridders in witte mantels met
een zwart kruis gekleed gingen. (B145) (K).
Al zeer vroeg, voor 1144 was het klooster te Rijnsburg begiftigd met o.a.
6 hoeven gelegen aan de Lede, die later een gedeelte van Vrouwenrecht
zouden gaan vormrn. [Op een kaartje van ca. 1400 ligt dit gedeelte van
Vrouwenrecht tussen de Oude Lede, de Akkerdijkseweg en de Schie in]. (K).
1147-1149. Tweede kruistocht. (B143) (K).
De ontginning van Zegwaard begon omstreeks 1150. (B01) (O).
Midden 12e eeuw, t.g.v. overstromingen werd het gebied ten zuiden en ten
westen van de lijn Loosduinen-Rijswijk-Maasland bedekt onder een kleilaag
van max. 1 1/2 m dikte. Gespaard bleven slechts de duingronden bij
Monster en Naaldwijk. Door de overstromingen werden bestaande woonplaat-
sen en landbouwgronden verwoest. (B135).
In het midden van de 12e eeuw werd het gebied aan weerszijden van de
Schie-Delf geteisterd door grote overstromingen. (B99).
Niermeyer (B06) spreekt over 1150 als jaar dat de Oude Maasdijk (zeedijk)
klaar was. De dijk kwam tot stand in het midden van de 12e eeuw. (1150
voltooid). (B06).
Reeds veel vroeger had de abdij (Abdij van Egmond) over de tienden in
Rodenrise beschikt, omstreeks 1161 ((Oork, I, no 140). (B03, blz. 52.).
Het ambacht van Roderise wordt genoemd tusschen 1130-1162 (Oork. I, 140),
Daniel van Rodenrise wordt vermeld in 1156 en 1168 (Oork. I, 133, 147)
(B03) (K).
Abt Wouter van Egmond (1130-1161) schenkt aan het ziekenhuis te Egmond
inkomsten uit landerijen o.a. tienden uit Rodenrise. (B13). (K).
Ad uses serviencium et hospitum et reliquias fratum insuper et deciman
in Roderinse. (Goederenlijst onder abt Walter/Wouter 1130-1161). (B146).,
(K).
De Vlaamse graaf Dirk van den Elzas in 1164 voor de 4e maal naar het Hei-
lige land getrokken kwam in dat jaar in Jeruzalem aan. Dirk keerde naar
Vlaanderen terug en stierf daar in januari 1168. Hij werd opgevolgd door
zijn zoon Philips van den Elzas. Graaf Floris III van Holland had van de
afwezigheid van Dirk gebruik willen maken, om de leenheerschappij van
Vlaanderen over Zeeland af te schudden, maar hij was tweemaal verslagen
en ten slotte gevangen genomen. Na Philip's troonsbestijging (1168) kwam
Floris vrij en zag van verdere aanvallen op Vlaanderen af. (B145) (K).
In 1184 maakte hij zelf (Floris III van Holland) een pelgrimstocht naar
Jeruzalem. Zijn moeder Sophie, was er reeds tweemaal heengetogen, o.a. in
1173 met zijn broeder, graaf Otto van Bentheim en vergezeld door IJsbrand
van Haarlem. Zij overleed op de 3e reis in 1176 te Jeruzalem en werd be-
graven in het hospitaal van de Duitse pelgrims. (B145) (K).
De Maasdijk werd verbeterd en voltooid omstreeks 1170-1180. (B137).
Rond 1175 werd de Hargpolder bij Ketel bedijkt met financile hulp van de
abdij van Egmond. "Herstel dijk Malink (onder Ketel) en aanleg nieuwe
dijk in Hargan (Ketel)". (B22). (K).
De baljuw functie is omstreeks 1178 in het gebied van de graaf van Hol-
land geintroduceerd. In 1213 trad er een baljuw van Holland op en in 1230
bestond het grote baljuwschap Holland. Later in de dertiende eeuw volgden
afsplitsingen en vormden er zich kleinere eenheden, die kunnen worden om-
schreven als regionale baljuwschappen (zoals Rijnland, Delfland en Schie-
land). (B26).
Rond 1179 werd het eigenkerkrecht vervangen door het patronaatsrecht. De
adelijke heren werden i.p.v. eigenaar beschermheer (patroon). Het patro-
naatsrecht viel geheel onder de kerkelijke rechtsmacht. (B13) (K).
1189-1192. Derde kruistocht. (B143) (K).
1188/1189. Tot hen die het kruis opnamen behoorden: graaf Floris III van
Holland, zijn zoon Willem en zijn broeder Otto I graaf van Bentheim, heer
Hendrik van Kuik, graaf Otto I van Gelre, de hertogen van Limburg en Bra-
bant, de graven van Loon enz. (B145) (K).
Na aankomst in Antiochi, breekt een ernstige epidemie uit. Tot de
slachtoffers behoort graaf Floris III van Holland, die op 1 augustus 1190
overlijdt. Hij wordt begraven in de kerk van St. Pieter, nabij het graf
van den keizer. Zijn jeugdige zoon Willem, die hem tegen zij zin gevolgd
was, vergezelt Frederik van Zwaben naar Arce. In oktober 1190 komen zij
daar aan. In 1191, na de bezetting van Acre op 12 juli 1191, keerde
Willem van Holland naar zijn land terug, waar zijn broeder Dirk VII aan
de regering was gekomen. Deze gaf hem een gedeelte van Friesland ten
Oosten van het Vlie, dat in de 12e eeuw door den keizer aan de graven van
Holland was geschonken. Toen Dirk stierf en door zijn dochter Ada werd
opgevolgd, betwiste Willem zijn nicht de opvolging. Met behulp van
Kennemers en boerenvolk uit den omtrek van Leiden, slaagde hij er in het
graafschap Holland te overmeesteren. (B145)(K).
Oorkonde No. 540 van 1198. Graaf Diederik VII van Holland schenkt aan de
vicarie ter nagedachtenis van zijn vader Floris en gesticht aan de noord-
zijde van de kerk van St. Marie te Utrecht, enig land aan de Poel bij
Naaldwijk. (Naltwic). (B94) (K).
De Heerlijkheid Rhoon ontstond in 1199. (B01).
Het stichtingsjaar van Rhoon, 1199 (B106).
1200-1300
In de middeleeuwen viel vanaf ca. 1200 de Hollandse bevolking uiteen in
twee groepen n.l.: 1) huislieden, te weten vrije en onvrije personen en
2) welgeborenen. (B26). Voor beide groepen bestond er een rechtskring
resp.: schout en lage vierschaar en baljuw en hoge vierschaar (welgebo-
ren mannen) (B26).
Het stadje Schoonhoven is ontstaan rond de burcht die Jan van Lede aan
het begin van de 13e eeuw hier liet bouwen. (B165).
De kerk van Haastrecht heeft een vroeggotisch (13e eeuws) onderstuk.
(B165).
De toren van de kerk van Noordwijkerhout is van oorsprong 13e eeuws en
werd in de 14e eeuw verhoogd. (B165).
De grote Gotische kruiskerk van Noordwijk-Binnen met toren uit de 13e
eeuw deelt de Voorstraat als het ware in tween. (B165).
1200. Aan het eind van de Schie in de latere polder Schieveen lag een
tweede Hof te Schie, waartoe o.a. het ambacht Rodenrijs behoorde. Het am-
bacht waar graaf Dirk II reeds een hof bezat grensde aan de Schie, Oude
Lede, Stricklede en ten oosten aan de landscheiding. Dit hof bestond uit
13 hoeven en 360 ha grond. (B37).
Het in de 13e, 14e en 15e eeuw 't Rintveen geheten deel van de polder
Ackersdijk bezuiden de Oude Leede, behalve 3 morgen in de noordoost hoek
en behalve de Zwetkade. (B64).
Nieuw-Lekkerland komt reeds in de 13e eeuw voor als kerkdorp "Leckelant"
(B113) (K).
Rond de 13e eeuw was de gemiddelde leeftijd van de mens 35 jaar. (B93).
De Hofstad De Tempel moet ergens in het begin van de 13e eeuw zijn ont-
staan. (B99).
Het woord "Hofstad" vonden we in de 13e en 14 eeuw in: Leiden (1223),
Schie (1268), Monster (1281), 's Gravenzande (1281), Schipluiden (1295),
Barendrecht (1320), Rijswijk (1330), Oegstgeest (1355), Rodenrijs (1393).
(B106).
In de 13e eeuw werden ook rechtsgebieden uitgegeven die kleiner waren dan
de baljuwschappen maar ook hoge heerlijkheden vormden. De uitgifte van
deze kleine hoge heerlijkheden aan lokale heren paste in de grafelijke
politiek om de ontginning te stimuleren van kleine woeste gebieden. In de
13e en 14e eeuw onstaat er maar af en toe een nieuw lokaal baljuwschap
een tweede generatie lokale baljuwschappen ontstaat in en omstreeks het
eerste kwart van de 15e eeuw. (B26) (O).
Van Hazerswoude, Zoeterwoude, Rijnzaterswoude en Esselijkerwoude wordt
vermeld, dat ze in de 13e eeuw al veen hadden. (Van den Bergh, 64).
(Veenderij terminilogie, H. Crompvoets, 1981). In de Rijnlandse veen-
streek ligt op enkele plaatsen een oudere verkaveling onder de huidige,
jongere (die van de dertiende eeuw dateert). (B25) (V),
Nootdorp is een ontginningsdorp, vermoedelijk in de 13e eeuw ontstaan.
(B01) (O).
Het dorp De Lier, voor het eerst vermeld in 1201 is ontstaan aan het ri-
viertje De Lee. (B01).
1202-1204. Vierde kruistocht. (B143) (K).
In 1202 is het hoogheemraadschap Rijnland ontstaan. (B25).
In 1203 in er al sprake van een Tempelveld, omgeving Dordrecht. (B46).
Willem I heeft na 1203 (tijdens zijn leven) Friese kolonisten in Holland
gehaald, voor ontginning en voor dijkbouw, onder het patronaat van hun
heilige, St. Odulf (de patroon van het bekende Staverse klooster en van
de hele Friese Zuidhoek). (B25) (K) (O).
De omzetting van het oude ambt van castellanus, in een leen, burggraaf
van Leiden, vermoedelijk ca. 1204. (B152).
Oorkonde No. 569 van 1204-1209 of 1216-1225. Vermelding van Suythollant
(Zuythollant). (B94).
In 1211 schonk de graaf belangrijke vrijheden aan de lieden van de abdij
in Popswoude. (B148) (K).
1212. Kinderkruistocht. (B143) (K).
Vroegst bekende vermelding Vrijenban 1212. (B04).
Vrijenban, het poldergebied waartoe Delfgauw behoorde werd in de jaren
1212-1214 al genoemd. (B17).
Oorkonden No. 611 en No. 612 van 1213. De elect Otto vergunt aan de abdij
Marinweerd op haar goed te Naaldwijk eene kapel te stichten onder zekere
bepalingen en schenkt haar tiendvrijheid aldaar. (B94) (K).
Hartman D. (165) vermeldt, dat er rond 1215 in Holland al geturfd werd.
(Veenderijterminilogie, H. Crompvoets, 1981) (V).
Bokel (van Matenesse) (1200, 1215/1216) wordt gezegd gesproten te zijn
van "die van Roederyse". (B03).
Tot de Nederlanders die het eerst in Syri aankwamen, behoorde bisschop
Otto II van Utrecht, een zoon van Bernhard van der Lippe. (1216) Uit
Holland kwam graaf Willem I, deze was door de paus met zijn gehele graaf-
schap in den ban gedaan wegens het feit, dat hij zijn nicht Ada van den
grafelijken troon had beroofd. Hij belaste zijn neef Boudewijn van
Bentheim, voor de duur van zijn afwezigheid en stak 29 mei 1217 met een
aantal welbemande koggen in zee. Graaf Willem landde 30 juli 1217 bij
Alcazar en sloeg het beleg van die stad, op 21 oktober 1217 gaf de stad
zich over en in november keerden de kruisvaarders terug naar Lissabon,
waar zij overwinterden. De Hollandse graaf bracht verslag uit aan de
paus; deze drong aan op voortzetting van de tocht. In het voorjaar van
1218 ging men weer onder zeil en bereikte tenslotte Acre. Graaf Willem I
schijnt in den herfst van 1219 te zijn teruggekeerd (in Holland), hij
reisde over Itali en bezocht de nieuwe keizer Frederik II, die hem zeer
genegen was te Frankfort aan den Main. Hij huwde de keizerinweduwe Maria
van Brabant en stierf in 1223. (B145) (K).
In 1220 verwierf Dordrecht als eerste der Hollandse steden stadsrecht.
(B165).
1222. Graaf Floris IV staat aan Dirk van Wassenaar en diens vrouw Berta
toe dat hun grafelijke lenen onsterfelijk zullen zijn en bepaalt de volg-
orde van erfopvolging. (B54).
1222. De watermolens van de poort Zieriksee worden door graaf Willem I
aan zijn echtgenote Maria geschonken als bruidsschat. (Molendina aquatica
de Syricepor[t]h.) (B46) (M).
Het kasteel Duivenvoorde in Voorschoten heeft reeds een lange historie,
rond 1225 wordt er reeds over een huis op deze plek gesproken. (B165)
Stormvloeden kwamen voor in 1164, 1170, 1173, 1180, 1196, 1219, 1281 en
1287-1288. Bij de stormvloed van 1164 kwam het water tot in de Ackers-
dijkse polder. Men acht het zelfs niet uitgesloten dat in de 12e eeuw de-
len van Schieland en mogelijk ook Delfland gedurende 50 jaar onder water
hebben gestaan.
1228-1229. Vijfde kruistocht. (B143) (K)..
Oorkonde No. 823 van 1231. Bisschop Wilbrand bevestigd de abdij
Marinweerd in hare bezittingen. O.a. goederen te Naaldwijk en Lier.
(Naltwick et in Lira). (B94) (K).
1233, uitgifte van woest land ter ontginning in Waddingsveen. (B35) (O).
De stichter van Den Haag is de Hollandse graaf Willem II, de latere
Roomskoning. Hij regeerde van 1234 - 1256 en nam in 1249 Aken in. (B165).
Oorkonde No 879. van 1235. Albert van Wulven bezat vier morgen land met
de tienden in Kovelwade en schenkt deze aan het kapittel van St. Jan te
Utrecht en in de plaats daarvan ontvangt hij twee erven in Vinkenesse en
een halve hoeve in Bodegraven in leen van de bisschop. (B94) (K).
Oorkonde No. 922 van 1238. De elect Otto zondert het gebied van
's Gravenzande langs de Oude Maas tot aan eene sluis, die aan de kerk van
Monster had behoord, af van het kerspel Monster en wijst het toe aan de
door gravin Machteld te 's Gravenzande gestichte kerspelkerk. (B94) (K).
Oorkonde no. 929 van 1238. De elect Otto neemt het nieuw door wijlen zijn
broer graaf Klorens en diens echtgenoot gravin Mathilde gestichte kloos-
ter te Loosduinen in bescherming en geeft daaraan het recht eigen pries-
ters en een kerkhof te hebben. (B94) (K).
Oorkonde No. 943 van 1239. Elect Otto vergunt het kapitel van St. Jan te
Utrecht eenen wetering te graven in het veen, liggende naast 's kapit-
tels bosch de Vuursche, en vandaar langs Soest tot aan de Eem (enz..).
(B94) (K) (V).
Oorkonde No. 949 van 1240. De proost Diederik en het kapittel ten Dom te
Utrecht geven hunne goederen te Leiderdorp in erfpacht aan Alewijn en
anderen. (B94) (K).
Oorkonde No. 969 van 1241. Willem, graaf van Holland, geeft aan het
Duitsche huis het patronaatsrecht der kerken te Valkenburg en Maasland.
(B94) (K).
Oorkonde No. 989 van 1242. De elect Otto wijst de bewoners van het
nieuwe, door gravin Machteld en haar zoon graaf Willem van Holland
bedijkte land aan het kerspel 's Gravenzande toe. (B94) (K).
Oorkonde No. 1041 van 1245. Bisschop Otto geeft aan de kerspellieden van
Maasland, die wonen van Oostbuurt tot aan de Maas en van de Scheewatering
tot aan Naaldwijk, vergunning om binnen die grenzen eene eigen kapel, met
doopvont en begraafplaats, te stichten. (B94) (K).
Delft kreeg stadsrechten in 1246. (B165).
Oorkonde No. 1109 van 1247. Aanteekening omtrent zekere bij Delft
gelegene landerijen, welke door den Roomsch-koning Willem op 1 maart 1247
te Rijnsburg aan zijne moei Richarda, jonkvrouwe van Holland, gegeven en
door deze sedert aan de Duitsche orde geschonken waren. (B94) (B162-oork.
no 1085) (K).
"Naar de plaats waar naderhand Rijnland aan Delfland aan Schieland
grenst. Daar vinden wij al zeer vroeg een lagen dijk die soms de Land-
scheiding, maar meestal de Zijdwinde wordt geheeten. Haar westelijk deel
tusschen het Bosch en Zoetermeer heet in stukken van vroeger en later
tijd meer bepaaldelijk de Ovenzijdwinde: een naam waarmee zij ook wel in
haar geheel wordt aangeduid. Wanneer zij aangelegd mag zijn en op wiens
kosten, blijkt niet. In 1324 werden Schieland en Delfland met het onder-
houd belast. Dagtekening van voor 1246." (B03, blz. 188 en 189). De land-
scheiding tussen Rijnland en Delfland + Schieland bestond dus al voor
1246.
1248-1254. Zesde kruistocht. (B143) (K).
Keizer Frederik II van Duitsland stierf in 1250. (B165).
Het hoogheemraadschap Rijnland is van voor 1255, Fokema Andreae stelt hem
op ongeveer 1220. (B34).
Tot en met de 12e eeuw had de gehele Rottestreek slechts n kerspelkerk,
die van Hillegersberg. In zeer korte tijd is zulks in het begin van de
13e eeuw veranderd. Uit Hillegersberg is o.a. Kralingen gevormd. (B25),
(K)
1222. Graaf Willem I bestemt 100 pond uit de grafelijke inkomsten te
Delft, Pijnakker, Maasland en Vlaardingen voor de abdij van Rijnsburg.
(B46) (K).
1236. Willem, ruwaard van Holland, staat aan de abdis en convent van
Rijnsburg tienden in Rijnsburg en Oegstgeest af in ruil voor inkomsten in
Pijnacker en Haarlem. enz. "redditibus XII in Pinacker" (B54) (K).
8-01-1236. Abdis en convent van Rijnsburg ruilden o.a. 12 pond in
Pijnacker voor o.a. tienden in Oegstgeest. (B106) (K).
Gijsbrecht Bokel bleef in 1242 ambachtsheer en tiendbezitter van het ver-
kochte land van Bleiswijk. (B04).
6-09-1242. Willem II bepaalt dat wie van Willem Scope en Gijsbrecht Bokel
land ter ontginning koopt tussen Rotte en Wilenesbrunne zal zijn vrijge-
steld van dijklasten. (B18, no 164) (O).
1242. Graaf Willem II verklaart dat het land in Bleiswijk dat heer Willem
Scope van hem en van heer Gijsbrecht Bukel heeft gekocht, is vrijgesteld
van dijklasten. enz. "tusschen Rotte ende Wilnesbrunne" (Wilnesbrunne is
Zevenhuizen of een gedeelte van Zevenhuizen, het land ligt dus in Bleis-
wijk) (B54).
1242. Het is nog steeds een vraag, waar Wilenesbrunne moet worden gezocht
mogelijk is "Wilders kade" een verbastering van Wilenes. (B160).
De oudste schriftelijk vermelding van het gebied van Zoetermeer dateert
van 1242. De acte omschrijft het land waarop heer Ghisebrecht Bokel het
recht van de grote en kleine tienden heeft. Hierin worden ook Zegwaard,
Berkel, Bleiswijk en Zevenhuizen genoemd. (B127).
1248. Stormvloed die tot Delft doordrong. (Op St. Maartensdag). (B118).
Onder de stormvloed van 1248 had o.a. Delfland te lijden. (B156).
De Friezen die zich tot een kruistocht verbonden hadden, werden door de
paus van hun gelofte ontslagen. In plaats daarvan moesten zij graaf
Willem II van Holland, die door invloed van de geestelijkheid tot koning
van het Heilige Roomsch-Duitse Rijk was gekozen, bijstaan in zijn strijd
tegen de landgraaf van Thuringen, de tegenkandidaat voor het keizerschap.
Ook vele Hollandse en Zeeuwse kruisridders volgden Willem bij zijn onder-
neming tegen Aken, waar hij gekroond zou worden. (ca. 1247) (B145) (K).
Niet veel later dan het midden van de 13e eeuw zijn de grafelijke hoven
van Schie, Rodenrijs, Pijnacker, Tetterode, Aalbertsberg e.a., versnip-
perd in tal van kleine, losse huurpercelen. (B35).
Aanleg dijk tussen Bergen en Alkmaar begin 13e eeuw voltooid. (B118).
Uitgifte van een stuk wildernis met tot doel dit tot ontwikkeling te
brengen; "Zwemencoep" = Swemcoop ca. 1250. Dr. J.F. Niermeyer schrijft in
zijn boek: Delft en Delfland en hun oorsprong en vroegste geschiedenis
van 1944 op blz. 58 over "Arnouts Svemen brigghe" en "De naar een zekeren
Arnout Svemen genoemde brug" en "d.i. Arnout, zoon van Sveme. Sveme of
Zweme is een mansnaam, die nog voortleeft in den plaatsnaam Zwemkoop
(onder Berkel)". (B&R)
De Schiedamse Schie is ca. 1250 gegraven. (B05).
1257 Ruwaard, Floris schenkt het patronaatsrecht en de kerk van Pijnakker
aan het klooster van Koningsveld. 1261 Bevestiging door Ruwaardes, Aleid.
(B18, no. 354 en 376). (K).
Vrouw Aleid (de vrouw van Jan van Henegouwen die in 1257 overleed) liet
een woning bouwen in de hoek van de Polderwetering en Schie (Ouwerschie),
zij liet voor 1260 in de polder Matenesse ook het huis (kasteel) Riviere
bouwen. (B38).
Bisschop Hendrik bekrachtigd de schenking door wijlen Floris, voogd van
Holland, aan het klooster Koningsveld van het patronaatsrecht der kerk
van Pijnacker. 1259. Oorkonde no. 1499. (B79) (B162 no. 1438) (K).
Aleyt van Henegouwen, die kort voor 1262, toen zij nog voogdes van
Holland was de nieuwen dam in de Schie had gelegd en Nieuwendam had ge-
sticht. (B64). 1262 = het geboortejaar van Schiedam. (B64).
Oorkonde no. 1538 (B162). 10 januari 1264. Bisschop Hendrik vergunt aan
het H. Geest-hospitaal te Delft een eigen priester-kappelaan te houden.
Herman de Witte draagt aan de proost en convent van Koningsveld de ziel-
zorg en de bewaring der reliquien in de kerk van Pijnacker op. 1264.
Oorkonde no. 1626. (B79) (K).
Oorkonde no 1598 (B162). 24 october 1265. Bisschop Hendrik vergunt aan
het H. Geest-hospitaal te Delft een eigen kerkhof te hebben en staat aan
den kappelaan van dit huis de bediening der Sacramenten toe.
Gobert van Perwijs draagt op verzoek van Aleidis van Henegouwen de ziel-
zorg en de bewaring der reliquien in de kerk van Pijnacker over aan de
proost van Koningsveld. 1265. Oorkonde no. 1669. (B79) (K).
Het ambacht Berkel was nog geen scherp afgescheiden geheel in 1266. In
het noorden hielden de bouw- en weilanden op in moer, dat nog tot geen
administratief district behoorde. De wildernis kreeg hier de overhand en
liep voort, tot waar een aanzetsel van het ambacht Zoetermeer, Zegwaard
met Rutkenvene (Roggeveen), van de overzijde in het land opstrekte. (B04)
In 1266 wordt Roggeveen voor het eerst genoemd en wel in een acte die be-
trekking heeft op Berkel. Deze acte vermeld, dat de bouw- en weilanden
van Berkel aan de noordzijde eindigen bij een moerasige wildernis, die
zich uitstrekt tot aan het ambacht Zegwaart met Rutkenvene. In Roggeveen
zit de naam Rutger, vermoedelijk de stichter of de leider van de eerste
kolonisten. (B127).
Oorkonde 11 december 1266. Waarin Alewijn van Rodenrise en Arnest van
Wulven verklaren, dat de kerk die zij te Berkel gesticht hebben, te alle
tijde ter collatie van den abt van Egmond zal staan. (B03, blz. 24) (K).
In 1266 werd de dorpskerk in Berkel gebouwd door Alewijn van Rodenrijs.
Vanaf dat moment (kerkelijke samenvoeging) schijnt men pas definitief
over Berkel en Rodenrijs te spreken. (B04) (B&R) (K).
Het abtshuis in Overschie van de abt van Egmond vermeld in 1266. Bron
Rotterdams jaarboekje 1978. (K).
Reeds in 1267 had Bleiswijk een kerk. Natuurlijk een dochter van die van
Rotte (Hillegersberg). (B04) (K).
In 1268 gaf graaf Floris V, het de dag ervoor door Aleid aan hem geschon-
ken goed weer in leen aan zijn neef Floris van Henegouwen (zoon van vrouw
Aleid) "onse woninghe te Nieuwerschie" die hare was en al wat zij bezat
tussen Ouderschie en de Nieuwe Schiedam, onder voorwaarde dat vrouw Aleid
dat goed zou bezitten zo lang zij leefde. (B38).
1270. Zevende kruistocht. (B143).
Oorkonde no. 1708 (B162). 13 november 1270. N. Domdeken te Utrecht ver-
klaart, dat Magtildus, dochter van Wiggerus van Craling, voor hem getuigd
heeft, de tienden van Nieuland bij Craling op zekere voorwaarden in leen
te hebben ontvangen van H. abt van St. Paulus te Utrecht.
In 1272 kreeg Gouda (Ter Gouw) stadsrechten. (B165).
In 1273 was er al sprake van de Baljuw tussen Scie en Goude. (Schieland),
(B33).
In 1273 bepaalt Floris V dat tussen Schie en Gouwe (Schieland) niemand
land mag kopen, tenzij hij in staat is de bijbehorende dijk te onderhou-
den. (B43).
Van het baljuwschap Maasland werd reeds in 1276 melding gemaakt. (B34).
In 1276 is er voor het eerst sprake van een baljuw in het gebied wat la-
ter Delfland werd. (B06).
In de 13e eeuw waren er ook al baljuws, vertegenwoordigers van de graaf
in grote landelijke districten. (B24).
"In de lijsten der parochin, die de tienden hadden betaald, welke ten
behoeve van den kruistocht omstreeks het jaar 1270 werden geheven, komen
Sconrelo, Vlardingen, Cralingen, Blesewiic, Sevenhusen, Scie,
Hildeghersbergh, Ketel, Roderise - allen tusschen de Lier en Den
IJsel gelegen - onder het dekanaat van Zuidholland voor." (B03, pag 200).
(K).
In 1272 werd Rotterdam ten zuiden begrensd door het adelijke slot, Het
hof van Wena, gesticht door de heren van Wassenaar, burggraven van
Leiden. (B61).
In 1273 en 1281 vormde Schieland reeds een eigen baljuwschap, maar nog
geen waterschap onder hoogheemraden. (B03, blz. 22 en 28).
Het hoogheemraadschap Schieland bestond reeds in 1273, het werd gevormd
door de ambachten Schie (Overschie), Rotte (Hillegersberg), Bleiswijk en
Zevenhuizen. Door bedijking en toevoegingen van Zuid-Waddinxveen en door
de uitbreiding in 1373 met het oosterlijk deel van Zegwaard kreeg het
heemraadschap zijn 16e eeuwse vorm. Zuid-Waddinxveen en oostelijk
Zegwaard bleven onder het baljuwschap Rijnland resorteren. (Voor afwate-
ring onder Schieland). (B34).
1276. Floris V verleent Diederic van Zandhorst de ambachtsheerlijkheid
van Zoeterwoude. (B35).
Van het baljuwschap de Zeven Ambachten werd reeds in 1281 gesproken.
(B34).
Het ambacht van Alewijn van Rodenrise en Arnest van Wulven d.i. Berkel en
Rodenrijs. 1273. (B03, blz. 24).
De eerste vermelding van het kerspel Bleiswijk vinden we in het bekende
tiendenregister van 1275-1280. Lang kon de parochie toen bezwaarlijk heb-
ben bestaan. Immers kort voor 1242 werd deze veenstraak door den graaf
van Holland ter ontginning uitgegeven aan Gijsbrecht Bokel, een edelman,
waarschijnlijk residerende op het slot Burgerstein bij Rotterdam. Deze
verkocht reeds in 1242 den grond maar bleef ambachtsheer en tiendbezit-
ter. De kerkstichting valt uiteraard na 1242 maar voor 1276: dan betaald
de parochie tienden t.b.v. het Heilige Land. (B147).
In 1276 is er voor het eerst sprake van een baljuw in het gebied wat
later Delfland werd. (B06).
In de 13e eeuw waren er ook al baljuws, vertegenwoordigers van de graaf
in grote landelijke districten. (B24). (1267?)
Ambachtsheerlijkheid Cool wordt al vermeld in 1280.
Stichtingsjaren van de kerken in Kralingen en Moordrecht ca. 1280, Ze-
venhuizen kort voor 1300.
De Blijdorpsepolder behoorde oorspronkelijk bij Overschie en de Bergpol-
der maakte deel uit van Hillegersberg. (B49).
Omstreeks 1280 kreeg een zekere Tieman een stuk land in leen dat de naam
Ruiven kreeg of droeg. (B39). Thieman van Ruvene had 239 morgen land in
Ruiven in leen. Dit goed van Egmond te Ruiven wordt ook reeds genoemd in
een goederenlijst van 1124/1129. (B04).
In 1280 werd een poldervaart gegraven lopend van Vrijenban naar Schiedam.
"Zoo in 1280 voor het ambacht dat Diederic Bueckel aan den mond der Rotte
ingepolderd had en waarvan verwacht werd, dat het een bevolking zou kun-
nen krijgen, groot genoeg om het aanvankelijk bepaalde bedebedrag te ver-
hoogen." (B35).
1281. Delft en Pinacker behoorden tot de lijftocht van de gravin. (B37).
In 1281 kreeg Schoonhoven een aantal privileges die met stadsrechten te
vergelijken zijn. (B165).
1281. De lijftocht van gravin Mathilde, betaande uit Monster, Maasland,
Lier en Zouteveen en het brengt per jaar 1000 pond op. (B117).
1281. De lijftocht van jonkvrouw Ricardis, die bestaat uit Delft, Delft-
land en Pijnacker en het brengt per jaar 1000 pond op. (B117).
Oorkonde no. 2006 (B162). 8 juni 1281. Jacobus, deken van St. Jan en pau-
selijk collector der tienden in het bisdom Utrecht, erkent, van broeder
Jacobus, proost van Koningsveld, ontvangen te hebben de tienden, welke
dit klooster alsmede de daartoe behoorende kerken van Pijnacker en Schie-
dam schuldig te zijn.
Op 20 maart 1281 kocht heer Diederik van Teilingen de ambachten van
Waddingsveen en Polien als leengoed van graaf Floris V en daarnaast:
"Haeswaerdwoude, Benthusen, Segwaerde, Soetermere, Willaemsvene (Wilsveen
onder Stompwijk) ende dier ander ambochte, die daeran legghen". Op 7 no-
vember 1282 stierf heer Diederik en de leenen vielen aan de grafelijkheid
terug. (B04). Tedingerbroek (in Delfland) behoorde tot het veengebied dat
in 1281 door de graaf aan de heer van Teylingen was verkocht. (B34) (V).
Bovendien noemt Jacob Lois in een handschrift van 1672, dat zich in het
archief van het Hoogheemraadschap Schieland bevindt, als eerste dijkgraaf
Danil van Roderijse (tevens baljuw van Schieland) en wel in 1281, maar
deze bewering laten wij geheel voor rekening van Jacob Lois, aangezien
hiervoor geen enkel bewijs is aan te voeren. (B156).
1281. Handvest van Floris V waarin Zevenhuizen, Bleiswijk, Rotte (later
Rotteban), Schie (Overschie), het ambacht van Alewijn van Roderise en
Arnest van Wulven (Rodenrijs en Berkel) en Broek (Schiebroek) enz. ver-
plicht worden tot gezamelijke bedijking (dijkbeheer). (B03). Waarschijn-
lijk in verband met de grote overstroming in 1281 welke de dijken in
Schieland had verwoest. (B22).
Ca. 1282 "dominus Alewinus Roderise 't ambacht van Roderise tusken de
Lantscede ende Striclede, ghedeilt mit haren Arst van den Broke" (B03,
blz 24).
1282 Lijst van lenen. "Har Ghisebrecht Bokel: VI pond uter lentebede te
Monster. 't Ambacht te Blesewiic enten tiende, groet ende clene, opgande
te halven dipe tusscen Blesewiic ende Zevenhusen, voert opgande van
halven diepe te halven vene tusscen Berkel enten Segwaert. Den tiende van
Rotte, groete ende cleinen, opgaenden van Wolfsgaweghe tote den scede van
Berkel." (B03, blz. 58 en 59).
In den jaere 1282 is onder Hilgaertsbergh geweest eenen heer Arnest van
Welven, heer van Broeck ofte Schiebroeck; hij was uyt een jonger soon van
de heer van Cralingen, hij voerde en silvere starre met acht tacken op
een swart velt, gelijckde heeren van Wateringen voeren. (Bron: Rotterdam)
In 1282 is de landscheiding tussen Schieland en Delfland al aanwezig.
Niemand heeft zelfs maar bij benadering een verklaring kunnen vinden voor
de aanwezigheid van een dijk van die lengte op die plaats. Met de verkla-
ring dat het zou gaan om een lokaal dijkje nemen wij gn genoegen. Voor-
lopig nemen wij aan dat de landscheiding ook door de Egmonder monniken en
/of Sint-Paulus monniken is aangelegd. Als men nadat de Oude zeedijk in
ca. 1150 klaar was gelijk is begonnen met de landscheiding dan is deze
voor 1200 wel klaar geweest. Grootste vraag blijft natuurlijk, waarom een
landscheiding op die plaats? Wellicht werd de landscheiding daar aange-
legd ter bescherming van de grenzen van het tiendgebied van de abdij van
Egmond? "Onbekend blijft wanneer de landscheiding zover noordwaarts in de
venen is doorgetrokken, dat hij bij de oude driesprong de Brede Akker
tussen Berkel en Zegwaard bereikte". "(B11)" (K).
Dordrecht, O.L.V. kapel aan de noordzijde van de Grote kerk is gedeelte-
lijk uit 1280. (B112) (K).
Het lijkt waarschijnlijk dat er voor 1280 geen molens voor de afwatering
bekend waren. Overigens zijn windwatermolens zeker reeds in 1282 in
Holland bekend. (B65) (M).
Zevenhuizen is een ontginningsdorp vermoedelijk in de 13e eeuw ontstaan.
(B01). De naam Zevenhuizen wordt reeds in een "plakkaat" van 1282 ge-
noemd. (B29) (O).
Kaartje van 1283. (B64).
In de Vijfheerenlanden, welker geschiedenis in 1284 aanvangt en welk ge-
bied zijn naam ontleent aan het feit dat daar 5 landheren, n.l. die van
Vianen, Arkel, Ter Leede, Hagenstein en Everdingen de septer zwaaiden.
(B113).
De stadsrechten van Gorinchem dateren vermoedelijk van 1284. (B113).
In 1285 werd Rodenrijs leenroerig d.w.z. onder de rechtsmacht van de
graaf gesteld. Voor 1285 waren de heren van Rodenrijs in hoog aanzien en
stonden boven de andere adel. (B07).
1289/1290. De oorkonde werd op Paasavond uitgegeven. Daar niet bekend is
of de Paasstijl werd gebruikt, zijn beide jaren mogelijk. Het betrof hier
de oorkonde m.b.t. de overgang van Berkel van Schieland naar Delfland.
(B137).
"Rodenrijs, dat is te zeggen Berkel en Rodenrijs is in 1289 van Schieland
tot Delfland overgegaan". (B03, blz. 25 en 26).
In 1289 laat Floris de Vijfde het ambacht van Rodenrijs overgaan van
Schieland naar Delfland. Het ambacht Rodenrijs verliest daarbij een stuk
van haar grondgebied ("lant in Cole ende dien dijc") maar wordt ontheven
van het onderhoud aan de Maasdijk. (B&R). Tot 1289 behoorde Berkel en Ro-
denrijs tot Schieland. (B03). Toen in 1290 Berkel en Rodenrijs en een gedeelte van Overschie overgingen
van Schieland naar Delfland werden zuidelijk Akkersdijk, de Tempel en
Schieveen daarin niet betrokken. Tussen 1338 en 1414 kwamen deze toch on-
der het hoogheemraadschap Delfland te ressorteren, zij bleven echter te-
vens onder de jurisdictie van Schielands heemraden. Nimmer zijn zij tot
het baljuwschap Delfland gerekend. (B34).
Het is bewijsbaar dat het kleine ambacht De Tempel, bestaande uit de hof-
stad en 12 morgen land reeds in 1290 bestaat. Bij de overgang van Berkel
in 1290 van Schieland naar Delfland wordt de Tempel niet genoemd. Berkel
draagt vanaf 1290 niet meer bij aan het dijkonderhoud in Schieland!, De
Tempel n.l. wel via het waterschap de 64 Hoeven in Overschie! Waarschijn-
lijk is het een kleine plaatselijke ontginning door de van Rodenrijse's,
jonger dan Schieveen maar ouder dan het Hof van Rodenrijs te Berkel.
(B74) (O).
Wanneer het gebied tussen de tegenwoordige Bovendijk, de Rodenrijseweg en
de huidige Rotterdam-Berkel grens in 1290 al een Vrije en Hoge Heerlijk-
heid was geweest, dan zou zij met name zijn genoemd in het charter van 9
april. Bron: R'dams jaarboekje 1950 "Uit de geschiedenis van de Tempel".
1289. Oprichting Hoogheemraadschap Delfland. Het huidige Delfland is ont-
staan uit drie vroegere eenheden, ten eerste de Delflandse (oude) Schie-
boezem ofwel de Zeven Ambachten, ten tweede de oude bedijking van Maas-
land/Vlaardingen en ten derde het geest- en kleigebied ten westen daar-
van. Bemoeiing van geestelijke grondeigenaren is ook ten aanzien van de
wording van Delfland wel waarschijnlijk. Maar o.i. ruim zozeer van de ab-
dij Marinweerd, als van de abdij van Egmond of de St. Paulusabdij te
Utrecht. Marinweerd had in Delfland vele bezittingen (met een eigen uit-
hof, Heimond; later een dochterabdij, Koningsveld bij Delft). (B25) (K).
Oorkonde no. 2351 (B162). 4 juli 1290. De official van het hof van
Utrecht gelast den priesters van Delft en Pijnacker, den proost van
Koningsveld te handhaven in het bezit der kerk van Nieuwendam.
Het hoogheemraadschap en het baljuwschap Delfland moeten tussen 1290 en
1317 zijn gevormd. (B34).
3 jan. 1292, Floris V bepaalt dat te Pijnakker de grafelijke lasten over
alle aldaar gegoeden moeten worden omgeslagen.
"Zwemcoop, eertijds onder Berkel en Rodenrijs, loc. cit. (1295);
Zuemencoep; v. Mieris Charterb II, bl. 61 (1306); Zuevencoep: H.J.
Moerman 1954 (B44).
1296. Het gebied ten oosten van de Rotte behoorde toe aan de graaf. Het
gebied ten westen ervan was in 1296 door graaf Jan I, in feite door
Wolfert van Borselen, geconfisqueerd van de heer van Bokel, de bewoner
van het kasteel Weena. Ook dit gebied gaf hij ter bewoning uit, deze
buurt heette Nieuwpoort, dat later werd verbasterd tot Oppert. Door de
vestiging van een stad hoopte Wolfert zijn macht in dit gebied te conso-
lideren. Op 17-03-1299 verkreeg de Zeeuwse edele Wolfert van Borselen
stadsrecht voor Rotterdam. De Schie, een belangrijk water was in handen
van Wolferts tegenstanders, de Van Avesnes. Wolfert overleed in 1299.
(B49).
Voor Berkel vinden wij de volgende beschrijving (ca. 1295): "In Berkel
vinden wi denn luden horen upganc van den halven diepe uter Leden (Rotte)
ten halven vene toe tegens die van Bleiswijjc tote den naeste lande van
Voppe Zivaerts hoeve an die Noirtzide ende voirt van Voppe Zivaerts hoeve
vinden wij't den grave, al dat dairbuten is, geboent ende ongeboent, tote
der stede daer Rutkenvene angaet." (B127).
Rond 1296 werd Zwemcoep (Zwemkoop onder Berkel) voor het eerst genoemd.
"Voirt van der wildernisse van acht hoeve tote Wike (Wijk is een water
bij Bleiswijk) vinden wi den Grave tiende en de ambacht" enz. "De
achthoeve" vormde een gebied of een deel daarvan "van Zwemencoep", een
kleine nederzetting onder Berkel." (B10).
In een grafelijke keur voor Kralingen wordt voorgeschreven dat land
alleen gekocht mag worden als de koper de bijbehorende dijk kan onderhou-
den. 1297 (B43).
Sedert de stichting van het Hoogheemraadschap Schieland (volgens Teixeira
de Mattos tussen 1296 en 1299) was de baljuw gelijk dijkgraaf en aange-
steld door de graaf van Holland. (B33).
Kralingen was oudtijds een heerlijkheid dat sedert 1299 aan het geslacht
van die naam behoorde. (B61)
Nieuwerkerk is op zijn laatst in de 13e eeuw ontstaan (B33).
Rond 1300 was de de gemiddelde leeftijd 50 jaar, na aftrek van kinder-
sterfte. (B24).
1300-1400
Pas in de 14e eeuw begon in de Nederlanden de groei van de geldeconomie,
er circuleerden b.v. Schilden uit Frankrijk en Nobels uit Engeland en de
dubbele Groot, de Groot, de halve Groot en de kwart Groot uit de Neder-
landen. (In de 13e eeuw was de Karolingse zilveren penning nog de enige
muntsoort, in die eeuw werd daar de Groot van 12 penningen aan toegevoegd
deze Groot werd in de Nederlanden de basis van het muntstelsel). Door het
grote aantal muntsoorten leverde de boekhoudkundige verwerking van beta-
lingen nogal eens problemen op, daarom vertaalde men de ruilwarde van ie-
dere munt eerst in een standaard rekeneenheid, daarin werd het bedrag ge-
boekt. De bekendste rekeneenheid was het pond dat onderverdeeld was in 20
schellingen (s) van 12 penningen (d). (B142).
Het onderste deel van de toren van de Hillagondakerk van Hillegersberg is
14e eeuws. (B01) (K).
Abbenbroek, de N.H. kerk van omstreeks 1300. (B112) (K).
Katwijk-Binnen, toren N.H. kerk ca. 1300. (B112) (K).
1303 Jan van Henegouwen, graaf van Holland verleend het privilege van ei-
gen rechtspraak aan "de gemeene buren van Rorijs". Vanaf dat moment be-
staat de rechtbank uit schout en gesworens. (B07). Schout met twee
ambachtsbewaarders (wethouders) en 8 agtemannen (gemeenteraadsleden), 2
uit ieder van de vier blokken in Berkel en Rodenrijs.
Uit het handvest van 14 juli 1303 voor Rodenrijs, blijkt dat tot de com-
petentie van de baljuwhoven (o.a. Hof van Delfland) meer behoorde dan van
een gerecht dat louter als 'forum privilegiatum' optreedt. Volgens dit
handvest blijft exclusief aan het hof van Delfland opgedragen de berech-
ting van: doodslag en moord, vredebreuk, vechtpartijen, verminking, huis-
vredebreuk, diefstal, roof, vrede weigeren aan de bode, indien deze te-
recht eist en pandweringe. (B26).
"Zoo krijgen in 1303 de inwoners van Rodenrijs van Jan II vergunning, dat
men daar van bepaalde "stucken, die gevallen binnen den ambacht voorseit,
dingen sal en rechten mitten recht en mitten geswoornen binnen den
ambacht". (B35 - V. Mieris II, blz. 33).
In gelijken zin sprak ook de graaf zich in 1303 uit omtrent zijn grond-
heerlijk ambacht Rodenrijs: "Soo wie die huyrwaer koopt binnen ambacht
voorseit of behuwelt of besterft, of hoe dat hij daeran comt, wie dat hij
is, dat hij van desen dage voort an schot en schout gelde en ook dienst
doe, gelycke den anderen gebuiren, van den goede". Hier kon dus ook een
niet-dienstman dienst moeten doen van zijn land. (B35).
Philips van Leiden spreekt ook van dienstlieden onder Berkel. Inderdaad
is ons daar Roderijs in 1303 eenzelfde toestand als in Den Haag bekend:
"soo wie die huyrwaer koopt binnen ambacht voorseit of behuwelt of be-
sterft of hoe dat hy daer an comt, wie dat hy is, dat hy van deesen dage
voort ende schout gelde, ende ook dienst doe, gelycken den anderen gebui-
ren van dien goede". Ook hier kon dus een willekeurig man aan dienst on-
derworpen worden, doordat hij dienstplichtig land verwierf: de dienst was
aan den grond verbonden, waarmede wel samenhangt, dat kennelijk de be-
langrijkste dienstprestatie in het betalen van schot bestaat. (B163).
In 1304 bedroeg de totale bevolking van Holland en Zeeland 250.000 zie-
len. (B117).
Oorspronkelijk hebben de Wilde Venen deel uitgemaakt van de ambachtsheer-
lijkheid Zevenhuizen-Zegwaard en op 4 februari 1306 door graaf Willem III
verkocht aan Beatrix, heer Dieriksdochter van den Dortoghe. (B29).
Dirk Bokel was in 1306 ambachtsheer van Bleiswijk. (Overleden 1334/1336).
(B03).
Willem van Duvenvoorde verkreeg op 15 mei 1313 zeven hoeven land in de
wildernis bij Nootdorp. (B30).
Eerste vermelding baljuwschap Maasland - 1317.
Het oudst bekende stuk m.b.t. Nieuwerkerk in het Rijksarchief is van 22-1
-1317. Graaf Willem III verkoopt daarbij aan de heer Jan van der Werve
voor 325 pond Hollands de ambachten Capelle en Nieuwerkerk. (B33).
In 1319 voegt de landsheer drie heemraadschappen, de Zeven Ambachten, de
Geestambachten en Maasland samen tot een nieuwe eenheid; het hoogheem-
raadschap Delfland. (B26).
Vroegst bekende vermelding Schieveen (Scievene) 1321. (B02).
De polder Noordland in Zandambacht is vermoedelijk rond 1322 bedijkt.
(B32).
Op last van de landsheer (Willem III) werd in 1323 de Doenkade gebouwd.
(B37).
In 1323 en 1338 werd de Doenkade of Stugge zijdwinde door de graaf van
Holland aan particulieren in leen uitgegeven onder voorwaarde dat het
Hoogheemraadschap Delfland deze kade tot zijn waterkering mocht proclame-
ren. Dit is tussen 1338 en 1414 geschied. Het gehele gebied tussen Doen-
kade en Strickleede, dus Schieveen en een gedeelte van Akkersdijk en de
Tempel, kwamen van die tijd af onder het Hoogheemraadschap Delfland, zon-
der echter de band met Schieland te verliezen; want ook hier bleef het
omslagplichtig. (B02).
Op 31-3-1328 verklaarde abt Dirk II Screvelt van de abdij van Egmond, 40
pond verzekerd te hebben op de tiendinkomsten te Berkel. (ARA Egmond inv.
866 (reg 204). (B148)
In 1329 stonden er lenen in Nootdorp in de Erfenis van Willem van Duven-
voorde. (B30).
Op 29-1-1330 krijgt Johannes, cureit te Nootdorp, samen met Johannes, in-
vestitus der kerk te Berkel, last om broeder Gerardus, kanunnik van
Insula St. Marie, door Nychelaus, proost van Campus Regis, voorgedragen
tot pastoor van de kerk te Pijnacker, vacant door de dood van broeder
Theodoricus, af te kondigen. (Bron: Kroniek van Nootdorp). (K).
Het oudste in het kerkvoogdijarchief van de R.K.-kerk van Bleiswijk be-
waarde charter dateert uit de eerste helft der veertiende eeuw, tusschen
de jaren 1331 en 1339. Het perkamenten stuk bericht ons, dat Jacob Voppen
bekent, voor zich en zijn nakomelingen 10 pond 's-jaars eeuwige pacht
schuldig te zijn, gevestigd op een perceel land. Vijf pond zullen den
pastoor toekomen en vijf pond het Godshuis. Willaem Letaer, cappelaen te
Bleeswijk zegelde het charter. (B147).
Grafelijkheidsrekening 1331. Isebrant van der Tempel waarschijnlijk een
bewoner of een voormalig bewoner van de hofstede De Tempel in Berkel.
Bron R'dams jaarboekje 1950.
In 1334 betaalde de vrije boeren van Berkel 5 pond aan pacht aan de Graaf
van Holland. Bron: Schetsen uit de geschiedenis van Pijnacker. (B&R)
In Berkel waren in 1334 door de graaf aan 119 personen perceelen lands
uitgegeven (Grafelijkheidsrek. I, blz. 200 vlg). (B04, blz 97). (B&R).
1335 Diederic Beukel, heer van Rodenrijs stichtte in de kerk van
Overschie een Maria-altaar. (B13) (K).
Tussen 1342 en 1354 woedde in geheel Europa "De Zwarte Dood" een ongekend
sterke uitbarsting van de pest. (B20).
Hoogst infectueus en dodelijk was de pest, ook wel de gave Gods, de haas-
tige of hete ziekte genaamd die in 1347 400 mensen in Gouda doodde. We-
gens de zwarte pestbuilen (bubonen) werd de epidemie de "Zwarte Dood" ge-
noemd. De pest keerde tot de 17e eeuw van tijd tot tijd terug. De pest-
epidemie wordt in Nederland genoemd van 1347-1352. (B104).
Het in 1266 gebouwde kerkje van Berkel en Rodenrijs werd in 1347 door een
groter gebouw vervangen. (B13). In het begin van de 15e eeuw werd de kerk
langszij vergroot met een tweede schip aan de noordzijde. (Reconstructie
van S.C. Eldering) (K).
ca. 1340 begon men met het graven van de Rotterdamse Schie. (B05).
In 1341 werd Daniel van Rodenrijs na opdracht van 18 morgen land in
Schieveen leenman van Willem van Duvenvoorde. (B30). Daniel van Matenesse
(verwant aan het geslacht Rodenrijs) kreeg het huis Te Riviere bij Schie-
dam in leen van de Hollandse grafelijkheid. (B30). Dirk van der Spange
hield zijn huis Ter Spange in Overschie in leen van Daniel van Matenesse.
(B30).
Opbrengsten landhuren van de abdij van Emond in 1344/1345 te Ruiven 13 lb
9 s 2 d en te Schieveen 3 lb 16 s 2 d. (B148).
Opbrengst tienden abdij van Egmond te Berkel in 1344/1345 155 lb 9 s
(B148).
In 1346 leende Gravin Margareta 1000 pond Hollands, waarvoor de geldver-
strekker een rente van 100 pond per jaar ontving waarvoor deze goederen
uit Berkel in onderpand kreeg. (B30).
1348 Gereed met graven vaart (later de Rotterdamse Schie) 6 1/2 roeden
(24,5 M) breed en 6 km lang en een weg daarlangs. De Delftse Schie of
Oude Schie (Delf) werd zo verbonden met de Maas. Deze vaart had verschei-
dene bochten verkregen omdat men gebruik maakte van reeds bestaande slo-
ten en weteringen.)
In het pestjaar 1348 waarde de zwarte dood rond, er stierven bijna de
helft van 100 miljoen mensen in Europa. (B93).
Er zijn goede redenen om aan te nemen dat de pest van omstreeks 1350, de
Zwarte Dood, alleen in het zuiden van Belgi en het oosten van Nederland
veel slachtoffers heeft gemaakt, maar in de rest van het gebied nauwe-
lijks is voorgekomen. (B136)
"De Graaf heeft zelf deelgenomen aan de ontginning van Berkel en Roden-
rijs; hij bezat tenminste een hof te Rodenrijs. Het Hofland, 41 morgen en
n hont werd in 1334 afzonderlijk verhuurd; van 12 7/8 hoeve (386 5/8
morgen) werden hofhoenders opgebracht. De eigenaardigheid dat hier vrone-
scout betaald werd doet vermoeden dat de bevolking hier uit het noorden
geimmigreerd was." (B04, blz. 93). (B&R). Vronescout, de publieke belas-
ting welke volgens Niermeijer (B06) oorspronkelijk door de Deense vorsten
in de Noormannentijd voor de door hen verleende bescherming geheven is in
Friesland en omgeving. (B&R). (Zie ook 1203). Maar in West Friesland had
Floris V bij de onderwepingsverdragen van 1289 de "huslotha", een oud-
Friesche belasting, laten toekennen. (Ze heette er "vronescout") (B35)
Vronescout is volgens het Belastingmuseum in Rotterdam een "heerenbelas-
ting, een soort huizenbelasting. (N) (O).
Het Middelnederlandsch Handwoordenboek van J. Verdam (1979) geeft aan bij
Vroonschout, vrone-, -schult, -schoude, znw. vr. Heerenschuld, eene hef-
fing ten bate van den landheer. (Vroon = heer/heren en Schout = schuld).
Het hof van de graaf lag aan de linkeroever van de Schie, in de nabijheid
van het latere Leeuwenhof aan de Delfweg, in de uiterste zuidhoek van de
Schieveense polder. (B13).
In Dijken en dijkdoorbraken in het Nederlands rivierengebied geschreven
door H. van Heiningen, 1978 staat: Vroonen zijn goederen in het bezit van
adelijke lieden die erin geslaagd zijn vrijstelling te hebben van de op
de andere landerijen rustende verplichting mee te betalen in het onder-
houd van de dijk.
Vervolgens kan worden gewezen op de betaling van "vronescout" in Voor-
schoten bij Leiden en in Rodenrijs bij Delft. Voor het overige werd een
last onder die naam alleen opgebracht in West-Friesland, Waterland en een
deel van Kennemerland. Kennelijk stamt zij dus in genoemde Hollandse dor-
pen van immigranten van benoorden het IJ, die na hun overkomst naar de
nieuwe woonplaats hun "vronescout" bleven opbrengen. Mogelijk dankt het
in de aanvang van de twaalfde eeuw aan de wildernis ontworstelde Roden-
rijs zijn bestaan geheel aan deze lieden. (Gosses t.a.p. bl. 146 en 313)
(B44).
1350 - 1480 Hoekse en Kabeljouwsche twisten. (B96) (HK).
Naarmate de kleine kabeljauw groeit kan hij grotere vissen in zijn zwem-
gebied verschalken. Naarmate hij flinkere vissen opslokt wordt hij dikker
en groeit zijn kracht. Als een groeiende kabeljauw hebben de graven van
Holland om zich heen gehapt. Iedere kabeljauw, zelfs de grootste is te
vangen met een hoek of vishaak. Mits handig uitgeworpen en van het goede
aas voorzien kan de hoek de kabelauw doen spartelen en amechtig op het
droge halen. (B117) (HK).
Willem van Duvenvoorde en zijn naaste familieleden de Polanens waren cen-
trale figuren in de Hoekse en Kabeljauwse twisten. (1350). Tot het kamp
der Hoeken behoorden o.a. Willem van Duvenvoorde, Dirk III van Brederode,
Herbaren van der Binkhorst, Jan II van Polanen en Daniel van Rodenrijs.
De Kabeljauwen waren o.a. Jan I van Egmond, Gerard van Heemskerk, Jan van
Wateringe en Klaas van Zwieten. (B30) (HK).
Erfstelling van Willem van Duvenvoorde 29 mei 1350, waarin hij het goed
te Berkel en de Tienden van Nootdorp vermaakte aan Gerard van Polanen.
(B30).
"multi obsequiales sunt in uno loco ut in Berkel, in Hagha, in Monte
Alberti, in Scoten, in Thetrode, in Velse." (Aanwezigheid van veel gebo-
ren dienstlieden van de graaf in diverse dorpen in 1350 volgens Philips
van Leiden). (B35). Berkel, den Haag, Aalbertsberg, Tetterode en ook
Heemstede; het zijn alle plaatsen waar de graaf groot grondbezitter was.
(B35). Ten slotte echter, ware het niet, dat de "lantgifte" juist voor-
kwam in ambachten als de Hof van Delft, Pijnacker en Hoogeveen, Ruiven en
Berkel, waar de graaf oudtijds het land en veel dienstlieden gehad heeft,
dan zou men kunnen betwijfelen, of ze iets met een hoorigheidsverhouding
te maken had gehad. (B35). Als bezitters van dienstlieden kennen wij in
Holland voornamelijk, de graaf, de abt van Egmond, de abdis van Elten, de
heren van Blois, Voorne, Putten, Heusden, Altena, Teylingen en Brederode.
(ca 1300).
Hoekse en Kabeljauwse (burger)oorlog: 1350 - 1492. (B13) (HK).
Bij een een mislukte overval op Schiedam werd alles voor de poorten van
Delft verbrand, ook Rodenrijs. De bewoners van het Rodenrijs gingen zich
nu vestigen in Berkel. (B28) (jaartal?).
De stationstraat in Zoetermeer heette vroeger Molenweg en daarvoor Kapel-
laan (ca 1395). (B127).
Boerderij "Veelust" ca. 1350 gebouwd. (B17). Grondgebied Delfgauw.
In 1351 - 6 oktober. Het ambacht Nieuweveen bij Nootdorp. (B30).
29 september 1351 werd Gerard van Herlaer beleend met Berkel. (B30).
De kastelen Rodenrijs en Starrenburg in het ambacht Overschie, het huis
Steenhuizen in Vlaardingen en het huis Hodenpyl in het ambacht Schip-
luiden werden afgebroken rond/in 1351 tijdens de Hoekse en Kabeljauwse
twisten. (B30). In 1351 werd door Willem V de slag bij Vlaardingen op
zijn moeder Margaretha gewonnen. De kastelen bij Overschie gingen in
vlammen op. (B69) (HK).
1351/1352 Intrede ambtsverpachting. (B26).
1351/1352. Hertog Willem schenkt dan aan Philips Persoenresone het
schoutambacht van Maasland, omdat hij ten behoeve van een ridder, heer
Gherid van Herlair, het schoutambacht van Berckel heeft geruimd. Philips
had het schoutambt van Berckel gepacht voor het bedrag van 70 goede oude
Schilden; hij zal op zijn beurt de schout van Maasland weer moeten vol-
doen. Van de hertog zal Philips een kwitantiebrief ontvangen, hierop zul-
len de 20 Schilden worden vermeld die Philips aan 'Ghisen onsen backer
van Delf' heeft betaald. Totdat de hertog de gehele schuld heeft voldaan,
mag Philips het schoutambt van Maasland behouden. (B26).
Opbrengst tienden abdij van Egmond te Berkel in 1351/1352 91 lb 19 d
(B148).
In 1356 zag Gerard van Polanen zich het goed te Berkel ontgaan. (B30).
"Wij hooren de eerste maal van de (slot) kapel (van het huis Honingen in
Kralingen) in 1364, als heer Ogier en Willem van Kralingen de boedel van
hun ouders delen." (B159).
De N.H. kerk van Ameide, met welks bouw in 1365 werd aangevangen. (B113).
(K).
Het oosterlijk deel van Zegwaert is op 2 juni 1373 toegetreden tot het
water- en heemraadschap Schieland. Zegwaert verkreeg toen een watergang
over de Oude Lede (Bleiswijk), de IJselremeer en het ambacht nan Nieuwer-
kerk naar den IJssel, welke in 1386 werd vervangen door een watergang
naar de Rotte en een eigen sluis te Rotterdam. (B64).
Handvest waarin staat dat schotbaar land ongeacht den bezitter schotbaar
zal blijven zijn in de loop der 14e eeuw verleend o.a.: aan Rotteambacht
in 1378 (v. Mieris III, 329; bevestiging van een ouder privilege). (B35).
In 1381 is onder goedkeuring van hertog Albrecht het onderhoud van de
Berkelse kade ten laste gebracht van het ambacht Berkel geregeld en in
1448 vastgesteld dat de Rodenrijse kade ten laste van Berkel, Schieveen
en Akkersdijk komt. (B11).
"De Bokelswoning" werd in 1383 beleend door Thyman van Ruiven. (B17).
Grondgebied Delfgauw.
Opbrengst tienden abdij van Egmond te Berkel in 1383/1384 103 lb 12 s
(B148).
1384. Pieter Venijn Janszoon van de Oudendijk, Schout in Berkel en Roden-
rijs. Hij was voor 1384 Schout van Beukelsdijk en Schoonderloo vanaf
1368, hij was daar eigenaar van ruim 100 morgen land en van een boerderij
bij de Delfthavense Schie. (B10).
"Hetzelfde veen dat Albrecht van de Wateringhe in 1386 in erfpacht af-
stond aan zijn kamerling Floris- Ghijsbrechtszoon, geleghen in den
ambocht van Bleyswijc." (B03) (V).
1386. Hertog Albrecht gaf aan Florijs Ghisebrechtszoon, tollenaar te
Geervliet een veen in 't ambacht van Bleiswijk. In 1394 werd hem deze
gunst onthouden en werd 39 morgen van dit veen opnieuw verkocht en het
resterende deel van 42 morgen in 1395. (B34) (V).
1389 Delfhavense Schie (4 km) gegraven. Van de Oude Schie (Delf) naar de
Maas. Tegelijk met het graven van de Delfhavense Schie, in het laatst van
de veertiende eeuw is het gedeelte Delft-Overschie verbreed en uitge-
diept. (B06).
In 1394 schonk hertog Albrecht aan de stad Den Brielle een stuk land, "
waer syn watermoolen ten Briele op plagt te waateren". Deze watermolen
was toen blijkbaar al heel oud. (Bron: Manuscript Zoetermeer Zegwaard van
A.J.M. Tetteroo, 1971 - gemeentearchief Zoetermeer). [Vroege windwatermo-
len]
De "buren" van Zegwaard kregen in 1396 van de Schielandse heemraden toe-
stemming om in hun ambacht te delven. "buren" zijn ingezetenen. (B34).
"Thymanswoning", later boerderij "Nooit Gedacht", werd voor 1397 beleend
aan Claes van Ruiven. (B17). Grondgebied Delfgauw.
In 1397 gaf hertog Albrecht aan Dirc Cramer toestemming om de 2 morgen in
Nieuweveen (bij Nootdorp) die hij gekocht had uit te delven. (B34).
In 1399 gaf Arend van Egmond uit de inkomsten van Berkel en Rodenrijs,
100 roze Nobels (Engelse Nobels) aan het door hem gestichtte klooster der
Bernadieten te IJsselstein. (B10 en B13). "Cijnsregt over alle de landen
en huijsen, monterende in 't geheel eene somme van hondert Nobels, de
Nobel gerekent tegen 2 gld - 5 stv, waarvan deze Cijns genaamt is de
Nobels en bedraagt in gld. 225-0-0". Men noemde deze belasting later
Munnikegeld. (B10). Later werd deze last verbonden aan 20 hoeven gronds
(een hoeve is 30 morgen) en kreeg de naam "De 20 hoeven van de 100
nobels". (B13).
In 1399 moest Rodenrijs 16 riemen leveren (16 roeiers voor het leger van
de landsheer). In 1399 werd het aantal verlaagd van 16 naar 8 riemen.
(B07).
In 1399 verlichtte hertog Albrecht de dienst in Berkel in de hervaart,
omdat vele inwoners poorters waren geworden (mogelijk van Delft of Rot-
terdam) of zich onder andere heren hadden gevestigd, waardoor Berkel
"grotelic verarmt ende vermindert" waren. (B34).
1400-1500
De ambachten van het oorspronkelijke waterschap Schieland vormden in de
15e eeuw nog twee groepen; de Westambachten en de Oostambachten, die
ieder hun eigen bestuur hadden, hun ambachtsbewaarders, en dat daarvan de
Oostambachten alleen bestonden uit Bleiswijc, Zevenhuzen, Zegwaert en een
deel van Rotterban, zonder de ambachten langs de IJssel. (B64).
De Franse school was al bekend in de 15e eeuw in diverse steden in Neder-
land (B103).
In 1400 werd het aantal riemen (voor Rodenrijs) = roeiers voor het leger
van de landsheer teruggebracht van 8 naar 4. (B07).
Ca. 1400 vernemen wij voor het eerst een bemaling in de polder Berkel.
(B28).
Plm. 1400 ging het gerucht door de lage landen dat er in Groet een molen
was getimmerd die op windkracht liep, en het water "uitworp" (Floris van
Alkemade en Jan Grietensoen). Het moeten wel bijzonder lichte bouwsels
geweest zijn, want bij harde wind woeien ze om. Ook hadden ze een vaste
kap. (Van Hunebed tot Hanzestad, J. de Rek, 1977 - vermoedelijk overgeno-
men uit "De windmolens" van A. Ronse, 1943) (M).
Het archief van het hoogheemraadschap Delfland bevat een schat aan infor-
matie vanaf de 15e eeuw, ook van polders naast haar eigen gebied. (B02).
In het begin van de 15e eeuw was er niet n watermolen in Schieland (M).
De hoven van Schie en Delft werden in de 15e eeuw samengevoegd tot het
Hof van Holland. (B07).
De twee Bleiswijkschemeren, die een tiental kilometers voorbij Crooswijk
liggen. Volgens Gevers Deijnoot zijn zij ontstaan doordien van een aldaar
aanwezig bosch, in de 15e eeuw gerooid; de grond vergraven en weggevoerd
werd. Het bosch behoorde aan het Huis ter Duyn, dat deel uitmaakte van de
ambachtsheerlijkheid Zevenhuizen. (B29).
De huidige bouw van de Hillagondakerk van Hillegersberg is van de 15e
eeuw. (B01) (K).
1405 (Rotterdams) visrecht strekte zich uit van het Duifhuis te Crooswijk
tot Zevenhuizen en Bleiswijk toe. (B03).
Hollandse molen (windmolen met draaibare kap en konische romp) de oudste
binnenkruier in Alkmaar 1407 (windwatermolen). Waarschijnlijk afgeleid
van de torenmolen met draaibare kap die al voor 1407 al bestond b.v. de
torenmolen in Geervliet van 1382. (B08) (M).
In 1407 reisden de Hoogheemraden van Delfland naar Alkmaar om daar n
van de eerste Hollandse poldermolens in bedrijf te zien. De molen was ei-
gendom van: Floris van Alkemade wonende op het in het ambacht Zoeterwoude
gelegen Huis Cronestein en Jan Grietensoen burgemeester van Leiden. In
1413 had de dijkgraaf van Delfland zo'n zelfde molen op zijn landgoed in
Schipluiden staan. (Het zou hier om een binnenkruier gaan die zowel koren
kon malen als water kon uitslaan). (B08) (M).
1408, windwatermolen in Zoeterwoude gebouwd. (B08) (M).
1408 (15 juni). Boudewijn van Swieten zegelt op 30-12-1408 in de plaats
van en op verzoek van zijn neef Dirc van Swieten, hoogheemraad van Rijn-
land. (B23-23).
In Zevenhuizen was in 1411 sprake van lastgeld, dat verschuldigd was
"upten hoghen moer". (B34).
1411. De leenheer belooft Willem van Egmond, zijn broer, jaarlijks 400
engelse nobels te geven, waarvoor hij hem o.a. het ambacht van Berkel en
Rodenrijs in leen geeft. (B91).
De inpoldering van de polder Nieuwland in Zandambacht vond omstreeks 1420
plaats. (B32).
Grootte der veenambachten in 1420 in morgens: Mattenes: 150-,
Ouderschije: 1920-, der Leck: 223-, Boekels dijc: 195-, Scoenreloe: 105-,
Coel: 195-, Blomers dijc: 195-, Ruijbroeck: 118-, Scijebroeck: 720-,
Berch polre: 210-, Rotterban: 3870-, Cralinghen: 1500-, Copelle: 1110-,
Nverkerc: 1050-; Bleijswijck: 2130-, Zeuenhuysen: 3120-, Moerdrecht: 840-
en Zegwaart: 430 morgen. (Hoefslagen Schieland) (B34) (V).
Sint Elizabethsvloed 18 november 1421.
In 1426 heeft een woeste bende soldaten onder leiding van Willem van
Nagel gruwelijk huisgehouden in Hillegersberg. Kasteel en kerk zijn in
brand gestoken en bijna geheel verwoest. (B05) (K).
In 1426 is door huwlijk van Gillisken van Weena, vrouwe van Bleiswijk,
met Willem van Bronckhorst de hoge heerlijkheid Bleiswijk in het bezit
van het geslacht Bronckhorst gekomen. (B29).
In 1426 heeft Rotterdam, dat zich toen als hoofdkwartier van de Kabeljou-
wen door Jacoba van Beieren en haar Hoekschen aanhang bedreigd gevoelde
en een overval vanuit Gouda vreesde, de muren van Honingen laten neerha-
len, opdat zich daar geen vijanden zouden nestelen. (B159).
In 1429 verlenen de heemraden van Schieland aan de inwoners van Bleiswijk
vergunning tot het vervenen langs de landscheiding met Delfland op voor-
waarde dat er tenminste 3 roeden (ca. 10 m) blijft liggen. (B11).
Wipmolens zijn vanaf ca. 1430 ontwikkeld. (windwatermolen). (B08) (M).
Philips van Bourgondi (Philips de Goede) (1433-1467) ontnam Jacoba van
Beieren Holland, Zeeland en Henegouwen. (B96).
De eerste houten wipwatermolen werd rond 1434 in de Spaanse polder ge-
bouwd. (B09). In Schieland was reeds in 1434 een watermolen gesticht in
den polder Spangen. (B29) (M). De eerste watermolen van Schieland dateer-
de van 1434. (B156).
Jan II met de bellen van Egmond bereikte in 1439 dat zijn heerlijkheid
Egmond van het klooster werd afgescheiden. (B66).
1442. Accoord bouw watermolen door de ingelanden van de Bergpolder en
Blommersdijk. (B156).
In 1443 was de R.K-kerk van Bleiswijk in treurige staat. Men kreeg verlof
van de bisschop de toren af te breken en opnieuw op te bouwen. Tijdens de
werkzaamheden bleek dat ook kerk en priesterkoor hersteld moesten worden,
hetgeen men zonder bisschoppelijke machtiging deed, waardoor de kerkmees-
ters en de patronen der kerk ipso facto den kerkelijken ban beliepen. Op
12 december 1443 werden de kerkmeesters en patronen echter absolutie ver-
leent. Ter stimulering van de bouw verleende de bisschop een aflaat van
40 dagen aan allen, die iets bijdroegen aan de bouw en de retauratie van
den toren. (B147).
Op 19 juli 1446 een uitspraak van de Hoge Heemraden van Delfland. "Dat
zij wier land afgedolven was ten behoef van de Rodenrijse Kade (land-
scheiding) daarvoor 100 Philippus Boergondsche schilder zou hebben ont-
vangen en dat een iegelijk zijn kade bloot houde en maaien zou, zonder
daarop beesten te laten gaan" Het ging hier om een vergoeding voor afge-
graven land. Waarschijnlijk is er klei gebruikt. Klei was in Berkel be-
schikbaar op twee kleieilandjes n.l. het Oude land in het Rodenrijs en de
Kleihoogt in het Noordeinde. (B10).
1447, 13 november. Schieveen, Berkel en Akkersdijk komen in n polder-
verband. Hof van Delft, Pijnacker en Vrijenban ook in n polderverband.
(B02). In 1447 werd een sluitende kade lands de Stricklede aangelegd tus-
sen de ambachten Berkel en Pijnacker (Strickkade) (B11).
1450 Uitvinding boekdrukkunst: Lauwrens Janszoon Koster of Johan
Gutenberg? (grote gevolgen voor scholing: veel mensen leerden nu ook le-
zen en schrijven, zij waren nu niet meer afhankelijk van het met de hand
overschrijven van boeken) (B96).
Op 8 oktober 1450 wordt de scheiding tussen Pijnacker en het Hof van
Delft en Vrijenban goedgekeurd.
In 1451 verkocht het klooster van Sint Aaghten te Delft een stuk grond
aan Kerstant van Alckemade, die op het landgoed "Leeuwensteyn" aan de an-
dere kant van Voorburg woonde. (B41).
In 1454 is er sprake van onrechtmatig turven in de vrijheid en heerlijk-
heid Bleiswijk. (B23).
In 1454 vroegen een aantal ingelanden van Schieveen weer gescheiden te
mogen worden van Akkersdijk en Berkel, in 1458 werd Schieveen een zelf-
standige polder. (B02).
Die van Bleiswijk mochten in 1455 de landscheiding niet nader delven dan
20 roeden. (B34).
In 1457 werd Harman Pieterszoon bekeurd omdat hij achter Katwijk in
Pijnacker de landscheiding tussen Rijnland en Delfland te na gedolven was
(B34).
1459. De bewoners van Oost-Berkel, wonend in het gebied tussen de Berkel-
seweg (later Noordeindsweg) en de Landscheiding mochten in dit jaar slui-
sjes maken in de Berkelseweg "om hoer water toten sluyssen ende toten mo-
len te becomen". Aan de westzijde van de Berkelseweg liep een watering
die dit water af kon voeren. Zij werd daartoe in 1460 verbreed tot zeven
voeten. Vermoedelijk stond zij in verbinding met de Berkelse meren, van-
waar het water door de molensloot naar de molens stroomde. (B137).
1460 sprake van de eerste Schieveense molen. (1597 2 molens, de Achtkante
en de Wip. In 1614 werd een nieuwe Achtkante gebouwd). (B02) (M).
De pastoor van Berkel beklaagt zich in 1460 dat hij door het graven (ver-
venen) aan de wegen zijn parochianen in doodsnood iet kan bereiken.
(B07). Bron 137 vermeld "Enige kerstenmenschen bij dien voirss. gebreken
sonder biechte ende sonder sacramente te ontvangen offlivich mochten wor-
den". (B137). De hoogheemraden droegen alle buren van Berkel op binnen 3
dagen de sloot langs de dorpsweg - 7 voet (2,2 m) breed te maken. Hier-
door zou dan een betere afwatering ontstaan (B137).
"Int jaer LX (= 1460) Dit sijn die geen die getuycht ende geseyt hebben
bij hoeren ede roerende van dat ongeheerde landt tot Berkel gelegen gehe-
ten Zwemmecoop ende Jacob die Weldigen lant dits gedaen int jaer LX des
manendages voer jaersdach inden Hage inden Gouden Pot in't jegenwoordich-
eyt Heynrick Her tot Naeldwijck ende Boudijn Hert.
* Eerst heeft geseyt bij sijnen ede Jan Claes zn. als van Zwemmecoop hoe
dat dit Pieter Melijs zn. verorft heefft ende is gecomen van Dirck Dolen
sijn wijffs vader ende alsoe die voirs. Pieter Melijs zn. dit voern.
Zwemmecoop verorft heeft enen geheten Dammas Jacobs zn. soe heeft die
selve Pieter Melijs zn. die gift gegeven voer recht die voirs. Dammas
Jacobs zn. dese nyet en heeft willen ontfangen.
* Item Gerijt Colijns zn. heeft alleens getuycht van dit voirs. Zwemme-
coop item.
* Item Kornelijs Jacobs zn. heeft oick mede hier of alleens getuycht ende
heeft mede geseyt hoe dat Jan Baertouts zn. Dammas Jacobs wijff heeft.
* Item Pieter Jans zn. heeft geseyt bij sijnen ede als 't lant dat gehe-
ten is Jacob die Weldigen lant hoe dat Jacob die Weldich dit selve lant
laitstwerven selve gebruyct heeft ende die oncosten als van banwerk ende
anders daer self of bewaert heeft geliken als daer toebehoerde.
* Item Claes Geerlofs zn. heeft hier og alleens getuycht.
* Item die schout van Berkel oick alleens hier of getuycht.
* Item Geerlof Hugen zn. heeft allens getucht als van Jacob die Weldigen
lant als hier voer geroert is.
* Item dese selve Geerlof Hugen zn. heeft mede geseyt ende getuycht als
van Zwemmecoop geliken die andere personen van Zwemmecoop getuycht hebben
als boven als hoe dat Dammas Jacobs zn. die gift van Zwemmecoop nyet ont-
fangen en heeft soe heeft hij nochtans dat lant van Zwemmecoop gebruyct
ende daer toe VI libra ontfangen." (Bron: OAD 1618-H5809 bib HH Delfland)
1466. Accoord bouw watermolen polder Berg en Broek. (B156).
Berch: Item geconsenteert bij vervollich van de meestedeel van de eijgen,
gelegen tusschen den hoelsloot, gelegen van den Berch oestwaert tot den
hoeck, hemselven te becaen. So sel den Berch wesen huer cade ande noert-
zijde ende ande Rotte oic een cade te maken. enz. ende dan dair een
watermolen in te zetten, enz. ende een hoeltge inde Ommoirder la(a)n.
(1469) (OV 1977) [ Is dit de Butterdorpse molen in Bergschenhoek ? ] (M).
[Is dit de vroegste vermelding van Bergschenhoek "den hoeck" ?]
De buren van Berkel groeven diep, sommigen n put, anderen twee, omdat
"Sij nu eerst (kwamen) tot den besten turff". Dat wijst alles op een vrij
hoge ligging van Berkel. (1466). (B34). Er waren zelfs venen waar koren
op kon groeien, getuige de verklaringen in het in 1466 aangevangen proces
over de venen in Berkel. Door het vervenen waren slechts de uitgespaarde
ribben nog te gebruiken om gewas op te verbouwen, doch zo smal dat men er
de ploeg niet kon wenden, getuige de verklaringen van de buren van Berkel
in 1466, het was deze lieden daardoor volstrekt onmogelijk koren te ver-
bouwen. (B34) (V).
In 1469 is de heerlijkheid Heenvliet tot stad verheven. (B165).
In 1470 verklaarde de abt (van Egmond die de korentienden t.g.v. de ver-
vening aan zijn neus voorbij zag gaan) "dat tot Berckel veel ruggen van
landen leggende waren, hoich genoech wesende om coirn te dragen, wairt
dat men die ploege dair up weijnden mochte" (wijnde = wenden, keren). De
ruggen, de smalle ribben die overbleven na het delven waren te smal om
een ploeg op te laten wenden. (B34). In 1470 was het waterbezwaar na het
veendelven in Berkel zo "tot sommige steden bij tijden van jaren een hal-
ve tonne diep onder water stond". (B34) (V).
In 1470 betaalde men de 22e turf aan de abdij van Egmond. (B&R) (V).
1471. Scheiding tussen Berkel en Akkersdijk. (B02).
Uitspraak, scheiding tussen polderverband Berkel en Akkersdijk in 1471.
Vermoedelijk hing deze uitspraak samen met een geschil tusen de buren van
Berkel en de abt van Egmond, die op grond van het hem toekomende tiend-
recht aanvankelijk elke 10e turf opeiste, in 1470 elke 22e turf en op
2-12-1471 elke 24e turf, mits de buren van Berkel de molens aan de Schie
zouden verplaatsen, opdat het land waarvan de abt het tiendrecht bezat
beter bekaad en bemalen zou zijn. Aangezien Berkel nu niet meer kon afwa-
teren via de Lede mocht Berkel een molensloot maken vanuit de meren naar
de molens. Waren er in 1471 slechts 2 molens, voor 1490 waren het er
vier. De derde gebouwd kort na 1471. (B137).
Overschie had in 1477 85 huizen. (B69).
1475. Item hebben H.H. geconsenteert die Ingelanden gelegen int ambocht
vanden berych twysschen die cade die bij Jacop Mathsz. uploep anden
Broeckse wech tot den hoeck toe, hem te becaden ende te bezijlen ende een
molen te zetten als dat behort, enz. (OV 1977) (M).
1476. Item van de molenmeester van de molen die staet in Butterdorp.
(OV-1977) (M).
Hillegaersberch: Up Sinte Nyclaes avont int jaer neghen ende tseventych
(1479 !) gaf Aelbrecht Jacobsz. die ghemeen byeren van die Botterdorpze
molen acht marghen lants (om) een cade te scieten op voorwaerden van
vrijdom van ongelden voor de molen ten ewyghen dagen ende dat de bezitter
van het land de cade zal houden in hare staet buijten cost ende hinder
van Aelbrecht Jacobsz. voirsz. Ende hier hebben bij gheweest als tuijch
Phylips Willemsz. ende Claes Tasz. Jan Dircz. heeft gheloeft up Sint
Maertins avont die Clerc van Scielant te voldoen van alsulcke pennyngen
als hem comt van 'tAmbocht van Rotterban, dat is te weten die helft van
hondert hoven ende 29, te betalen binnen die staende scouwe. (OV 1977).
(M).
De Oestambachten (van Schieland) t.w. een deel van Rotterban,
Bleijswijck, Zevenhuijssen ende Zegwaert. 1480. (B106).
In 1480 stond er al een watermolen in polder Cralingen, in 1486 werd er
een tweede bijgebouwd. (B156).
De Gravin van Holland, Maria van Bourgondi (Maria de Rijke) stelde in
1481 aan het Dominicanerklooster in Den Haag de vis uit de meren van Ber-
kel ter beschikking. (B15).
1482. Willem Dircksz. ende Bartout Pietersz. warden gekozen tot Mmrs. te
weten van die Butterdorpse molen. (OV 197?) (M).
Op 22 juli 1484 wordt beslist dat Schieveen de Rijskade moet onderhouden.
In 1486 constateerden de heemraden van Delfland dat de landscheiding bij
Pijnacker opnieuw "te nae gedolven was", waardoor er water doorsijpelde
en de dijk verging. (B34).
In 1486 staan er in Schieland 2 molens. De eerste was van 1434 en de
tweede van 1486 (M).
Twyst ende gesciel als daer gheweest tusschen den ingelanden van 't Hoeck
(Bergschenhoek) ende Bleijswijck t.e.z. ende Dirc Hobbez. met sijnen zoen
aen dander zijde, roerende van een molen die verbarnt is binnen den
ambochte van Bleijswijck. 1486. (OV 1977) (M).
In 1488 blijkt er al een sluisje in de Berkelse weg (Noordeindse weg) te
liggen. Vermoedelijk ook het bouwjaar. (B11). (B&R).
In 1488 kocht Berkel gronden (haar aandeel in de viervoet) in Zoetermeer,
Katwijk in de Veur. (B11).
1488. Verklaring afgelegd door de Schout van Segwaart, daarin is te lezen
dat voor hem "quamen Eggbert Gerritsen ende Geertruit sijn gegte wijff,
geven aan het Godshuis van Segwaart 1/3 van 1 1/2 morgen lants ende een
1/4 deel houts leggende in de Ambochte van Berckel" (B10).
In 1488 werd Rotterdam onverwacht door jonker Frans van Brederode ingeno-
men en van hier plunderde en brandschatte hij geheel Holland, ofschoon
zijn aanslagen op Schoonhoven, Delft, Schiedam en Gouda mislukten. (B61)
Op 11 februari 1489 werd het dorp Bleiswijk bezet met zeven vendels voet-
knechten en zes vendels ruiterij: "gewoon wat rou te leven". E.e.a. ge-
beurde tijdens de Hoeksche en Kabeljouwse twisten. (B147).
Dat zy (Bleiswijk), met andere omliggende dorpen, in den beginne van 1589
door Jonker Frans van Brederode, als het hoofd der Hoekschen werd gesteld
op brandschatting, waarop den 11 February eerstvolgende, het Ambacht be-
legen werd met 7 vaandels voetknechten, en 6 standaarts ruitery, onder
beleid van den Stadhouder van Holland, Jan van Egmond, zynde het hoofd
der Kabeljaauwsche party, zo dat daaruit genoegzaam blykt, dat Bleiswyk
het lot der tweedragt meer dan te veel heeft ondervonden. (B12).
1491. Belofte van Cornelis Cruesinc, heer van Benthuizen en Jan
Oliviersz., rentmeester van Johanna Woutersd. van Egmond, vrouwe van Zeg-
waard, over de voorwaarde waarop Rijnland en Schieland de landscheiding
tussen Rijnland en Schieland, de zogenaamde "Hylle" mogen doorsteken.
(B23-54).
In 1492 kocht de stad Delft de heerlijkheid Overschie. (B02).
In 1492 werd Delft beleend met het ambacht Overschie met renten,
visscherij, wind en anders. (B69).
De overgang van het ambacht Schie van Schieland naar Delfland zal in ver-
band hebben gestaan met de aankoop van de ambachsheerlijkheid Schie door
de stad Delft van de heren van Naeltwijc in 1492. (B64).
24 januari 1493 sprake van de Pijnackerse watermolens (M).
Overschie had in 1494 65 huizen. (B69).
In 1494 zijn van de 1800 morgen land in Overschie slechts 50 morgen van
Overschirs zelf. (B69).
In 1494 blijkt er al niet veel veen meer te delven te zijn in Berkel,
Bleiswijk en Hillegersberg. Rond die tijd zal men dan ook overgegaan zijn
op het baggeren (slagturven of flodderen) van veen (V).
In 1494 openbaarde zich een nieuwe ziekte die de naam 'syfilus' kreeg, in
1500 sloeg een verwoestende epidemie tijdens n der Franse oorlogen in
Itali als een razende om zich heen en kostte in korte tijd honderddui-
zenden levens. (B104).
1499. Roerende de Rorijscade: Afschrift van koopacte van het land dat
Berckel heeft gekocht van enige buren van Hillegersberg, het Godshuis ten
Berch en de Gildemeesters van Schiedam van Onser Vrouwen wege, welk land
ligt in den Broeck, om daarop een kade te make. (De Roderijse kade)..
ende was ondergeteiikent, J. van Duvenvoirde. Totaal 10 verkopers resp.
breedte in roede / en lengte in roede: 20/5, 14/5, 22/5, 11 1/2 /5,
8 1/2 /5, 10/5, 9/5, 30/5, 30/5 en 11/4. (B106)
De zetel van het Hof van Schieland moet eerst in Overschie gevestigd zijn
geweest, doch omstreeks het einde van de 15e eeuw overgebracht naar Rot-
terdam. (B33).
1500 n. Chr. 0,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
De polder van Berkel was een echte veenpolder het hoofdmiddel van bestaan
in deze polder was de veenderij. Omstreeks 1500 voorzag Berkel de omlig-
gende steden van turf. (B&R) (V).
1500-1600
Rond 1500 betaalde Schieveen 1/3 aan de omslag voor Delflands sluisgeld
als lidmaatambacht aan de omslag over de Berkelse sluis. Berkel moest
weer voor 1/5 meebetalen in de sluisrekening der Oostambachten van Delf-
land. (B02).
De bevolking in Nederland liep tussen 1500 en 1650 op van n tot ander-
half miljoen en dan tot 1750 stationair. In 1795 bij de eerste volkstel-
ling is de bevolking opgelopen tot ruim 2 miljoen. (B103).
Rotterdam heeft in de 16e, 17e en 18e eeuw bijna alle heerlijkheden in
Schieland bezeten, als Benthuizen, Moercapelle en Wilde Venen, Bleiswijk,
Moordrecht, Hillegersberg met Rotteban en Bergschenhoek, Kralingen, Cool
met Beukelsdijk en Blommersdijk en ook Katendrecht. (B29).
In een cohier van de tiende penning van Ruiven uit de 16e eeuw is de to-
tale grootte van Ruiven 230 morgen. (B106).
Begin 16e eeuw moest er door het kerkbestuur van Berkel en Rodenrijs een
driejaarlijkse rente aan de pastoor van Overschie worden betaald, omdat
een gedeelte van Berkel en Rodenrijs behoorde tot de parochie van Over-
schie, maar de bewoners ervan gingen in Berkel naar de kerk. (B15) (K).
In 1507 blijkt ten lange leste de feitelijke separatie tussen de baljuw-
schappen Delfland en Schieland te zijn ondertekend. (B26).
18-12-1507. Steffen Baertoutsz. zet 6 morgen land in Butterdorp tot on-
derpand. Eeuwout Jacobsz. WZ en Jan Symonsz. OZ, strekkende van de Berch-
wech tot aan de nieuwe wateringe. (B47)
Het oudste document met betrekking tot De Tempel in Berkel en Rodenrijs
is van 17-2-1511, "Daniel van Cralinghen verhuert Jan Heijnricsz." enz..
Bron: Oud-archief Berkel en Rodenrijs. In 1500 volgde Daniel van
Cralingen zijn vader Jan van Cralingen op als leenman van De Tempel. Om-
streeks de tweede helft van de veertiende eeuw toen Kerstine van Rodenrys
huwde met Willem van Cralinghen en later na hun dood werden hun goederen
verdeeld onder hun vier zoons. Misschien is toen bij die verdeling De
Tempel ontstaan als zelfstandig heerlijkheid. Dr. Kersbergen gaf als ver-
klaring voor de naam "De Tempel": In de middeleeuwen kende men een Tempel
als een voorwerp om iets geopend te houden, in het bijzonder een sluis-
deur en dan zou de naam gegeven zijn aan de plaats waar water in en uit
gelaten werd, waar men dus "tempelde" Oktober 1512 werd De Tempel overge-
nomen door de jurist Mr. Jan Jacobszoon van Utrecht. In 1518 werd hij
dijkgraaf van Delfland. (B10). De Tempel bezat van oudsher hoge en lage
rechtspraak. De Tempel was vanouds vrij van schot, lot ende beeden en van
grooten thienden. Secretaris van de Tempel was steeds secretaris van
Berkel en Rodenrijs. (Bron: artikel Sonneveld in De Schakel)
1512. Betreffende het verzoek van de ambachtsheren om bij rechtsonzeker-
heid te Zouteveen naar de Lier te gaan voor advies en bij rechtsonzeker-
heid aldaar naar Berckel te gaan, is de landsheer van oordeel dat de
regeling die de oude costumen geven, dient te worden gehandhaafd. De
Lierenaars hoeven bij onzekerheid niet naar Berkel, maar mogen zelf hun
problemen en die van Zouteveen oplossen. (B26-221-223).
Omstreeks 1512 had de stad Delft het Baljuw- Dijkgraafschap van Schieland
in pacht en werd de Baluw-Dijkgraaf door haar benoemd. (B33).
1512-1771. Rekeningen van de molenmeesters van Butterdorp. (B97-D32-34).
(M).
Grootte der veenambachten in 1514 in morgens: Berkel 1350, Bleiswijk
1050, Hillegersberg 3870, Pijnacker 1700, Ruiven 95+?, Schiebroek 720,
Vrijenban 1800, Zegwaard 853 en Zevenhuizen 3120 morgen. (B34) (V).
Overschie had in 1514 59 huizen. (B69).
Aantal woningen in 1514: Berkel 111, Bleiswijk 75, Hillegersberg 140,
Pijnacker 115, Ruiven 8, Schiebroek 21, Vrijenban 13 en Zegwaard 74.
(B34).
In 1514 bevat Overschie nog 6 heerlijkheden: 1) de poorterije (vrijdom)
van Rotterdam met 3 huizen, 2) de poorterije (vrijdom) van Delft met 24 a
35 huizen, 3) de heerlijkheid Akkersdijk met 8 huizen toebehorende aan de
vrouwe van Reynsbourch, 4) 't ambacht van Sciebrouck waar Adraen van
Egmond ambachtsheer is 20 huizen, 5) Beuckelsdyck van ambachtsheer Mr.
Jan van Almonde met 14 huizen die tot het kerkelijk gebied van Overschie
behoren en 6) de heerlijkheid Matenesse met 9 huizen. In Overschie zelf
59 huizen. (B69) (K).
1514. In Berkel werd dit jaar 2400 ton turf gedolven. (B34) (V).
In 1523 was de toestand van de kerk in Bleiswijk opnieuw deerniswaardig,
in 1532 was er voldoende geld om een nieuw choor, hoofdaltaar en toren te
bouwen. (B147)
"Die van Berckel ende Pijnaecken hebben beloeft voerden dgr. H.H. hoe dat
sij met die buren vant Oestende van Rotten met malcander ghelden ende
betalen sullen alle die costen die daer sijn roerende dat leckwater...
(ca. 1523) (B106).
Ca 1525 woonden er in Dordrecht, Delft en Gouda tussen de 10.000 en 15000
mensen, in Rotterdam en Den Haag tussen de 5.000 en 10.000 mensen en in
Schiedam en Gorinchem tussen de 2500 en 5000 mensen. Bron: Handleiding,
beoefening lokale en regionale geschiedenis, W. Jappe, 1984 (2e druk).
In 1525 begint Berkel een proces voor het Hof tegen Bleiswijk, Hillegers-
berg en Schiebroek i.v.m. intensieve vervening aan de Schielandse zijde
van de landscheiding. In 1529 wordt o.m. bepaald dat tien roeden langs de
landscheiding zullen blijven liggen, waarvoor Berkel 200 gulden moest be-
talen. (B11).
"Die buren van Berckel hebben beloeft dat sij een hoeltgen macken sullen
inden Berckelsen wech ten bate van die van Bleyswijck". (ca 1526) (B106).
1527 blijkt de (Zwet)sluis al aanwezig te zijn. (B&R).
Delflands heemraden verordeneren in 1528 i.v.m. de landscheiding tussen
Delfland en Schieland (vooral achter Berkel zwaar gehavend) dat aldaar
een nieuwe kade aangelegd moet worden. (B34).
1529. Tijdens een dijkschouw ziet men "eenen wech genoempt 't Scheyt
achter Berckel". (B12).
In 1532 werd in Bleiswijk een andere kerk herbouwd. Deze nieuwe Hervormde
kerk heeft een preekstoel uit 1622, doophek, koperwerk en herenbanken uit
het laatste kwart van de 17e eeuw. Het orgel is van 1841. (B01) (K).
Michiel Claesz. uit Bleiswijk had tegen de regels in 7 koeien op de land-
scheiding tussen Berkel en Bleiswijk geschut. De boer verzette zich hef-
tig tegen het afvoeren van zijn beesten naar de singel van het kerkhof
van Berkel die als schutwei dienstdeed. Onderhandelingen met de hoogheem-
raad over de borgsom mislukte zodat Michiel Claesz. met zijn zoon en een
vijtal mannen, allen gewapend des 's avonds een nieuwe poging ondernamen
hun koeien terug te krijgen. 1537 (B37). Een zeer oude gewoonte was het
opvangen "schutten" van het op de wegen of op andermans land loslopende
vee. (B69).
1540. Willem Dos, Jan Jansz., Hermen Willemsz., Neel Huygensz, Mijn
Quant, jonge Jacob Jacopsz., Ghijs Pietersz. van Delft, Jan Adriaensz.,
Heyntge jonge Heinsz., Joorys Branckez, Claes Jacopsz., Jan Dircxz. en
Jaep Gerijtsz., allen uit Berkel krijgen een bekeuring wegens ongeoor-
loofd slagturven (in eigen grond). (B23-199).
Op 23 maart 1540 stonden voor de vierschaar van Delfland enige boeren te-
recht, die vee hadden laten weiden op de landscheiding. De dijkgraaf eis-
te, dat hun rechterhand, zou worden afgehouwen. De heemraden waren geluk-
kig milder, het vonnis werd: veertig carolus guldens boete, vergiffenis
vragen in de eerstvolgende openbare zitting van de vierschaar, barrevoets
meegaan in de eerstvolgende kerkprocessie te Pijnacker met een brandende
kaars van twee pond was. (B127) (K).
In 1542 moesten de turfverkopers uit Bleiswijk, Zevenhuizen en Schiebroek
in Rotterdam de 16e penning op hun turfverkopen betalen, terwijl in
Delft, Gouda en Schiedam niets betaald hoefde te worden. Rotterdam leed
grote schade omdat de turfverkopers niet meer naar Rotterdam kwamen.
(B34) (V).
De eerste droogmakerijen in Holland in Geestambacht onder Oudkarspel van
het Dergmeer in 1542 en het Kerkmeer in 1547. Het waren ondiepe plassen.
(B34)
Arent Hoflant "schut" in 1544 reeds paarden op de landscheiding in
Bleiswijk. Hij neemt dus paarden in beslag, die vrijgekocht konden worden
tegen betaling van een boete. In 1545 trad hij reeds als bode op en wel
in een uitzonderlijke zaak: een rechtzaak op straat voor de deur van de
herberg "Sint Maerten" en zonder het rechtscollege van hoge heemraden. De
bode stelt de boete vast en Meester Ewout Simonsz., priester, moet als
getuige van dit voorval officile kracht aan de uitspraak verlenen. Een
vroeg voorbeeld van vereenvoudigde afdoening. (B106).
17-1-1545. "De Hofstede genoempt den Tempel onder Ouderschie". In de
margine lezen we" "Te vraeghen waeromme en de waer uijt dat hij weeten
dat Den Tempe l onder Ouderschie ende neijt onder Berckel sorteert. Zoe
den Tempel d' een soe nae leijt als d' ander". (B10).
In het derde schuldboek van Rotterdam opgenomen in OV 1995: (Bergschen-
hoek) 1) (107.107v) 1548: Aernt Claesz. Hofflant, oud 28 jaar, gezworen
bode van Schielant, Joris Willemsz., oud 25 jaar, wagenaar, Ghijsbert
Cornelisz., oud ca. 27 jaar, dienaar van Frans van Roen, baljuw van Rot-
terdam, Jan Arysz. oud ca. 28 jaar en Roel Fransz., oud ca. 29 jaar,
affirmeren: Vsz. Aernt en Roel Fransz. daar zij op 26-7 laatstleden uit
naam van de baljuw teneinde te bewaren het recht van de keizer inzake de
turfmaat binnen Hillegersberg "nae oude haerkommen", gekomen waren aldaar
en vsz. Aernt als bode en gemachtigde van de baljuw gedaagd had Pieter
Tassen Claes (= Claes Pietersz. Tas) en Willem Dircxz. op boete van 10 's
Heren ponden, dat zij hem zouden wijzen hun eigen turf en die van enige
anderen tot 3 of 4 eigenaren toe, opdat zij konden meten de hoeveelheid
turf van ieder apart. Maar zij waren beiden onwillig en vsz. Pieter
Tassen Claes zei: Ik wil het niet doen, ik heb de brui van u en van allen
die u aangaan en krijg de pestilentie, met meer dergelijke kwade woorden.
Waarop Aernt Hofflant zeide: Wijst ons dan uw eigen turf. Waarop Pieter
zeide: Ik wil het niet doen en hebt die pestilentie. En daar zij onwillig
bleven heeft vsz. Aernt uit eigen kracht van zijn commissie deze personen
gedaagd voor des baljuws vierschaar. [Claes Pietersz. Tas en Willem
Dircxz. hadden turfland in Bergschenhoek wat als "ten Houck" werd aange-
duid.] 2) (107v, 108) 1548: Jan Adriaensz., secretaris der stede van Rot-
terdam, zegt dat Dinsdag 1.1. 8-8 de baljuw van Scielant heeft aangespro-
ken Pieter Tassen Claes en Willem Dircxz. Nadat zij hadden gevraagd en
gekregen een copie van de eis van 10 herenponden elk, werden zij opnieuw
gedaagd om n dag later met de baljuw rond te gaan om de turfstekers aan
te wijzen, waarop zij mopperende weggingen. Vsz. Arent Hofflant, Joris
Willemsz., Ghijsbrecht Cornelisz., Jan Arysz. en Roel Fransz. affirmeren
dat zij op 8-8 gereden zijn met de baljuw van Schielant tot Hillegers-
berch en van daar ten Houck. En onderweg werden zij gewaarschuwd door een
zekere mr. Henrick chyrurgijn, wonenden ten Houck, dat er veel volk ver-
gaard was, dat zeer kwaad en verstoord was. Daarna kwam Aernt Hofflant
ten huize van zijn zuster Meynsgen Hofflants en "screyde" de vsz.
Meynsgen, zeggende: Lieve broeder, wilt ge ten Houck, gij zult ervan niet
levend wederkomen, er is wel 100 man verrzameld. Maar de baljuw ging ver-
der en sprak, van de wagen komende: Goede mannen, zijt gij zo gezind? Het
was gezegd dat iedereen op zijn eigen veld zou blijven voor meten. Wat
hebt gij voor? Waarop zij riepen: Wij willen onze turf niet gemeten heb-
ben, gij moet uw moer bruijen! En meer dergelijke dreigende woorden. Wat
is uw commissie, wij willen die zien. Wij zijn in lange jaren niet geme-
ten. Zij scholden de baljuw de pestilentie te krijgen. De baljuw zeide:
Is dat uw aller mening, zo steekt de handen op. Toen staken allen de hand
op. Vsz. Ghijs, Joris en Jan zeggen nog dat zij waren ten huize van Jan
Pas en hoorden dat enigen zeiden, dat zij met elkaar gezworen hadden.
Noch Pieter Tassen Claes, noch Willem Dircxz., gedaagden, wilden na som-
matie meegaan om te meten. De baljuw vroeg ene Colijn Cornelisz. waar
zijn turf stond, maar die weigerde te wijzen waar en zeide: Gij moet uw
moer bruijen. Hij ging terzijde staan en op zij dagge wijzende zeide
hij: Gij zult aan meer dagen van uw leven niet toekomen. En allen stonden
dreigend om de baljuw en gevolg om hen in te sluiten. De baljuw en getui-
gen zijn toen op de wagen gegaan. En een vrouwspersoon, volgens Jan
Arysz. was het Jan Vos wijff, riep: Als ge komt meten en ge staat aan de
kant van de dobbe, dan zullen wij u erin stoten. 3) 7-9-1548: Cornelis
van Reneghom Cornelisz., dijkgraaf en baljuw, heer Willem van Alckemade,
Floris van Assendelft, Adriaen van Matenes, ridderen en Frederick van
Duvenvoerde, Hoge en Welgeboren Heemraden van Schielandt, hebben gemach-
tigd Wouter de Hont Dammesz., hun klerk, mrs. Aelbrecht Bouwensz., Jacob
Potter, Adriaen de Vaute, procureurs in de Grote Rade des keizers tot
Mechelen, om namens hen te behandelen de zaak versus de ingelanden van
Zevenhuysen, Moerdrecht, Bleyswijck c.s. en alle anderen. Belovende van
waarde te houden al hetgeen zij geconstitueerden in deze zaak zullen
doen. [Er is aangenomen dat het hier nog steeds gaat over het geschil be-
treffende het meten van de turf.] 4) Colijn Cornelisz., Cornelis Dircxz.,
Arien Jansz. Cleyn, Arien Arysz., Gerijt Jansz., Willem Vranckez. Vos,
Pieter Arysz., Cornelis Jansz. Ouwerschie, Willem Dircxz., Jan Ariensz.
Tant, Claes Pietersz. Tas, Bartout Jacobsz., Arien Jansz. machtigen samen
Jacob Herwyer procureur en zij ratificeren de procuratie die Pieter
Dircxz. Huysman, David Euwoutsz. en Colijn Cornelisz. gepasseerd hebben
en ratificeren alles dat uit krachte van deze procuratie door Jacob
Herweyer gedaan zal worden. [Inwoners Bergschenhoek waren dus: Jan Pas,
Claes Pietersz. Tas, Willem Dircxz., mr. Henrick chyrurgijn, Colijn Cor-
nelisz., Jan Vos en Jan Vos wijff.] (V).
In 1549 moeten Heynrick Vranckez. en Symon Jacobsz. de doorvaart die zij
in de Zoetemeerseweg gegraven hebben weer dempen. Zij krijgen ook nog een
boete van 25 Karolusgulden. (B23-263).
Rond 1550 kost het onderhoud van de (Zwet)sluis hondert pont per jaar.
(B&R)
1550-1771 Rekeningen van de molenmeesters van Oostende. (B97-D36-38) (M).
Pieter Luijtensz., eerst klerk en later gemeentesecretaris van Berkel en
Rodenrijs (tweede helft 16e en begin 17e eeuw). (B07).
"Maar dat oostwater van Bleiswijk, Hillegersberg en van Schiebroek be-
dreigt telkens het ambacht (Berkel en Rodenrijs) door het overlopen van
de landscheiding". ca. 1550. (B10).
Berkel procedeerde in 1551 met Pijnacker over het windas in de Strickkade
of Stricklede. De ingelanden van Pijnacker hadden deze overhaal, liggende
tussen de Klapwijkscheweg en de Berkelscheweg, provisorisch met puin of
vuilnis opgehoogd om het overlopende winterwater te weren. De vierschaar
droeg Pijnacker op het windas weer bruikbaar te maken. Berkel moest, het
windas verhogen zodat Pijnacker geen last meer zou hebben van het water.
(B37)
De pastory van Overschie is in het jaar 1551 door den abt van Egmond, W.
(Willem) van der Goes, na de dood van priester (in Overschie van 1486-
1551) Volkert Korneliszoon gegeven aan heer Nicolaas van Assendelft,
proost der Aarnemsche kerke. (B161)
Aan de oostzijde wordt Katwijk in de Veur in 1553 op last van dijkgraaf
en hoogheemraden voor rekening van Pijnacker en Berkel afgesloten door
het leggen van de Berkelse kade, gewoonlijk Pissenkade genoemd. (B11).
De landscheiding van Schieland was vastgelegd in een overeenkomst, geslo-
ten door ambachtsbewaarders van Berkel en Schiebroek op 13 juli 1533 voor
het Hof van Holland, naar aanleiding van geschillen over het delven van
de Slingerkade, die van de Schieveensche landscheiding tot Berghambacht
liep. (B160).
In 1555 is het pastoorsambt van Berkel door de abt van Egmond (Willem van
der Goes) gegeven aan de heer en meester Leendert Diderykszoon. (B161).
De door de stad Delft in 1555 van Karel V verkregen tol op de Klapwijkse-
weg wordt in 1802 aan de gemeente Pijnacker verkocht, die de rechten
doorverkoopt aan Jan Langeveld en Gerard Erbervelt (ambtenaren in Berkel)
Zij verkopen de tol aan de gemeente Berkel en Rodenrijs. In 1846 verkoopt
de gemeente de tol aan C.P. van der Burg om de uitbreiding van de gemeen-
teschool mee te kunnen financiren. In 1922 koopt de gemeente Pijnacker
de tol terug en in 1932 koopt de provincie Zuid-Holland de tol af. (B07).
Betreffende Bleiswijk, het blijkt dat er in het wapen van deze gemeente
o.m. een dubbele adelaar voorkomt. Doelt deze figuur soms van oorsprong
op oostenrijk? Immers Koning Filips II heeft in 1557 Bleiswiik verkocht
aan Joost van Bronkhorst? En was Filips vader Karel V (1500-1558) niet
een kleinzoon van Maximiliaan van Oostenrijk en van Maria van Bourgondi?
(B126).
In een zaak betreffende de betaling van het pondgeld te De Lier worden
door de schouten van Hof van Delft, Maasland, Pijnakker, Nootdorp, Sint-
Maartensrecht, Byeslandt, Berkel, Hogeveen, Vrijenban, Dorp en Nieuweveen
verklaringen afgelegd. 23-12-1555. (B26).
"de Prince van Gameren, grave van Egmont aan Jan Claesz." eens opdracht
heeft gegeven om "eene Korenmolen" te bouwen in Beijerlant" 1559. (B10).
(M).
28-04-1559. Cornelis Cornelisz. Versijde, schout in de ambacht van Ber-
ckel en de gezworens in dat ambacht, oorkonden dat Claes Adriaansz. onze
mede buurman, wonende bij de Berckelssche korenmolen, verklaart verkocht
te hebben de leproosmeesters buiten Rotterdam tot behoef van de leprozen
een losrente van 18 carolusgulden per jaar. Verzekerd op 11 morgen vrij
eigen land, gelijk buurland, zoals hij onder ede verklaart te zijn. Met
huis, schuren bergen en geboompte daarom staande, liggende in het Noord-
einde van dit ambacht. Strekkende van de Berckelsche(nn) tot de land-
scheiding toe. Joest Cornelisz. en Lenrt Jansz. NZ en het molenhuis en
erf, Adraen Pietersz., Ganghert Vobrechtsz. en Maerten Jansz. Kock, elk
met eigen of met bruikwaar. (B47) (M).
Op 20 september 1559 geven Hoge Heemraden een consent af aan twee buur-
lieden te Berkel om een zijl (=sluis) met een schotdeur in de Berkelse
weg te leggen. (De Berkelse weg was de weg die nu Noordeindse weg heet)
(B&R).
De kosten van de mest die zekere Dirck Jan Ghijsz. in 1561 op zijn huur-
land in Pijnacker bracht, werden voor tweederde door de eigenaar gedra-
gen. (B34).
Veelal poogde men althans op de ribben iets goeds te doen groeien, al was
het slechts hooigras, zoals in de Tempel onder Berkel. In de putten vond
men slechts wat riet. (Opgave Berkel voor de 10e penning van 1561) (B34).
Sinds 1561 was de abdij van Egmond toegewezen aan het nieuw gestichte
dom Haarlem, de bisschop van Haarlem werd tevens abt van de abdij van Eg-
mond. Haarlem viel onder het aartsbisdom Utrecht. Omstreeks 1580 eindigde
zowel het bestaan van de abdij van Egmond, als het bischoppelijke bestuur
(B15).
In 1566 woedde de beeldenstorm in Delft en omstreken (B13).
Een oude kaart van dit gebied (het Rotte stroomgebied) is een kaart van
Jan Jansz. Potter uit 1567. (B150).
1568-1648 Tachtig jarige oorlog.
De in 1133 gestichte abdij van Rijnsburg is in de 80 jarige oorlog ver-
dwenen. (B165).
In 1568 werd Lamorael van Egmond onthoofd, de goederen waaronder Berkel
en Rodenrijs vervielen aan de staat. In 1578 werden de goederen weer te-
ruggegeven aan de familie van Egmond. (B07).
In het archief van Hillegersberg is een copie-overeenkomst van 17 septem-
ber 1569 aanwezig, regelende de onderhoudskosten van de toen genoemde
Ommoordsche brug door de dorpen Hillegersberg, Sevenhuysen, Bleiswijk en
Segwaart. (B29).
Op 12-3-1572 zijn de kerken te Kralingen, Hillegersberg en aan de Kapelle
door de beeld stormers van altaren, van staande en hangende beelden, van
alles berooft. (B161).
Op 1 aril 1572 veroverden de Watergeuzen Den Briel op Alva. Deze Spaanse
onderdrukker, Ferdinand Alvarez de Toledo, hertog van Alva verloor Den
Briel als eerste Nederlandse stad aan "Den Prins", prins Willem van
Oranje. (B165).
In 1573 werd de uitoefening van de Katholieke eredienst verboden door de
Staten van Holland. (B07).
Tijdens het beleg van Leiden (1573/1574) waren er in Berkel en Pijnacker
ongeveer 500 Spaanse soldaten ingekwartierd. (B109). (S).
De universiteit van Leiden kreeg omstreeks 1574 de opbrengsten van het
tiendrecht over de heerlijkheid Berkel. (B21).
Leidens ontzet 3 oktober 1574. (B165).
"We willen ook nog het volgende vastleggen. Op 11-9-1574 hebben soldaten
uit Overschie onder hopman Broeckhuysen melkkoeien afhandig gemaakt om
naar Den Haag te worden afgevoerd van: Comelis Klaesz Breetvelt, Comelis
Pieter Brandtsz, de zoon van Adriaen Pietersz Grootevaer, Jan Maertensz.,
Comelis Maertensz, Leendert Michielsz (Schoenmaecker), Jan Jansz (van
Alphen), Andries JAnsz, Quirijn Adriaensz met zijn moeder en Adriaen
Bouwensz (Breetvelt?), allen ingezetenen van Bleiswijk. Door tussenkomst
van het Hof van Holland in Den Haag konden de eigenaars de melkbeesten
terugbekomen van de soldaten, mits zij aan de genoemde hopman 3 ponden en
10 schellingen voor elke melkkoe betaalden" Bron: A.R.A. 's Gravenhage,
Dagvaarten en resoluties van de Staten van Holland en Westfriesland No 10
fol. 82, 87 en 88 d.d. 9-9-1574 resoluties der ingezetenen van Bleiswijk.
(Ook in B126).
Sinds het laatst der 16e eeuw, ongeveer 1574 hebben de regeerders van
Rotterdam, de ambachtsheerlijke rechten over Hillegersberg uitgeoefend.
(B29).
De Staten van Holland besloten op 30 juli 1574 Delfland, Schieland en
Rijnland onder water te zetten. Op 1 augustus 1574 werden de bewoners van
het platteland van Delfland, Schieland en Rijnland gelast zich binnen 8
dagen naar een stad of sterkte onder gehoorzaamheid van de Prins te bege-
ven. Op 3 augustus 1574 werd met het doorgraven van de dijken begonnen.
(B127).
In 1574 had men in Holland de volgende koperen munten: Oord of dubbele
Duit (gewicht ca. 4 gram), Duit (gewicht ca. 2 gram) en de Penning of
halve Duit (gewivht ca. 2 gram).
Van Boisot voer op 5 september 1574 tegen de avond uit om zich een beeld
te vormen van het Schielandse deel van de landscheiding. Bij Bleiswijk
had hij een schermutseling met de vijand. Hij stak hier enige huizen in
brand en bracht een troep koeien mee terug naar Rotterdam. (B127).
1574 Spanjaarden. Tot de dorpen die het zwaarst getroffen waren door het
oorlogsgeweld hoorde zeker Berkel dat "gederaliseert ende meest al ver-
brandt wesende en naderhant deur 't innelaten van de wateren eenige
jaeren woest ende wilt gelegen hadde zonder inwoonderen, moolens, caden,
heulen ende andere des gemene ambachtswercken". Behalve de watermolens
was ook de korenmolen in Berkel in vlammen opgegaan. (B37) (M) *S).
Op 14 februari 1576 kocht de stad Rotterdam het Baljuw- en Dijkgraafschap
Schieland van de Staten van Holland en West-Friesland. Sedertdien en tot
de Bataafse revolutie stelde zij de Baljuw-dijkgraaf aan. (B33).
Het stadsbestuur van Rotterdam, dat sinds 1576 den baljuw van Schieland
aanstelde. (B159).
Op 11 mei 1577 verzochten de Regenten van Pijnacker aan de Prins en de
Staten van Holland om afschaffing van de betaling van de haverpacht.
(B10).
Rhoon kreeg haar eerste predikant in 1580. (B15).
In 1581 was iedere godsdienstige bijeenkomst van Katholieken in kerken of
particuliere huizen verboden. (B159).
Schiedam kreeg haar eerste predikant in 1581. (B15).
In 1582 kocht de stad Rotterdam Bleiswijk voor 5980 gulden (nalatenschap
van Laurens van Bronckhorst). (B29).
Ds. Bernardus Dwingelo, geboren te Delft in 1582, in 1614 als predikant
van Berkel en Rodenrijs naar Leiden vertrokken. In 1648 vestigde hij zich
in Haarlem waar hij in 1660 is overleden. (B15).
Bodegraven kreeg haar eerste predikant in 1583. (B15).
Sinds 1585 vergaderde de Staten-Generaal in Den Haag, sinds 1593 werd da-
gelijks behalve op zondag vergaderd. Voor de financin droeg Holland
58 %, Friesland en Zeeland 11 %, Gelderland, Utrecht en Groningen 5 % en
Overijssel 3 % bij. (B103).
Alphen aan den Rijn kreeg haar eerste predikant in 1587. (B15).
Berkel en Rodenrijs kreeg haar eerste predikant in 1587, Ds. Vedastus
Coornwinder. (B15).
In 1587 zeggen de Hoogheemraden van Delfland dat: "de hoge Zijdwind
strekkende is van Wassenaarsegeest zuytwaert op tot achter die kercke van
Berckel" (B03, blz. 189).
7-11-1588. Abraham Jansz. (van de Lier) en zijn collega Vedast Coorne-
winder (van Berkel) worden "vermaent ende ghebeden, dat zij (ghelijck
oock de andere dienaers) de lijckpredicken willen naelaeten, ghelijck in
den laetsten Suythollantschen Synode verordineert is". (B91).
Op 16 oktober 1589 schrijven schout en gezworens van Berkel een zekere
"Doe Willemsz ende Arien Lenartsz., wonende bij Coelen inde jurisdictie
van Pijnacker opt (w)uijtpadt ofte wech, toecomende het ambocht van
Berckel" andermaal gerechtelijk te verbieden "om haer niet te bevorderen
te timmeren ofte huijsen ofte schuijren te setten" enz. Bron: Gem.
archief Berkel: deel 29 ptf 3 en 39.
Rotterdam en Delft hadden in 1590 een hooglopend conflict over de brug
bij Overschie.
In Overschie verluidde in 1590 van een zekere Jan Cornelisz., dat hij
"uut de dobben, toebehoorende Barenvelt (Johan van Oldenbarnevelt), met
consent van denselven 30 roe" wilde slagturven. (B34).
"Rechtdach den IX December anno 1591 in Berckel". "Pouwels Aertsz. Schout
contra Arien Arienz. Jong van Bleijswijck". Bekeuring en arrestatie "we-
gens het verkopen van 11 koebeesten op zondag". (B10).
Berkel verkocht in 1591 zijn aandeel in de gronden van de viervoet in
Zoetermeer (Katwijk in de Veur). (B11).
Ca. 1592. Wat waren nu die vijf heerlijkheden waarvoor hij (Johan van Ol-
denbarnevelt) zijn ziel verpandde? De voornaamste - de enige 'hoge heer-
lijkheid' met eigen halsrechtspraak - was De Tempel, niet ver van het la-
tere dorp Rodenrijs in de Zuidpolder. Het was een complex van heerlijke
rechten, retributies voor dit, recognities voor dat, zoals er veel heer-
lijkheden waren en Oldenbarnevelt er ook enkele zou aankopen. Op de Tem-
pel stond een boerderij, met een kamer gereserveerd voor de heer, als hij
er kwam overnachten. Oldenbarnevelt heeft zich als vertegenwoordiger van
zijn oudste zoon, die het eigenlijk gerfd had, heer van den Tempel ge-
noemd en is daarmee doorgegaan, toen deze al volwassen was. De tweede
heerlijkheid was Zuidwind of Zijd(e)wind en bestond uit zekere rechten op
een dijk: de landscheiding tussen Delfland en Schieland. De derde heer-
lijkheid was Rodenrijs, gelegen in de Schieveense polder. Deze zal waar-
schijnlijk de hele Schieveense polder omvat hebben, al was niet al het
land in zijn bezit. De laatste twee heerlijkheden waren de Stormpolder of
Cralingerpolder bij Rotterdam en Groeneveld, een vruchtbaar Westlands ge-
bied tussen De Lier en 't Woud. (B154).
26-8-1592. "Den Hofstede den Tempel, gelegen tusschen Berkel ende Ouder-
schie" (B10).
29-1-1595, Sevenhuijsen; Catgens- Moer en de Swanckeschepolder 4 molens.
Bleijswijck; boven de Hoef 1 molen, Clappolder 1 molen, d' Overbuijrtse
polder 1 molen, d' Hoockentschepolder 1 molen. Hillecharsbergh; Esse-
polder 1 molen, Wolfoppe 1 molen, Oosteijnde 2 molens, Berchpolder 1 mo-
len, de Bregge en de Botterdorpsche polder 2 molens, Berch- en Brouck-
polder 2 molens. (Bron:Molenbestand/inventaris Schieland) (M).
1597 Staking onder zowel aannemers als onder de 3000 arbeiders bij de
droogmaking van o.a. de Zijpe. (B118).
1597-1774. Notitieboek, publicatin van schout, molenmeesters in Butter-
dorp (B97- no 1301 t/m 1319) (M).
Op 11 juli 1598 verzoek tot aanleg windas (= overtoom) omtrent de Hoek.
Op 27 oktober 1598 geven Burgemeesteren van Rotterdam 72 ponden aan Ber-
kel voor deze windas. Kleine scheepjes werden met een windsas over de
dijk of landscheiding gebracht, aan beide zijden van zo'n dijk werd een
hellend vlak van zwaar hout gemaakt, waarop rollen aangebracht werden en
dan met hulp van een lier of katrollen over de dijk gebracht. Vermoede-
lijk was dit de windas bij het dorp. (B10, deel III, pagina 52). (B&R).
1600-1700
9-11-1600 Wordt gesproken over een vaart van de landscheiding achter
Bleiswijk tot aan den Berkelse weg. (naar de Grooten molen in Bleiswijk).
(M).
18-11-1600. Een paar rechten van de Heerlijkheid Berkel en Rodenrijs wa-
ren o.a. korentienden uit Schieveen en tienden uit Ackersdijk. (B15).
Kaartje van 1600 "De ambachten van Schieland": Oude Matenes, Lec, Ouder-
schie, Bocelsdijc, Cool, Schoonreloo, Berchpolre, Blommersdijc, Schie-
broec, Rubroec, Rotterban, Cralinge, Capelle, Bleiswijc, Zegwaert, Zeven-
huzen, Nieuwerkerc, Moordrecht en Zuut Waddinxveen. Huizen stonden in
Ouderschie: De Tempel onder het ambacht Berkel, afwatering via Schieland,
Overschie. De Lec: Starrenburch. Oud-Matenes: Matenes. Bokelsdijc: Span-
gen. Schoonreloo: Schoonreloo. Cool: Bulgerstein. Blommersdijc: Weena.
Rotterban: Crooswijc. Cralinge: Honinge. Capelle: Capelle en Keten.
Bleiswijc: Cranenborch. Zevenhuzen: Ter Duun en Moercapel?. (B64).
Rond 1600 is men 100 morgen aan het vervenen en is 300-400 morgen door
vervening plas geworden. De lasten op turf blijken 1/2 stuiver per roede
te zijn en moet men voor de aanvoer van turf op de markt in Delft en el-
ders XX penning accijns betalen en zij die turf delven moeten voor elke
zesde roede aan de abt van Egmond een oirken geven. (Oirken = lastgeld,
vermoedelijk 1 stuiver). (B&R) (V).
In 1603 heerste in Overschie de Pest of heete sieckte. (B69).
8 april 1609. Verzoeken Ambachtsbewaarders van Berkel aan de Schout en
Ambachtsbewaarders en achtemans van Hillegersberg "om dellen en slenken
van de Bergse Zijde te doen maken". De regenten van Hillegerberg zeggen
op 10 april "dat het maken van dien weg hen niet aanging". De Zijde was
een veenweg die lag waar nu de Boterdorpse weg ligt. Het grootste gedeel-
lag in de Boterdorpse polder, het grondgebied van Hillegersberg. (B10)
(V).
In 1615 was de gehele streek een bolwerk der Arminianen (Arminius was een
meer vrijzinnig georienteerde Leids hoogleraar). Ook de predikanten van
Bleiswijk en Berkel waren Armeniaans. (Armenianen werden ook wel Remon-
stranten genoemd). (B127).
Op 2 augustus 1614 verschenen 24 rederijkerskamers te Ketel voor een
feest. Onder hen "de Pijnappelboom" van Pijnacker en "de dubbele
Hofbloem" van Bleiswijk. (B127).
Tussen 1614 en 1616 is het Zoetermeese Meer ingepolderd. (B01).
1614. Zoetermeerschemeerpolder te Zoetermeer, 533 Ha drooggemaakt. Oc-
trooidatum 15-3-1614, gereed in 1616.
Ten zuiden van het IJ vormt het Zoetermeerse meer (1614) de oudste droog-
makerij. (B92).
Droogmaking Zoetermeerse meer in 1614 voltooid. (B34). Het Zoetermeerse
meer was niet door vervening ontstaan! (B34).
Ds. Theodorus Swanius vertrok als predikant in 1616 van Woerden naar
Berkel en Rodenrijs. In 1619 werd hij uit zijn ambt gezet. (B15).
1616. Resolutie van schout en armmeesters betreffende de levering van
roggebrood aan de bedeeelden door de bakkers te Bergschenhoek en op het
dorp. (B97- no 1572).
In 1617 beriepen de contra-remonstranten van Zoetermeer een eigen predi-
kant: Johannes Georgij. Hem werd tevens de zorg voor de gemeenten Hazers-
woude, Benthuizen, Zevenhuizen en Bleiswijk opgedragen. (B127).
1617-1797. Bestekken wegens diverse werken in Butterdorp, Oostendse en
Bospolder. (B97-D80).
Eind 1620 vormden Zoetermeer, Zegwaart, Bleiswijk en Zevenhuizen tesamen
een remonstrantse gemeente onder leiding van Ds. Paschier de Fijne, bij-
genaamd: "het ijsvogelke"; omdat hij als er ijs was zijn schaatsen ten
dienste van zijn ambt onderbond. (B127).
1618. Het Hof van Holland verbiedt Schieland om Cornelis Lenertsz.
Schuijt, Cornelis Jansz. Trim en Pieter Cornelisz., wonend bij de verla-
ten te Zegwaard verder te vervolgen wegens verslagturven bij de land-
scheiding. De Binnenwegse polder viel onder Rijnland en niet onder Schie-
land. (B23-745)
1621. Willem Maertensz. van het Noordeinde te Berkel en Jacob Adriaensz.
Dwaling te Zegwaard hebben te dicht langs de landscheiding in de Binnen-
wegse polder geslagturfd. Willem had land in de Binnenwegse polder. (B23)
(V).
In 1623 werd Ds. David Coornwinder uit Berkel en Rodenrijs in Den Haag
onthoofd, gevierendeeld en op staken geplaatst. Zijn stoffelijk overschot
werd in het geheim weggehaald en begraven in een boomgaard in Nootdorp.
(B07)
In of kort na 1630 begon Willem Huygensz. als rondtrekkend missionaris
zijn zegenrijke arbeid in Berkel, Zegwaard, Zoetermeer, Pijnacker,
Bergschenhoek, Bleiswijk en Zevenhuizen. Hij overleed in 1656. (B13).
De vader van Willem Huygensz., was Hugo (of Huygen) uit "De Hey" (Terhei-
de). Toen Willem 10 jaar was, was Adrianus Lacobs pastoor van Monster,
broer van de Brielse martelaar Jacobus Lacobs, kapelaan te Monster. (B13)
Hij was van 1630-1656 pastoor in Berkel.
Ca. 1630. De schouten van Berkel en Rodenrijs waren praktizerende katho-
lieken, eveneens de chirurgijnen van Berkel en Zegwaart, in tegenstelling
tot hun collega in Bleiswijk, een "kwaadaardige" afvallige. (B13).
Ca. 1630. "Vele afgedwaalden keerden terug naar de (R.K.) moederkerk,
o.a. bijna alle wevers, Brabantse uitgewekenen, te Berkel en Bleiswijk.
(B13) (K).
De preekstoel van de Hillegondakerk in Hillegersberg is van 1631. (B01).,
(K).
Het aantal huizen langs Westweg, Oostweg en Achterweg, dat zijn de wegen,
die vanuit Bergschenhoek het veen in liepen, was in 1632 bijna 40 % van
alle huizen in het westelijk deel van het ambacht (Hillegersberg). (B82).
(V).
In 1632 moet het verlaat (sluis) (Zwetsluis) verplaatst en vernieuwd
worden. De kosten waren f 500. Op oude landkaarten staat de sluis eerst
in lijn met de Zwet later onder een hoek van ca. 90 graden. (B&R).
Niet alle dorpen zijn in leen uitgegeven. Enkele zijn aan de grafelijk-
heid gebleven of er aan teruggekomen en behouden. In de 18e eeuw komt het
ook voor dat de bestuurders van het dorp zelf de heerlijkheid kopen. Een
voorbeeld is het dorp Pijnacker in Delfland. (Teg. Staat XVI, blz. 552).
(B123).
Van sommige ambachten was de hoge heerlijkheid in andere handen dan de
ambachtsheerlijkheid. (Voorbeelden zijn: Wateringen, Lier en Abtsregt en
Rijswijk: cf. Teg. Staat XVI, blz. 566 seq. en 576-577). (B123).
1633. De Tempel wordt verheven met twee paar "drijvende en broedende zwa-
nen" In dit jaar verkreeg De Tempel het recht van de zwaan, ook wel
zwaandrift genoemd. [ Lange tijd oefende de burggraaf van Leiden het
recht uit om zwanen te houden, de zogenaamde zwaandrift, een modever-
schijnsel dat in later eeuwen in onbruik is geraakt. (B68)].
1634. Leenaert Cornelisz., een kuiper uit Zoetermeer stelde enige vragen
over het lezen van de H. Schrift aan pastoor Willem Huygensz. te Berkel
en Rodenrijs tijdens het dispuut, begin december van genoemd jaar. (B13).
Palmzondag 1635. Berekende men dat er in het Noordeinde van Berkel 150,
in Rorijs en op de Lee 50 en in Pijnacker-Ruyven 50 communicanten waren.
(B13)
In Berkel woont n seculier, die ook Pijnacker, Bleiswijk, Zevenhuizen,
Zegwaard en Nootdorp bedient. ca. 1638. (B88)
1638. De secrataris van Overschie zegt dat in de omslag voor Schieland
begrepen zijn: "alle morgentalen van de polder Schieveen, 100 morgen over
Swet en 12 morgen van den Tempel in Berkel, uitbrengende te samen 800
morgen" Bron: Archief Delfland no 1321.
Verzoekschrift van de Schout, Ambachtsbewaarders en achtemannen van Ber-
kel en Rodenrijs aan de Burgemeesteren van Delft, tot het maken van een
afloop aan weerszijden van de te verhogen heul in de Schieweg (Zwetheul),
aarde en specie afkomstig van de bouw van het nieuwe kruithuis en van de
kaaden in de stad, te mogen halen, met beschikking van 31 juli 1639.
Volgens de priesterlijst van 1645 werden de Schielandse dorpen vanuit
Rotterdam toen mede bediend door Cornelius van Wijck, een Utrechtenaar,
die in Leuven had gestudeerd en in 1636 door Rovenius tot diaken was ge-
wijd. De datum van de priesterwijding is niet bekend. Het is mogelijk,
dat hij de priester is geweest, die in 1646 uit Bergschenhoek is verdre-
ven, al had men daar vijftig jaar later geen herinnering meer aan hem.
(Herinneringen van "sommige oude lieden" van c. 1690 over het ontstaan
der statie Bergschenhoek. Zie Bijdragen Haarlem. Dl. 42, blz. 284). Pas-
toor van Wijck stierf op 15-9-1652 op 40-jarige leeftijd te Kralingen.
(B159).
Omstreeks 1645 meende de apostolische vicaris Rovenius, dat de tijd geko-
men was, om in Schieland vaste staties van wereldheeren te vestigen en
aan het wisselvallige van de ambulante missie door seculiere en reguliere
geestelijken tegelijk een einde te maken. De keuze viel aanvankelijk op
Bergschenhoek, waar de bevolking nog zeer Katholiek was en waar de pas-
toor buiten den gezichtskring der predikanten zijn werk zou kunnen doen.
(Bergschenhoek kreeg eerst in 1658 een predikant.) Maar zelfs wat in dien
uithoek van Schieland gebeurde, bleef voor de classis niet verborgen. Er
rees verdenking,"dat aen den Bergschenhouck een klooster ofte wooninge
voor cloppen ende den Paep wert getimmert" (onderwerp vermeld in classis
vergadering 2-10-1645) en onmiddelijk werden vier predikanten naar Rot-
terdam gezonden om aan de burgemeesters "ernstelijc remedie tegen de aen-
groyende swaricheden" te verzoeken. In een der volgende vergaderingen van
de classis (onderwerp vermeld in classis vergadering 9-4-1646) deelden de
afgevaardigden mede, dat de burgemeesters "goedt antwoord" gegeven hadden
maar het huis was inmiddels afgebouwd en door de kloppen betrokken en er
werd kerk gehouden. Opnieuw werd een deputatie naar Rotterdam gezonden.
25 Juni 1646 kon zij de classis gerust stellen, "als dat de Achtbare Hee-
ren Burgemeesteren belooft hadden, daertegen soodanige ordre te sullen
stellen, dat de Edele classis daer in soude nemen contentement". Dit te-
vreden stellen van de classis beteekende, dat de statie in Bergschenhoek
ten doode was opgeschreven. Wij hooren verder niet van haar - het beste
bewijs, dat priester en kloppen het huis hadden opgegeven. (B159).
Door de staten van Holland en West-Friesland werd den 8sten October 1646
het eeste octrooi verleend tot droogmaking van den polder "De Honderd
Morgen of Wilde Venen." (B29).
Omstreeks 1646 had pastoor Cornelis van Wijck, die vanuit Kralingen ook
te Bergschenhoek de zielzorg verrichtte aldaar (in Bergschenhoek) een
huisje voor pastoriekerkje laten bouwen. Het kerkje moest echter worden
afgebroken, of in ieder geval gesloten worden. (B13) (K).
In 1647 kreeg Henricus de Jongh als pastoor de speciale zorg over Berg-
schenhoek, Bleiswijk en Zevenhuizen. (B13).
Reeds in het midden van de 17e eeuw gaat men water weer tot land maken.
In 1648 wordt het Oostmeer (groot ongeveer 60 morgen) drooggelegd. In het
polderarchief lazen we van een octrooi van 28 maart 1648 tot droogmaking
van het Oostmeer verleend door de staten van Holland aan de burgemeestren
van Delft?! Met welke watermolens men het Oostmeer drooglegde is niet be-
kend. (gedeeltelijk B34). Het Oostmeer was niet door vervening ontstaan!
(M).
Het hoogheemraadschap Delfland verleende in 1648 octrooi tot drooglegging
van het 60 morgen tellende Oostmeer onder Berkel. (B130-blz:120).
De Oostmeer en de Westmeer waren natuurlijke meren die door voortdurende
afslag van de slappe veenoever uit de Oude leede zijn ontstaan. (B99)
(V).
In 1649 verzocht men een "Vaart van de Achterafsche kade tot de Hazen-
heul" te mogen graven. Hazenheul was een brug zo ongeveer tegenover het
huidige (1998) gemaal in het Noordeinde. Met deze vaart ontstond er een
vaarweg van de Noordpolder plassen naar de Meerpolders. (B&R).
In 1649 verzocht men reeds een "Vaart van de Achterafsche kade tot de
Hazenheul" te mogen graven. In 1674 werd op herhaald verzoek e.e.a. (pas)
goedgekeurd. (B&R).
Moerkapelle is een wegdorp in de polder De Wilde Venen, drooggemaakt tus-
sen 1648 en 1655, het dorp is vermoedelijk direkt na de droogmaking ge-
sticht. (B01).
1650 "Inbraak van de Rotte in de Binnenwegse polder". Een stukje land
"liggende in de Binnewegse Polder te Zegwaart". De Binnewegse Polder van
Zegwaart strekte zich uit vanaf de Hellervoetse Brug over de Rotte - deze
lgt op de grens van de gemeente Moercapelle - tot aan de Breede Akkerdijk
van de latere Noordpolder in Berkel. Dus kwam het gevaar van die "inbraak
van de Rotte niet van Zuid-oostelijke zijde maar uit het oosten van het
Ambacht Berkel en Rodenrijs. (B10).
1650. Overdracht op titel van koop ten overstaan van schout en schepenen
van Zoetermeer van 2 morgen en 2 hond moerassig (gebroken) land met twee
schuren, gelegen bij de landscheiding, door Adriaen Joosten, wonende aan
de Groenewech, aan zijn zoon Gerrit Adriaensz. Joosten. (B23-849).
Rond 1650. "Op sommige Zon- en feestdagen ging Huygesz. de H. Mis lezen
en preken te Pijnacker, waar de Berkelaren zich dan ook heen begaven.
(B13).
In 1650 bedroeg het aantal katholieke gezinnen te Berkel ongeveer 85, te
Pijnacker 38 en te Zoetermeer-Zegwaart 25. (B13).
Voor 1652 maakte Bergschenhoek deel uit van Den Berg of Hillegersberg,
Bergschenhoek werd lokaal vermeld als Ten Hoeck. (B77).
Theodorus Cannius moest zich in 1652 als pastoor in Bergschenhoek ves-
tigen. (B13).
De R.K.-schuilkerk in Bergschenhoek. De pastoor was in 1652 Theodorus
Cannius. (K).
Maar tusschen Kralingen en Bergschenhoek lag Hillegersberg, waarop de
Kralingers als oudste statie recht meende te hebben. Volgens de Herinne-
ringen van "sommige oude lieden" van c. 1690 over het ontstaan der statie
Bergschenhoek. Zie Bijdragen Haarlem. Dl. 42, blz. 284), had Theodorus
Cannius daar in 1652 een huis en kerk gebouwd. Door de classis werd ech-
ter pas sedert 1659, maar toen ook langdurig en hartstochtelijk over de
Papisten daar ter plaatse geklaagd. Zij maakten het er zoo bont, dat de
dijkgraaf zich in 1660 genoodzaakt zag om een kerkdienst te storen. (Ver-
gadering classis 4-10-1660 besproken). Aan Joannus Cannius was door pas-
toor Roose toegezegd dat hij vanuit Kralingen Hillegersberg mocht blijven
bedienen, maar na zijn dood zou de Rotte de grens tusschen de beide sta-
ties worden. Theodorus Cannius heeft ook zijn heerbroer niet in financie-
ele moeilijkheden willen brengen en drong daarom niet op grensscheiding
aan. Maar toen de pastoor van Bergschenhoek in 1679 overleed, vreesde de
Kralingsche Cannius, dat diens opvolger hem minder goed gezind zou zijn.
Hij maakte zich meester van alle papieren, die op de grensregeling be-
trekking konden hebben. Het heele archief van de statie verhuisde naar
Kralingen, Natuurlijk waren de kerkmesters van Bergschenhoek diep veront-
waardigd. Zij hadden zoo gehoopt, dat het waarschijnlijk niet onbemiddel-
de Hillegersberg hun toe zou vallen en zij deden dan ook hun beklag bij
de landdeken. Tot troost kregen zij den zeer welgestelden Christiaan de
Weerdt tot pastoor, die Bergschenhoek tot een centrum van Papisme maakte.
Predikanten, die op kondschap uitgingen, wisten te vertellen, dat in de
pastorie twee wereldheeren en elf kloppen gehuisvest waren, in een aan-
grenzend huis zes kloppen en twee geestelijke broeders en dat nog ver-
schillende andere kloppen in de buurt woonden. (Medegedeeld classis ver-
gadering 23-4-1686). De kwestie van de grensscheiding werd in 1684 ten
gunste van Bergschenhoek beslist. Bergschenhoek heeft in 1839 bijna veer-
tig procent Katholieken, Hillegersberg twaalf procent, sprekende voor-
beelden, hoe beslissend het voor de Katholiciteit van een dorp was, of er
een statie gevestigd werd of dat de geloovigen gedoemd waren om buiten
het ambacht te kerken.
Begin 1654 brandde de enige windwatermolen van de Binnenwegse polder af.
Een noodoplossing werd gevonden door tegen vergoeding op Berkel te lozen;
Berkel moest hiervoor extra malen. Op 1 november was de nieuwe molen ge-
reed en kon men weer zelf malen. (B127) (M).
1655. Overdracht op titel van koop ten overstaan van schout en schepenen
van Zoetermeer van de helft van een woning met 4 morgen en 4 hond moeras
(gebroken) land aan de Groenenwech (bovenwech) bij de landscheiding en
van de helft van 1 morgen, 1 hond, 2 kwartier veenbaggergrond (flodder-
land) gelegen aan de Groenewech (binnewech) door Jacob. Davitsz. van
Vlieth aan zijn broer Cornelis, aan wie de andere helft al toebehoorde.
(B23-863) (V).
Pijnacker is een op een kreekrug gelegen wegdorp. Van 1656 is de hofstede
"Acht is meer dan duizend", Kerkweg 56. (B01).
In de buurt van Rotterdam is telkens n seculier gevestigd te Kralingen,
Bergschenhoek, Ketel, Berkel en Pijnacker. 1656. (B88).
1658. Overdracht op titel van koop ten overstaan van schout en schepenen
van Zoetermeer van 1 morgen en 450 roeden land met daarop een schuur na-
bij " 'Scheydt" aan de Groeneweg door Jacob Davitsz. van Vliet aan zijn
broer Cornelis Davitsz. van Vliet. (B23-878).
In 1658 is het dorp Bergschenhoek, dat zich door voorspoed der bewoners
flink had uitgebreid, door de burgemeesteren van Rotterdam, in hun kwali-
teit als ambachtsheeren van Hillegersberg als een afzonderlijke kerkelij-
ke gemeente ingedeeld. (B29) (K).
In maart 1658 werd een erf en een schuur gekocht die in 3 weken tijd werd
omgebouwd tot kerkgebouw en op 1 mei 1658 predikte ds Zegelt van Son als
eerste in deze eerste "Gereformeerde" kerk van Bergschenhoek. Op 29 sep-
tember 1658 werd ds Jacobus van Couwenhove als eerste predikabt beves-
tigd.
Op 8 mei 1659 branden in Bergschenhoek 44 huizen en de kerk af. Er werd
een nieuwe kerk gebouwd; eind 1659 was de nieuwe "Gereformeerde" kerk van
hout met een stenen vloer klaar. (K)
Hendrik van Losecaet, drost van Heukelom gehuwd met Anna Maria van Naald-
wijk, sedert 1660 vrouwe van Berkel en Rodenrijs, die 21 Jan. 1658 weduwe
was en 3 Jan. 1665 stierf, een dochter Ida Margaretha nalatend. (B152).
1660. Memorin of lijsten der landerijen in Oostende, Butterdorp enz.,
welke voor het ambacht door onmacht van eigenaars zijn blijven liggen, en
door schout en ambachtsbewaarders vrij van ongelden zijn verkocht, alsme-
de van zodanige, welke met geld verwaarborgd zijn sedert 1600 en waarvan
het ambacht de ongelden moet betalen. (B97-D79).
Op 25 april 1662 werd voor notaris Johan Lissant te 's-Gravenhage een ak-
te gepasseerd, waarbij Cathurina Sierxma, weduwe van Mr. Adriaan Pijnak-
ker, advocaat vosor den Hove van Justitie te 's-Gravenhage, twee lenen
verkocht. De kopers waren Johan Houttuijn, ontvanger der verpondingen, en
Johan Moons, Raad in de Hoge Raad van Holland. De verkochte lenen betrof-
fen het recht tot het houden van twee broedende zwanen op de Berckelse
Meer, welke rechten Catharina van haar man had gerfd. Pijnakker bezat
die lenen van de heer van Wassenaar en ze waren hem aangekomen van zijn
oom Cornecti Pijnukker en vervolgens na diens dood vererfd op de toen nog
onmondige zoon Cornelis. (B152).
Kaartje van ca. 1664, bron H.H. Delfland inv. nr. 3179. Waarin opgenomen:
"De Berckelse wecht" = huidige Noordeindseweg; "De Berckelse wecht" = de
huidige Rodenrijseweg; de weg die aansloot op de "Leeweg" (nu Klapwijkse-
weg) op een weg richting Bergschenhoek heette "Berckelse Zijde" en na het
dorp "Berchse Zijde"; wat nu Bonfut heet heette in 1664 "Dick Molenaers
Cade".
1668. Driemanspolder te Zoetermeer en Stompwijk, 980 Ha drooggemaakt. Oc-
trooidatum 23-6-1668, gereed in 1668.
In 1669 werd de Delftschen kapelaan Joannes Cannius, een zoon van de Rot-
terdamschen advocaat Mr. Jacob Cannius opvolger in Kralingen van de over-
leden pastoor Roose. Met zijn heerbroer Theodorus Cannius, pastoor te
Bergschenhoek, bediende hij het grootste gedeelte van Schieland. (B159).
Uit een kerkrekening van 1670 blijkt dat gedurende de preek de deuren van
de kerk open stonden, want in genoemd jaar wordt de grafmaker betaald
voor het "uytweren der honden onder de preikatin" Overschie. (B69) (K).
1679. De kerkeraad van Berkel en Rodenrijs zoekt een voorzanger en voor-
lezer. Uit zes personen kiezen zij Johannes van Santen uit Zevenhuizen.
Van Santen was in zijn vrije tijd bakker. Hij overleed 23 maart 1714 in
Berkel en Rodenrijs. (B15) (K).
In 1679 werd door de kerkmeesters van Overschie een hardstenen zerk aan-
getroffen waarop vijf maal het wapen van Oldenbarnevelt voorkwam. Of hier
de toenmalige heer van Rodenrijs begraven is, is nog steeds niet opgehel-
derd, een onderzoek ter plaatse in 1822 ten spijt. (B69) (K).
1680-1685. Stukken betreffende de verkoop bij willig decreet van de heer-
lijkheid De Tempel door Hans Cracht, heer van Milendonck, c.u. Maria
Doublet aan mr. Robbert le Pla, advocaat voor de hoge raad. (B97-no 2301)
Hillegersberg (dorp), overgegaan naar statie Bergschenhoek, 1684. (B159).
1686. Johan van Mo(e)tsveld (Motzfeldt), heer van Zegwaard. (B23-924/925)
In 1690 was Johannes Chr. de Weerdt tweede pastoor van Bergschenhoek.
(B13) (K).
In 1691 besloot men in Bergschenhoek het kerkgebouw van 1659 te vervangen
door een nieuwe N.H.-kerk, deze was in 1694 gereed. (K).
In 1693/1694 werd de landscheiding met klei opgehoogd en de lekken ge-
dicht. (B&R).
Ca. 1694. "De erfpagten die het Ambagt van Berkel en Rodenrijs had te
pretenderen op enkele huijzen, erven en landen in Keulen onder het Ambagt
Pijnacker waren niet geind" (B10).
Pastoor Greef uit Zoetermeer beklaagde zich bij het Hof van Holland over
pastoor Correije uit Pijnacker omdat deze in de parochie Zoetermeer als
priester had dienst gedaan. ca. 1694. (Greef was aanhanger van het
Jansenisme, Correije blijkbaar niet). (B127).
In 1695 brak de Hoefkade op de grens met Bleiswijk door, de Binnenwegse
polder liep onder water en bleef door gebrek aan geld 2 jaar onder water
staan. (B127).
Omstreeks 1696 wordt er door de bewoners van Berkel geklaagd, dat de reis
naar Bergschenhoek een omweg vereist helemaal via Zoetermeer en Bleis-
wijk, of om de zuid via Schiebroek en wellicht de Bovendijk en Hillegers-
berg. (B10)
Bij een geschil tussen de heer en secretaris van Berkel en het polderbe-
stuur van Schieveen in 1697 beslissen hoogheemraden van Delfland, dat f
400 waarborggeld zal moeten worden betaald voor iedere morgen verveend
land in de polder, waarvoor 5 1/2 morgen land tot de betaling daarvan
borg zal zijn. Zo deed dus het systeem van het stellen van waarborggelden
zijn intree in Schieveen. (2) (V).
1697 Aanleg Berkelseweg (300 ellen over de landscheiding). In dit jaar
werd ook de Huismanskade verhoogd en verbreed. Vanaf dat moment noemde
men deze weg "de heer zijn weg" of Berkelseweg. (B&R).
De aarde die nodig is om de kanten te vesterken van de 300 ellen moeten
de aannemers op eigen kosten gaan halen van het land in Butterdorp.
De aanbesteding van de Huismankade geschiedt in 7 percelen, "van Berg-
schenhoek tot no. 1, lang omtrent 49 roe, Maarten de Bruin 1-3-0 per
roede = 56-7-0" voor het eerste perceel.
Het uitgewerkte wegenplan van Kruger had tot gevolg dat Bergschenhoek in
de dorpskom er een straat bij kreeg. Voor 1697 waren er in de dorpskom
maar twee wegen n.l. de Dorpsstraat en de Smitshoek. Door de aanleg van
de nieuwe weg vindt er een doorbraak plaats ten oosten van de dorpskerk,
waar voorheen een boerenerf lag. Ds. Kruger kocht een deel van dat erf en
liet de daarin liggende sloot afdammen en een tol plaatsen. (B10).
De tol in 1697 door Ds. Kruger op de weg naar Bergschenhoek geplaatst
komt in 1854 in het bezit van "het Zedelijk lichaam tot verzorging van de
armen van de familie van der Burg". In 1948 neemt de provincie de weg
over. Sindsdien werd de weg eigendom en enkele jaren later in onderhoud
aan de gemeenten Bergschenhoek en Berkel en Rodenrijs overgedragen. (B07)
Van 1697 tot 1714 stond de tol in Bergschenhoek met aan de ene kant van
de weg de "abeele boom" en aan de andere kant een mestput. (B10).
"Notaris Kruijt onder Hillegersberg en Rotteban residerende, present de
getuigen Pieter Deckhuijzen en dezelfs huijsvrouw Jannetje Schoon, mits-
gaders Johannis Wagemaker Mr. Chirurgijn out vijf en vijftig jaaren,
Claes Hoflant out drie en zestigh jaaren, Cornelis Louwe van Zuijle out
drie en vijftig jaaren en de Corstiaan Buijtenwegh out negen en veertigh
jaaren, alle inwonende aan de Bergsenhoek, de voorn. Deckhuijzen en zijne
vrouw van den jare 1697 tot in de jare 1714 zonder intermissie het voorz.
passage gelt hebben ontvangen en ook jaarlijks aan beijde (Heeren) het
zelve hebben betaald" (B10).
Ca. 1698. Wijnkoper Jacob van der Sluijs uit Rotterdam heeft wijn en
jenever geleverd maar ontvangt nooit betaling. Daarom stelt hij er de
president ambachtsbewaarder van Berkel en Rodenrijs aansprakelijk voor en
met deze het gehele Collegie. Hij heeft blijkbaar een vermoeden dat die
het geestrijke vocht wel opgedronken zullen hebben! (B10)
1700-1800
1700. Achterhoef, Voorhoef te Bleiswijk, 720 Ha. drooggemaakt.
1700 Binnenwegsepolder te Zoetermeer, 725 Ha. drooggemaakt.
1700. Ds. Johannes Wilhelmus Dukerus, predikant op De Leur in de Baronie
van Breda wordt beroepen door Berkel en Rodenrijs en werd op 16 mei 1700
bevestigd door Ds. Petrus Gribius van Delft. Op 27 september 1733 over-
leed Ds. Dukerus, 69 jaren en 19 dagen oud te Berkel en Rodenrijs. (B15).
Door de vervening ontstonden grote plassen en werd menigmaal te dicht
langs dijken verveend zodat talloze doorbraken ontstonden. Ook de steeds
groter wordende watermassa sloeg wegen weg b.v. De Zijde in 1700 vol met
dellen en slenken (geulen en gaten). Uiteindelijk kon men alleen door het
droogmaken van de ontstane plassen de zaak weer in de hand krijgen. (B&R)
(V).
De Mienlaan was een waterkering en tevens de grens van de ambachten
Bleiswijk en Hillegersberg. Omstreeks 1700 is zij doorgebroken. Daar de
onder Bleiswijk gelegen Hoekeindsche polder nu op den Oosteindschen pol-
der afwaterde, werd de capaciteit van de watermolens aanzienlijk opge-
voerd. (B160).
De seculieren hebben staties in Schoonhoven, Bergschenhoek, Kralingen,
Roon, Moordrecht, Waddinxveen. 1701 (B88).
Verder hebben de seculieren staties in Brielle, Poeldijk, Nootdorp,
Berkel, Ketel, Rijswijk, Wateringen, Maasland, Pijnacker, Delfshaven en
Eikduinen. 1701. (B88).
Op 8 december 1703 was Jacobus de Roy pastoor te Pijnacker.
1703-1728. Stukken betreffende diverse processen in Berkel, Bleiswijk,
Pijnakker, Schiebroek, Zegwaard enz. (B97- no 2303 t/m 2570).
Ca. 1704 was de Berkelaar Nic. van Outshoorn pastoor van Nootdorp. (B13).
Onrust in de parochie (Jansenisme). Welk een onrust ontstaan was, blijkt
uit een schrijven van 1 maart 1704 van J. de Weerdt, pastoor van Berg-
schenhoek, die eveneens tot de weerspannigen behoorde, over "de droevige
onrust ende opschuddinghe, die hier (Bergschenhoek) niet minder is, als
die te Berkel zo lang geweest is; ... dat haast genoodsaekt zal worden
den kerkelijken dienst te staeken, dat ook zo te Berkel zal gaan, want 't
is niet te beschrijven, wat de omleggende Heren zo in 't particulier als
op de preekstoelen afgeven." (B13) (K).
Substituut-secretaris Kruijt van Berkel en Rodenrijs wordt niet lang na
1705 meermalen genoemd als Notaris "bij den Hove van Holland geadmiteerd,
onder Hillegersbergh en Rotterdam residerende". (B10).
Intocht Mr. Johan van der Hoeven in de Heerlijkheid Berkel en Rodenrijs
op 1 mei 1706. "Zo haast wij de Bergschenhoek waren gepasseerd, werd er
een begin gemaakt met het luiden van de klok te Berkel en raakte alles op
de been". (B15).
1706 Klappolder te Bleiswijk, 625 Ha. drooggemaakt.
Een gedenksteen in de kerkmuur, die Johan van der Hoeven in het begin van
de 18e eeuw liet maken: "Voor de overledene, tegenwoordige en toekomende
Heren en Vrouwen van Berkel en Rodenrijs heeft dit grafteken opgericht
Johan van der Hoeven, raad en oud-burgemeester mitsgaders hoofdofficier
der stad Rotterdam, heer van Berkel en Rodenrijs, anno 1707" (B165).
Tussen 1710 en 1712 stonden R.K.-kerk en pastorie geheel verlaten in
Bergschenhoek. (B13) (K).
Bij brief van 24 oktober 1710 vroegen Dijkgraaf en Hoogheemraden van
Schieland schout, krooshemraden en molenmeesters van den Oosteindschen
polder om advies terzake van een bij hen ingekomen request van de inge-
landen tusschen den Achterweg, ook genaamd het Groenewegje, en de Berkel-
se landscheiding. Deze weg was omstreeks 1650 op verzoek van eenige inge-
landen gemaakt en liep van Bergschenhoek tot aan de "gemeene laan". Hij
was gekeurd op een breedte van 10 roede voeten en een voet boven het
hoogste winterpeil. In dien tijd waren er ter wederzijden van dezen weg
meest heele landen gelegen, doch een vijftigtal jaren later waren die
landen verveend en het duurde niet lang of de verhoefslaagden bleken niet
meer in staat het Groenewegje uit den schouw te houden, omdat het op vele
plaatsen werd overstroomd. Zij wendden zich daarom tot Schieland om de
keur op het schouwen van dien weg te doen vernietigen. De regenten van
den Oosteindschen polder vereenigden zich ermede, dat een gedeelte van
den weg van het schouwen zou worden ontheven. (B160).
1712 Uitgifte van de kaart van Delfland. Enkele opmerkelijke namen op de-
ze kaart: Roomse Heul, Rietsloot, Kors Watering, Vogelkooy Laen, Buer
Pat, Groote- en Kleine Negenhovense Tient, het Lge Zaet, De Schuddebaker
(Schuddebocer), De Schrok, Draey, 't Spytje Bakhuys, Het Bosch en de
Slimme Camp. Allemaal namen behorende tot het gebied van Berkel en
Rodenrijs. De Munnicke Kade loopt in de buurt van het in Pijnacker gele-
gen Munnicken Huys, wellicht is naam daaraan ontleend. (B&R).
Het toezicht op het Ambacht Berkel en Rodenrijs wordt verscherpt, ze moe-
ten "in de Herberge van de Son te Delft, op huijden 16 april 1713 ver-
schijnen, voor Sonnen ondergang en zo lang gijseling te houden tot dat "
enz. enz. (B10).
Leendert Versteeg was schoolmeester in Berkel en Rodenrijs van 1714-1717,
in 1717 vertok hij naar Zevenhuizen. Hij was ook voorzanger/voorlezer in
de kerk. (B15) (K).
Tengevolge van een doorbraak van de Rottekade onder Bleiswijk kreeg de
Oosteindsche polder in 1715 in zulk een mate met overtollig water te kam-
pen, dat de uitgezette turf wegspoelde en er bij noordoosten wind gevaar
was, dat de Hoekschekade zou bezwijken. Het leggen van een duiker heeft
deze bezwaren ondervangen. (B160).
In 1715 kocht Mr. Johan van der Hoeven De Tempel voor f 6000,-. Toen hij
trouwde met Adriana van der Cloot was hij eigenaar geworden van een boer-
derij in Schieveen die hij Berkeloord had genoemd. Bij de koop van De
Tempel werd bedongen dat de heerlijke rechten van De Tempel ook zouden
gelden voor zijn bezit Berkeloord aan de Schie. De naam Berkeloord werd
later door van der Hoeven gewijzigd in De Tempel. (B10).
In 12 december 1715 werd in het Rechthuis te Berkel het veen van De
Tempel geveild, op die dag verkocht men 2 morgen voor f 4125. Een jaar
later blijkt het veenbezit totaal f 24.000 te zijn. De Tempel was ca. 12
morgen groot. De vervening van De Tempel is in 1715/1716 begonnen. (B10,
"Berkelaar") (V).
2-11-1716. Een heul bij de Pijnackerse molens, de Laanheul bij Delfgauw
en de Cromme heul tussen Delft en Delfgauw moeten gedeeltelijk door
Berkel en Rodenrijs onderhouden worden. De Hofweg, de Cingel, de weg in
't Noordeinde tussen Slingersloot en Keulen (in Pijnacker) zijn geheel
voor rekening van het Ambacht Berkel (B10) (M).
1716. "Het Rotterdamse Pat in 't Zuijdeijnde" (Was dit het in 1775 ge-
noemde Schiebroekse Pat, thans Bonfut en Wilderse Kade?). (B10).
1719. Brief van Cornelis van Zuylen aan de schout Allert van der Duyn be-
treffende de achterstallige huur van een huis in Bergschenhoek, bewoond
door een door de Armen gealimenteerde zeemansweduwe met vier kinderen,
die weigerachtig is het MERKTEKEN op hare kleding te dragen. (B97- no
1576).
In 1720 stortte Johan van der Hoeven, heer van den Tempel en Rodenrijs
(De onverlaat van de gele ruit (Zie 1730) (B07)) f 2000 waarborggeld voor
de droogmaking van zijn veenderij van 14 morgen, 12 morgen van De Tempel
en 2 morgen in Schieveen. Over dit gebied moest hij ook molen-, sluis- en
penninggeld in Schieveen betalen. (B02) (M) (V).
1723. Overdracht op titel van koop ten overstaan van schout en schepenen
van Zegwaard van een huis met twee schuren en een partij moeras (gebroken
veenland) gelegen in de Buitenwegse polder door Claes de Vrient uit
Leiden aan Dirck van 't Scheyt. (B23-1036) (V).
1724. Ariaantje van der Boon, vroedvrouw te Berkel en Rodenrijs heeft een
aanbod gekregen van die van Vlaardingen, "om zich daar te vestigen en ze
zal daar verdienen 100 gld's jaars, bij ziekte en gezondheid en daarbij
nog enige douceurs. Vroedvrouwen waren blijkbaar schaars in die tijd
omdat men de vroedvrouw een zelfde bedrag aanbood! (B10).
Tekeningen van ca. 1729 gemaakt door G. van Giesen die zich bevinden in
het gemeentearchief van 's Gravenhage: No 33. Pijnacker, zoals het zich
vertoont, van Delft nabij het dorp komende. No 34. Berkel, zoals het zich
vertoont van buiten het dorp, op de weg naar Pijnacker, bij de scheepsma-
kerij. (B74).
1729. Missive van schout en ambachtsbewaarders van Berkel, houdende ver-
zoek dat de ingezetenen van Berkel mogen varen door het Schiebroekse ver-
laat gedurende de herstelwerkzaamheden aan het Berkelse verlaat. (B97- no
1279).
Rond 1730 schreef Johan van der Hoeven voor dat armlastigen op de linker
bovenarm een gele ruit met de letters "B.R." moeten dragen. (B07).
Van der Hoeven noteerde verder, "dat de landscheiding tussen zijn Heer-
lijkheid en Schiebroek ter lengte van 80 roeden ook zijn eigendom is" ca.
1730 (B10).
Toen het met de veenderij rondom Bergschenhoek na 1730 snel bergafwaarts
ging, zochten velen een heenkomen naar Berkel en Pijnakker, ook wel naar
Reeuwijk en Sluipwijk en enige andere dorpen in het Utrechtse-Noord-
Hollandse, als Mijdrecht, Wilnis en Amstelveen, alwaar voor de veenderij
nog mogelijkheden waren. (B82) (V).
De landerijen ten westen van de Molenlaan in den Butterdorpschen polder
zijn Ommoordsch bezit geweest. In 1732 werd er een groot gedeelte van
verkocht om van de opbrengst een nieuwen Ommoordschen watermolen te kun-
nen bekostigen. (B160).
In 1732 stonden er aan de weg door de veenderijen vanaf de grens van
Schiebroek tot in Bergschenhoek, de z.g. Westweg of Laag Rotte, 55 hui-
zen. Van de 34 die het diepste in het veen lagen, staat bijna de helft te
boek als oud en vervallen. Ook aan de Achterweg, bij Bergschenhoek, ston-
den 5 van de 13 huizen direct op wegspoelen en met de overige stond het
er rampzalig voor. (B82) (V).
Uit oude stukken blijkt dat in 1732 het hoofdmiddel van bestaan nog
steeds die van de veenderij was. Per verveende roe grond moest men echter
een bepaald bedrag betalen voor dijkbeheer en om later de droogmakingen
te kunnen financieren (In 1697, 1 stuiver per verveende roede). (B&R) (V)
Aannemer en architect David van Stolk uit Rotterdam bouwde in 1732 een
nieuwe "Gereformeerde" kerk in Berkel en Rodenrijs. Aanbestedingen op 19
maart 1732, eerste steen gelegd op 20 juni 1732, eerste preek in de
nieuwe kerk op 14 december 1732. (B15) (K).
1734. Copie-certificatie betreffende de afkooppenningen van de Vogelkooy
in de Rotte onder de polder Oostende. (B97-no 1021).
1734 Oktober, De bode heeft gerapporteerd dat hij had geinsinueert Arij
Bonifaes van Scheijt om de boomen binnen de 100 roe staende van de But-
terdorpsche molen om te hakken. Item dat bij denzelven Arij Bonifaes van
Scheijt was aangenomen bij t afvallen van de bladeren. (B160).
October 1734. De groote butterdorpse mole vacant; de swager van Hendrik
Huijsman solliciteert dienaangaende. (B160).
1734. Overdracht op titel van koop ten overstaan van schout en schepenen
van Zegwaard van 5 hond moerassig (gebroken veenland) gelegen in de
Katwijk in de Veur, door Jacobus Arijensz. Hoogervorst aan Philips Heyman
uit Katwijk aan de Veur met de voorwaarde dat de koper zijn deel in "De
Buerbrugge" zal onderhouden en - in geval van droogmaking - de grond zal
blijven behoren tot het ambacht Zegwaard. (B23-1052) (V).
1 Januari 1735 is molenaar geworden van de groote Butterdorpse molen
Leendert Janse Kerckhoff. (B160).
1737. De Rotte is weer eens doorgebroken. (B10).
In den polder (Boter- of Butterdorpsche polder) waren omstreeks 1745 ge-
legen de twee valbruggen "de Laenheul" en de "Knollemansheul", de heul
bij de wed. Uijttenbroek en de heul aan de Zijde. Bij de Zijde (weg) was
gelegen de Haesjes brug, waarvan een bestek van vernieuwing werd gevonden
van 1665, (B160).
1746-1754. Stukken betreffende de slechte gesteldheid van de weg De Zijde
van de Westweg tot de landscheiding bij Berkel en de verkoop van de
voorn. weg namens burgemeester en regeerders van Rotterdam als eigenaars.
(B97- no 1162).
1747. Ds. van Hoven predikant onder de Remonstranten in Berkel vraagt aan
het Collegie vergunning of de bedestonden van 2 tot 3 uur 's middags mo-
gen worden gehouden i.p.v. woensdagavonds van 7 tot 8 uur, omdat de ge-
meenteleden uit Oude Leede, Schiebroek en elders moeten komen enz. (B10).
1 mei 1747. De Schout van Berkel en Rodenrijs heeft heel wat te vertellen
over de omliggende dorpen zoals Bergschenhoek, Bleiswijk, Zoetermeer,
Overschie, Maassluis en de Ketel. Overal was er beweging en uitingen van
Oranje-gezindheid. (Het verhaal van de Schout besloeg 4 kantjes). Ook in
Berkel en Rodenrijs wapperde de "princevlag" op de kerktoren. (B10) (K).
Geschat rond 1750/1760 jaarlijks honderd duizend roeden land verveend,
waarvan iedere roede op zeven tonnen turf gerekend wordt. (700.000 ton
per jaar). (B12). (B&R) (V).
De Zijde, gaande van den Westweg tot aan de landscheiding van Schieland
en Delfland (Roderijskade), was vooral tijdens den winter de gewone rij-
weg (van Bergschenhoek) over Berkel naar Delft. In het begin van de 18e
eeuw geraakte hij in onbruik, gelijk in een memorie aan Rotterdam door
den schout Claudius Johannes Steenlack is uiteengezet. Deze weg, welke
door zeventien ingespoelde gaten was onderbrokenm werd in 1752, na ge-
deeltelijke meting, geschat op een lengte van meer dan 200 roeden. De
Zijdeweg moest onder Hillegersbergin de ordinaris verponding, het karre-
geld, het penninggeld en de binnenlandsche kosten volgens de gaarboeken
verongelden voor 450 roeden, had in de extra ordinaris verponding remis
en stond in het molengeld niet bekend. (B160).
Claas van Sol huurde een opkamer in het huis waar de as bewaard werd aan
de Bergweg in de polder van Butterdorp, 1760, het huis was eigendom van
de H.G. armmeesters. (B97 - Nr. 1499).
1762 Palesteinschepolder te Zegwaard, 505 Ha. drooggemaakt. Octrooidatum
9-6-1759, gereed in 1760-1762.
Schippers (Cornelis S., heer van Bodegraven, schout van Berkel en Roden-
rijs), CC. 9 Juli 1765. (B152).
1766-1815. Droogmaking 3635 morgen Bleiswijk en gedeelte Hillegersberg
(B97 no 1109 t/m 1127).
Omstreeks 1766 was bijna de helft van de wateroppervlakten aan weerskan-
ten van de Rotte opnieuw bedijkt en drooggelegd en voerden 31 molens hun
water op de Rotte. (B29) (M).
Droogmakerij van de polders van Hillegersberg, Bleiswijk en Bergschen-
hoek. 14-01-1769 Octrooi voor droogmaking van o.a. de Butterdorpse pol-
der. 10-01-1772 Start uitvoering droogmaking van o.a. de Butterdorpse
polder. We maken even een uitstapje naar onze buurgemeenten die in janua-
ri 1772 begonnen met de droogmaking van de polders van Hillegersberg,
Bleiswijk en Bergschenhoek. De begroting voor deze droogmaking bedroeg
f 1.422.530. Waar maar liefst 27 molens aan te pas kwamen. Zoals al eer-
der aangegeven betaalde Berkel f 20.000 mee aan deze droogmaking ofwel
1,4 procent van de totale begroting, waarvoor men zegge en schrijven 1
nieuwe molen kon laten bouwen in die tijd. De eerste serie van 6 bovenmo-
lens werden in 5,5 maanden gebouwd en na ca. 1,5 jaar de tweede serie
lager geplaatste molens enz. De eerste landverkoop was op 19-08-1778 en
de laatste op 18-08-1784 met een totale opbrengst van f 430.000. In 1780
stierven tienmaal zoveel mensen in Bergschenhoek als voor het droogvallen
van het land. Besef van de waarde van goed drinkwater was er blijkbaar
niet. Berucht waren ook de Zeeuwse koortsen, een vorm van malaria (M).
H.G. armmeesters stichtten een asschuurtje op de Rottekade bij de Butter-
dorpse watermolen, 1769 (B97 - Nr. 1500) (M).
2 juni 1769. "Verdrag tussen Schout en Ambachtsbewaarders, (van Berkel)
als bij Schout, Ambachtsbewaarders en achtemannen en de molenmeester over
de Lede gequalificeerd (= bevoegd verklaard) en de molenmeesters van de
Zuid en Noordpolders van Delfgauw, waarbij eerstgenoemden het onderhoud
van de Laanheul en de Kromme heul (in Delfgauw) afkochten". (B10) (M).
Men was in 1771 bijna gereed met het droogleggen van de plassen onder
Hillegersberg (waaronder Bergschenhoek ook viel) en Bleiswijk. (Notitie
Hr. Eldering archief Berkel.
1771 Nieuwe polder Zoetermeer.... Octrooidatum 24-1-1767, gereed in 1768-
1771.
1772 Honderdtienmorgen te Hillegersberg, 85 Ha. drooggemaakt. Octrooida-
tum 5-8-1772, gereed in 1772.
1772 Polder Schiebroek te Hillegersberg, 570 Ha. drooggemaakt.
Een Regthuys is in 1773 in de Kerkstraat gebouwd. (B&R), (B07).
De brand in Pijnacker op zondag 12 september 1773 vraagt van Berkel en
Rodenrijs achteraf geen collecte, maar wel op die dag zelf twee brand-
spuiten met de nodige manschappen. Op 1 december 1773 wordt er in het
Collegie gesproken over de brand en de verschuldigde vergoeding van f 25
per brandspuit, eigenlijk zou men twee maal f 25 is f 50 moeten rekenen,
maar er wordt besloten de hand over het hart te strijken, want een goede
vriendschap is toch ook veel waard! (B10).
Achterof (Noordeinde in de omgeving van de Kleihoogt groot ca 400 morgen)
notitie van Hr. Eldering archief Berkel.
Volgens een aantekening in het archief van Berkel en Rodenrijs kan in ok-
tober 1774 met uitmalen worden begonnen. (B&R). De totale kosten voor de
gehele "grote droogmaking", meer dan f 513.000 (B21). 1 juli 1776. De
polderwerkers waren grotendeels afkomstig uit het Duitse grensgebied.
Hendrik Boer, afkomstig uit Munsterland bleek de raddraaier van de onge-
veer 90 stakers te zijn, die de werkwilligen molesteerden en soms zelfs
zwaar mishandelden. (B21). Op 28-05-1777 werden de eerste kavels verkocht
(kavel no. 28, groot 19 morgen en 221 roeden) werd gekocht door Frank van
der Burg voor f 180 per morgen. (B21).
In 1777 toen de Zuidpolder drooggemalen werd, werden er acht hardstenen
palen geplaatst om de grenzen tussen De Tempel en Berkel en Rodenrijs af
te bakenen. (B10, "Berkelaar"). (B&R).
Volgens informatie van een zeer oud man aan (de) Kandelaar onder Over-
schie woonachtig heeft in den Tempel een Houten Galgh gestaan. Nadat de
Heerlijkheid drooggemaakt was heeft men Twee Steene pilaaren met een
Zwaar IJser daarboven tot een Galgh doen vervaardigen in 's najaar van
1777. (B10).
1777 Westpolder, Noordpolder en Zuidpolder te Berkel, 850 Ha. droogge-
maakt. Ook wel Oude droogmakerij. Octrooidatum 8-12-1767, gereed in 1777.
In 1778 werd molen (vijzelmolen) "De Stap" gebouwd in de Oude Bieslandse
Polder en in 1931 afgeknot en verbouwd tot dieselgemaal. (B17) (M).
1778. Jan Scheurkogel, schoolmeester in Berkel en Rodenrijs. In 1779
stellen Arij Scheurkogel te Schiedam en Teunis Westvelt te Zoetermeer
zich borg voor f 400, "zoo J. Scheurkogel in gebreke mocht blijven om de
genoemde penningen (borgsom voor de tol) te voldoen". Naast schoolmeester
was J. Scheurkogel ook tolgaarder en voorzanger/voorlezer in de kerk.
Scheurkogel kwam van Noordwelle en werd na ca. 2 jaar ontslagen.
(Ged.: B15) (K).
1779 Octrooi van de staten van Holland voor Hillegersberg en Rotterban
tot droogmaking van zekere 110 morgen in den Bergerbroekpolder. Volgens
van der Gouw (B11) was deze droogmaking in 1779 gereed?!
1779 Bleiswijk en een gedeelte van Hillegersberg, 3500 Ha. drooggemaakt.
Octrooidatum 14-1-1769, gereed in 1772-1778
In 1779, 1780 en 1781 heersten er in Bleiswijk, Hillegersberg, Bergschen-
hoek, Terbregge, Berkel en Schiebroek talloze ziekten; een epidemie van
besmettelijke Moeraskoorts of Malariaachtige ziekten; veroorzaakt door de
rottende planten- en dierenresten vrijkomend bij de droogmaking. In sep-
tember 1780 stonden er 93 mensen op de lijst van doden van Hillegersberg
en Bergschenhoek.
In 1781 werd de Staten-Generaal gevormd door afgevaardigden van de zeven
provincin, waarbij elke provincie n stem uitbracht. (B103).
Ds. Pieter van den Bosch vestigde zich in 1783 opnieuw in Zoetermeer, hij
was Remonstrants predikant en vurig patriot (= tegenhanger van de Oranje-
gezinden). Op 18 september 1783 kwam te voet en te paard een troep volk
uit Bleiswijk, die voor de woning van Van den Bosch halt maakte. (B127).
1784. Differenten gerezen omtrent het maken van zeker einde van de Berg-
weg in het dorp Bergschenhoek tussen de twee bruggen aan de einden van
hetzelve dorp liggende. (B97-D59)
1784. Krijnus Elberts Vente, ged. Nieuwerkerk a/d IJssel 7-9-1746, begr.
Hillegersberg 15-12-1797. Kocht van Jan Tempel voor f 975 huis en erf
bep. en bepl. mitsgaders een overdekte kolfbaan aan de Rotte in de nabij-
heid van het Boterdorpse verlaat, het huis geapropieerd tot een herberg.
23-04-1784 datum koopakte. (B53).
6 maart 1785. Jan Moolenaar zijn been moet er af!. Een behandeling "met
mes en zaag". Er blijkt echter een "Meester van de Kleyweg" te zijn die
het been wellicht nog kan redden. De kosten voor de reddingspoging waren
f 350, onder voorbehoud dat hij (de Meester van de Kleyweg) garandeerde
dat het been na een half jaar nog genezen is! In 1788 betuigt de "Meester
van de Kleyweg" dat hij het been niet kan genezen en dat hij dus af moet
zien van het bedongen loon van f 350. E.e.a. speelde zich af in Berkel en
Rodenrijs met tussenkomst van de kerkeraad. (B15) (K).
In 1786 bleek de Gemeenlandskade aan Berkelse zijde al opgehoogd te zijn
t.b.v. de droogmaking. (B&R).
1786 Polder Zestienhoven-Oudendijk te Overschie, 420 Ha. drooggemaakt.
Octrooidatum 23-8-1786, gereed in 1786.
In 1787 werd er met de polder Berkel een overeenkomst gesloten waarbij de
Hofweg van de Rijskade tot de watering door Schieveen in eigendom overge-
nomen werd. Het westelijk gedeelte bleef aan Berkel. (B02).
In 1787 werd een vuurmachine (stoomgemaal) gebouwd in de Blijdorpse pol-
der, in 1797 echter al weer afgebroken. Dit gemaal zou volgens Marrenga-
Stapff het eerste stoomgemaal in een polder in Nederland zijn geweest.
(B09).
Op 6 september 1789 werd Maarten van den Toorn geboren in Hazerswoude.
Hij was van 1810 tot 1869 schoolmeester in Berkel en Rodenrijs. Op 29
juli 1821 trouwde hij met Adriana Gerdes, weduwe van Kors Gouka uit Moer-
kapelle. Na zijn pensionering in 1869 vestigde M. van den Toorn zich in
Den Haag (Zeestraat 33) alwaar hij op 16 maart 1873 overleed.
1789 Nieuwe of drooggemaakte polder van Pijnacker, 610 Ha. drooggemaakt.
Octrooidatum 14-3-1766, gereed in 1782-1789.
In 1793 koopt Adriaans Batenburg uit Terbregge de bakkerij, deze bijft
een eeuw lang in de familie. Rond 1910 kocht C. van der Breggen de bakke-
rij, die nu (1998) nog in de Herenstraat in Berkel staat. (B10).
In 1793 wordt het rechthuis gehouden in de herberg "De Oranjeboom", dat
ook het rechthuis van den Tempel is. (B12). (B&R).
1793. In het boek van L. van Ollefen: "Den Bergsen-hoek", "Hillegonds-
berg", "Hoog- en Woud-Harnasch", "Rok-Anje", "Biert", "Benthuyzen",
"Hazardwoude" en "Calslagen".
Ds. Volkert Swart, predikant te Nieuwkoop kwam in 1794 naar Berkel als
predikant van de Remonstrantse gemeente en vertrok na twee jaar (1796)
naar Hazerswoude. (B10).
Ca. 1795. In Rijnland, Delfland en Schieland is elk dorp (ambacht) n
geheel; aan het hoofd staat de schout, die als het dorp een hooge heer-
lijkheid is, tevens baljuw is en dan voor de crimineele justitie wordt
ter zijde gestaan door mannen. Nevens deze schout staan schepenen,
ambachtsbewaarders, kroosheemraden, turfmeters, gezworens. (d.z. schat-
ters van dorpslasten). (B123).
Op 24 november 1795 werd de prijs van het brood onder het bestuur van
Rijnland belangrijk verhoogd. Roggebrood (het brood voor de gewone man)
werd daardoor duurder dan in Delf- en Schieland. Behoeftige burgers ging-
en door nood gedwongen hun brood in Pijnacker, Berkel of Bleiswijk kopen,
waardoor de broodbakkers in Zegwaart en Zoetermeer grote schade leden.
(B127).
Akkersdijk, Abtsrecht, Biesland, Ruiven en de Tempel bij Pijnacker ge-
voegd in het jaar 1795. (B16).
Ds. Gerbrand Bruining werd beroepen van Bleiswijk in 1796, kwam naar
Berkel als predikant van de Remonstrantse gemeente en vertrok in 1803
naar Nieuwkoop. (B10). In Berkel van 1796-1803).
Juni 1797. Ds. IJssel Groothuijs predikant te Berkel en Rodenrijs die
beroepen is te Hoorn moet hier blijven (mag niet naar Hoorn). Oktober
1797 een tweede poging en wederom mag hij niet weg. (B10).
Ds. Samul Kan, predikant N.H.-kerk kwam op 24 juni 1798 uit Woudenberg
te Berkel zijn intrede doen. Hij overleed op 27-04-1828. (B15) (K).
7-1-1799. Het Berkels dorpsbestuur beraadt zich er over of men geen ver-
gunning zou kunnen verkrijgen om de landscheiding tussen Berkel en Schie-
broek te vervenen. (B10).
1799 Oude droogmakerij Schieveen, Schiebroek, 80 Ha. drooggemaakt. Oc-
trooidatum 23-8-1786, gereed in 1792.
1800-1900
Rond 1800 woonden er in ons land ruim 2 miljoen inwoners. (B105).
6-8-1800. Het huis, bewoond door Paulus Droog en Jannetje van Eijk, egte-
lieden, op de Leedeweg onder Pijnacker is door brand verwoest. (B10).
In 1801 werd bepaald dat iedere heerlijkheid, nu gemeente genoemd een ge-
meentebestuur moest hebben, de heerlijke rechten werden afgeschaft. (B28)
Cockuijt, Didericus, predikant Remonstrants Berkel, 1803-1808
In 1804 had Berkel nog een veenfonds van f 456.865,-, het hoogste van
heel Delfland. (B28) (V).
Eind 1805 kregen Arend Franke van den Burg en Hendrik Meijer vergunning
voor het verslagturven van het Oostmeer. (B&R) (V).
12 juli 1806. "P.C. de Koning, Schout van Maasland, J. van Koetsveld du
Crocq, Schout van Woutharnas, J.H. Huijgens en N. van der Velden, Schout
van Vrijenban" (B10).
In 1809 is er een inschrijving voor levering van hout aan de Polder
Berkel. Wijnaendts (van de Zweth), Slingeland en Sonsbeek uit Waddinxveen
en Abraham Stolk uit Rotterdam zijn de inschrijvers. De laatste zal de
levering wel gekregen hebben omdat hij beneden de f 3000 bleef. (B10).
In 1810 was de schoolopziener B. Spoelstra uit Den Haag. (B10).
In 1810 kreeg de N.H.-kerk uit Berkel en Rodenrijs haar eerste orgel af-
komstig uit de Waalse kerk te Amsterdam. De heer J. Robbers, organist en
klokkenist uit Rotterdam bespeelde het orgel voor het eerst op
14-10-1810. (B15) (K).
In 1811 telde ons land 4551 scholen met 190.000 leerlingen. (B103).
Vredesgerecht van het kanton Hillegersberg, tot dit gerecht behoorden in
1811, Bleiswijk, Hillegersberg, Bergschenhoek, Berkel, Capelle a/d
IJssel, Moordrecht, Nieuwerkerk a/d IJssel, Zevenhuizen en Waddinxveen.
(B97).
Voor 1811 registreerde kerken, geboorte-, huwlijks- en sterfdatum. In
1811 voerde Napoleon de burgerlijke stand in. De inwoners van Holland
werden verplicht om een familienaam aan te nemen. (B21) (K).
In 1811 wordt Vrijenban bij Delft gevoegd en in 1812 Biesland, Ruiven,
Abtsregt, Akkersdijk en Tempel bij Pijnacker. (B16).
Volgens Mr. Kemper over het Franse recht etc. van 1812 was de Tempel
(Rodenrijs) onbewoond en viel onder de gemeente Pijnacker. Verder hoorde
de gemeente Berkel en Rodenrijs onder het kanton Hillegersberg. Later
duikt de Tempel weer op als gemeente, om in 1855 definitief ingelijfd te
worden bij Berkel en Rodenrijs. (B28).
"Jacob van den Bos(ch), geboren te Nootdorp; opgeroepen 15 april 1812,
gediend bij het 146 Regiment infanterie". "Vermoedelijk krijgsgevangene
gemaakt en naar Rusland vervoerd". Inwoner van Berkel en Rodenrijs. (B10)
Ca. 1812 "Jans Val, geboren te Waddinxveen, gediend bij het 146 Regiment
infanterie". "Vermoedelijk krijgsgevangene gemaakt en naar Rusland ver-
voerd". Geboren op 14-1-1788 en in 1789 in Berkel en Rodenrijs komen wo-
nen. (B10).
Op 21 oktober 1812 vond afscheiding van Bergschenhoek van Hillegersberg
plaats. Eerste burgemeester werd Arie van Oosten, zoon van de Hoekse chi-
rurgein. De bovenverdieping van herberg de Rozenboom werd als raadhuis
in gericht.
"Klaas van Velzen geboren te Kralingen, gediend bij het 146 Regiment in-
fanterie op 20 augustus 1813 krijgsgevangene gemaakt en naar Rusland ver-
voerd" Klaas was zoon van Willem van Velzen en Francijntje van Bras en
inwoner van Berkel en Rodenrijs. (B10).
"Theodorus Wassenberg, geboren te Leiden, opgeroepen 19 October 1811, ge-
diend bij de Keizerlijke kanoniers van het 9 Regiment ... Compagnie. De
laatste tijding die men van hem heeft gehad is van Thorn aan de Weichsel
van den 30 Meij 1812". "Vermoedelijk krijgsgevangene gemaakt en naar Rus-
land vervoerd". Inwoner van Berkel en Rodenrijs. (B10).
"Gerrit de Groot geboren te Overschie, opgeroepen October 1813, ... ge-
plaatst bij een Regiment Grenadiers, de laatste tijding die men van heeft
gehad was uit ... en is toen naar Duitsland vertrokken. Vermoedelijk
krijgsgevangene gemaakt en naar Rusland vervoerd". Inwoner van Berkel en
Rodenrijs. (B10).
"Wiegert Jacob van Putten, geboren te Ameide, opgeroepen 6 maart 1812,
heeft gediend als Grenadier in het 4 Regiment van de tiraileurs Garde
van de gewezen Keizer van Frankrijk, ... batalion 2 compagnie. De laatste
tijding die men van hem heeft gehad is geweest den 29 April 1812 van
Metz, hebbende als toen ... dat hij ..... Duitsland moest vertrekken.
Vermoedelijk krijgsgevangene gemaakt en naar Rusland vervoerd". Inwoner
van Berkel en Rodenrijs. (B10).
Na het vertrek van de predikant van de Remonstrantsche kerk (Gerrit
Gijsbert van Paddenburg) uit Berkel in 1815 werd de Remonstrantsche ge-
meente gecombineerd met Bleiswijk en later in 1846 met Zegwaart en Zoe-
termeer. In laatstgenoemd jaar ondertekende Ds. J. van Leeuwen, predikant
in Berkel, Zegwaart en Zoetermeer in Berkel zijn eerste notulen. (B10).
(K).
Op 26 maart 1815 ontvangt het gemeentebestuur van Berkel en Rodenrijs be-
richt over het contingent militairen voor het district Gouda, daarvan zal
er in 1815 door Berkel 3 man geleverd moeten worden en de volgende jaren
2 man. (B10).
De loting van de Nationale militie voor 1815 - 3 man uit Berkel - heeft
uitgewezen dat Gerrit Berkel, Aart van Rossum en Hijmen Verhoef op 20 mei
te Gouda moeten opkomen.
Op 10 april 1815 moeten 10-span paarden, plus voorlieden uit Berkel en
Rodenrijs om 6 uur 's morgens gereed staan op de Paardemarkt te Delft
voor het vervoer van de munitie naar Krimpen aan de Lek. (B10).
In 1801 werd bepaald dat iedere heerlijkheid, nu gemeente genoemd een
gemeentebestuur moest hebben, de heerlijke rechten werden afgeschaft. In
1815 werd dit echter weer herroepen. (B28).
De nieuwe Hollandse waterlinie is een optelsom van een reeks aaneengeslo-
ten forten, sluizen, bruggen, bunkers en inundatiegebieden die van het
IJsselmeer tot de Biesbosch loopt. De linie werd aangelegd tussen 1815 en
1855 ter vervanging van de befaamde oudere Hollandse Waterlinie die niet
meer voldeed. (Bron: Heemschut 1999)
1816. Een arme oude man wonende in Alkemade maar met een acte van indem-
niteit van Berkel en Rodenrijs en dus onderhouden door een Berkelse in-
stantie is overleden. Het gemeentebestuur van Alkemade bericht dat het
onder de bitterste armoede plaats gehad heeft, zij zullen voor de begra-
fenis zorgen, maar zeggen meteen dat zij dadelijk na afloop hun Nota van
gedane voorschotten zullen overzenden. (B10).
1817. Akkersdijk, Abtsrecht, Biesland, Ruiven, Hoog- en Woudharnasch en
't Woud worden weer zelfstandig (B16).
1819. Het tabernakel, voor f 300 van het opgeheven kerkje te Wilsveen bij
Nootdorp overgenomen. Het altaar met kruisbeeld afkomstig van Zoetermeer
aan de kerk te Berkel en Rodenrijs geschonken. Dit altaar keerde in 1877
terug naar Zoetermeer ten dienste van de kapel der Eerwaarde Zusters.
(B13) (K).
In de statie Bergschenhoek was onenigheid ontstaan tussen pastoor Arn.
van Gulick en het kerkbestuur, hetwelk, nog onder invloed van de Franse
vrijheidsgeest, te eigenmachtig optrad. De landdeken van Rotterdam be-
noemde een commissie tot regeling, bestaande uit een negental parochianen
uit Bergschenhoek en pastoor Awater van Berkel (1823). Deze commissie
kreeg tot taak, de samenstelling van een nieuw regelment op het kerkbe-
stuur, het vinden van een voor beide partijen bevredigende oplossing in
zake een door pastoor Van Gulick gekocht huis, het orde brengen in de
verwarde staat der financin en het beramen van middelen om te komen tot
de bouw van een nieuwe kerk. Ondertussen nam pastoor Van Gulick ontslag
(1824). Daarom werd de 26e december, drie dagen na zijn priesterwijding,
kapelaan A.J.J. Keyl den pastoor van Berkel toegevoegd ter bediening van
Bergschenhoek. Deze statie werd daardoor min of meer een bijkerk van
Berkel. Dit zinde den Bergschenhoekers allesbehalve. De dag van aankomst
van den nieuwen kapelaan. 31 december, werd dit den Bergschenhoeksen
kerkmeester Schokx door pastoor Awater medegedeeld; hij verzocht hem te-
gelijk, de volgende morgen den kapelaan naar hun statie te rijden. Men
dacht er echter niet aan, bijkerk van Berkel te worden en daarom besloot
het kerkbestuur geen kapelaan van Berkel af te halen; met gevolg, dat op
nieuwjaarsmorgen de Bergschenhoekse parochianen voor niets naar de kerk
kwamen - er was geen priester. In de middag begaf Keyl zich naar de Hoek,
waar Schokx hem van het besluit van het kerkbestuur op de hoogte stelde.
Toch schijnt het onderhoud een vriendschappelijk verloop gehad te hebben;
de kapelaan bleef bij Schokx overnachten. Aartspriester Cramer, die Keyl
tot kapelaan van Berkel benoemd had, bracht een voorlopige oplossing,
door hen nu tot deservitor van Bergschenhoek te benoemen. Als zodanig
verbleef hij daar van 24 januari tot 20 maart. Na 3 maanden verblijf in
Berkel-Bergschenhoek werd hij naar Middelburg overgeplaatst. Na Keyl trad
als deservitor van Bergschenhoek op H.F. Kropman, die reeds het volgende
jaar, 21 september 1826 op 36 jarige leeftijd overleed en als eerste
priester op het nieuwe R.K. kerkhof te Berkel werd begraven. Op de 8e de-
cember kondigde pastoor Awater van de preekstoel af, dat hij nu zelf be-
noemd was tot pastoor van Bergschenhoek, welke statie hij met die van
Berkel zou blijven bedienen tot er een nieuwe kerk gereed zou zijn, hij
verzocht aan de Berkelse parochianen, den kapelaan, J. van der Hulst,
daarheen te rijden. Maar het Bergschenhoekse kerkbestuur ging er wederom
niet mee accoord, en ging op audintie bij de aartspriester te Zoeter-
woude. Het verkreeg toestemming dat de kapelaan van Berkel de pastorie
van Bergschenhoek bleef bewonen. J. v.d. Hulst bleef daar tot 20 mei 1827
en vertrok toen als pastoor naar Wieringen. Maar toen kreeg Bergschenhoek
eindelijk weer een eigen pastoor: D.J.F. Gertsen. (B13) (K).
In 1826 verkocht de staat der Nederlanden het recht tot tiendheffing over
bepaalde landerijen in Berkel en Rodenrijs. Arend Franke van der Burg
kocht 3 percelen n.l. het Ledeblok, de Kleine en Grote Negenhovense Tiend
tesamen voor de som van f 1600,-. (B21).
1826. Alles ten westen van de Schie en van Delft komt bij Hof van Delft
en alles ten oosten van de Schie bij Vrijenban. (B16).
Het het orgel van de Hillagondakerk te Hillegersberg is van 1830. (B01).
(K).
Rond 1830 woonden er in ons land ruim 3 miljoen inwoners. (B105).
1833. Biesland komt bij Vrijenban. (B16).
Influenza epidemie vanaf 1833, toen er een overstroming was van Berg-
schenhoek en Bleiswijk na een doorbraak van de Rottedijk. (B28). Ook in
Berkel had men last van deze epidemie.
In 1833 werd in Bergschenhoek begonnen met de bouw van de R.K. Water-
staatskerk, de kerk was op 25-8-1834 gereed. (K).
Bergschenhoek, 26 december 1833, doorbraak Rottekade. In een uitvoerig
gedrukt verslag van 7 december 1835, uitgebracht door den fabrijk-land-
meter van Schieland J.A. Scholten Hzn., kan men het gehele verhaal van de
doorbraak en de wijze waarop de herstellingen der schade plaats had in
extenso lezen. (B29).
1833/1834 Aanleg (verdieping/verbreding) laatste gedeelte Rodenrijse
vaart tot aan de Bovendijk in verband met de Nieuwe Rodenrijse droogma-
king ten Noordwesten van het Rodenrijs. Deze inpoldering gestart oktober
1845 was begin 1847 klaar en reikte tot aan de Zwet en de watermolens die
daar stonden. In 1847 maalt men ook de Molenplas, het Westmeer en de Oude
Leede plas (In 1949 nog in bebruik als bergboezem) droog en omtrent die
tijd (1850) werden ook de Noordeindse plas en de Ruivense plas droogge-
maakt (Naam ontleend aan kasteel Ruiven). De Ruivense plas heeft de toen-
malige eigenaar, de familie van den Burg zelf droog laten malen (rond
1850). 26-2-1845 Ontwerp tot het droogmaken en bemalen van de plassen in
den polder Berkel van A. Greve, ingenieur. 1845 Droogmaking Oostmeerpol-
der, de Nieuwe droogmaking en de Nieuwe Rodenrijse droogmaking, totaal
500 HA. 1854 Bergboezem. 27/6/1846 en 18/7/1848 Bergboezem overeenkomst.
okt. 1845 - jan. 1855 rekeningen droogmaking Rodenrijse plassen en het
maken van de Bergboezem. Gemeenteraad: 5 april 1845 werd er gesproken
over droogmakerij, Rodenrijse droogmakerij was 14-11-1846 bijna voltooid.
26-2-1851 gesproken over droogmaking Oostmeer, 5-9-1854 blijkt deze al
voltooid te zijn. 1850 Eerst de Nieuwe Rodenrijse droogmakerij en niet
lang daarna de Nieuwe droogmakerij ten noorden van Berkel dorp en het
Noordeinde. Meerpolder omstreeks 1850 drooggemaakt. (M).
Ds. Cornelis Eliza van Koetsveld kwam in 1835 naar Berkel en Rodenrijs,
zijn tweede gemeente, hij bleef tot 30 september 1838. "De koortsen, ont-
staan volgens zijn zeggen door de overstroming van de Rotte, hebben hem
uit Berkel verjaagd naar Schoonhoven". (B15).
1835 en later. Piet de Vogel was n van de twee rietdekkers in Berkel en
Rodenrijs. Nu eens hing hij aan de ronde kap van een watermolen in de
storm. Dan weer zag men hem op een molenwiek wandelen en stak zijn ge-
daante tegen de wolken af. Twee of driemaal in de 24 uur was hij dronken
en was zijn geld op dan ging hij weer aan het werk ean was nuchter en op-
geruimd als tevoren. 10 jaar later vertelde De Vogel dat hij op een vroe-
ge zomermorgen opweg was naar de molens toen hij opeens een duidelijke
stem achter zich hoorde zeggen "Piet de Vogel! van dit uur af zult gij
nooit meer jenever drinken". Het verhaal gaat dat hij nooit meer een
druppel jenever heeft gedronken. Op 14 december 1860 overleed hij als
ouderling van de N.H.-kerk. (B15) (M) (K).
1839 Percentages katholieken. Pijnacker 43,61 %, Berkel-Rodenrijs 48,47
%, Zoetermeer 55,20 %, Nootdorp 43,61 % enz. Daarentegen laat Bergschen-
hoek in zijn 39,61 % duidelijk de invloed zien van de daar omstreeks 1650
gevestigde statie. (B88) (K).
16 mei 1840. Een alles vernielende hagelbui verwoest de oogst van land-
bouwer Arie Nooteboom in het Noordeinde van Berkel en Rodenrijs. De scha-
de werd begroot op f 1418. In 1840 vertrok er ook een Arie Nooteboom naar
Amerika, of het hier dezelfde persoon betrof is niet bekend. (B10).
Tot 1840 bleef Holland ongedeeld. Toen werd het opgedeeld in twee provin-
cies: Noord-Holland en Zuid-Holland. (B165).
1845. Ruiven komt bij Pijnacker. (B16).
1848 Nieuwe droogmakerij polder Berkel, 375 Ha. drooggemaakt. Octrooi-
datum 19-10-1847, gereed in 1848
In 1801 werd bepaald dat iedere heerlijkheid, nu gemeente genoemd een ge-
meentebestuur moest hebben, de heerlijke rechten werden afgeschaft. In
1815 werd dit echter weer herroepen en in 1848 werden de heerlijke rech-
ten definitief afgeschaft. (B28).
1850. Tot de R.K. statie van Bergschenhoek behoorden ook Hillegersberg,
Schiebroek, Bleiswijk en het grootste gedeelte van Zevenhuizen. (Bron:
Van der Aa).
Vrijenban heeft als burgerlijke gemeente bestaan van 1850 tot 1921,
(B17).
In 1853 is het ambachtsheerlijkheid Hillegersberg, Rotteban en Bergschen-
hoek verkocht. Rotteban was het gedeelte van het ambacht, dat zich ten
westen van de Rotte uitstrekte. (B29).
In 1853 verkocht Rotterdam Bleiswijk met alles wat daaraan verbonden was.
(B29).
In 1853 verkocht de gemeente Rotterdam de ambachtsheerlijkheid Hillegers-
berg en Rotterban aan L.P. Rietstap, wel een zonderlinge transactie, om-
dat iets werd verkocht wat in feite niet meer bestond. (B160).
8 mei 1854. Vlaardingen is door een ramp getroffen. Er zijn 24 vissers
omgekomen bij een storm en voor de 69 weduwen en wezen wordt ook in
Berkel een collecte gehouden en de opbrengst is f 42,07! (B10).
In 1854 werd de Heerlijkheid Berkel en Rodenrijs verkocht voor f 17700
aan het Zedelijk Lichaam (fam. v.d. Burg). (B07).
In 1855 worden Vrijenban, Groeneveld, Abtsregt en Akkersdijk en Vrouwen-
recht samengevoegd tot n gemeente: Vrijenban. (B16).
Het eerst zijn de Delflandse ambachten opgeheven. Bij besluit der Staten
van Zuidholland van 10 November 1857 no. X, nader aangevuld bij besluit
van 9 Juli 1861 en later koninklijk goedgekeurd, werd hiertoe overgegaan.
Met 1 juli 1858 zouden sommige werken in beheer en onderhoud overgaan aan
het hoogheemraadschap, andere aan de gemeenten, andere aan polders. Aan
het hoogheemraadschap gingen over: de hoefslagen op de Maasdijk en de
landscheiding tusschen Schieland, Rijnland en Delfland. de sluizen in den
Maasdijk, het schoon- en diephouden der groote kanalen, dienende tot af-
voer van het boezemwater naar de sluizen, voorts verschillende bruggen
over de kanalen. Aan gemeenten kwam het beheer en onderhoud van verschil-
lende bruggen, wegen, wateren en voorts gingen op sommige dezer colleges
over verrichtingen als klokluiden, doodschieten van dolle honden etc. die
in enkele ambachten aan de zorgen van der ambachtsbesturen waren opgedra-
gen gebleven. Aangezien echter de staten niet de bevoegdheid hadden tot
deze opdrachten aan de gemeenten, is de overgang der werken op de gemeen-
tebesturen later veelal bij accoord geregeld. Ook particulieren kregen
werken in onderhoud. Het beheer der afkoopkassen zou nader door het hoog-
heemraadschap worden geregeld. De archieven der ambachten moesten naar
het hoogheemraadschap Delfland worden overgebracht. (besluit in het Pro-
vinciaal Blad, 1857, no. 114). Dezelfde staten besloten in de zomerverga-
dering van 1861 (10 Juli) tot opheffing van de ambachten in Schieland. Op
dit besluit volgden er nog twee van 17 Juli 1862 en 14 Juli 1863. Op ul-
timo December 1869 zouden "de waterschappen, genaamd ambachten in Rijn-
land" zijn opgeheven. (B123).
1857 Nieuwe droogmakerij Schieveen.... Octrooidatum 10-9-1856, gereed in
1857
Polder Biesland werd in 1860 drooggemaakt. (B17).
Katwijk in de Veur behoort tot de laatste droogmaking in Pijnacker
(1860). (B11).
1862 Ouden of Hoogenpolder Pijnacker, 265 Ha. drooggemaakt. Octrooidatum
14-10-1860, gereed in 1862.
Op 13 november 1864 wordt er door de Sociteits Commissie een onderzoek
ingesteld naar het voortbestaan van enkele Remonstrantsche gemeenten. Met
name van Bleiswijk, Berkel en Zevenhuizen. In Berkel blijken bijna alle
gemeenteleden (v.d. kerk) woonachtig te zijn te Oude Leede nabij Delft,
het wordt gewenscht geacht om de gemeente met die van Delft te verenigen.
(B10) (K).
Kort voor 1866 werd een particuliere gasfabriek gevestigd in Overschie,
gasstraatverlichting werd in 1866 aangebracht en in 1879 weggenomen!
(B69).
Tussen 1866 en 1872 werd de Nieuwe Waterweg gegraven. (B165).
7 november 1866. Vorig jaar werd turf verkocht voor 15 cent per mud en nu
ligt er een aanbieding van 25 cent per mud op tafel en daar gaat de raad
van Berkel en Rodenrijs met graagte op in! (B10) (V).
1866 Eerste stenen gelegd voor het Bergsche verlaat of Schiebroeksche
verlaat, op 3 september van dit jaar door het Verenigd bestuur van de
polders Schiebroek, Berg en Broek en Honderdtien Morgen. (B29).
In 1867 besloot men in Bergschenhoek de N.H.-kerk van 1694 te vervangen
en bouwde een nieuwe kerk die in 1870 gereed was. (K).
De Zwethsluis uit 1862 werd in 1992 vrijwel geheel vernieuwd. (B99).
Ds. Johan Koster kwam als predikant (N.H.) op 5-01-1868 van Bleskesgraaf
naar Berkel om op 26-07-1868 weer te vertrekken naar Nijkerk. Wellicht is
dit de predikant waarvan het verhaal de ronde doet dat het hem zo slecht
beviel in Berkel en Rodenrijs dat hij de koffers niet eens heeft uitge-
pakt maar letterlijk weer met de noorderzon vertrok. (B15) (K).
1868. Ds. Eliza Anne Lazonder afkomstig van Noordwijk aan Zee komt als
predikant (N.H.) naar Berkel en Rodenrijs. Op 18 april 1873 vertrekt hij
naar Oldenbroek. (B15) (K).
Op een publieke veiling verkocht de wed. P.G.J. Hoog van ter Aa 27 Maart
1868 de heerlijkheden Hillegersberg en Bergschenhoek aan P.L. Le Sage ten
Broek, van wiens weduwe de tegenwoordige bezitter, Jhr. Ir. P.T.M. Stoop
van Hillegersberg deze heerlijkheden erfde, terwijl Rotterban op 5 juli
1881 afzonderlijk werd gekocht. (B160).
De aanleg van de begraafplaats langs de Bergweg in Bergschenhoek vond
plaats in 1870. (K).
18 mei 1870. De burgemeester van Berkel en Rodenrijs brengt in de gemeen-
teraad de plannen tot spoorweg aanleg tussen Rotterdam en Zoetermeer ter
sprake. De raad vindt het een goed plan voor Berkel als tenminste die
nieuwe spoorlijn langs de landscheiding komt. (B10).
1870 Puttershoek, stoomgemaal " 't Hooft van Benthuizen" gebouwd. (B01).
30 mei 1874. Concessie tot droogmaking van de Noordpolder te Vrijenban.
De voor deze droogmaking ook in 1874 gebouwde molen is in 1925 afgebrand.
In 1876 en 1877 werd de 48 ha gewonnen land verkocht. (B17) (M).
1874 Noordpolder Delfgauw... Octrooidatum 30-5-1874, gereed in 1874-1875.
Ds. G. van Dorssen kwam in 1877 van Lexmond naar Berkel en vertok in 1881
naar Staphorst. (B15).
1878 Aanleg weg tussen de bovenmachine (het boven gemaal in het Roden-
rijs) en de Oude Leede. (B&R).
Ds. J.F.W. van Troostenburg de Bruijn in 1885 van Sommelsdijk naar Berkel
gekomen als N.H.-predikant. Hij vertrok in 1890 naar Montfoort. (B15).
1890 De families Havenaar, Vogelaar, Klapwijk, de Greve en van Rutten
legden de grondslag voor de tuinbouw in Berkel en Rodenrijs. (B28).
In Bergschenhoek stak een klein achtkant boven zijn zaagschuur uit (ge-
bouwd 1892, gesloopt 1932, vlucht 12 m, vierkante voet. "De molen van Ba-
tenburg".
Op 12 januari 1895. Notaris Schenkenberg van Mierop te Rotterdam. (B15).
De brand te Overschie, die in 1899 kerk en toren in de as legden. E.e.a.
werd vermeld i.v.m. de aanleg van bliksem-afleiders op de N.H.-kerk in
Berkel en Rodenrijs. (B15) (K).
1900-2000
De omzet van maalderij Treurniet bestond in 1900 voor het grootste deel
uit artikelen voor de menselijke consumptie en werd per paard en wagen
afgeleverd in Berkel, Pijnacker, Bergschenhoek, Bleiswijk en Hillegers-
berg. (Bron: Jubileumboekje - 125 jaar 1992).
Rond 1900 woonden er in ons land ruim 5 miljoen inwoners. (B105).
ca. 1900 en later. Naast het tolhuis in Berkel dorp was de werkplaats van
"Jan Honderd", een klompenmaker. Maar die werkplaats diende ook nog voor
iets anders. Veel inwoners van Berkel hadden in die dagen dokter Moree en
later dokter Hoedemaker van Bergschenhoek als huisdokter. In de klompen-
makerij werden 's morgens de briefjes afgegeven waarmee men de dokter
ontbood en 's middags stonden daar de medicijnen gereed voor de zieken.
(B10).
Van 1900 - 1929 was G.B. Fss kastelein-eigenaar van "De Vlashandel".
Hij kocht de Vlashandel in 1900 van een familielid genaamd J. Rabeling.
In 1929 is de zaak door v.d. Schee gekocht en vanaf 1930 zat de familie
v.d. Vlugt in de Vlashandel. Bron: De heer G.J. Fss, Bergschenhoek.
1907. Secretaris J.A. Verveen van de gemeente Berkel en Rodenrijs vraagt
ontslag wegens zijn benoeming als burgemeester van Kethel en Spaland
(B10).
De tienden werden in 1909 bij wet afgeschaft. (B07).
In 1909 bouwde men in de Dorpsstraat in Bergschenhoek het eerste gemeen-
tehuis. Daarvoor zetelde het gemeentebestuur in herberg De Rozenboom.
1910 Aanleg weg op de Bovendijk. (B&R).
Op 15 december 1910 gegonnen mert de bouw van de huidige R.K.-kerk in
Bergschenhoek, de kerk was gereed op 12-6-1911. (K).
In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog werden op gashouders van diverse
gasfabrieken een naar het noorden wijzende pijl met links en rechts daar-
naast een letter aangebracht, dit voor de orintatie van de luchtvaart.
AL = Alphen, BI = Brielle, DF = Delft, HG = Hillegom, KW = Katwijk , LI =
Lisse, GD = 's Gravendeel en SL = Sliedrecht. Er is een lijst gevonden
met 189 plaatsnamen voorkomende op gashouders van gemeentelijke en parti-
culiere gasbedrijven. (Archief Stichting De Lansingh).
Sinds 1914 is Hoek van Holland deel van Rotterdam. (B165).
1914-1918 Eerste Wereldoorlog waarin 8,5 miljoen mensen stierven. Neder-
land was neutraal in deze oorlog.
In 1919 verkocht de familie van der Burg uit Berkel en Rodenrijs een paar
huisjes in Bergschenhoek aan C. Koot voor f 7100,- (B21).
In 1920 stonden er nog tollen op de Leeweg in Berkel, in Berkel dorp, op
de Kleiweg in Schiebroek, op de kruising Kleiweg-Straatweg, langs de
Schie ter hoogte van de Hoog Ouden Dijksche Polder, in Nootdorp, in het
dorp Overschie, in de Zestienhovense polder lands de Schie (Overschie).
1921. Vrijenban opgedeeld aan Delft, Pijnacker, Nootdorp, Overschie en
Rijswijk. (B17).
Bij het weggraven van de Bult in Schiewijk, Overschie, september 1922
stuitte men op de resten van een gebouw als de thans nog bestaande burcht
te Leiden. Omdat geen tufsteen werd aangetroffen wordt aangenomen dat de-
ze burcht van de 13e eeuw is. Volgens de aardewerk scherven gevonden in
de put moet de burcht voor 1500 geslecht zijn, want geen spoor van gla-
zuur werd gevonden. Wellicht is dit "het hof te Schie" geweest genoemd in
1266. (B69).
In 1923 verkocht de familie van der Burg uit Berkel de iepen die de weg
tussen Berkel en Bergschenhoek sierden voor f 3400,- (B21).
Juni 1923. Onderzoek naar de aanleg van centrale verwarming in de N.H.-
kerk van Berkel en Rodenrijs. In Overschie blijkt de hete lucht verwar-
ming alleen 's zaterdags al acht mud anthraciet te verslinden om 's zon-
dags de kerk verwarmd te hebben. In Capelle aan den IJssel pompt men met
een electrische motor het water door buizen in de kerk, een dergelijk sy-
steem heeft in Hillegersberg f 3905 gekost. (B15) (K).
In 1926 werd de Nieuwstraat in het dorp van Berkel doorgetrokken. (B21).
31 juli 1928. Onderzoek naar de aanleg van centrale verwarming in de
N.H.-kerk van Berkel en Rodenrijs. De kerkvoogden gingen op onderzoek uit
en bezochten: Noordwijk, Den Haag, Koudekerk, Naaldwijk en Hillegersberg.
(B15) (K).
In 1928 werd een nieuw gemeentehuis in Berkel gebouwd, later bibliotheek
en nu (1998) staat de A & P er, de bibliotheek op de eerste verdieping.
(B07).
Eind 1929 wordt de de kerkkachel uit de N.H.-kerk van Berkel en Rodenrijs
weggegeven aan het Evangelisatielokaal op Voorne Putten, maar men vindt
het niet de moeite waard om de kachel op te halen. Ten einde raad wordt
de kachel voor f 35 verkocht aan de firma Rath en Dodenheefer te Schie-
broek. (B15) (K).
In 1931 opende Bert van der Lugt een winkel in de Vogelaarstraat. (Bron:
Jubileumboekje - 125 jaar 1992).
In 1932 werd een vuurtoren (routelicht voor de luchtvaart) gebouwd in de
Oude Leede, 23 meter hoog. (B109).
De strekvaart in Hillegersberg (1936) wordt afgesloten door het Boter-
dorpsche verlaat, dat naar de Rotte voert. (Juksluisje). (B29).
Van de onder Zevenhuizen resorterende buurtschap het Soodjes- of Oudver-
laat, tijdens een wandeling in 1936 nog aanwezig. (B29).
Tijdens een wandeling in 1936 langs de Rotte op het grondbebied van Berg-
schenhoek, de ruberoid fabriek van de firma gebrs. Kramer en de kisten-
kratten- en broeiraamlijstenfabriek van de firma s. van Logchem en Zoon.
(B29).
Berkel en Rodenrijs kreeg haar eerste openlucht zwembad in 1936. (B28).
Boterdorpseweg tussen Berkel en Bergschenhoek in 1938 in gebruik genomen.
(B21).
1940-1945. Dropping van wapens en agenten uit Engeland. De wapens werden
vaak onder zeer moeilijke omstandigheden, zoals eenmaal 's winters op de
Rottemeren uit het ijs binnengehaald. (B07).
In de oorlog 1940-1945 was Nederland opgedeeld in distributiekringen, de
kring Pijnacker omvatte de gemeenten: Pijnacker (9000 inw.), Nootdorp
(2300 inw.), Bleiswijk (2700 inw.), Bergschenhoek (3400 inw.) en Berkel
en Rodenrijs (5600 inw.), totaal 23.000 voor levensmiddelen in aanmerking
komende consumenten. (Bron: Jubileumboekje - 125 jaar 1992).
De heer Mulder uit Nieuw-Weerdinge kwam in 1943 naar Berkel en Rodenrijs
om daar hoofd van de Hervormde school te worden. (B15).
25-01-1943. Beschikking no. 25778 B.B. betreffende wijziging van de gren-
zen der gemeenten Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Rozenburg, Schiplui-
den, Berkel en Rodenrijs, Capelle aan den IJssel en Barendrecht en ophef-
fing van de gemeenten IJsselmonde, Hillegersberg, Schiebroek, Overschie,
Kethel en Spaland en Vlaardinger-Ambacht. (Staatscourant 3-2-1943).
In 1949 is er in het gehele gebied Berkel en Rodenrijs, Zoetermeer, Berg-
schenhoek en Pijnacker slechts n sociaal werkster die pionierswerk
moest verrichten. (B28).
In 1949 werkten er slechts enkele Berkelaars buiten de gemeente n.l.: in
de diepvries-inrichting te Bergschenhoek. (B28).
1949. Tenslotte dienen Delfland en Schieland (gemeenten Delft, Pijnacker,
Berkel en Rodenrijs) nog als het belangrijkste tuinbouwgebied te worden
genoemd, dat geheel als een uitloper van het Westland kan worden be-
schouwd. De glascultuur (voornl. plat glas) is hier sterk ontwikkeld.
Komkommers, sla, peen, bloemkool, sperciebonen en spinazie vormen er de
voornaamste producten. (B92).
In het Rotterdams jaarboekje van 1950 staat geschreven dat het archief
van de leenheren van De Tempel berust in kasteel Twickel, onder Delden
(B75).
1951. Deskundige/organist A. v.d. Akker van de Hilladondakerk te Hille-
gersberg. Mej. C. Gerritsen uit Den Haag werd organiste in de N.H.-kerk
in Berkel en Rodenrijs en na een half jaar werd A. Sluik uit Rotterdam
organist. (B15) (K).
In 1954 was N. v.d. Hooven uit Capelle aan de IJssel organist in de N.H.-
kerk in Berkel en Rodenrijs. (B15) (K).
Bij de restauratie van de N.H.-kerk te Berkel en Rodenrijs in 1954 heeft
men van Johan van Oldenbarnevelt geen enkel spoor gevonden. (B126) (K).
In 1972 werd het N.H.-kerkgebouw van 1870 gesloopt en vervangen door het
huidige kerkgebouw. (K).
1978. Aan de Rottemeren, ter hoogte van Bergschenhoek vond men een 6300
jaar oude visfuik.
Rond 1980 woonden er in ons land ruim 14 miljoen inwoners. (B105).
In 1983 bouwde men in Bergschenhoek het huidige gemeentehuis, dat het ge-
meentehuis van 1909 in de Dorpsstraat verving.
Bij de realisering van de bouwlocatie Delfgauw en het bedrijventerrein
Ruiven langs rijksweg 13 zijn in 1997 vondsten gedaan die bestonden uit
restanten van een boerenhoeve uit ca. 1050. (B109).
Bij de bouwlocatie Ypenburg, bijna op de grens van Nootdorp zijn ca. 20
skeletten aangetroffen ca. 3000 voor Chr. (B109). (In 199?)
199? n. Chr. 0,00 m N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
1999. Op bouwlocaties voor de Vinex-wijken in de polders, Meerpolder,
Westpolder en Oudeland zijn boringen verricht. In de Westpolder en Oude-
land zijn deze boringen verricht door het bureau Bodem Oudheidkundig On-
derzoek Rotterdam (BOOR), door het handmatig boren van 350 gaten van ca.
5 meter diep. De boringen werden gedaan in juli en augustus van dit jaar
en er werden resten van familienederzettingen uit Berkel aangetroffen,
die akkers bewerkten en aan veeteelt deden. De resten kunnen afkomstig
zijn van Berkelse families uit de nieuwe steentijd, tussen 4000 en 3000
jaar voor Chr. Deze bewoners hebben gedeeltelijk op vaste plekken gewoond
maar er waren ook tijdelijke "campeerplatsen" wanneer men ging jagen of
vissen. Er zijn houtskoolresten gevonden uit de steentijd. In polder
Oudeland is zelfs de mogelijkheid aanwezig dat er resten uit de Romeinse
tijd of uit de middeleeuwen worden gevonden. In oktober zal men doorgaan
met de werkzaamheden. Pas als er daadwerkelijk gegraven gaat worden, wor-
den de vondsten daadwerkelijk zichtbaar. (Bron: De Heraut 1999).
Water, veen en ontginningen
De onderkant van het veen op grote diepte lag in Rotterdam 12 a 15 m, in
Zoetermeer ca 14 m van de oppervlakte. Dit veen kan alleen aan de opper-
vlakte ontstaan zijn en Dr. Tesch neemt aan dat het ontstaan van het
diepe veen zo'n 20.000 jaar geleden de zeestand 20 m lager lag dan nu en
daarna is blijven rijzen. In dit oudste tijdperk van het holoceen steeg
de gemiddelde vloedhoogte van 20 tot ongeveer 5 meter beneden de tegen-
woordige stand. (B107) (V).
Omstreeks 5000 v. Chr. werd uit het pleistocene zand van het zuidelijk
deel van de Noordzee met behulp van de golven en de zeestromingen een
schoorwal opgebouwd, die als een strandwal het achterliggende waddenge-
bied van de open zee afsloot. Daarachter vormde zich een strandmeer,
waarvan het water door de toevoer van rivierwater steeds meer verzoette.
In dit strandmeer ontstond het veengebied van Holland en Utrecht. Toen
het meer met veen was dichtgegroeid, ontwikkelde zich een bos van elzen,
berken, hazelaars, dennen en wilgen (moerasbos). Daarna zette, onder in-
vloed van het vochtige klimaat, de veenmosgroei weer in en vormde zich op
het moerasveen een laag veenmosveen. Van 1700 v. Chr. tot 500 na Chr. was
het klimaat koud en droog en voor veenvorming minder geschikt. De zee-
spiegel was in die tijd 2 a 3 meter lager dan thans. In de sub-atlan-
tische periode (vanaf ca. 500 na Chr.) kreeg het veen een aanzien van een
waterrijk landschap met tal van plassen en meren en van natuurlijke wa-
terlopen, terwijl de begroeiing over grote uitgestrektheden, behalve uit
gras en riet, uit bossen van elzen en waterwilgen bestond. Als zulke
veenwateren kunen we de Rotte en de meren in Berkel en Zoetemeer be-
schouwen. (B34) (V).
Tussen 300 voor Chr. en het begin van de jaartelling drong de zee bij
vloed via geulen en kreken diep het land binnen, waardoor zand en klei in
de geulen en op het ondergelopen veen bezonk. Ook het gebied van Berkel
en Rodenrijs behoorde tot het waddengebied van de delta. Rondom de kreken
vonden tot diep in het achterland kleiafzettingen plaats (tot voorbij
Delft), in Berkel en Rodenrijs is dat nog steeds waarneembaar in de jonge
zeekleiafzettingen in de polder Oudeland en de Voorafsche polder. (B99).
Het grote laagveen bereikte voor de inklinking een dikte van 2 tot 6 me-
ter omstreeks het begin van onze jaartelling, de vloedstand was toen on-
geveer 2 meter lager dan heden. (B107) (V).
Pas omstreeks 800 begonnen de nog spaarzame ontginningen van de veenwil-
dernis achter de duinen. Verspreid op de kreekruggen werden boerderijen
gebouwd, zoals bij de Kandelaar. (B99).
Slechts de Rottemeren en het reeds lang verdwenen IJsselmeer onder Nieuw-
erkerk an den IJssel zijn natuurlijke vormingen. (B157).
Het oorspronkelijke laagveengebied is in de periode van ca. 1000 tot ca.
1300 vauit de woonkernen van de Maas. deollandse IJssel, de Gouwe en de
Rijn geleidelijk ontgonnen. (B157).
Graven gaven grote delen grond in leen uit, de leenmannen waren van lage-
re adel dan de graven. De uitgegeven stukken grond werden ambachten of
heerlijkheden genoemd, of ook wel ambachtsheerlijkheden en de leenman am-
bachtsheer. De ambachtsheer gaf de grond uit aan kolonisten om de grond
te ontwateren en te ontginnen. De bevoegdheid om recht te spreken en be-
lasting te innen delegeerde de ambachtsheer aan de schout en de schepenen
die in bezit moesten zijn van landerijen om voor die functies in aanmer-
king te komen. (B155).
Ook de Waver, de Mije, de Kromme Aar, de Rotte enz. moeten als van ouds-
her bestaande veenwateren worden beschouwd. (B92) (V).
Oeverwallen zijn de zandrijke ruggen, die een stroomrivier langs de bed-
ding vormt, wanneer deze overloopt door toename van stromend water, waar-
door bij het afnemen der stroomsnelheid na de zijwaartse afvloeiing de
zwaardere meegevoerde zwevende stoffen het eerst bezinken. (B122).
Een Katwijkse Rijnmond heeft nimmer bestaan, omdat het veengebied achter
de duinen zich dan nooit had kunnen ontwikkelen zoals het zich heeft ont-
wikkeld. (B122) (V).
De dikte van de veenlagen in de Ronde Hoepspolder (noordelijk van Water-
veen is ca. 6 m, evenzo in het gebied ten zuiden van de Ronde Venen en
ook in de polder Zegveld. (1959 dus na inklinking van ? meters). (B122)
(V).
Ontginning: Behalve het verwijderen van bomen en/of struikgewas moest
voor afvoer van het water worden zorggedragen. De greppels groef men
recht (of bijna recht) op het afwateringskanaal, om zo de kortste afwate-
ringsweg te verkrijgen. Meestal werd aan de kopkant, bij de rivier (als
transportweg belangrijk) een hofstede gebouwd. (OV) (O).
De ontginning vond plaats in smalle stroken met een lengte van 13 roeden
of ongeveer 48 meter bij een diepte van 8 turven (1 meter) en een breedte
van iets meer dan 1 meter (de breedte van 7 turven). (B156).
Vele natuurlijke stroompjes als Rotte, Striclede, Piclede, Gouwe, Aar en
Drecht vonden oorspronkelijk ergens midden in de Hollandse veenmassieven
hun oorsprong, om vandaar hun loop naar de randen daarvan te beginnen. De
venen liepen dus naar het midden toe op. (B44) (V).
Steden en dorpen vindt men dus niet in de polders van het oude land, maar
er aan of er tusschen, daar zij aan de wegen moesten liggen. Hierop zijn
slechts een paar uitzonderingen b.v. Pijnakker en Zegveld, maar het is de
vraag of daar niet twee polders vereenigd zijn, zoodat de weg waaraan zij
liggen vroeger polderkade was. (B107).
Sommige dorpen, waaromheen alles is weggeveend en drooggemaakt, zooals
Leimuiden, Hazerswoude, Zoetermeer, Zegwaard, Berkel enz. zijn daardoor
ten opzichte van het omringend terrein op een hoogen bonk veen blijven
liggen, omkaad met eigen afwatering. (B107) (V).
Pas geruime tijd na de ontginning van het veen verschenen de eerste dij-
ken. Aanvankelijk verliep de afwatering zonder veel problemen doordat het
veen boven het waterpeil van de rivieren lag. De Leede, Schie en Rotte
lagen onder het niveau van het maaiveld, zodat de afwatering vanzelf
ging. Maar door het onttrekken van water aan het veen verloor het veen
veel volume en begon ze te dalen (inklinken?), terwijl de zanderigge bed-
ding van de veenstromen op dezelfde hoogte bleef. Als dan vanaf 1100 de
zeespiegel weer stijgt, wordt het noodzakelijk dijken aan te leggen. Om
de enorme hoeveelheid water uit het veenpakket af te kunnen voeren werden
er vanuit het achterland een groot aantal ontwateringskanalen richting
rivier gegraven (b.v. Schiekanaal en de Zweth). (B99) (O) (V).
Het woord "polre" beteekende aanvankelijk uitsluitend een bij het oude
land aangedijkt stuk land, in tegenstelling enerzijds tot het "oude land"
zelf, dat tallooze malen in de stukken met dien vaststaanden naam wordt
genoemd en anderzijds tot de als eiland op plaat bedijkte gronden, die in
Holland en Zeeland "wart" of "nes" heetten. Oorspronkelijk waren de am-
bachten Hildegaertsberch en Schiebroec gescheiden door de Vliet, en de
daar thans bestaande polderkade is eerst gemaakt bij de droogmaking van
de Schiebroeksche plas in 1772/9. Zo was de Louwersloot de scheisloot
tussen Hildegaertsberch en Berchpolre. (B64).
De meest voorkomende nederzettingsvorm was het systeem van de zesvoor-
linghoeven, men ging hierbij uit van een bepaalde werkbasis, meestal wa-
ter, dus een meer, een riviertje of een gegraven wetering. Ook wel een
weg of dijk. Het voor de werkbasis liggende te ontginnen terrein werd
eerst afgebrand en vervolgens werd de werkbasis verdeeld in gelijke stuk-
ken van 30 roeden (30 x 3,77 = 113 meter). Daarna werden de uiteinden van
de werkbasis en hiertussen op onderlinge afstand van 30 roeden sloten ge-
graven. Dit was het opstrekken. Men groef de sloten 6 voorling lang (ruim
1243 meter). (B127) (O).
In het veenmoeraslandschap bevonden zich kreken en kreekruggen met daar-
tussen "veenkussens". Deze veenkussens konden heel wat water absorberen;
ze raakten echter op gegeven moment "vol"; regenwater dat dan over de
oppervlakte van zo'n veenkussen richting rivier afstroomt vormt een
"veenstroom" zoals de Rotte, de Schie en de Leede. Uit het patroon van de
veenstromen en hun stroomgebieden laten zich globaal de hoogste punten
van de nu geheel verdwenen veenkussens afleiden; het hoogste punt lag
even ten zuiden van Zoetermeer. Van daaruit zijn drie stroomgebieden ont-
staan, waar verschillende veenriviertjes afwaterden. Nog steeds is dit
punt herkenbaar in de begrenzing van de waterschappen Rijnland, Delfland
en Schieland. (De Driesprong?) (B99) (V).
De strookvormige ontginningen. De diepte in voorlingen en de breedte in
roeden uitgedrukt. Veelal een breedte van ca. 30 roeden (soms ca. 60) de
lengte veelal 6 voorling. Een hoeve van 30 roe bij 6 voorling was de
standaard maat. Ter halver diepte en ter dubbele breedte was dus zeer on-
gewoon. De strookdiepte ca. 1250 m. (B44) (O).
Algemeen
Tijden (B120)
Paleolihicum - oude steentijd - 300.000 tot 8.800 voor Chr. (B120).
Mesolithicum - midden steentijd - 8.800 tot 4.900 voor Chr. (B120).
Neolithicum - nieuwe steentijd - 5.300 tot 2.000 voor Chr. (B120).
Bronstijd - 2.000 tot 800 voor Chr. (B120).
IJzertijd - 800 - 12 voor Chr. (B120).
Romeinse tijd - 12 voor Chr. tot 450 na Chr. (B120).
Vroege middeleeuwen - 450 na Chr. tot 1050 na Chr. (B120).
Late middeleeuwen - 1050 na Chr. tot 1500 na Chr. (B120).
Nieuwe tijd - 1500 na Chr. tot heden. (B120).
Benaderde gemiddelde hoogte van de zeespiegel
3000 v. Chr. 4,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
2000 v. Chr. 3,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
1500 v. Chr. 2,50 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
750 v. Chr. 1,85 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
0 1,30 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
250 n. Chr. 0,90 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
1000 n. Chr. 0,55 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
1500 n. Chr. 0,25 m - N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150).
199? n. Chr. 0,00 m N.A.P., hoogte zeespiegel. (B150). Tijden (B96)
Steentijd - (Hunnebeddenvolk) 2000 v Chr. - 1600 v Chr. (B96).
Bronstijd - 1600 v Chr. - 600 v Chr. (B96).
IJzertijd - 600 v Chr. - 50 v Chr. (ons land werd bewoond door Germaan-
se stammen). (B96).
Romeinse tijd - 12 v Chr. - 250 na Chr. Ons land maakte deel uit van het
Romeinse rijk. (B96).
Grote volksverhuizing - 400 na Chr. - 500 na Chr. (B96).
Middeleeuwen - 500 na Chr. - 1500 na Chr. Vroege- volle- en late-. (B96).
Vroege middeleeuwen - 500 na Chr. tot 800 na Chr., Friezen, Franken en
Saksen bewonen ons land. (B96).
Volle middeleeuwen - 800 na Chr.- 1300 na Chr. (B96).
800 - 925 Onze bevolking en grondgebied eerst opgenomen in het Frankische
gebied, daarna in Lotharingen. (B96).
925 - 1515 Graventijd; ons land maakt deel uit van het Duitse rijk (B96).
Late middeleeuwen - 1300 na Chr. tot 1500 na Chr. (B96).
Woordenboek (vertalingen en vermeende vertalingen).
-----------
Aanmerkte = opmerkte.
Accouchementen = verlossingen.
Achteman = gemeenteraadslid.
Agteman = gemeenteraadslid.
Achterban = in het leenstelsel: oproepen door de leenheer van de leenmannen
(ban) en van de achterleenmannen (achterban).
Achterhaelt = betrapt.
Acte(n) = vergunning(en).
Actum = gedaan.
Ad vitam = voor het leven.
Advent = voorbereidingstijd op Kerstmis.
Adverteren = in te lichten.
Aelmisse = aalmoezen.
Aesdomrecht = 7 geswoorens + 1 schout, per 14 dagen vergaderen.
Aflaat = brief waarin kwijtschelding van bedreven zonden werd verleend.
Afgedolven = afgegraven.
Afterlaeten = nalaten.
Agent = minister.
Aise = gemak.
Al = groot (Almere = groot meer).
Alae = ruiterij.
Alchemie = geheime leer m.b.t. het veranderen van onedele metalen in goud.
Alias = 1) een grappenmaker, 2) anders, 3) bijnaam.
Allerheiligenvloed = stormvloed op 1 november 1570 waarbij grote delen van
Friesland, Noord-Holland en bijna alle Zuid-Hollandse
en Zeeuwse eilanden overstroomden.
Allodium = eigen, van oudsher overgerfd bezit.
Allodium = grond in eigendom en dus niet in leen.
Allodiaal = erfvrij.
Alluvium = aanspoelsel.
Ambt, ook ambacht.
Ambacht of ambachtsheerlijkheid = rechtsdistrict op het platteland.
Ambachtsbewaarders = wethouders.
Ambachtsheer = bestuursambtenaar die de lagere rechtspraak uitoefende.
Amende = boete.
Amerij = 1) een ogenblik, 2) de tijd nodig om een Ave Maria op te zeggen.
Amortisatie = het maken van een wereldlijk goed tot kerkelijk goed.
Annalen = jaarboeken.
Annaten = pauselijke belasting op hoge beneficies, 1/3 inkomen 1e jaar.
Appliceren = toedienen.
Apokrief = niet betrouwbaar.
Apprehendeeren = aanhouden. (gevangen nemen).
Approbatie = goedkeuring/vergunning.
Archeion = archief.
Armenbos = armenbus.
Assche van averuit = citroenkruid.
Assega = rechtzegger.
Assessor = wethouder.
Aterling = ellendeling.
Augias = buitengewoon vuil. Baanderheer = ridder die de vlag af banier mocht dragen, ook wel de
benaming voor een edele die een eigen vlag voerde.
Baanderheer = baron.
Balcka = brugje, vonder.
Balliu = baljuw.
Baljuw (Drost / Ruwaard) = Ambtenaar die sedert de 12e eeuw de graaf
vertegenwoordigde in de verschillende delen van zijn gebied met name op
het gebied van rechtspraak en het vaststellen van keuren. Deze bezoldigde
ambtenaar was naar willekeur benoembaar of afzetbaar.
Ban = landstreek, afgegensd gebied (B17). of ambacht.
Ban = 1) plechtige afkondiging van een gebod of verbod onder bedreiging
van straf o.a. verbanning.
2) het afkondigen van en houden van rechtszittingen.
3) een bepaald rechtsgebied.
4) heerban: het te strijde roepen van de vazallen door de leenheer.
5) het uitsluiten van mensen vande gemeenschap der gelovigen.
Barende bomen = vruchtbomen.
Barg = hooiberg.
Bastant = financiel in staat zijn.
Bede = middeleewse vorm van belasting.
Beden = belasting/aanvraag tot opbrengen van een geldsom aan de landsheer.
Bedlam = krankzinnigengesticht.
Beeterkoop = goedkoper.
Begard = man die een vroom en kuis leven leidde zonder daarbij in te
treden in een klooster.
Begaven = gaven.
Begijn = vrouw die een vroom en kuis leven leidde zonder daarbij in te
treden in een klooster.
Begijnhof = Een complex afgescheiden van de buitenwereld waar de begijnen
in leefden. Een begijnhof was een religieuze instelling.
Behelpen = beroepen.
Behoirden = beheersten.
Beiden = afwachten.
Beleijt = behandeld.
Beleyt = behandeld.
Beletten = biljetten.
Belijden = bekennen.
Beneficie = blijvend en onvervreemdbaar recht op de inkomsten aan een abt
verbonden.
Beneficium = feodaliteit.
Berkel zegt iets over de soort bomen die er groeiden (Berken) (B15).
Beroem = opschepperij.
Bezetten = beschikken.
Bornagie = komkommerkruid.
Bemaeld = beschilderd.
Berchambacht = Hillegersberg.
Bericht = advies.
Beschutten = behoeden.
Besogneren/gebesogneert = beraadslagen/beraadslaagd.
Bestaet = besteed.
Beste = meest waardevolle.
Betragt = zo bekeken.
Bevruchte = zwangere.
Bezit (eigen goed) = heriditas, portio, proprietas, allodium
Bijnnen = binnen.
Blaak = blinkend water.
Blaffert = een protocol van keuren, vergunningen, vonnissen en resolutien
van het Hoogheemraadschap.
Blanken = zilveren munten.
Blasphemeert = lastert.
Blauwgrasland = voedselarm hooiland.
Bleiswijk = Bleeswije, Blesewijc, Bleeswic, Bleyswijck, Bleijswijck,
Blesewike, Bleiswijc, Bleiswijck, Belsswick, Bleyswyc, Bleyswic.
Blikken = zand.
Bloedstortinge = bloedvergieten.
Bloedvaan, of rode vaan = de oorlogsvaan, b.v. overgedragen bij verlening
of overdracht van een vrije- of halsheerlijkheid.
Boecwey = boekweit.
Boede = bode.
Bolster = bovenste losse en verweerde veenlaag.
Bonkaarde = bovenste laag van het hoogveen.
Bommel = gescharrel.
Borgeren = burgers.
Bot = speling.
Broek = drassig laagland.
Broot = brood.
Burggraaf = edelman met de erfelijke functie van stadhouder van een stad of
een streek, aanvankelijk zetelend in een burcht.
Bij de luy = in het leven.
Bij de schoft = per dag.
Bul = zegel van metaal, goud, lood enz. aan een oorkonde of de oorkonde zelf.
Buurschap = organisaties van boeren op het platteland die binnen hun gebied
de lagere rechtspraak en het plaatselijke bestuur uitoefenden.
Een buurschap werd ook wel als rechtsgebied aangeduid.
By = overeenkomstig. C-14 methode = ouderdomsbepalingsmethode van organisch materiaal o.b.v. het
feit dat radioactiviteit langzaam afneemt.
Capitularin = verordeningen.
Cappellan = kapelaan.
Caritaten = liefdadigheid.
Caresseren = liefkozen.
Casseren/gecasseerd = vernietigen/vernietigd.
Census, cijns = belasting.
Censuskiesrecht = alleen welgestelden mogen stemmen (In Nederland 1848-1896).
Censeur = keurmeester ((onderwijs)-inspekteur).
Charter = oorkonde. Een blad perkament waarop een akte is geschreven, die
ter bekrachtiging is bezegeld.
Chirurgijn = huisarts.
Citeeren/geciteerd = dagvaarden/gedagvaard.
Cleen = klein.
Clericus = klerk, geestelijke van lagere rang.
Cloester = klooster.
Cohorten = voetvolk.
Colere = woede.
Collatierecht = Vroeger het recht om een predikantsplaats te vergeven.
Comitatus = graafschap. (gebiedsdeel, gouw, provincie)
Communiteit = kloostergemeenschap.
Complainite = gedienstigheid, inschikkelijkheid.
Comptoir = kantoor.
Concipieren/geconcipieert = in ontwerp opstellen/opgesteld.
Condemmeren/gecondemmeerd = veroordelen/veroordeeld.
Condemneren = keuren.
Confessie = bekentenis.
Confirmeren/geconfirmeerd = bekrachtigen/bekrachtigd.
in Conformite van = overeenkomstig.
Conscriptie = opschrijving.
Consent = tevredenheid.
Consenteert = gaat akkoord.
Conservatorium = puaselijke beschermingsbrief.
Considerabel = aanzienlijk.
Considerende = overwegen.
Consistorie = vergadering van paus en kardinalen.
Consultor = pauselijk raadsheer.
Cont = bekend.
Continuatie = in het vervolg.
Covenieren = verplichten.
Cum annexis = met toebehoren.
Curateuren = voogden.
Curato = voor de pastoor.
Curiam = hof.
Curtis = hof.
Cureit of curatos = pastoor.
Custidi = voor de koster.
Custor = koster.
Cijns, census, tijns, tins = belasting. Dalver = armoedzaaier.
Darren = durven.
Dat = doe.
De ongewapende massa = invalida plebeia manus.
Declineren/gedeclineert = van de hand wijzen.
Deerlijk = droevig.
Defendeerden = verdedigden.
Deilen = delen.
Delf = gegraven waterloop.
Dellen = geulen.
Delven = begraven.
Den boozen ouden = Neptunus.
Den gonen = degene.
Dependent = afhankelijk.
Depossederen = uit het bezit stoten.
Derde stand = de niet tot de adelheid of geestelijkheid behorende gegoede
burgerij.
Derrie, dary, darinc = soort veen.
Deux aas = eenvoudige volk van geringe stand.
Devoiren = pogingen.
Dictamen = 't schrijven, 't voorstel.
Diefte = diefstal.
Diets = volk. (Duyts was in de 16e eeuw een nevenvorm van Diets)
Dikmaal = dikwijls.
Ding = Germaanse volksvergadering waarin rechtszaken werden behandeld.
Dingboeken = Vanaf ca. 1680 bevatten processtukken, doch alleen maar met
de namen der partijen.
Dingtalen = conclusies.
Discoureren = praten.
Dispereren = de moed opgeven.
Dissolveeren = opheffen.
Dijk = watervrije weg (gn waterkering) (B20).
Dijkgraaf = vertegenwoordiger van een waterschap en bestuurslid van een
hoogheemraadschap.
Dijkgraaf = baljuw.
Diluvium = zondvloed.
Doese = toen ze.
Doleanten = klagenden.
Doleantie = scheuring N.H, kerk in 1886.
Donk = zandige opduiking in moerassig terrein.
Doopceel = geboortebriefje gelicht uit hetr doopregister.
Dorestad = Wijk bij Duurstede.
Dos = bruidsschat of stichtingskapitaak van kerk of klooster.
Doug = mest.
Draf = drab.
Draperye = lakenindustrie.
Drecht = vaarwater en plaats waar je het water kan oversteken.
Drost = vergelijkbaar met baljuw, schout
Duimkruid = geld.
Edik = azijn.
Ee = water (o.a. in Zieriksee, Elkersee enz.) ook wel Ye of Ie.
d' Eesten = droogoven.
Eer = liever.
Emmer = ooit.
Emo = vervallen.
Eeuwe = gewoonte, praktijk.
Electie = keus.
Erste = eerste.
Esse = is.
Even = haver.
Even = juist.
Ewelicke = eeuwiglijk.
Euphorbium = wolfsmelk.
Examineren = ondervragen.
Excommunicatie = persoonlijke uitsluiting uit de gemeenschap van de kerk.
Ex humatie = opgraving van een lijk.
Ex offio = ambtshalve.
Ex tempore = zonder dralen.
Ex voto = volgens gelofte.
Exederen = overschrijden.
Exspireren/gexspireert = aflopen/afgelopen (ten einde lopen).
Faber = smid.
Fabriek = vervaardiging.
Feodum = in leen uitgegeven bezit.
Fiool = fles.
Force = dwang.
Fundatie = stichting.
Fundatie = gift bestemd voor het jaarlijks verrichten van kerkelijke diensten.
Fuut = fout (overtreding) ook wel feat.
Gabel, de = indirecte belasting.
Gagelant = land begroeid met een soort houtgewas.
Gagen = dienstloon.
Gagien = bezoldiging.
Garing = heffing.
Geadverteert = gewaarschuwd.
Gearresteerd = goedgekeurd.
Gebuijre = gebuuren.
Gecontribueert = toe bijdragen.
Gemaneert = uitgevaardigd.
Gexauthoreert = uit al zijn rangen gezet.
Gefenynigt = vergiftigd.
Geharst = gebraden.
Geheet of geeet = ge-eed, de eed afgenomen
Geheimschrijver = secretaris.
Geleden = ten koste van de kas gebracht worden.
Gelubt = van teelkracht beroofd.
Gemeen = volk.
Gemene heerd, haard = gelagkamer.
Generalen storm = stormaanval.
Geprontieerd = uitgesproken.
Gerangeert = opgesteld.
Geregaleert = onthaald.
Gerecipiert = ontvangen.
Gerend = schuin afwijkend.
Geresolveerd = besloten.
Geriefhout = hout voor eigen gebruik bij een boerderij.
Geronnen melk = wrongel.
Geschiedenis = dat wat geschied is.
Gesneden = gecastreerd.
Gestempeld = met houten stempels dicht houden van de deuren van een sluis.
Geswoorens = schepenen. (rechters).
Gefolgschaf = trouw beloofd.
Gemeyntineert = gehandhaafd.
Geweer = wapen.
Gewijn = gewin.
Gezindes = gezin.
Ghebreuct = beboet.
Ghelt = vergoedt.
Ghecoeft = gekocht.
Gheset = aangeplant.
Ghoten = tovermiddel.
Glavin = 6 man.
Glaye = 3 man.
Gleye = goed stro.
Glosse = nadere verklaring aan de zijkant van een geschrift.
Godsoordeel = bewijsmiddel in de middeleeuwse rechtspraak o.a. de vuurproef,
ketelvang en de waterproef.
Goeden = goederen.
Goesting = smaak.
Gors = gers = gars = gras.
Gouden eeuw = 17e eeuw.
Gouw = oudste naam voor gewest of landstreek.
Gouwe = kleine administratieve eenheid.
Gouwe (1139) Golda[m] = het goudkleurige water.
Gouwen = pagus.
Graafschap = kleine administratieve eenheid.
Graaf = vertegenwoordiger van het koninklijk gezag, belast met de openbare
orde, rechtspraak, militaire aangelegenheden, bestuur en belastingheffing in
een graafschap.
Grappelen = grabbelen.
Gregoriaanse kalender = 4-10-1582 ingevoerde kalender als correctie op de
Juliaanse kalender. In 1582 werd het jaar met 10
dagen bekort 4 oktober werd gevolgd door 15 oktober.
Greide = grasland.
Grondmorene = kleileem (water ondoordringbare leem).
Grote volksverhuizing = grootschalige verplaatsing van Germaanse en
Aziatische stammen tussen eind 4e eeuw en de 7e eeuw.
Grijne = Amerikaans grenen(hout).
Guyl = paard. Hachje = stuk, brok, homp, buit, bezit.
Handlichting = wettelijke verklaring waarbij een minderjarige de rechten
krijgt van een meerderjarige.
Harst = rug.
Harug = heiligdom (Germaans) ===> Harg = Kethel
Have = losse goed, de roerende goederen (levende have = vee).
Hazeoor = turfspade/vleugelspade = een puntige spade met aan n zijde
een vleugel(oor) onder een hoek van 90 graden. Haze(n)sloot is vermoedelijk
afgeleid van dit (veenderij)gereedschap.
Hede of Hidde = mansnamem.
Heer = leger.
Heerlijke rechten = rechten en bevoegdheden die uitsluitend de heer van een
gebied toekomen.
Heerlijkheid = In leen uitgegeven gebied. Een ambachtsheerlijkheid was
alleen bevoegd tot het berechten van "lage" zaken. Indien men ook
competent was tot het berechten van zware misdaden werd van een hoge
heerlijkheid of halsheerlijkheid gesproken.
Ook aan de heerlijkheidsrechten verbonden waren: jachtrecht, tolrecht,
visrecht, veerrecht enz. daarnaast mocht men schoolmeesters, gerechts-
boden, veldwachters en omroepers aanstellen.
Heete ziekte = pest.
Heilo = Heiligelo = heilig lo = (heilig bos uit heidense tijden) Germaans
Heinde = dicht bij.
Hertogts-togten = hartstochten.
Hervaart/heervaart = verplichting om met een aantal mannen met de landsheer/
graaf ten oorlog te togen.
Heug = geest, beraad, lust.
Heulen = (hol of holte), duikers (ook een aanduiding voor een brug).
Heuren = haren.
Hei = diep of stroom.
Hi = hij.
Hilickte = in het huwlijk treedt.
Historie = (historein = navorsen) = onderzoek naar dat wat geschied is.
Hoekse en Kabeljouwse twisten = 1345- ca. 1500.
Hof = in de middeleeuwen een bij een woning behorend afgesloten stuk grond
bijv. een erf of een boerenwoning met bijbehorende landerijen. Later
ook de woning of het verblijf van een aanzienlijk persoon of de gehele
omgeving waarin hij leefde.
Hofmeier = majordomus.
Hoge adel = houders van aanzienlijke lenen rechstreeks van de kroon.
Hoge heerlijkheid of halsheerlijkheid. zie heerlijkheid.
Holland = rond 1100 vernoemd naar Hotland, de streek tussen Noordwijk en
haarlem.
Hontemunde = bovenmond.
Hoofdgerfden = voornaamste ingelanden (grondeigenaren).
Hoogheemraadschap = vanaf de 13e eeuw organisaties van ingelanden uit een
groot gebied die te zamen voorzieningen voor waterkering of waterlozing
bekostigen.
Hoogveen = veen dat boven het grondwaterniveau ligt.
Hoosje = kous.
Horigheid = erfelijke onvrijheid.
Horst = met kreupelhout begroeide opduiking in moerassig terrein.
Hou = genegen.
Houdt = hout.
Houwertie = degen.
Huike = kapmantel.
Huis = geslacht.
Huisraad houden = samenwonen.
Huisvrouw = echtgenote.
Huyck = kap.
Hout = bos.
Hout/-holt = plaatsen met droog bos.
Hurden = mat van teen. Ignorantie = onkundigheid.
IJemen = iemand.
Impune = straffeloos.
Inbraak = doorbraak.
Inbreck = doorbraak
Incorporatie = volledige onderwerping van een parochiekerk aan een klooster
of kapitel.
Indicateur = agenda..
Indifferent = onverschillig.
Indult = pauselijke gunst.
Ingelanden = grondeigenaars.
Injureren = beledigen.
Injurierende = kracht.
Inlegering = inkwartiering.
Innocente = krankzinnige.
Inserteren/geinserteert = invoegen/ingevoegd.
Insinueren = ervoor pleiten.
Installatie = het officieel in bezit stellen van een kerkelijk ambt.
In 't wilde = zonder beperkende bepalingen.
Intendenten = ambtenaren.
Inter Liora et Isla = grootste gedeelte huidige Schieland en Delfland.
Interdiceren = verbieden.
Interdict = uitsluiting van een groep uit de gemeenschap van de kerk.
Interdictie = rechterlijk verbod.
Irrevocable = onherroepelijke.
Investituur = symbolische verlening van een geestelijk ambt door een
wereldlijk machthebber.
Investitus = pastoor.
Item = evenzo.
Jaarbede = zie bede.
Jaarstijl = 1) kerststijl, jaar begint 25-12, 2) boodschapstijl, jaar begint
25-3 en 3) Romeinse stijl, jaar begint op 1-1.
Jonker = (oudste) zoon van een edelman die nog niet zelf regeerde en dus geen
titel voerde. Later de titel van leden van adelijke geslachten die
geen functie uitoefenden.
Jonker-Fransen oorlog = 1489-1492 Laatse fase in de Hoekse en Kabeljouwse
twisten
Jor = jonker.
Juliaanse kalender = 44 v. Chr. ingevoerd en genoemd naar Julius Caesar,
in 1582 vervangen door de Gregoriaanse kalender.
Jurisdictie = rechtspraak.
Jurisdictie = geestelijke macht van een kerkelijk ambtsdrager. Ka = dijk.
Kak = ophef, opschik, drukte, vertoon.
Kallen = vertellen.
Kallen = praten (van raaskallen).
Kannunik = lid van een niet kloosterlijk kappitel.
Kansbiljetten = effecten.
Kanselrij = kamer waarin de oorkonden en akten werden opgesteld en
uitgevaardigd.
Kapittel = vergadering van kanunniken , van de domheren, van de priesters
van de domkerk.
Karolingers = genoemd naar de beroemdste telg Karel de Grote 742-814, de
Karolingers regeerden tot 987 over het westen van het
Frankische rijk.
Katoen = rustig.
Katteklei = blauwe zeeklei.
Keeg = kaag = koog = buitenland.
Keur = oorkonde of charter waarbij de landsheer n of meer plaatselijke
voorrechten verleenden.
Kinhen = Kennemerland.
Keur = op schrift vastgestelde regeling.
Klapper = index.
Klooster = (claustrum = afsluiting) gemeenschap van monniken levend volgens
een bepaalde regel. Ook het gebouw waarin zij leven.
Knoflook en onlook = ui.
Knootstooven = knotwilgen.
Kogen, kagen, nessen = nes = neus = uitstekende punt.
Kolder = palen.
Krag = drijvend stuk veen.
Krouwels = haak met drie omgebogen tanden.
Kruistochten = 1e 1095-1099, 2e 1147-1149, 3e 1189-1192, 4e 1202-1204.
Kwade goirles = klaplopers.
Kwakken = soort reiger. Laan = klein dijkje.
Laat dunken = toeschijnen.
Labberdaan = zoutevis.
Lage adel = houders van lenen gehouden van een graad, hertog enz.
Land = terra, ager, territorium, locus
Land met behuizing = hova, praedium, curtis, curtilis, domus, casa, mansus
Landsheerlijke tijd = periode in de geschiedenis der Nederlanden van de 10e
tot de 14e eeuw waarin de graven grotendeels onafhan-
kelijk waren van het Duitse of Heilige Roomse Rijk.
In een poging nog iets van hun gezag te redden,
bekleedde de Duitse Keizers de loyale bisschoppen van
Utrecht en Luik met grafelijke macht. Toen de paus na
1122 de benoeming van de bisschoppen weer aan zich trok
ging ook dit wapen verloren.
Lan(d)sing = landscheiding, scheiding tussen twee waterstaatkundige eenheden.
Lantwere = landsverdediging.
Le(e)de = waterloop, watergang.
Lede/liede = gegraven waterloop.
Leen = stuk land waarvan de leenman het vruchtgebruik had en dat bewerkt werd
door horigen.
Leenhulde = Eed vantrouw (fides) van de leenman (vazal) aan zijn leenheer ter
bezegeling van de feodale relatie.
Leesen = lessen.
Legaat = pauselijk afgezant.
Legakker = smalle strook grond tussen twee trekgaten, waarop het afgegraven
veen te drogen werd gelegd.
Lege-leggers = watervaten.
Legger = een staat van te ontvangen vaste inkomsten en ook blaffert
genoemd als het om inkomsten uit grond ging.
Legihem = Leyens, Leijens.
Lethe = vergetelheid.
Linge = lenge = lengte = lang water.
Loo = bos of open plek in een bos.
Lo als uitgang betekend "Bos" (B15).
Look = prei.
Loye = wet.
Luijen = lieden.
Lijfstraffelijke = criminele.
Made = weiland.
Maetsen = metselen.
Magen = verwanten.
Maiestatis = majesteitschennis.
Maintineeren = handhaven.
Mannen = een man nemen.
Mancipium = onvrijen.
Masau = Maasgouw.
Maselant = Maasland.
Maasgouw = Karolingsche gouw (gewest) gelegen tussen de oevers van de Maas
tussen Luik en Nijmegen. In 870 werd het gouw verdeeld in de
opper- en Neder-Maasgouw, resp. op de linker en rechteroever.
Mansen = kampen lands of hoeven.
Marsum = Maasland.
Mark = grens, grensgebied.
Meanderen = het kronkelen van een rivier.
Meent = gezamelijke weidegrond.
Meerstal = waterplas in de hoge venen.
Meier = beheerder van de vroonhoeve.
Meierij = hofstede.
Men = hem.
Mercstene = grenspaal.
Meug = lust, zin.
Middeleeuwen = vroege 500-100/1100, hoge = 1000/1100-1300, late 1300-1500.
Middeldijken, meeldijken = slaperdijken.
Miede = mede = made = grasland (Oorspronkelijk hooiland).
Mier = mijne.
Mijt = 1/2 penning.
Miles = ridder.
Militie = soldaten.
Milium = gierst.
Ministralen of dienstmannen = onvrije leenmannen.
Miserable = arme.
Missi = zendboden.
Mist, misse, missche, mis = mest.
Modestie = bescheidenheid.
Modicque = geringe.
Moeder = echtgenote.
Moey = tante.
Moor of moer = oud Nederlands voor veen, vergelijk: Moordrecht, Ommoord,
Moerdijk enz.
Moer = veen.
Moer = moeras.
Moortbrant = brandstichting.
Morlant = moerland.
Moveren = opwerpen.
Muiden = plaats bij monding van waterloop.
Munda = mond.
Municipaliteit = gemeentebestuur.
Muteren = veranderen.
Muyten = huis. Na-maag = nasleep.
Nadien = omdat.
Neerstelycken = ijverig.
Nepotisme = begunstigen van eigen familie.
Nes/nisse = uitstekende landtong omgeven door water.
Nieuwe tijd = 1500-1870. (tijd direkt na de middeleeuwen).
Nijenrode = nieuwe ontginning.
Noormannen (ook Vikingen) = 8e tot 11e eeuw West- en Oosteuropa belagend.
Nouland = nijland of nieuw land.
Novale tienden (rottiende) = tienden van nieuw ontgonnen land.
Nuctoriteit = gezag.
Nundinarum = van de markt.
Observeeren = in acht nemen.
Octrooi = machtiging door een bevoegde autoriteit.
Of = af.
Offensie geven = beledigen.
Officum = ambacht.
Oflaet = afdak, luifel.
Oflijvich wordt = overlijdt.
Oir = erfgenaam.
Ommoord(en) = Ouwemoord(en)
Onbegrepen = zonder fouten.
Onderwond = overging.
Ongelden = onkosten of belasting.
Onlook en knoflook = ui.
Ontfaen = ontvangen.
Ontgheven = opgeven.
Oord = ort = hoek of punt.
Oorlogsbede = heervaart.
Opdrachtbrieven = koopbrieven.
Opposeren = in verzet komen.
Oude Leede = die Lede, Oude Lede, Leede, Lede.
Outheydt = op latere leeftijd.
Overmits = wegens.
Overtoom = (overhaal, overdracht, windas) Oudste Spaarnedam bij het IJ,
1200. Overtomen werden later vervangen door (schut)sluisjes.
Oversticht = in de middeleeuwen het oostelijk deel van het bisdom Utrecht,
ongeveer gelijk met het huidige Overijssel, Drenthe en Groningen. Paalende = grenzende.
Pagus = gebiedsdeel (gouw), soms ook als go of ga voor een dorp of parochie.
Palde = palmde.
Paleren = glanzen, polijsten.
Pandt = bezit.
Paspoorte = vrijgeleide.
Pastori = voor de pastoor.
Patroniemen = vadersnamen.
Pecunia = Latijns voor 'geld' afgeleid van pecus = kudde.
Peenen = staffen.
Pele - mele = ongesorteerd, overhoop.
Penden = afdammen.
Pene = staffe.
Peremtoirlijk = afdoend.
Perkament = geschaafd lamsvel b.v. gebruikt voor oorkonden.
Permoveren = bewegen.
Persoen = pastoor.
Persoenre = pastoors.
Persuaderen = overreden.
Petitio = bede.
Piclede = waterleiding met en pekkleur.
Pistorius = bakker.
Poene = straffe.
Polder = bemalen land.
Polyphagen = veeleters.
Pomp = duiker.
Pong = zak.
Pontsnider = muntsnoeier.
Poort = portus.
Porselein = postelein.
Possessoir = in bezit neming.
Post-factum = na het feit.
Potagie = soep.
Plakkaat = Een voor algemene bekendmaking bestemde verordening, uitgevaar-
digd onder een opgedrukt zegel. Oorspronkelijk werd het niet opgeplakt
maar van de pui van het raadhuis e.d. afgelezen.
Pracken = tekeer gaan.
Prebenden = etensporties.
Precaria = bede.
Preparere = voorbereid.
President = burgemeester.
Pretenderen = voorgeven. (verlangen)
Prime = prima.
Principael = hoofdschuldige.
Privilege = handvest.
Procurator = een van de titels van de econoom in Egmond.
Proost = plaatsvervangend abt.
Propoosten = gesprekken.
Propositie = voorstel.
Provisioneel = voorlopig.
Puerlicken = zuiver.
Punieeren = straffen.
Quadyen = boosdoeners.
Quakken = kwartels.
Qualificeren/gequalificeerd = bevoegd verklaren.
Quiteerden = verlieten.
Quoet = kwaad, slecht.
Raat = plan.
Rade in plaatsnamen betekend "rooien" (B15).
Rakkers = agenten.
Rantsoen = losgeld.
Recognitie = gelden die de gebruiker aan de eigenaar betaalde en waarmee
hij diens eigendomsrecht erkende. (Symbolische) erkenningsplicht.
Rede = gerede.
Reetste = gereedste.
Reformistische = sociaaldemocratische.
Regalen = voorrechten.
Regaleerden = onthaalden.
Regalia = koninklijke rechten/aanspraken.
Remotie = verwijdering, ontslag.
Remonstranten, ook Armanianen = aanhangers Jacobus Armenius (1560-1609).
Renoveren/gerenoveert = vernieuwen, herhalen.
Renvoijren/gerenvoijert = verwijzen/verwezen.
Resignatie = het afstand doen van een kerkelijk ambt.
Resoluties = Bescheiden die de besluiten van een bestuursorgaan bevatten.
Repertorium = index.
Restitutie = teruggave.
Reyse = keer.
Ribben = smalle stroken.
Rijp = oever.
Riemtale = aantal riemen voor bemanning van de koggen = aantal mannen dat
per ambacht moest (roeien) voor de landsheer/graaf.
Rinlant = Rijnland.
Risum = rijst.
Rode in plaatsnamen betekend "rooien"