|
Boek 8. Verkeersmiddelen en vervoer
I. Algemene bepalingen
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.
In dit wetboek worden onder
schepen verstaan alle zaken, geen luchtvaartuig zijnde, die
blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven en
drijven of hebben gedreven.
2. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen zaken, die geen
schepen zijn, voor de toepassing van bepalingen van dit
wetboek als schip worden aangewezen, dan wel bepalingen van
dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op zaken,
die schepen zijn.
3.
Voortbewegingswerktuigen en andere machinerieën worden
bestanddeel van het schip op het ogenblik dat, na hun inbouw,
hun bevestiging daaraan zodanig is als deze ook na
voltooiing van het schip zal zijn.
4. Onder
scheepstoebehoren worden verstaan de zaken, die, geen
bestanddeel van het schip zijnde, bestemd zijn om het schip
duurzaam te dienen en door hun vorm als zodanig zijn te
herkennen, alsmede die navigatie- en communicatiemiddelen,
die zodanig met het schip zijn verbonden, dat zij daarvan
kunnen worden afgescheiden, zonder dat beschadiging van
betekenis aan hen of aan het schip wordt toegebracht.
5.
Behoudens afwijkende bedingen wordt het scheepstoebehoren
tot het schip gerekend. Een afwijkend beding kan worden
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2
van Titel 1 van Boek 3.
6. Voor
de toepassing van het derde, het vierde en het vijfde lid
van dit artikel wordt onder schip mede verstaan een schip in
aanbouw.
Artikel 2
1. In
dit wetboek worden onder zeeschepen verstaan de schepen die
als zeeschip teboekstaan in de openbare registers, bedoeld
in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, en de schepen die niet
teboekstaan in die registers en blijkens hun constructie
uitsluitend of in hoofdzaak voor drijven in zee zijn bestemd.
2. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen schepen, die geen
zeeschepen zijn, voor de toepassing van bepalingen van dit
wetboek als zeeschip worden aangewezen, dan wel bepalingen
van dit wetboek niet van toepassing worden verklaard op
schepen, die zeeschepen zijn.
3. In
dit wetboek worden onder zeevissersschepen verstaan
zeeschepen, die blijkens hun constructie uitsluitend of in
hoofdzaak voor de bedrijfsmatige visvangst zijn bestemd.
Artikel 3
1. In
dit wetboek worden onder binnenschepen verstaan de schepen
die als binnenschip teboekstaan in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3, en de schepen
die niet teboekstaan in die registers en blijkens hun
constructie noch uitsluitend noch in hoofdzaak voor drijven
in zee zijn bestemd.
2. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen schepen, die geen
binnenschepen zijn, voor de toepassing van bepalingen van
dit wetboek als binnenschip worden aangewezen, dan wel
bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden
verklaard op schepen, die binnenschepen zijn.
Artikel 3a
1. In
dit wetboek worden onder luchtvaartuigen verstaan toestellen
die in de dampkring kunnen worden gehouden ten gevolge van
krachten die de lucht daarop uitoefent, met uitzondering van
toestellen die blijkens hun constructie bestemd zijn zich te
verplaatsen op een luchtkussen, dat wordt in stand gehouden
tussen het toestel en het oppervlak der aarde.
2. Het
casco, de motoren, de luchtschroeven, de radiotoestellen en
alle andere voorwerpen bestemd voor gebruik in of aan het
toestel, onverschillig of zij daarin of daaraan zijn
aangebracht dan wel tijdelijk ervan zijn gescheiden, zijn
bestanddeel van het luchtvaartuig.
3. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen zaken die geen
luchtvaartuigen zijn, voor de toepassing van bepalingen van
dit wetboek als luchtvaartuig worden aangewezen, dan wel
bepalingen van dit wetboek niet van toepassing worden
verklaard op zaken die luchtvaartuigen zijn.
Artikel 3b
In dit wetboek wordt verstaan onder:
a. spoorvoertuig: voertuig,
bestemd voor het verkeer over spoorwegen;
b. spoorweginfrastructuur:
spoorwegen als bedoeld in artikel 1 onder b van de
Spoorwegwet en daarbij horende spoorweginfrastructuur
als bedoeld in artikel 1 onder c van de Spoorwegwet;
c. beheerder van de
spoorweginfrastructuur: de beheerder bedoeld in artikel
1 onder h van de Spoorwegwet dan wel, indien die
bepaling niet van toepassing is, degene die de
spoorweginfrastructuur ter beschikking stelt.
d. spoorwegonderneming: elke
spoorwegonderneming als bedoeld in artikel 1 onder f van
de Spoorwegwet.
Artikel 4
Onder voorbehoud van artikel 552 worden in
dit boek de Dollart, de Waddenzee, het IJsselmeer, de stromen,
de riviermonden en andere zo nodig voor de toepassing van
bepalingen van dit boek bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen wateren, binnen zo nodig nader bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen grenzen, als binnenwater beschouwd.
Artikel 5
In dit wetboek worden onder opvarenden
verstaan alle zich aan boord van een schip bevindende personen.
Artikel 6
In dit wetboek worden de kapitein en de
schipper aangemerkt als lid van de bemanning.
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 8
In dit wetboek worden onder bagage
verstaan de zaken, die een vervoerder in verband met een door
hem gesloten overeenkomst van personenvervoer op zich neemt te
vervoeren met uitzondering van zaken, vervoerd onder een het
vervoer van zaken betreffende overeenkomst.
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 10
In dit wetboek wordt onder reder verstaan
de eigenaar van een zeeschip.
Artikel 11 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 12
In dit boek leidt strijd met een dwingende
wetsbepaling tot ambtshalve toe te passen nietigheid van de
rechtshandeling.
Artikel 13
Dit boek laat onverlet enige voor
Nederland van kracht zijnde internationale overeenkomst of enige
wet die de aansprakelijkheid voor kernschade regelt.
Artikel 14 [Vervallen per 01-01-1992]
Titel 2. Algemene bepalingen betreffende
vervoer
Afdeling 1. Overeenkomst van
goederenvervoer
Artikel 20
De overeenkomst van goederenvervoer is de
overeenkomst, waarbij de ene partij (de vervoerder) zich
tegenover de andere partij (de afzender) verbindt zaken te
vervoeren.
Artikel 21
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat
waarin hij hen heeft ontvangen.
Artikel 22
Onverminderd artikel 21 is de vervoerder
verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te
vervoeren.
Artikel 23
De vervoerder is niet aansprakelijk voor
schade, voor zover deze is veroorzaakt door een omstandigheid
die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en
voor zover zulk een vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft
kunnen verhinderen.
Artikel 24
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen
zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen
plaats en tijd te zijner beschikking zijn.
Artikel 25
1.
Alvorens zaken ter beschikking van de vervoerder zijn
gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen. Hij is verplicht de vervoerder de schade te
vergoeden die deze ten gevolge van de opzegging lijdt.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
Artikel 26
De afzender is verplicht de vervoerder
omtrent de zaken alsmede omtrent de behandeling daarvan tijdig
al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of behoort te
zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de
vervoerder van belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de
vervoerder deze gegevens kent.
Artikel 27
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de documenten, die
van de zijde van de afzender voor het vervoer vereist zijn, door
welke oorzaak dan ook, niet naar behoren aanwezig zijn.
Artikel 28
1.
Wanneer vóór of bij de aanbieding van de zaken aan de
vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der partijen
zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij
het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen,
doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest,
redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te
gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 29
De vracht is verschuldigd na aflevering
van de zaken ter bestemming.
Artikel 30
1. De
vervoerder is gerechtigd afgifte van zaken, die hij in
verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, te
weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken,
tenzij op de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van
dit beslag een verplichting tot afgifte aan de beslaglegger
voortvloeit.
2. De
vervoerder kan het recht van retentie uitoefenen op zaken,
die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, voor hetgeen hem door de ontvanger verschuldigd is of
zal worden terzake van het vervoer van die zaken. Hij kan
dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze van
rembours op die zaak drukt. Dit retentierecht vervalt zodra
aan de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen
geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de
betaling van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat
of welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld. De
vervoerder behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden voor
hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.
3. De in
dit artikel aan de vervoerder toegekende rechten komen hem
niet toe jegens een derde, indien hij op het tijdstip dat
hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te twijfelen aan
de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de zaak
ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 31
Wordt de vervoerder dan wel de afzender of
een ondergeschikte van een hunner buiten overeenkomst
aangesproken, dan zijn de artikelen 361 tot en met 366 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 32
Deze afdeling geldt slechts ten aanzien
van niet elders in dit boek geregelde overeenkomsten van
goederenvervoer.
Afdeling 2. Overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer
Artikel 40
De overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij
de vervoerder (gecombineerd vervoerder) zich bij een en dezelfde
overeenkomst tegenover de afzender verbindt dat het vervoer
deels over zee, over binnenwateren, over de weg, over
spoorwegen, door de lucht of door een pijpleiding dan wel door
middel van enige andere vervoerstechniek zal geschieden.
Artikel 41
Bij een overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer gelden voor ieder deel van het vervoer de op dat
deel toepasselijke rechtsregelen.
Artikel 42
1.
Indien de gecombineerd vervoerder de zaken niet zonder
vertraging ter bestemming aflevert in de staat waarin hij
hen heeft ontvangen en niet is komen vast te staan, waar de
omstandigheid, die het verlies, de beschadiging of de
vertraging veroorzaakte, is opgekomen, is hij voor de
daardoor ontstane schade aansprakelijk, tenzij hij bewijst,
dat hij op geen der delen van het vervoer, waar het verlies,
de beschadiging of de vertraging kan zijn opgetreden,
daarvoor aansprakelijk is.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 43
1.
Indien de gecombineerd vervoerder aansprakelijk is voor
schade ontstaan door beschadiging, geheel of gedeeltelijk
verlies, vertraging of enig ander schadeveroorzakend feit en
niet is komen vast te staan waar de omstandigheid, die
hiertoe leidde, is opgekomen, wordt zijn aansprakelijkheid
bepaald volgens de rechtsregelen die toepasselijk zijn op
dat deel of die delen van het vervoer, waarop deze
omstandigheid kan zijn opgekomen en waaruit het hoogste
bedrag aan schade vergoeding voortvloeit.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 44
1. De
gecombineerd vervoerder kan op verlangen van de afzender,
geuit alvorens zaken te zijner beschikking worden gesteld,
terzake van het vervoer een document (CT-document) opmaken,
dat door hem wordt gedateerd en ondertekend en aan de
afzender wordt afgegeven. De ondertekening kan worden
gedrukt of door een stempel dan wel enig ander kenmerk van
oorsprong worden vervangen.
2. Op
het CT-document worden vermeld:
a. de afzender,
b. de ten vervoer ontvangen zaken
met omschrijving van de algemene aard daarvan, zoals
deze omschrijving gebruikelijk is,
c. een of meer der volgende
gegevens met betrekking tot de onder b bedoelde
zaken:
1°. aantal,
2°. gewicht,
3°. volume,
4°. merken,
d. de plaats waar de gecombineerd
vervoerder de zaken ten vervoer heeft ontvangen,
e. de plaats waarheen de
gecombineerd vervoerder op zich neemt de zaken te
vervoeren,
f. de geadresseerde die, ter keuze
van de afzender, wordt aangegeven hetzij bij name of
andere aanduiding, hetzij als order van de afzender of
van een ander, hetzij als toonder. De enkele woorden
"aan order" worden geacht de order van de afzender aan
te geven,
g. de gecombineerd vervoerder,
h. het aantal exemplaren van het
document indien dit in meer dan één exemplaar is
uitgegeven,
i. al hetgeen overigens afzender
en gecombineerd vervoerder gezamenlijk goeddunkt.
3. De
aanduidingen vermeld in het tweede lid onder a tot en
met c worden in het CT-document opgenomen aan de hand
van door de afzender te verstrekken gegevens, met dien
verstande dat de gecombineerd vervoerder niet verplicht is
in het CT-document enig gegeven met betrekking tot de zaken
op te geven of te noemen, waarvan hij redelijke gronden
heeft te vermoeden, dat het niet nauwkeurig de in
werkelijkheid door hem ontvangen zaken weergeeft of tot het
toetsen waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad.
De gecombineerd vervoerder wordt vermoed geen redelijke
gelegenheid te hebben gehad de hoeveelheid en het gewicht
van gestorte of gepompte zaken te toetsen. De afzender staat
in voor de juistheid, op het ogenblik van de
inontvangstneming van de zaken, van de door hem verstrekte
gegevens.
4.
Partijen zijn verplicht elkaar de schade te vergoeden die
zij lijden door het ontbreken van in het tweede lid genoemde
gegevens.
Artikel 45
De verhandelbare exemplaren van het
CT-document, waarin is vermeld hoeveel van deze exemplaren in
het geheel zijn afgegeven, gelden alle voor één en één voor
alle. Niet verhandelbare exemplaren moeten als zodanig worden
aangeduid.
Artikel 46
1. Voor
het deel van het vervoer, dat overeenkomstig de tussen
partijen gesloten overeenkomst zal plaatsvinden als vervoer
over zee of binnenwateren, wordt het CT-document als
cognossement aangemerkt.
2. Voor
het deel van het vervoer, dat overeenkomstig de tussen
partijen gesloten overeenkomst over de weg zal plaatsvinden,
wordt het CT-document als vrachtbrief aangemerkt.
3. Voor
het deel van het vervoer, dat overeenkomstig de tussen
partijen gesloten overeenkomst over spoorwegen of door de
lucht zal plaatsvinden, wordt het CT-document, mits het mede
aan de daarvoor gestelde vereisten voldoet, als voor
dergelijk vervoer bestemd document aangemerkt.
Artikel 47
Indien een overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer is gesloten en bovendien een CT-document is
afgegeven, wordt, behoudens artikel 51 tweede lid, tweede
volzin, de rechtsverhouding tussen de gecombineerd vervoerder en
de afzender door de bedingen van de overeenkomst van
gecombineerd goederenvervoer en niet door die van dit
CT-document beheerst. Behoudens het in artikel 51 eerste lid
gestelde vereiste van houderschap van het CT-document, strekt
dit hun dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door
de gecombineerd vervoerder.
Artikel 48
1. Het
CT-document bewijst, behoudens tegenbewijs, dat de
gecombineerd vervoerder de zaken heeft ontvangen en wel
zoals deze daarin zijn omschreven. Tegenbewijs tegen het
CT-document wordt niet toegelaten, wanneer het is
overgedragen aan een derde te goeder trouw.
2.
Indien in het CT-document de clausule: "aard, gewicht,
aantal, volume of merken onbekend" of enige andere clausule
van dergelijke strekking is opgenomen, binden zodanige in
het CT-document voorkomende vermeldingen omtrent de zaken de
gecombineerd vervoerder niet, tenzij bewezen wordt dat hij
de aard, het gewicht, het aantal, het volume of de merken
der zaken heeft gekend of had behoren te kennen.
3. Een
CT-document, dat de uiterlijk zichtbare staat of gesteldheid
van de zaak niet vermeldt, levert, behoudens tegenbewijs dat
ook jegens een derde mogelijk is, een vermoeden op dat de
gecombineerd vervoerder die zaak voor zover uiterlijk
zichtbaar in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4. Een
in het CT-document opgenomen waarde-opgave schept, behoudens
tegenbewijs, een vermoeden, doch bindt niet de gecombineerd
vervoerder die haar kan betwisten.
5.
Verwijzingen in het CT-document worden geacht slechts die
bedingen daarin te voegen, die voor degeen, jegens wie
daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar zijn. Een
dergelijk beroep is slechts mogelijk voor hem, die op
schriftelijk verlangen van degeen jegens wie dit beroep kan
worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die
bedingen heeft doen toekomen.
6. Dit
artikel laat onverlet de bepalingen die aan cognossement of
vrachtbrief een grotere bewijskracht toekennen.
7.
Nietig is ieder beding, waarbij van het vijfde lid van dit
artikel wordt afgeweken.
Artikel 49
Een CT-document aan order wordt geleverd
op de wijze als aangegeven in afdeling 2 van Titel 4 van Boek 3.
Artikel 50
Levering van het CT-document vóór de
aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt
als levering van die zaken.
Artikel 51
1.
Indien een CT-document is afgegeven, heeft uitsluitend de
regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op rechtmatige
wijze houder is geworden, jegens de gecombineerd vervoerder
het recht aflevering van de zaken overeenkomstig de op deze
rustende verplichtingen te vorderen. Onverminderd dit recht
op aflevering heeft hij - en hij alleen - voor zover de
gecombineerd vervoerder aansprakelijk is wegens het niet
nakomen van de op hem rustende verplichting zaken zonder
vertraging ter bestemming af te leveren in de staat waarin
hij hen heeft ontvangen, uitsluitend het recht te dier zake
schadevergoeding te vorderen.
2.
Jegens de houder van het CT-document, die niet de afzender
was, is de gecombineerd vervoerder gehouden aan en kan hij
een beroep doen op de bedingen van het CT-document. Jegens
iedere houder van het CT-document kan hij de daaruit
duidelijk kenbare rechten tot betaling geldend maken. Jegens
de houder van het CT-document, die ook de afzender was, kan
de gecombineerd vervoerder zich bovendien op de bedingen van
de overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer en op zijn
persoonlijke verhouding tot de afzender beroepen.
Artikel 52
Van de houders van verschillende
exemplaren van hetzelfde CT-document heeft hij het beste recht,
die houder is van het exemplaar, waarvan ná de
gemeenschappelijke voorman, die houder was van al die
exemplaren, het eerst een ander houder is geworden te goeder
trouw en onder bezwarende titel.
Afdeling 3. Overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen
Artikel 60
De overeenkomst tot het doen vervoeren van
goederen is de overeenkomst, waarbij de ene partij (de
expediteur) zich jegens zijn wederpartij (de opdrachtgever)
verbindt tot het te haren behoeve met een vervoerder sluiten van
een of meer overeenkomsten van vervoer van door deze wederpartij
ter beschikking te stellen zaken, dan wel tot het te haren
behoeve maken van een beding in een of meer zodanige
vervoerovereenkomsten.
Artikel 61
1. Voor
zover de expediteur de overeenkomst tot het sluiten waarvan
hij zich verbond, zelf uitvoert, wordt hij zelf aangemerkt
als de vervoerder uit die overeenkomst.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 62
1.
Indien de zaken niet zonder vertraging ter bestemming worden
afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking zijn
gesteld, is de expediteur, voor zover hij een
vervoerovereenkomst die hij met een ander zou sluiten, zelf
uitvoerde, verplicht zulks onverwijld aan de opdrachtgever
die hem kennis gaf van de schade mede te delen.
2. Doet
de expediteur de in het eerste lid bedoelde mededeling niet,
dan is hij, wanneer hij daardoor niet tijdig als vervoerder
is aangesproken, naast vergoeding van de schade die de
opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een
schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan de
schadevergoeding, die hij zou hebben moeten voldoen, wanneer
hij wel tijdig als vervoerder zou zijn aangesproken.
3.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 63
1.
Indien de zaken niet zonder vertraging ter bestemming worden
afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking zijn
gesteld, is de expediteur voor zover hij de
vervoerovereenkomst, welke hij met een ander zou sluiten,
niet zelf uitvoerde, verplicht de opdrachtgever onverwijld
te doen weten welke vervoerovereenkomsten hij ter uitvoering
van zijn verbintenis aanging. Hij is tevens verplicht de
opdrachtgever alle documenten en gegevens ter beschikking te
stellen, waarover hij beschikt of die hij redelijkerwijs kan
verschaffen, voor zover deze althans kunnen dienen tot
verhaal van opgekomen schade.
2. De
opdrachtgever verkrijgt jegens degeen, met wie de expediteur
heeft gehandeld, van het ogenblik af, waarop hij de
expediteur duidelijk kenbaar maakt, dat hij hen wil
uitoefenen, de rechten en bevoegdheden, die hem zouden zijn
toegekomen, wanneer hij zelf als afzender de overeenkomst
zou hebben gesloten. Hij kan ter zake in rechte optreden,
wanneer hij overlegt een door de expediteur - of in geval
van diens faillissement door diens curator - af te geven
verklaring, dat tussen hem en de expediteur ten aanzien van
de zaken een overeenkomst tot het doen vervoeren daarvan
werd gesloten. Indien ten aanzien van de expediteur de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing
is, geeft de bewindvoerder de verklaring af, tenzij de
overeenkomst tot het doen vervoeren tot stand is gekomen na
de uitspraak tot de toepassing van de
schuldsaneringsregeling.
3. Komt
de expediteur een verplichting als in het eerste lid bedoeld
niet na, dan is hij, naast vergoeding van de schade die de
opdrachtgever overigens dientengevolge leed, een
schadeloosstelling verschuldigd gelijk aan de
schadevergoeding die de opdrachtgever van hem had kunnen
verkrijgen, wanneer hij de overeenkomst die hij sloot, zelf
had uitgevoerd, verminderd met de schadevergoeding die de
opdrachtgever mogelijkerwijs van de vervoerder verkreeg.
4.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 64
De opdrachtgever is verplicht de
expediteur de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de
overeengekomen zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de
overeengekomen plaats en tijd ter beschikking zijn.
Artikel 65
1.
Alvorens zaken ter beschikking zijn gesteld, is de
opdrachtgever bevoegd de overeenkomst op te zeggen. Hij is
verplicht de expediteur de schade te vergoeden die deze ten
gevolge van de opzegging lijdt.
2. De
opzegging geschiedt door schriftelijke kennisgeving en de
overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 66
1. De
opdrachtgever is verplicht de expediteur omtrent de zaken
alsmede omtrent de behandeling daarvan tijdig al die opgaven
te doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en
waarvan hij weet of behoort te weten, dat zij voor de
expediteur van belang zijn, tenzij hij mag aannemen, dat de
expediteur deze gegevens kent.
2. De
expediteur is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te
onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.
Artikel 67
De opdrachtgever is verplicht de
expediteur de schade te vergoeden die deze lijdt doordat de
documenten, die van de zijde van de opdrachtgever voor het
uitvoeren van de opdracht vereist zijn, door welke oorzaak dan
ook, niet naar behoren aanwezig zijn.
Artikel 68
1.
Wanneer vóór of bij de terbeschikkingstelling van de zaken
omstandigheden aan de zijde van een der partijen zich opdoen
of naar voren komen, die haar wederpartij bij het sluiten
van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch die,
indien zij haar wel bekend waren geweest, redelijkerwijs
voor haar grond hadden opgeleverd de overeenkomst niet of op
andere voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd
de overeenkomst op te zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door schriftelijke kennisgeving en de
overeenkomst eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 69
1. De
expediteur is gerechtigd afgifte van zaken of documenten,
die hij in verband met de overeenkomst onder zich heeft, te
weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
overeenkomst tot doen vervoeren recht heeft op aflevering
daarvan, tenzij daarop beslag is gelegd en uit de vervolging
van dit beslag een verplichting tot afgifte aan de
beslaglegger voortvloeit.
2. De
expediteur kan het recht van retentie uitoefenen op zaken of
documenten, die hij in verband met de overeenkomst onder
zich heeft, voor hetgeen hem terzake van de overeenkomst
door zijn opdrachtgever verschuldigd is of zal worden. Hij
kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze van
rembours op de zaak drukt. Dit retentierecht vervalt zodra
aan de expediteur is betaald het bedrag waarover geen
geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de
betaling van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat
of welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld. De
expediteur behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden voor
hetgeen bij wijze van rembours op de zaak drukt.
3. De in
dit artikel aan de expediteur toegekende rechten komen hem
niet toe jegens een derde, indien hij op het tijdstip dat
hij de zaak of het document onder zich kreeg, reden had te
twijfelen aan de bevoegdheid van de opdrachtgever jegens die
derde hem die zaak of dat document ter beschikking te
stellen.
Artikel 70
Indien een overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen niet naar behoren wordt uitgevoerd, dan
wel een zaak niet zonder vertraging ter bestemming wordt
afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking is gesteld,
is de expediteur, die te dier zake door zijn wederpartij buiten
overeenkomst wordt aangesproken, jegens deze niet verder
aansprakelijk dan hij dit zou zijn op grond van de door hen
gesloten overeenkomst tot het doen vervoeren van die zaak.
Artikel 71
Indien een overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen niet naar behoren wordt uitgevoerd, dan
wel een zaak niet zonder vertraging ter bestemming wordt
afgeleverd in de staat, waarin zij ter beschikking is gesteld,
is de expediteur, die te dier zake buiten overeenkomst wordt
aangesproken, behoudens de artikelen 361 tot en met 366, artikel
880 en artikel 1081, niet verder aansprakelijk dan hij dit zou
zijn tegenover zijn opdrachtgever.
Artikel 72
Indien een vordering, als genoemd in het
vorige artikel, buiten overeenkomst wordt ingesteld tegen een
ondergeschikte van de expediteur, dan is deze ondergeschikte,
mits hij de schade veroorzaakte in de werkzaamheden, waartoe hij
werd gebruikt, niet verder aansprakelijk dan een dergelijke
expediteur, die hem tot deze werkzaamheden gebruikte, dit op
grond van het vorige artikel zou zijn.
Artikel 73
Het totaal van de bedragen, verhaalbaar op
de expediteur, al dan niet gezamenlijk met het bedrag,
verhaalbaar op de wederpartij van degene die de vordering
instelt, en hun ondergeschikten mag, behoudens in geval van
schade ontstaan uit eigen handeling of nalaten van de
aangesprokene, geschied hetzij met het opzet die schade te
veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die
schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien, niet overtreffen
het totaal, dat op grond van de door hen ingeroepen overeenkomst
is verschuldigd.
Afdeling 4. Overeenkomst van
personenvervoer
Artikel 80
1. De
overeenkomst van personenvervoer is de overeenkomst, waarbij
de ene partij (de vervoerder) zich tegenover de andere
partij verbindt een of meer personen (reizigers) te
vervoeren.
2. De
overeenkomst van personenvervoer als omschreven in artikel
100 is geen overeenkomst van personenvervoer in de zin van
deze afdeling.
Artikel 81
De vervoerder is aansprakelijk voor schade
veroorzaakt door dood of letsel in verband met het vervoer aan
de reiziger overkomen.
Artikel 82
1. De
vervoerder is niet aansprakelijk voor schade ontstaan door
dood of letsel, voor zover deze dood of dit letsel is
veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder niet heeft kunnen vermijden en voor zover zulk
een vervoerder de gevolgen daarvan niet heeft kunnen
verhinderen.
2. De
vervoerder kan niet om zich van zijn aansprakelijkheid voor
schade door dood of letsel van de reiziger veroorzaakt te
ontheffen, beroep doen op de gebrekkigheid of het slecht
functioneren van het vervoermiddel of van het materiaal
waarvan hij zich voor het vervoer bedient.
Artikel 83
Indien de vervoerder bewijst, dat schuld
of nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of
daartoe heeft bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de
vervoerder daarvoor geheel of gedeeltelijk worden opgeheven.
Artikel 84
Nietig is ieder voor het aan de reiziger
overkomen voorval gemaakt beding waarbij de ingevolge artikel 81
op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast wordt
verminderd op andere wijze dan in deze afdeling is voorzien.
Artikel 85
1. In
geval van aan de reiziger overkomen letsel en van de dood
van de reiziger zijn de artikelen 107 en 108 van Boek 6 niet
van toepassing op de vorderingen die de vervoerder als
wederpartij van een andere vervoerder tegen deze laatste
instelt.
2. De
aansprakelijkheid van de vervoerder is in geval van dood of
letsel van de reiziger beperkt tot een bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag of
bedragen.
Artikel 86
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
reiziger, door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer
aanwezig is.
Artikel 87
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde
voor het vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet
naar behoren aanwezig zijn.
Artikel 88
1.
Wanneer vóór of tijdens het vervoer omstandigheden aan de
zijde van de wederpartij van de vervoerder of de reiziger
zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch
die, indien zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs
voor hem grond hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet
of op andere voorwaarden aan te gaan, is de vervoerder
bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de reiziger uit het
vervoermiddel te verwijderen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving aan de wederpartij van de vervoerder of aan de
reiziger en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 89
1.
Wanneer vóór of tijdens het vervoer omstandigheden aan de
zijde van de vervoerder zich opdoen of naar voren komen, die
diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet
behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend
waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere
voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij van de
vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 90
1. De
wederpartij van de vervoerder is steeds bevoegd de
overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden, die deze ten gevolge van de opzegging
lijdt.
2. Zij
kan dit recht niet uitoefenen, wanneer daardoor de reis van
het vervoermiddel zou worden vertraagd.
3. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
Artikel 91
Wordt de vervoerder, zijn wederpartij, de
reiziger of een ondergeschikte van een hunner buiten
overeenkomst aangesproken, dan zijn de artikelen 361 tot en met
366 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 92
Deze afdeling geldt slechts ten aanzien
van niet elders in dit boek geregelde overeenkomsten van
personenvervoer.
Afdeling 5. Overeenkomst tot binnenlands
openbaar personenvervoer
Artikel 100
1. De
overeenkomst van personenvervoer in de zin van deze afdeling
is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de ene
partij (de vervoerder) zich tegenover de andere partij
verbindt aan boord van een vervoermiddel, geen luchtvaartuig
noch luchtkussenvoertuig zijnde, een of meer personen
(reizigers) en al dan niet hun handbagage binnen Nederland
hetzij over spoorwegen hetzij op andere wijze en dan volgens
een voor een ieder kenbaar schema van reismogelijkheden
(dienstregeling) te vervoeren. Tijd- of reisbevrachting is,
voor zover het niet betreft vervoer over spoorwegen, geen
overeenkomst van personenvervoer in de zin van deze
afdeling.
2. Als
vervoerder in de zin van deze afdeling wordt tevens
beschouwd de instantie die op een mogelijkerwijs afgegeven
vervoerbewijs is vermeld. Wordt enig vervoerbewijs afgegeven
dan zijn de artikelen 56, tweede lid, 75, eerste lid en 186,
eerste lid van boek 2 niet van toepassing.
3. In
deze afdeling wordt onder handbagage verstaan de bagage met
inbegrip van levende dieren, die de reiziger als gemakkelijk
mee te voeren, draagbare dan wel met de hand verrijdbare
zaken op of bij zich heeft.
4. Bij
algemene maatregel van bestuur, die voor ieder vervoermiddel
onderling verschillende bepalingen kan bevatten, kunnen
zaken, die geen handbagage zijn, voor de toepassing van
bepalingen van deze afdeling als handbagage worden
aangewezen, dan wel bepalingen van deze afdeling niet van
toepassing worden verklaard op zaken, die handbagage zijn.
Artikel 101
1.
Indien een of meer vervoerders zich bij een en dezelfde
overeenkomst verbinden tot vervoer met onderling al dan niet
van aard verschillende vervoermiddelen, gelden voor ieder
deel van het vervoer de op dat deel toepasselijke
rechtsregelen.
2.
Indien een voertuig dat voor het vervoer wordt gebezigd aan
boord van een schip wordt vervoerd, gelden voor dat deel van
het vervoer de op het vervoer te water toepasselijke
rechtsregelen, met dien verstande echter dat de vervoerder
zich niet kan beroepen op lichamelijke of geestelijke
tekortkomingen van de bestuurder van het voertuig die in de
tijd, dat de reiziger aan boord daarvan was, tot schade
leidden.
3. Bij
de overeenkomst waarbij de ene partij zich bij een en
dezelfde overeenkomst tegenover de andere partij verbindt
deels tot het vervoer van personen als bedoeld in artikel
100, deels tot ander vervoer, gelden voor ieder deel van het
vervoer de op dat deel toepasselijke rechtsregelen.
Artikel 102
1.
Vervoer van personen omvat uitsluitend de tijd dat de
reiziger aan boord van het vervoermiddel is, daarin instapt
of daaruit uitstapt.
2.
Vervoer van personen per schip omvat bovendien de tijd dat
de reiziger te water wordt vervoerd tussen wal en schip of
tussen schip en wal, indien de prijs hiervan in de vracht is
inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde schip door
de vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld.
Het omvat echter niet de tijd dat de reiziger verblijft op
een ponton, een steiger, een veerstoep of enig ander schip,
dat ligt tussen de wal en het schip aan boord waarvan hij
vervoerd zal worden of werd, in een stationsgebouw, op een
kade of enige andere haveninstallatie.
Artikel 103
1.
Vervoer van handbagage omvat uitsluitend de tijd dat deze
aan boord van het vervoermiddel is, daarin wordt ingeladen
of daaruit wordt uitgeladen, alsmede de tijd dat zij onder
de hoede van de vervoerder is.
2.
Vervoer van handbagage per schip omvat bovendien de tijd dat
de handbagage te water wordt vervoerd tusen wal en schip of
tussen schip en wal, indien de prijs hiervan in de vracht is
inbegrepen of het voor dit hulpvervoer gebezigde schip door
de vervoerder ter beschikking van de reiziger is gesteld.
Het omvat echter niet de tijd dat de handbagage zich bevindt
op een ponton, een steiger, een veerstoep of enig ander
schip, dat ligt tussen de wal en het schip aan boord waarvan
zij vervoerd zal worden of werd, in een stationsgebouw, op
een kade of enige andere haveninstallatie, tenzij zij zich
daar onder de hoede van de vervoerder bevindt.
Artikel 104 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 105
1.
De vervoerder is aansprakelijk
voor schade veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger
ten gevolge van een ongeval dat in verband met en tijdens
het vervoer aan de reiziger is overkomen.
2. In
afwijking van het eerste lid is de vervoerder niet
aansprakelijk, voor zover het ongeval is veroorzaakt door
een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft
kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de
gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
3.
Lichamelijke of geestelijke tekortkomingen van de bestuurder
van het voertuig alsmede gebrekkigheid of slecht
functioneren van het vervoermiddel of van het materiaal,
waarvan hij zich voor het vervoer bedient, worden aangemerkt
als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft
kunnen vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen
heeft kunnen verhinderen. Onder materiaal wordt niet
begrepen een ander vervoermiddel aan boord waarvan het
vervoermiddel zich bevindt.
4. Bij
de toepassing van het tweede lid wordt slechts dan rekening
gehouden met een gedraging van een derde, indien geen andere
omstandigheid, die mede tot het ongeval leidde, voor
rekening van de vervoerder is.
5. In
geval van vervoer over spoorwegen worden de beheerders van
de spoorweginfrastructuur waarop het vervoer wordt verricht,
beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder bij
de uitvoering van het vervoer gebruik maakt, en wordt die
infrastructuur beschouwd als materiaal waarvan de vervoerder
zich bij het vervoer bedient.
Artikel 106
1. De
vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door
geheel of gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van
handbagage of van een als bagage ten vervoer aangenomen
voertuig of schip en de zaken aan boord daarvan, voor zover
dit verlies of deze beschadiging is ontstaan tijdens het
vervoer en is veroorzaakt
a. door een aan de reiziger
overkomen ongeval dat voor rekening van de vervoerder
komt, of
b. door een omstandigheid die een
zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of waarvan
zulk een vervoerder de gevolgen heeft kunnen
verhinderen.
2.
Lichamelijke of geestelijke tekortkomingen van de bestuurder
van het voertuig alsmede gebrekkigheid of slecht
functioneren van het vervoermiddel of van het materiaal
waarvan hij zich voor het vervoer bedient, worden aangemerkt
als een omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft
kunnen vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen
heeft kunnen verhinderen. Onder materiaal wordt niet
begrepen een ander vervoermiddel aan boord waarvan het
vervoermiddel zich bevindt.
3. Bij
de toepassing van het eerste lid wordt slechts dan rekening
gehouden met een gedraging van een derde, indien geen andere
omstandigheid die mede tot het voorval leidde voor rekening
van de vervoerder is.
4. In
geval van vervoer over spoorwegen worden de beheerders van
de spoorweginfrastructuur waarop het vervoer wordt verricht,
beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder bij
de uitvoering van het vervoer gebruik maakt, en wordt die
infrastructuur beschouwd als materiaal waarvan de vervoerder
zich voor het vervoer bedient.
5. Dit
artikel laat de artikelen 545 en 1006 onverlet.
Artikel 107
De vervoerder is terzake van door de
reiziger aan boord van het vervoermiddel gebrachte zaken, die
hij, indien hij hun aard of gesteldheid had gekend, niet aan
boord van het vervoermiddel zou hebben toegelaten en waarvoor
hij geen bewijs van ontvangst heeft afgegeven, geen enkele
schadevergoeding verschuldigd indien de reiziger wist of
behoorde te weten dat de vervoerder de zaken niet ten vervoer
zou hebben toegelaten; de reiziger is alsdan aansprakelijk voor
alle kosten en schaden voor de vervoerder voortvloeiend uit de
aanbieding ten vervoer of uit het vervoer zelf.
Artikel 108
De vervoerder is niet aansprakelijk voor
schade die is veroorzaakt door vertraging, door welke oorzaak
dan ook vóór, tijdens of na het vervoer opgetreden, dan wel is
veroorzaakt door welke afwijking van de dienstregeling dan ook.
Artikel 109
1.
Indien de vervoerder bewijst, dat schuld of nalatigheid van
de reiziger schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft
bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder
daarvoor geheel of gedeeltelijk worden opgeheven.
2.
Indien personen van wier hulp de vervoerder bij de
uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt, op verzoek
van de reiziger diensten bewijzen, waartoe de vervoerder
niet is verplicht, worden zij aangemerkt als te handelen in
opdracht van de reiziger aan wie zij deze diensten bewijzen.
Artikel 110
1. De in
deze afdeling bedoelde aansprakelijkheid van de vervoerder
is beperkt tot bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen bedrag of bedragen.
2. Dit
artikel laat de titels 7 en 12 van dit boek onverlet.
Artikel 111
1. De
vervoerder kan zich niet beroepen op enige beperking van
zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is ontstaan uit
zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 112
Nietig is ieder vóór het aan de reiziger
overkomen ongeval, of vóór het verlies of de beschadiging van
handbagage of van als bagage ten vervoer aangenomen vaartuig of
schip en de zaken aan boord daarvan, gemaakt beding, waarbij de
ingevolge de artikelen 105 en 106 op de vervoerder drukkende
aansprakelijkheid of bewijslast wordt verminderd op andere wijze
dan in deze afdeling is voorzien.
Artikel 113
1. In
geval van verlies of beschadiging van handbagage wordt de
vordering tot schadevergoeding gewaardeerd naar de
omstandigheden.
2. In
geval van aan de reiziger overkomen letsel en van de dood
van de reiziger zijn de artikelen 107 en 108 van Boek 6 niet
van toepassing op de vorderingen die de vervoerder als
wederpartij van een andere vervoerder tegen deze laatste
instelt.
Artikel 114
1.
Onverminderd artikel 107 en onverminderd artikel 179 van
Boek 6 is de reiziger aansprakelijk voor schade veroorzaakt
door zijn handeling of nalaten, dan wel door zijn handbagage
of een als bagage aangenomen voertuig of schip en de zaken
aan boord daarvan.
2. In
afwijking van het eerste lid is de reiziger niet
aansprakelijk, voor zover de schade is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig reiziger niet heeft kunnen
vermijden en voor zover zulk een reiziger de gevolgen
daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
3. De
hoedanigheid of een gebrek van zijn handbagage, of een als
bagage aangenomen vaartuig of schip en de zaken aan boord
daarvan, wordt aangemerkt als een omstandigheid die een
zorgvuldig reiziger heeft kunnen vermijden en waarvan zulk
een reiziger de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
4. De
schade wordt aangemerkt het door de vervoerder naar zijn
redelijk oordeel vast te stellen bedrag te belopen, doch
indien de vervoerder meent dat de schade meer dan € 227
beloopt moet hij zulks bewijzen.
Artikel 115
Behoeft deze afdeling in het belang van
een goede uitvoering ervan nadere regeling, dan geschiedt dit
bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 116
Wordt de vervoerder, zijn wederpartij, de
reiziger of een ondergeschikte van een dezer buiten overeenkomst
aangesproken, dan zijn de artikelen 361 tot en met 366 en 1081
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 116a
De beheerder van de spoorweginfrastructuur
en een andere spoorwegonderneming die dezelfde
spoorweginfrastructuur gebruikt, kunnen zich beroepen op de
artikelen 365 en 366 op dezelfde voet als de daar bedoelde
ondergeschikten dit kunnen.
Afdeling 6. Overeenkomst van gecombineerd
vervoer van personen
Artikel 120
De overeenkomst van gecombineerd vervoer
van personen is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de
vervoerder (gecombineerd vervoerder) zich bij een en dezelfde
overeenkomst verbindt dat het vervoer deels over zee, over
binnenwateren, over de weg, over spoorwegen, door de lucht dan
wel door middel van enige andere vervoerstechniek zal
geschieden.
Artikel 121
Bij een overeenkomst van gecombineerd
vervoer van personen gelden voor ieder deel van het vervoer de
op dat deel toepasselijke rechtsregelen.
II. Zeerecht
Titel 3. Het zeeschip en de zaken aan
boord daarvan
Afdeling 1. Rederij van het zeeschip
Artikel 160
1.
Indien een zeeschip blijkens de openbare registers bedoeld
in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 aan twee of meer
personen gezamenlijk toebehoort, bestaat tussen hen een
rederij. Wanneer de eigenaren van het schip onder een
gemeenschappelijke naam optreden bestaat slechts een
rederij, indien zulks uitdrukkelijk bij akte is
overeengekomen en deze akte in die registers is
ingeschreven.
2. De
rederij is geen rechtspersoon.
Artikel 161
Iedere mede-eigenaar is van rechtswege lid
der rederij. Wanneer een lid ophoudt eigenaar te zijn, eindigt
zijn lidmaatschap van rechtswege.
Artikel 162
De leden der rederij moeten zich jegens
elkander gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en de
billijkheid wordt gevorderd.
Artikel 163
In iedere rederij kan een boekhouder
worden aangesteld. Een vennootschap is tot boekhouder
benoembaar.
Artikel 164
De boekhouder kan slechts met toestemming
van de leden der rederij overgaan tot enige buitengewone
herstelling van het schip of tot benoeming of ontslag van een
kapitein.
Artikel 165
De boekhouder geeft aan ieder lid der
rederij op diens verlangen kennis en opening van alle
aangelegenheden de rederij betreffende en inzage van alle
boeken, brieven en documenten, op zijn beheer betrekking
hebbende.
Artikel 166
De boekhouder is verplicht, zo dikwijls
een terzake mogelijk bestaand gebruik dit medebrengt, doch in
ieder geval telkens na verloop van een jaar en bij het einde van
zijn beheer, binnen zes maanden aan de leden der rederij
rekening en verantwoording te doen van zijn beheer met
overlegging van alle bewijsstukken daarop betrekking hebbende.
Hij is verplicht aan ieder van hen uit te keren wat hem toekomt.
Artikel 167
Ieder lid der rederij is verplicht de
rekening en verantwoording van de boekhouder binnen drie maanden
op te nemen en te sluiten.
Artikel 168
De goedkeuring der rekening en
verantwoording door de meerderheid van de leden der rederij
bindt slechts hen, die daartoe hebben medegewerkt, behoudens dat
zij ook een lid dat aan de rekening en verantwoording niet heeft
medegewerkt bindt, wanneer dit lid nalaat de rekening en
verantwoording in rechte te betwisten binnen één jaar, nadat hij
daarvan heeft kunnen kennis nemen en nadat de goedkeuring door
de meerderheid hem schriftelijk is medegedeeld.
Artikel 169
De betrekking van de boekhouder eindigt,
indien over hem een provisionele bewindvoerder is benoemd, hij
onder curatele is gesteld, terzake van krankzinnigheid in een
gesticht is geplaatst, in staat van faillissement is verklaard
of indien ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
natuurlijke personen van toepassing is verklaard.
Artikel 170
1. Is de
boekhouder lid der rederij, dan heeft hij, indien de leden
zijn betrekking doen eindigen of hem een dringende reden
hebben gegeven op grond waarvan hij zijnerzijds de
betrekking doet eindigen, het recht te verlangen, dat zijn
aandeel door de overige leden wordt overgenomen tegen
zodanige prijs als deskundigen het op het tijdstip, waarop
hij de overneming verlangt, waard zullen achten. Hij heeft
dit recht niet, indien hij aan de leden der rederij een
dringende reden heeft gegeven op grond waarvan zij de
betrekking doen eindigen.
2. Hij
moet van zijn verlangen tot overneming kennis geven aan de
leden der rederij binnen een maand, nadat zijn betrekking is
geëindigd. Wanneer aan zijn verlangen niet binnen een maand
is voldaan of wanneer niet binnen twee weken na het
overnemen van zijn aandeel de daarvoor bepaalde prijs aan
hem is voldaan, kan de rechter op een binnen twee maanden
door de boekhouder gedaan verzoek bevelen dat het schip
wordt verkocht. De wijze van verkoop wordt door de rechter
bepaald.
3. Door
ieder van hen die tot de overneming verplicht zijn, wordt
van het overgenomen aandeel een gedeelte verkregen,
evenredig aan zijn aandeel in het schip.
Artikel 171
1. Alle
besluiten, de aangelegenheden der rederij betreffende,
worden genomen bij meerderheid van stemmen van de leden der
rederij.
2. Het
kleinste aandeel geeft één stem; ieder groter aandeel zoveel
stemmen als het aantal malen, dat in dit aandeel het
kleinste begrepen is.
3.
Besluiten tot
a. aanstelling van een boekhouder
die geen lid is van de rederij,
b. uitbreiding van de bevoegdheid
van de boekhouder buiten de grenzen getrokken door
artikel 178 eerste lid,
c. het sluiten, voor meer dan zes
maanden, van een rompbevrachting, een tijdbevrachting of
een overeenkomst, als genoemd in artikel 531 of artikel
991,
d. ontbinding der rederij tijdens
de loop van een overeenkomst tot vervoer, van een
overeenkomst waarbij het schip ter beschikking van een
ander is gesteld, of van een ter visvangst ondernomen
reis,
vereisen eenstemmigheid.
Artikel 172
Op rederijen van zeevissersschepen is
artikel 171 derde lid, onder a niet van toepassing.
Artikel 173
Indien tengevolge van staking der stemmen
de exploitatie van het schip wordt belet, kan de rechter op een
binnen twee maanden door een lid der rederij gedaan verzoek
bevelen dat het schip wordt verkocht. De wijze van verkoop wordt
door de rechter bepaald.
Artikel 174
1.
Indien is besloten omtrent enige buitengewone herstelling
van het schip, omtrent benoeming of ontslag van de kapitein,
dan wel omtrent het aangaan van een vervoerovereenkomst
waarbij het schip ter beschikking van een ander wordt
gesteld, kan ieder lid der rederij, dat tot het besluit niet
heeft medegewerkt of daartegen heeft gestemd, verlangen dat
zij die vóór het besluit hebben gestemd, zijn aandeel
overnemen tegen zodanige prijs, als deskundigen het op het
tijdstip, waarop hij de overneming verlangt, waard zullen
achten. Hij moet van zijn verlangen tot overneming
kennisgeven aan de boekhouder of, indien er geen boekhouder
is, aan hen, die voorstemden, binnen een maand nadat het
besluit te zijner kennis is gebracht. Wanneer aan zijn
verlangen niet binnen een maand is voldaan of wanneer niet
binnen twee weken na het overnemen van zijn aandeel de
daarvoor bepaalde prijs aan hem is voldaan, kan de rechter
op een binnen twee maanden door het lid der rederij gedaan
verzoek bevelen dat het schip wordt verkocht. De wijze van
verkoop wordt door de rechter bepaald.
2. Door
ieder van hen die tot de overneming verplicht zijn, wordt
van het overgenomen aandeel een gedeelte verkregen,
evenredig aan zijn aandeel in het schip.
Artikel 175 [Vervallen per 19-07-2006]
Artikel 176
De leden der rederij moeten naar
evenredigheid van hun aandeel bijdragen tot de uitgaven der
rederij, waartoe bevoegdelijk is besloten.
Artikel 177
De leden der rederij delen in de winst en
het verlies naar evenredigheid van hun aandeel in het schip.
Artikel 178
1. Is
een boekhouder aangesteld, dan is hij, onverminderd artikel
360 eerste lid en met uitsluiting van ieder lid der rederij,
in alles wat de normale exploitatie van het schip
medebrengt, bevoegd voor de rederij met derden te handelen
en de rederij te vertegenwoordigen.
2.
Indien de rederij in het handelsregister is ingeschreven
kunnen beperkingen van de bevoegdheid van de boekhouder aan
derden, die daarvan onkundig waren, niet worden
tegengeworpen, tenzij deze beperkingen uit dat register
blijken. Is de rederij niet in het handelsregister
ingeschreven, dan kunnen beperkingen van de bevoegdheid van
de boekhouder aan derden slechts worden tegengeworpen,
wanneer hun die bekend waren.
3. De
boekhouder heeft alle verplichtingen na te komen, die de wet
de reder oplegt.
Artikel 179
Indien de rederij in het handelsregister
is ingeschreven, kunnen de aanstelling van een boekhouder of het
eindigen van diens betrekking aan derden, die daarvan onkundig
waren, niet worden tegengeworpen zo lang niet inschrijving
daarvan in het handelsregister heeft plaats gehad. Is de rederij
niet in het handelsregister ingeschreven dan kunnen de
aanstelling van een boekhouder of het eindigen van diens
betrekking aan derden slechts worden tegengeworpen wanneer dit
hun bekend was.
Artikel 180
1.
Indien er geen boekhouder is, alsmede in geval van
ontstentenis of belet van de boekhouder, wordt de rederij
vertegenwoordigd en kan voor haar worden gehandeld door een
of meer harer leden, mits alleen of tezamen eigenaars zijnde
van meer dan de helft van het schip.
2. In de
gevallen genoemd in het eerste lid kunnen handelingen, die
geen uitstel kunnen lijden, zo nodig door ieder lid
zelfstandig worden verricht en is ieder lid bevoegd ten
behoeve van de rederij verjaring te stuiten.
Artikel 181
Voor de verbintenissen van de rederij zijn
haar leden aansprakelijk, ieder naar evenredigheid van zijn
aandeel in het schip.
Artikel 182
De rederij wordt niet ontbonden door de
dood van een harer leden noch door diens faillissement, het van
toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke
personen, plaatsing ter zake van krankzinnigheid in een gesticht
of plaatsing onder curatele.
Artikel 183
Het lidmaatschap der rederij kan niet
worden opgezegd; evenmin kan een lid van het lidmaatschap der
rederij worden vervallen verklaard.
Artikel 184
Indien tot ontbinding der rederij is
besloten, moet het schip worden verkocht. Indien binnen twee
maanden na het besluit het schip nog niet is verkocht, kan de
rechter op een binnen twee maanden door een lid der rederij
gedaan verzoek, bevelen tot deze verkoop over te gaan. De wijze
van verkoop wordt door de rechter bepaald. Een besluit tot
verkoop of een ingevolge artikel 170, artikel 173 of artikel 174
gegeven bevel tot verkoop van het schip staat gelijk met een
besluit tot ontbinding der rederij.
Artikel 185
1. Na
ontbinding blijft de rederij bestaan voor zover dit tot haar
vereffening nodig is.
2. De
boekhouder, zo die er is, is met de vereffening belast.
Artikel 186
Nietig is ieder beding, waarbij wordt
afgeweken van de artikelen 161-163, 169, 170 eerste en tweede
lid, 178 derde lid, 180, 182 en 183.
Afdeling 2. Rechten op zeeschepen
Artikel 190
1. In de
afdelingen 2 tot en met 5 van titel 3 worden onder schepen
mede verstaan schepen in aanbouw. Onder reder wordt mede
verstaan de eigenaar van een zeeschip in aanbouw.
2.
Indien een schip in aanbouw een schip in de zin van artikel
1 is geworden, ontstaat daardoor niet een nieuw schip.
Artikel 191
In deze afdeling wordt onder de openbare
registers verstaan de openbare registers, bedoeld in afdeling 2
van Titel 1 van Boek 3.
Artikel 192
De in deze afdeling aan de reder opgelegde
verplichtingen rusten, indien het schip toebehoort aan meer
personen, aan een vennootschap onder firma, aan een
commanditaire vennootschap of aan een rechtspersoon, mede op
iedere mede-eigenaar, beherende vennoot of bestuurder.
Artikel 193 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 194
1.
Teboekstelling is slechts
mogelijk
- van een in aanbouw zijnd
zeeschip: indien het in Nederland in aanbouw is;
- van een afgebouwd zeeschip:
indien het een Nederlands schip is in de zin van artikel
311 van het Wetboek van Koophandel
- dan wel ingeval het een
zeevissersschip is: indien het is ingeschreven in een
krachtens artikel 3 der Visserijwet 1963 aangehouden
register.
2.
Teboekstelling is niet mogelijk van een zeeschip dat reeds
teboekstaat in de openbare registers, hetzij als zeeschip
hetzij als binnenschip, of in enig soortgelijk buitenlands
register.
3. In
afwijking van het tweede lid is teboekstelling van een
zeeschip dat in een buitenlands register teboekstaat
mogelijk, wanneer dit schip, nadat de teboekstelling ervan
in dat register is doorgehaald, een Nederlands schip in de
zin van artikel 311 van het Wetboek van Koophandel zal zijn
of wanneer dit schip als zeevissersschip is ingeschreven in
een krachtens artikel 3 der Visserijwet 1963 aangehouden
register. Deze teboekstelling heeft evenwel slechts
rechtsgevolg, wanneer zij binnen 30 dagen is gevolgd door
aantekening in de openbare registers, dat de teboekstelling
in het buitenlandse register is doorgehaald, of wanneer,
ingeval de bewaarder van een buitenlands register ondanks
daartoe schriftelijk tot hem gericht verzoek doorhaling
weigert, van dit verzoek en van het feit dat er geen gevolg
aan is gegeven, aantekening in de openbare registers is
geschied.
4. De
teboekstelling wordt verzocht door de reder van het
zeeschip. Hij moet daarbij ter inschrijving overleggen een
door hem ondertekende verklaring, dat naar zijn beste weten
het schip voor teboekstelling als zeeschip vatbaar is.
Indien het een verzoek tot teboekstelling als zeeschip in
aanbouw betreft, gaat deze verklaring vergezeld van een
bewijs dat het schip in Nederland in aanbouw is. Indien het
een verzoek tot teboekstelling als zeeschip, niet zijnde een
zeeschip in aanbouw of een zeevissersschip, betreft, gaat
deze verklaring vergezeld van een door of namens Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven verklaring als
bedoeld in artikel 311a, eerste lid, van het Wetboek
van Koophandel. Indien het een verzoek tot teboekstelling
als zeevissersschip betreft, gaat deze verklaring vergezeld
van een bewijs dat het schip is ingeschreven in een
krachtens artikel 3 van de Visserijwet 1963 aangehouden
register.
5. De
teboekstelling in de openbare registers heeft geen
rechtsgevolg, wanneer aan de vereisten van de voorgaande
leden van dit artikel niet is voldaan.
6. Bij
het verzoek tot teboekstelling wordt woonplaats gekozen in
Nederland. Deze woonplaats wordt in het verzoek tot
teboekstelling vermeld en kan door een andere in Nederland
gelegen woonplaats worden vervangen.
Artikel 195
1. De
teboekstelling wordt slechts doorgehaald
a. op verzoek van degeen, die in
de openbare registers als reder vermeld staat;
b. op aangifte van de reder of
ambtshalve
1°. als het schip is vergaan,
gesloopt is of blijvend ongeschikt voor drijven is
geworden;
2°. als van het schip
gedurende 6 maanden na het laatste uitvaren of de
dag, waartoe zich de laatst ontvangen berichten
uitstrekken, in het geheel geen tijding is
aangekomen, zonder dat dit aan een algemene storing
in de berichtgeving kan worden geweten;
3°. als het schip door rovers
of vijanden is genomen;
4°. als het schip, indien het
niet in de openbare registers te boek zou staan, een
binnenschip zou zijn in de zin van artikel 3 of
artikel 780;
5°. als het schip niet of niet
meer de hoedanigheid van Nederlands schip heeft dan
wel niet of niet meer is ingeschreven in een
krachtens artikel 3 der Visserijwet 1963 aangehouden
register. Ambtshalve doorhaling wegens het verlies
van de hoedanigheid van Nederlands schip geschiedt
uitsluitend na ontvangst van een mededeling van de
intrekking van een verklaring als bedoeld in artikel
311a, eerste lid, van het Wetboek van
Koophandel. Wanneer het schip de hoedanigheid van
Nederlands schip heeft verloren door toewijzing na
een executie buiten Nederland, dan wel de
inschrijving van het schip in een krachtens artikel
3 der Visserijwet 1963 aangehouden register is
doorgehaald, vindt doorhaling slechts plaats,
wanneer hetzij de reder, degenen van wier recht uit
een inschrijving blijkt en de beslagleggers
gelegenheid hebben gehad hun rechten op de opbrengst
geldend te maken en hun daartoe ook feitelijk de
gelegenheid is gegeven, hetzij deze personen hun
toestemming tot de doorhaling verlenen of hun
vorderingen zijn voldaan.
2. In de
in het eerste lid onder b genoemde gevallen is de
reder tot het doen van aangifte verplicht binnen drie
maanden nadat de reden tot doorhaling zich heeft voorgedaan.
3.
Wanneer ten aanzien van het schip inschrijvingen of
voorlopige aantekeningen ten gunste van derden bestaan,
geschiedt doorhaling slechts, wanneer geen dezer derden zich
daartegen verzet.
4.
Doorhaling geschiedt slechts na op verzoek van de meest
gerede partij verleende machtiging van de rechter.
Artikel 196
1.
Zolang de teboekstelling in de openbare registers niet is
doorgehaald heeft teboekstelling van een zeeschip in een
buitenlands register of vestiging in het buitenland van
rechten daarop, voor vestiging waarvan in Nederland
inschrijving in de openbare registers vereist zou zijn
geweest, geen rechtsgevolg.
2. In
afwijking van het eerste lid wordt een teboekstelling of
vestiging van rechten als daar bedoeld erkend, wanneer deze
geschiedde onder voorwaarde van doorhaling van de
teboekstelling in de openbare registers binnen 30 dagen na
de teboekstelling van het schip in het buitenlandse
register.
Artikel 197
De enige zakelijke rechten, waarvan een in
de openbare registers teboekstaand zeeschip het voorwerp kan
zijn, zijn de eigendom, de hypotheek, het vruchtgebruik en de in
artikel 211 en artikel 217 eerste lid onder b genoemde
voorrechten.
Artikel 198 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 199
1.
Een in de openbare registers
teboekstaand zeeschip is een registergoed.
2. Bij
toepassing van artikel 301 van Boek 3 ter zake van akten die
op de voet van artikel 89 leden 1 en 4 van Boek 3 zijn
bestemd voor de levering van zodanig zeeschip, kan de in het
eerste genoemde artikel bedoelde uitspraak van de
Nederlandse rechter niet worden ingeschreven, zolang zij
niet in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 200 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 201
Eigendom, hypotheek en vruchtgebruik op
een teboekstaand zeeschip worden door een bezitter te goeder
trouw verkregen door een onafgebroken bezit van vijf jaren.
Artikel 202
Onverminderd het bepaalde in artikel 260,
eerste lid, van Boek 3 wordt in de notariële akte waarbij
hypotheek wordt verleend op een teboekstaand zeeschip of op een
recht waaraan een zodanig schip is onderworpen, duidelijk het
aan de hypotheek onderworpen schip vermeld.
Artikel 203
Behoudens afwijkende, uit de openbare
registers blijkende, bedingen omvat de hypotheek de zaken die
uit hoofde van hun bestemming blijvend met het schip zijn
verbonden en die toebehoren aan de reder van het schip. Artikel
266 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 204
De door hypotheek gedekte vordering neemt
rang na de vorderingen, genoemd in de artikelen 210, 211, 221,
222 eerste lid, 831 en 832 eerste lid, doch vóór alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht
is toegekend.
Artikel 205
Indien de vordering rente draagt, strekt
de hypotheek mede tot zekerheid voor de renten der hoofdsom,
vervallen gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan het
begin van de uitwinning en gedurende de loop hiervan. Artikel
263 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 206
Op hypotheek op een aandeel in een
teboekstaand zeeschip is artikel 177 van Boek 3 niet van
toepassing; de hypotheek blijft na vervreemding of toedeling van
het schip in stand.
Artikel 207
1. De
eerste twee leden van artikel 264 van Boek 3 zijn in geval
van een hypotheek waaraan een teboekstaand zeeschip is
onderworpen, mede van toepassing op bevrachtingen.
2. De
artikelen 234 en 261 van Boek 3 zijn op een zodanige
hypotheek niet van toepassing.
Artikel 208
In geval van vruchtgebruik op een
teboekstaand zeeschip zijn de bepalingen van artikel 217 van
Boek 3 mede van toepassing op bevrachting voor zover die
bepalingen niet naar hun aard uitsluitend op pacht, huur van
bedrijfsruimte of huur van woonruimte van toepassing zijn.
Afdeling 3. Voorrechten op zeeschepen
Artikel 210
1. In
geval van uitwinning van een zeeschip worden de kosten van
uitwinning, de kosten van bewaking tijdens deze uitwinning
of verkoop, alsmede de kosten van gerechtelijke rangregeling
en verdeling van de opbrengst onder de schuldeisers uit de
opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een
voorrecht is toegekend.
2. In
geval van verkoop van een gestrand, onttakeld of gezonken
zeeschip, dat de overheid in het openbaar belang heeft doen
opruimen, worden de kosten der wrakopruiming uit de
opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een
voorrecht is toegekend.
3. De in
de vorige leden bedoelde vorderingen staan in rang gelijk en
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 210a
Artikel 292 van Boek 3 en de artikelen 60,
tweede lid, eerste zin, derde lid en vierde lid, en 299b, derde
tot en met vijfde lid, van de Faillissementswet zijn op
zeeschepen niet van toepassing.
Artikel 211
Boven alle andere vorderingen waaraan bij
deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend zijn,
behoudens artikel 210, op een zeeschip bevoorrecht:
a. in geval van beslag: de
vorderingen ter zake van kosten na het beslag gemaakt
tot behoud van het schip, daaronder begrepen de kosten
van herstellingen, die onontbeerlijk waren voor het
behoud van het schip;
b. de vorderingen ontstaan uit de
arbeidsovereenkomsten van de kapitein of de andere leden
der bemanning, met dien verstande dat de vorderingen met
betrekking tot loon, salaris of beloningen slechts
bevoorrecht zijn tot op een bedrag over een tijdvak van
twaalf maanden verschuldigd;
c. de vorderingen ter zake van
hulpverlening alsmede ter zake van de bijdrage van het
schip in avarij-grosse;
d. de vorderingen ter zake van
havengelden en maatregelen met betrekking tot een schip
die noodzakelijk waren ter waarborging van de veiligheid
van de haven of van derden, met dien verstande dat dit
voorrecht vervalt doordat het schip een nieuwe reis
aanvangt.
Artikel 212
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 211 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten
ten einde een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen
gelijkelijk bevoorrecht.
Artikel 213
1. De
bevoorrechte vorderingen, genoemd in artikel 211, nemen rang
in de volgorde, waarin zij daar zijn gerangschikt.
2.
Bevoorrechte vorderingen onder dezelfde letter vermeld,
staan in rang gelijk, doch de vorderingen genoemd in artikel
211 onder c nemen onderling rang naar de omgekeerde
volgorde van de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
3. In
rang gelijkstaande vorderingen worden ponds-pondsgewijs
betaald.
Artikel 214
De voorrechten, genoemd in artikel 211,
strekken zich uit tot
a. alle zaken, die uit hoofde van
hun bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en
die toebehoren aan de reder van het schip;
b. de schadevergoedingen,
verschuldigd voor het verlies van het schip of voor niet
herstelde beschadiging daarvan, daarbij inbegrepen dat
deel van een beloning voor hulpverlening, van een
beloning voor vlotbrengen of van een vergoeding in
avarij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of
beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze
schadevergoedingen of vorderingen tot beloning zijn
overgedragen of met pandrecht zijn bezwaard. Deze
schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen
welke zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst van
verzekering van het schip, die dekking geeft tegen het
risico van verlies of avarij. Artikel 283 van Boek 3 is
niet van toepassing.
Artikel 215
1. De
schuldeiser, die een voorrecht heeft op grond van artikel
211, vervolgt zijn recht op het schip, in wiens handen dit
zich ook bevinde.
2.
Voorrechten als bedoeld in artikel 211 kunnen worden
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2
van Titel 1 van Boek 3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 216
De vorderingen genoemd in artikel 211,
doen een voorrecht op het schip ontstaan en zijn alsdan daarop
verhaalbaar, zelfs wanneer zij zijn ontstaan tijdens de
terbeschikkingstelling van het schip aan een bevrachter, dan wel
tijdens de exploitatie van het schip door een ander dan de
reder, tenzij aan deze de feitelijke macht over het schip door
een ongeoorloofde handeling was ontnomen en bovendien de
schuldeiser niet te goeder trouw was.
Artikel 217
1. Boven
alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere
wet een voorrecht is toegekend, doch na de bevoorrechte
vorderingen genoemd in artikel 211, na de hypothecaire
vorderingen, na de vorderingen genoemd in de artikelen 222
en 832 en na de vordering van de pandhouder, zijn op een
zeeschip, waaronder voor de toepassing van dit artikel niet
is te verstaan een zeeschip in aanbouw, bij voorrang
verhaalbaar:
a. de vorderingen, die
voortvloeien uit rechtshandelingen, die de reder of een
rompbevrachter binden en die rechtstreeks strekken tot
het in bedrijf brengen of houden van het schip, alsmede
de vorderingen die tegen een uit hoofde van artikel 461
gelezen met artikel 462 of artikel 943 gelezen met
artikel 944 als vervoerder aangemerkte persoon kunnen
worden geldend gemaakt. Onder rechtshandeling is hier
het in ontvangst nemen van een verklaring begrepen;
b. de vorderingen, die uit hoofde
van afdeling 1 van titel 6 op de reder rusten;
c. de vorderingen, genoemd in
artikel 752 voor zover zij op de reder rusten.
2. De in
het eerste lid genoemde vorderingen staan in rang gelijk en
worden ponds-pondsgewijs betaald.
3. De
artikelen 212, 214 onder a en 216 zijn op de in het
eerste lid genoemde vorderingen van toepassing. Op de
vorderingen die in het eerste lid onder b worden
genoemd, is ook artikel 215 van toepassing.
4.
Artikel 283 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 218
Na de vorderingen genoemd in artikel 217
zijn de vorderingen genoemd in de artikelen 284 en 285 van Boek
3, voor zover zij dit niet zijn op grond van enig ander artikel
van deze titel, op een zeeschip bij voorrang verhaalbaar.
Artikel 219
1. De
krachtens deze afdeling verleende voorrechten gaan teniet
door verloop van een jaar, tenzij de schuldeiser zijn
vordering in rechte geldend heeft gemaakt. Deze termijn
begint met de aanvang van de dag volgend op die, waarop de
vordering opeisbaar wordt. Met betrekking tot de vordering
voor hulploon begint deze termijn echter met de aanvang van
de dag volgend op die, waarop de hulpverlening is beëindigd.
2. Het
voorrecht gaat teniet met de vordering.
3. In
geval van executoriale verkoop gaan de voorrechten mede
teniet op het tijdstip waarop het proces-verbaal van
verdeling wordt gesloten.
Afdeling 4. Voorrechten op zaken aan boord
van zeeschepen
Artikel 220
Deze afdeling geldt onder voorbehoud van
titel 15.
Artikel 221
1. In
geval van uitwinning van zaken aan boord van een zeeschip
worden de kosten van uitwinning, de kosten van bewaking
daarvan tijdens deze uitwinning, alsmede de kosten van
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst
onder de schuldeisers, uit de opbrengst van de verkoop
voldaan boven alle andere vorderingen, waaraan bij deze of
enige andere wet een voorrecht is toegekend.
2. De in
het eerste lid bedoelde vorderingen staan in rang gelijk en
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 222
1. Op
zaken aan boord van een zeeschip zijn de vorderingen ter
zake van hulpverlening en van een bijdrage van die zaken in
avarij-grosse bevoorrecht. Deze vorderingen nemen daartoe
rang na die welke zijn genoemd in de artikelen 210, 211,
221, 820, 821 en 831, doch vóór alle andere vorderingen,
waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is
toegekend.
2. Op
ten vervoer ontvangen zaken zijn bevoorrecht de vorderingen
uit een met betrekking tot die zaken gesloten
vervoerovereenkomst, dan wel uit artikel 488 of artikel 951
voortvloeiend, doch slechts voor zover aan de vervoerder
door artikel 489 of artikel 954 een recht op de zaken wordt
toegekend. Deze vorderingen nemen daartoe rang na die welke
zijn genoemd in het eerste lid en in de artikelen 204 en
794, doch vóór alle andere vorderingen, waaraan bij deze of
enige andere wet een voorrecht is toegekend.
Artikel 223
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 222 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten
teneinde een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen
gelijkelijk bevoorrecht.
Artikel 224
1. De
vorderingen ter zake van hulpverlening of bijdrage in
avarij-grosse, die bevoorrecht zijn op grond van artikel
211, artikel 222 eerste lid, artikel 821 of artikel 832
eerste lid, nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde
van de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
2. De
bevoorrechte vorderingen in het tweede lid van artikel 222
vermeld staan in rang gelijk.
3. De in
artikel 284 van Boek 3 genoemde vordering neemt rang na de
in de vorige leden genoemde vorderingen, ongeacht wanneer
die vorderingen zijn ontstaan.
4. In
rang gelijkstaande vorderingen worden ponds-pondsgewijs
betaald.
Artikel 225
De voorrechten, genoemd in artikel 222,
strekken zich uit tot de schadevergoedingen, verschuldigd voor
verlies of niet herstelde beschadiging, daarbij inbegrepen dat
deel van een beloning voor hulpverlening, van een beloning voor
vlotbrengen of van een vergoeding in avarij-grosse, dat
tegenover een zodanig verlies of beschadiging staat. Dit geldt
eveneens wanneer deze schadevergoedingen of vorderingen tot
beloning zijn overgedragen of met pandrecht zijn bezwaard. Deze
schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen, welke zijn
verschuldigd krachtens een overeenkomst van verzekering die
dekking geeft tegen het risico van verlies of avarij. Artikel
283 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 226
De in artikel 222 genoemde vorderingen
doen een voorrecht op de daar vermelde zaken ontstaan en zijn
alsdan daarop bij voorrang verhaalbaar, ook al is hun eigenaar
op het tijdstip, dat het voorrecht is ontstaan, niet de
schuldenaar van deze vorderingen.
Artikel 227
1. Met
de aflevering van de zaken aan de daartoe gerechtigde gaan,
behalve in het geval van artikel 559, de in artikel 222
genoemde voorrechten teniet. Zij gaan mede teniet met de
vordering en door, in geval van executoriale verkoop, niet
tijdig verzet te doen tegen de verdeling van de koopprijs
alsmede door gerechtelijke rangregeling.
2. Zij
blijven in stand, zolang de zaken op grond van de artikelen
490, 955 of 574 zijn opgeslagen of daarop op grond van
artikel 626 of artikel 636 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering beslag is gelegd.
Artikel 228
De verkoper van brandstof voor de
machines, van ketelwater, levensmiddelen of scheepsbenodigdheden
kan het hem in afdeling 8 van Titel 1 van Boek 7 toegekende
recht slechts gedurende 48 uur na het einde van de levering
uitoefenen, doch zulks ook indien deze zaken zich bevinden in
handen van de reder, een rompbevrachter of een tijdbevrachter
van het schip.
Afdeling 5. Slotbepalingen
Artikel 230
1. De
afdelingen 2 tot en met 4 van titel 3 zijn niet van
toepassing op zeeschepen, welke toebehoren aan het Rijk of
enig openbaar lichaam en uitsluitend bestemd zijn voor de
uitoefening van
a. de openbare macht of
b. niet-commerciële
overheidsdienst.
2. De
beschikking waarbij de in het eerste lid bedoelde bestemming
is vastgesteld, kan worden ingeschreven in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3.
Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing;
3. De
inschrijving machtigt de bewaarder tot doorhaling van de
teboekstelling van het schip in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3.
Artikel 231
Behoeven de in de afdelingen 2 tot en met
5 van titel 3 geregelde onderwerpen in het belang van een goede
uitvoering van de wet nadere regeling, dan geschiedt dit bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur, onverminderd de
bevoegdheid tot regeling krachtens de Kadasterwet.
Titel 4. Bemanning van een zeeschip
Afdeling 2. Kapitein
Artikel 260
1. De
kapitein is bevoegd die rechtshandelingen te verrichten,
welke rechtstreeks strekken om het schip in bedrijf te
brengen of te houden. Onder rechtshandeling is hier het in
ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
2. De
kapitein is bevoegd cognossementen af te geven voor zaken,
die ten vervoer zijn ontvangen en aangenomen en
passagebiljetten af te geven voor met het schip te vervoeren
reizigers. Tevens is hij bevoegd namens de reder en de
rechthebbenden op de zaken aan boord van het schip een
overeenkomst omtrent hulpverlening te sluiten alsmede om het
hulploon of de bijzondere vergoeding te innen.
Artikel 261
1. De
kapitein is verplicht voor de belangen van de bevrachters en
van de rechthebbenden op de aan boord zijnde zaken, zo
mogelijk ook na lossing daarvan, te waken en de maatregelen,
die daartoe nodig zijn, te nemen.
2.
Indien het noodzakelijk is onverwijld ter behartiging van
deze belangen rechtshandelingen te verrichten, is de
kapitein daartoe bevoegd. Onder rechtshandeling is hier het
in ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
3. Voor
zover mogelijk geeft hij van bijzondere voorvallen terstond
kennis aan de belanghebbenden bij de betrokken goederen en
handelt hij in overleg met hen en volgens hun orders.
Artikel 262
1.
Beperkingen van de wettelijke bevoegdheid van de kapitein
gelden tegen derden slechts wanneer die hun bekend zijn
gemaakt.
2. De
kapitein verbindt zichzelf slechts dan, wanneer hij de
grenzen zijner bevoegdheid overschrijdt.
Titel 5. Exploitatie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 360
1. De
reder is naast een rompbevrachter met deze hoofdelijk
aansprakelijk uit een deze laatste bindende rechtshandeling,
die rechtstreeks strekt tot het in bedrijf brengen of houden
van het schip. Onder rechtshandeling is hier het in
ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
2. Het
eerste lid is niet van toepassing indien aan degeen, met wie
de daar genoemde rechtshandeling wordt verricht, kenbaar is
gemaakt, dat de rompbevrachter de reder niet vermag te
binden dan wel deze derde wist, of zonder eigen onderzoek
moest weten, dat het in het eerste lid bedoelde doel werd
overschreden.
3. Het
eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van
vervoerovereenkomsten, overeenkomsten tot het verrichten van
arbeid met de bemanning aangegaan en overeenkomsten als
genoemd in afdeling 4 van titel 5 of afdeling 4 van titel
10.
4. Het
eerste lid is niet van toepassing, wanneer aan de reder de
feitelijke macht over het schip door een ongeoorloofde
handeling was ontnomen en bovendien de schuldeiser niet te
goeder trouw was.
5. Hij,
die loodsgelden, kanaal- of havengelden dan wel andere
scheepvaartrechten voldoet ten behoeve van de reder, een
rompbevrachter, een tijdbevrachter of de kapitein dan wel
enige andere schuldenaar daarvan, wordt van rechtswege
gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser van deze
vorderingen.
Artikel 361
1. Onder
"exploitatie-overeenkomsten" worden verstaan: de
bevrachtingen van het schip en de overeenkomsten tot vervoer
van zaken of personen met het schip.
2. Onder
"keten der exploitatie-overeenkomsten" worden verstaan: de
exploitatie-overeenkomsten gerangschikt:
a. wat betreft bevrachtingen: te
beginnen met een mogelijkerwijs aangegane
rompbevrachting en vervolgens in de volgorde, waarin de
bevrachters hun bevoegdheid over het schip te beschikken
van elkaar afleiden.
b. wat betreft
vervoerovereenkomsten, die geen bevrachting zijn: te
beginnen met de vervoerovereenkomst aangegaan door een
vervoerder, die de beschikking heeft over het schip of
een gedeelte daarvan, en te eindigen met de
vervoerovereenkomst aangegaan tussen een vervoerder met
het schip en zijn wederpartij, die niet wederom op haar
beurt vervoerder met het schip is.
3. Voor
de toepassing van de artikelen 361 tot en met 366 wordt een
reiziger aangemerkt als partij bij de te zijnen aanzien
gesloten vervoerovereenkomst.
4. In de
artikelen 361 tot en met 366 worden onder beschadiging mede
begrepen niet-aflevering, geheel of gedeeltelijk verlies,
waardevermindering en vertraagde aflevering en wordt onder
letsel mede begrepen vertraagde ontscheping.
Artikel 362
Indien een partij bij een
exploitatie-overeenkomst door haar wederpartij daarbij terzake
van een bij de exploitatie van het schip ontstane schade buiten
overeenkomst wordt aangesproken, dan is zij jegens die
wederpartij niet verder aansprakelijk dan zij dit zou zijn op
grond van de door hen gesloten overeenkomst.
Artikel 363
Indien een partij bij een
exploitatie-overeenkomst terzake van een bij de exploitatie van
het schip ontstane schade buiten overeenkomst wordt aangesproken
door een andere partij bij een dusdanige overeenkomst, dan is
zij tegenover deze niet verder aansprakelijk dan zij dit zou
zijn als ware zij wederpartij bij de exploitatie-overeenkomst,
die is aangegaan door degeen die haar aanspreekt en die in de
keten der exploitatie-overeenkomsten tussen haar en deze laatste
ligt.
Artikel 364
1. Wordt
een reder of een bevrachter van een schip, dan wel een
vervoerder met een schip terzake van dood of letsel van een
persoon of terzake van beschadiging van een zaak, buiten
overeenkomst aangesproken door iemand die geen partij is bij
een exploitatie-overeenkomst, dan is hij tegenover deze niet
verder aansprakelijk dan hij uit overeenkomst zou zijn.
2. Was
met betrekking tot de persoon of zaak een
vervoerovereenkomst afgesloten en is de schade ontstaan in
het tijdvak waarin een vervoerder met het schip als zodanig
daarvoor aansprakelijk is, dan geldt als overeenkomst,
bedoeld in lid 1, de laatste in de keten der
exploitatie-overeenkomsten met betrekking tot die persoon of
zaak aangegaan.
3. Was
de persoon of zaak aan boord van het schip op grond van een
overeenkomst met een partij bij een
exploitatie-overeenkomst, doch is het vorige lid niet van
toepassing, dan geldt de eerst bedoelde overeenkomst als
overeenkomst bedoeld in lid 1.
4. Was
de persoon of zaak buiten overeenkomst aan boord, dan geldt
een vervoerovereenkomst als overeenkomst bedoeld in lid 1.
5. De
aansprakelijkheid bedoeld in lid 1, is voor de toepassing
van de leden 2 en 4 die van een vervoerder, en voor de
toepassing van lid 3 die van de aldaar genoemde partij.
Artikel 365
Wordt een vordering als genoemd in de
artikelen 362 tot en met 364 buiten overeenkomst ingesteld tegen
een ondergeschikte van een partij bij een
exploitatieovereenkomst en kan die partij ter afwering van haar
aansprakelijkheid voor de gedraging van de ondergeschikte een
verweermiddel jegens de eiser ontlenen aan de overeenkomst
waardoor haar aansprakelijkheid in gevolge die artikelen wordt
beheerst, dan kan ook de ondergeschikte dit verweermiddel
inroepen, als ware hijzelf bij de overeenkomst partij.
Artikel 366
Het totaal van de bedragen verhaalbaar op
een derde, die partij is bij een exploitatie-overeenkomst, en
zijn ondergeschikten, al dan niet gezamenlijk met het bedrag
verhaalbaar op de wederpartij van degeen, die de in de artikelen
363 of 364 genoemde vordering instelde en haar ondergeschikten,
mag, behoudens in geval van schade ontstaan uit eigen handeling
of nalaten van de aangesprokene, geschied hetzij met het opzet
die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien, niet
overtreffen het totaal, dat op grond van de door hen ingeroepen
overeenkomst is verschuldigd.
Afdeling 2. Overeenkomst van
goederenvervoer over zee
Artikel 370
1. De
overeenkomst van goederenvervoer in de zin van deze titel is
de overeenkomst van goederenvervoer, al dan niet tijd- of
reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender)
verbindt aan boord van een schip zaken uitsluitend over zee
te vervoeren.
2.
Vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een en
eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart, wordt als
vervoer over zee beschouwd, tenzij het varen van dit schip
over zee kennelijk ondergeschikt is aan het varen over
binnenwateren, in welk geval dit varen als varen over
binnenwateren wordt beschouwd.
3.
Vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een en
eenzelfde schip, dat zonder eigen beweegkracht deze beide
wateren bevaart, wordt beschouwd als vervoer over zee voor
zover, met inachtneming tevens van het tweede lid van dit
artikel, het varen van het beweegkracht overbrengende schip
als varen over zee wordt beschouwd. Voor zover dit niet het
geval is, wordt het als vervoer over binnenwateren
beschouwd.
4. Deze
afdeling is niet van toepassing op overeenkomsten tot het
vervoer van postzendingen door of in opdracht van de houder
van de concessie bedoeld in de Postwet of onder een
internationale postovereenkomst. Onder voorbehoud van
artikel 510 is deze afdeling niet van toepassing op
overeenkomsten tot het vervoeren van bagage.
Artikel 371
1. Onder
gewijzigd Verdrag wordt in dit artikel verstaan het Verdrag
van 25 augustus 1924 ter vaststelling van enige eenvormige
regelen betreffende het cognossement (Trb. 1953, 109)
met inbegrip van de bepaling voorkomend in onderdeel 1 van
het daarbij behorende Protocol van ondertekening, zoals dat
Verdrag is gewijzigd bij het te Brussel op 23 februari 1968
ondertekende Protocol (Trb. 1979, 26) en als verder
gewijzigd bij het te Brussel op 21 december 1979
ondertekende Protocol (Trb. 1985, 122).
2. Voor
de toepassing van dit artikel wordt onder verdragsstaat
verstaan een staat, welke partij is bij het gewijzigd
Verdrag.
3. De
artikelen 1 tot en met 9 van het gewijzigd Verdrag worden
toegepast op elk cognossement, dat betrekking heeft op
vervoer van zaken tussen havens in twee verschillende
staten, indien:
a. het cognossement is uitgegeven
in een verdragsstaat, of
b. het vervoer plaats vindt vanuit
een haven in een verdragsstaat, of
c. de overeenkomst, die in het
cognossement is vervat of daaruit blijkt, bepaalt, dat
op die overeenkomst toepasselijk zijn de bepalingen van
het gewijzigd Verdrag of van enigerlei wetgeving, welke
die verdragsbepalingen van kracht verklaart of in andere
vorm of bewoordingen heeft overgenomen, ongeacht de
nationaliteit van het schip, de vervoerder, de afzender,
de geadresseerde of van iedere andere betrokken persoon.
Artikel 372
Deze afdeling laat de titels 7 en 12 van
dit boek onverlet.
Artikel 373
1. Tijd-
of reisbevrachting in de zin van deze afdeling is de
overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de vervoerder zich
verbindt tot vervoer aan boord van een schip, dat hij
daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting, geheel of
gedeeltelijk en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van de afzender.
2. Onder
"vervrachter" is in deze afdeling de in het eerste lid
genoemde vervoerder, onder "bevrachter" de aldaar genoemde
afzender te verstaan.
Artikel 374
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een
schip, anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van
toepassing.
Artikel 375
1. Bij
eigendomsovergang van een tevoren vervracht, al dan niet
teboekstaand, schip op een derde volgt deze in alle rechten
en verplichtingen van de vervrachter op, die nochtans naast
de nieuwe eigenaar aan de overeenkomst gebonden blijft.
2.
Rechten en verplichtingen, welke vóór de eigendomsovergang
opeisbaar zijn geworden, gaan op de derde niet over.
Artikel 376 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 377
In deze titel wordt onder
vervoerovereenkomst onder cognossement verstaan de
vervoerovereenkomst neergelegd in een cognossement dan wel enig
soortgelijk document dat een titel vormt voor het vervoer van
zaken over zee; eveneens wordt er onder verstaan de
vervoerovereenkomst neergelegd in een cognossement of
soortgelijk document als genoemd, dat is uitgegeven uit hoofde
van een charterpartij, van het ogenblik af waarop dit
cognossement of soortgelijk document de verhouding tussen de
vervoerder en de houder van het cognossement beheerst.
Artikel 378
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat,
waarin hij hen heeft ontvangen.
Artikel 379
Onverminderd artikel 378 is de vervoerder
verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te
vervoeren.
Artikel 380
1. In
geval van tijdbevrachting is de vervrachter verplicht de
kapitein opdracht te geven binnen de grenzen door de
overeenkomst gesteld de orders van de bevrachter op te
volgen. De vervrachter staat er voor in, dat de kapitein de
hem gegeven opdracht nakomt.
2. De
bevrachter staat er voor in, dat het schip de plekken of
plaatsen, waarheen hij het ter inlading, lossing of
anderszins op grond van het eerste lid beveelt te gaan,
veilig kan bereiken, innemen en verlaten. Indien deze
plekken of plaatsen blijken niet aan deze vereisten te
voldoen, is de bevrachter slechts in zoverre niet
aansprakelijk als de kapitein, door de hem gegeven orders op
te volgen, onredelijk handelde.
3.
Onverminderd artikel 461 wordt de bevrachter mede verbonden
door en kan hij rechten ontlenen aan een rechtshandeling,
die de kapitein ingevolge het eerste lid van dit artikel
verricht. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst
nemen van een verklaring begrepen.
Artikel 381
1. Onder
een vervoerovereenkomst onder cognossement is de vervoerder
verplicht vóór en bij de aanvang van de reis redelijke zorg
aan te wenden voor:
a. het zeewaardig maken van het
schip;
b. het behoorlijk bemannen,
uitrusten en bevoorraden van het schip;
c. het geschikt maken en in goede
staat brengen van de ruimen, koel- en vrieskamers en
alle andere delen van het schip, waarin zaken worden
geladen, om deze daarin te bergen, te vervoeren en goed
te houden.
2. Onder
een vervoerovereenkomst onder cognossement is de vervoerder,
behoudens de artikelen 383, 388, 414 vierde lid en 423,
verplicht de zaken behoorlijk en zorgvuldig te laden, te
behandelen, te stuwen, te vervoeren, te bewaren, te
verzorgen en te lossen.
Artikel 382
1.
Nietig is ieder beding in een vervoerovereenkomst onder
cognossement, waardoor de vervoerder of het schip wordt
ontheven van aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging
van of met betrekking tot zaken voortvloeiende uit
nalatigheid, schuld of tekortkoming in het voldoen aan de
verplichtingen in de artikelen 381, 399, 411, 414 eerste
lid, 492, 493 of in artikel 1712 voorzien of waardoor deze
aansprakelijkheid mocht worden verminderd op andere wijze
dan in deze afdeling of in de artikelen 361 tot en met 366
is voorzien. Een beding, krachtens hetwelk de uitkering op
grond van een gesloten verzekering aan de vervoerder komt of
elk ander beding van dergelijke strekking, wordt aangemerkt
als te zijn gemaakt teneinde de vervoerder van zijn
aansprakelijkheid te ontheffen.
2.
Niettegenstaande het eerste lid is een beding, als daar
genoemd, geldig mits het betreft:
a. een geoorloofd beding omtrent
avarij-grosse;
b. levende dieren;
c. zaken, die feitelijk op het dek
worden vervoerd mits deze in het cognossement als
deklading zijn opgegeven.
Artikel 383
1. Onder
een vervoerovereenkomst onder cognossement is noch de
vervoerder noch het schip aansprakelijk voor verliezen of
schaden, voortgevloeid of ontstaan uit onzeewaardigheid,
tenzij deze is te wijten aan gebrek aan redelijke zorg aan
de zijde van de vervoerder om het schip zeewaardig te maken,
het behoorlijk te bemannen, uit te rusten of te bevoorraden,
of om de ruimen, koel- en vrieskamers en alle andere delen
van het schip, waarin de zaken worden geladen, geschikt te
maken en in goede staat te brengen, zodat zij kunnen dienen
tot het bergen, het vervoeren en het bewaren van de zaken,
alles overeenkomstig het eerste lid van artikel 381. Telkens
als verlies of schade is ontstaan uit onzeewaardigheid, rust
de bewijslast ten aanzien van het aangewend zijn van de
redelijke zorg op de vervoerder of op iedere andere persoon,
die mocht beweren krachtens dit artikel van aan
sprakelijkheid te zijn ontheven.
2. Onder
een vervoerovereenkomst al dan niet onder cognossement is
noch de vervoerder noch het schip aansprakelijk voor verlies
of schade ontstaan of voortgevloeid uit:
a. een handeling, onachtzaamheid
of nalatigheid van de kapitein, een ander lid van de
bemanning, de loods of ondergeschikten van de
vervoerder, gepleegd bij de navigatie of de behandeling
van het schip;
b. brand, tenzij veroorzaakt door
de persoonlijke schuld van de vervoerder;
c. gevaren, onheilen en ongevallen
van de zee of andere bevaarbare wateren;
d. een natuurgebeuren;
e. oorlogshandelingen;
f. een daad van vijanden van de
staat;
g. aanhouding of maatregelen van
hogerhand of gerechtelijk beslag;
h. maatregelen van quarantaine;
i. een handeling of een nalaten
van de afzender of eigenaar der zaken of van hun agent
of vertegenwoordiger;
j. werkstakingen of uitsluitingen
of stilstand of belemmering van de arbeid, tengevolge
van welke oorzaak dan ook, hetzij gedeeltelijk hetzij
geheel;
k. oproer of onlusten;
l. redding of poging tot redding
van mensenlevens of goederen op zee;
m. verlies aan volume of gewicht
of enig ander verlies, of enige andere schade, ontstaan
uit een verborgen gebrek, de bijzondere aard of een
eigen gebrek van de zaak;
n. onvoldoende verpakking;
o. onvoldoende of gebrekkige
merken;
p. verborgen gebreken, die ondanks
een redelijke zorg niet te ontdekken waren;
q. enige andere oorzaak, niet
voortgevloeid uit de persoonlijke schuld van de
vervoerder, noch uit schuld of nalatigheid van zijn
agenten of ondergeschikten; doch de bewijslast rust op
degeen, die zich op deze ontheffing beroept, en het
staat aan hem aan te tonen, dat noch zijn persoonlijke
schuld, noch de nalatigheid of schuld van zijn agenten
of ondergeschikten heeft bijgedragen tot het verlies of
de schade.
3. Onder
een vervoerovereenkomst onder cognossement is de afzender
niet aansprakelijk voor door de vervoerder of het schip
geleden verliezen of schaden, voortgevloeid of ontstaan uit
welke oorzaak dan ook, zonder dat er is een handeling,
schuld of nalatigheid van hem, van zijn agenten of van zijn
ondergeschikten.
4.
Generlei afwijking van de koers tot redding of poging tot
redding van mensenlevens of goederen op zee en generlei
redelijke afwijking van de koers wordt beschouwd als een
schending van enige vervoerovereenkomst en de vervoerder is
niet aansprakelijk voor enig verlies of enige schade
daardoor ontstaan.
5. Het
staat de afzender vrij aansprakelijkheid aan te tonen voor
verlies of schade ontstaan of voortgevloeid uit de schuld
van de vervoerder zelf of de schuld van zijn
ondergeschikten, niet bestaande uit een handeling,
onachtzaamheid of nalatigheid als in het tweede lid onder
a bedoeld.
Artikel 384
Het staat de vervoerder vrij geheel of
gedeeltelijk afstand te doen van zijn uit de in het eerste lid
van artikel 382 genoemde artikelen of uit de artikelen 383, 388,
414 vierde lid of 423 voortvloeiende rechten en ontheffingen van
aansprakelijkheid of zijn uit deze artikelen voortvloeiende
aansprakelijkheden en verplichtingen te vermeerderen, mits in
geval van een vervoerovereenkomst onder cognossement deze
afstand of deze vermeerdering blijkt uit het aan de afzender
afgegeven cognossement.
Artikel 385
Niettegenstaande het eerste lid van
artikel 382 is een beding als daar bedoeld geldig, wanneer het
betreft zaken, die door hun karakter of gesteldheid een
bijzondere overeenkomst rechtvaardigen en welker vervoer moet
geschieden onder omstandigheden of op voorwaarden, die een
bijzondere overeenkomst rechtvaardigen. Het hier bepaalde geldt
echter slechts, wanneer voor het vervoer van deze zaken geen
cognossement, doch een blijkens zijn bewoordingen
onverhandelbaar document is afgegeven en het niet betreft een
gewone handelslading, verscheept bij gelegenheid van een gewone
handelsverrichting.
Artikel 386
Niettegenstaande het eerste lid van
artikel 382 staat het de vervoerder en de afzender vrij in een
vervoerovereenkomst enig beding, enige voorwaarde, enig
voorbehoud of enige ontheffing op te nemen met betrekking tot de
verplichtingen en aansprakelijkheden van de vervoerder of het
schip voor het verlies of de schaden opgekomen aan de zaken of
betreffende hun bewaring, verzorging of behandeling vóór het
laden in en na het lossen uit het over zee vervoerende schip.
Artikel 387
Voor zover de vervoerder aansprakelijk is
wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen
378 en 379 rustende verplichtingen, heeft de afzender geen ander
recht dan betaling van de in artikel 388 genoemde of de met
toepassing van artikel 384 overeengekomen bedragen te vorderen.
Artikel 388
1.
Tenzij de aard en de waarde van zaken zijn opgegeven door de
afzender vóór hun inlading en deze opgave in het
cognossement, indien dit is afgegeven, is opgenomen, is noch
de vervoerder noch het schip in enig geval aansprakelijk
voor enig verlies van of enige schade aan de zaken of met
betrekking tot deze voor een bedrag hoger dan de tegenwaarde
van 666,67 rekeneenheden per collo of eenheid, dan wel twee
rekeneenheden per kilogram brutogewicht der verloren gegane
of beschadigde zaken, waarbij het hoogste dezer bedragen in
aanmerking moet worden genomen.
2. Het
totale verschuldigde bedrag wordt berekend met inachtneming
van de waarde welke zaken als de ten vervoer ontvangene
zouden hebben gehad zoals, ten tijde waarop en ter plaatse
waar, zij zijn afgeleverd of zij hadden moeten zijn
afgeleverd. De in dit lid genoemde waarde wordt berekend
naar de koers op de goederenbeurs of, wanneer er geen
dergelijke koers is, naar de gangbare marktwaarde of,
wanneer ook deze ontbreekt, naar de normale waarde van zaken
van dezelfde aard en hoedanigheid.
3.
Wanneer een laadkist, een laadbord of dergelijk vervoergerei
is gebezigd om zaken bijeen te brengen, wordt iedere collo
of eenheid, die volgens vermelding in het cognossement in
dat vervoergerei is verpakt, beschouwd als een collo of
eenheid als in het eerste lid bedoeld. Behalve in het geval
hiervoor omschreven wordt dit vervoergerei als een collo of
eenheid beschouwd.
4. De
rekeneenheid genoemd in dit artikel is het bijzondere
trekkingsrecht zoals dat is omschreven door het
Internationale Monetaire Fonds. De bedragen genoemd in het
eerste lid worden omgerekend in Nederlands geld naar de
koers van de dag, waarop de betaling wordt verricht. De
waarde van het Nederlandse geld, uitgedrukt in bijzondere
trekkingsrechten, wordt berekend volgens de
waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire
Fonds op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn
eigen verrichtingen en transacties.
5. Noch
de vervoerder noch het schip kan zijn aansprakelijkheid met
een beroep op dit artikel of het vierde lid van artikel 414
beperken, wanneer bewezen is, dat de schade is ontstaan uit
een handeling of nalaten van de vervoerder, geschied hetzij
met het opzet schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met
de wetenschap dat schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
6. Bij
overeenkomst tussen de vervoerder, de kapitein of de agent
van de vervoerder enerzijds en de afzender anderzijds, mogen
andere maximumbedragen dan die, genoemd in het eerste lid,
worden bepaald, mits deze bedragen in geval van een
vervoerovereenkomst onder cognossement niet lager zijn dan
de in het eerste lid genoemde.
7. Noch
de vervoerder noch het schip is in enig geval aansprakelijk
voor verlies of schade van of aan zaken of met betrekking
tot deze, indien aard of waarde daarvan door de afzender
opzettelijk verkeerdelijk is opgegeven en, indien een
cognossement is afgegeven, daarin verkeerdelijk is
opgenomen.
Artikel 389
Indien met betrekking tot een zaak
hulploon, een bijdrage in avarij-grosse of een schadevergoeding
uit hoofde van artikel 488 is verschuldigd, wordt deze
aangemerkt als een waardevermindering van die zaak.
Artikel 390
1. De
tijd- of reisbevrachter is bevoegd de overeenkomst op te
zeggen, wanneer hem door de vervrachter is medegedeeld dat
het schip niet op de overeengekomen plaats of tijd te zijner
beschikking is of zal kunnen zijn.
2. Hij
kan deze bevoegdheid slechts uitoefenen door binnen een
redelijke, niet meer dan 48 uur durende, termijn na
ontvangst van een mededeling, als bedoeld in het eerste lid,
het in het vijfde lid genoemde bericht te verzenden.
3.
Indien bij gebreke van de ontvangst van een mededeling, als
bedoeld in het eerste lid, het de bevrachter uit anderen
hoofde bekend is, dat het schip niet op de overeengekomen
plaats of tijd te zijner beschikking is of kan zijn, is hij,
zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de
overeenkomst op te zeggen, doch slechts binnen een
redelijke, niet meer dan 48 uur durende, termijn nadat hem
dit bekend is geworden; gelijke bevoegdheid komt hem toe,
indien hem na ontvangst van een mededeling, als bedoeld in
het eerste lid, uit anderen hoofde bekend wordt, dat het
schip op grond van andere omstandigheden dan welke de
vervrachter tot zijn mededeling brachten, niet op de
overeengekomen plaats of tijd te zijner beschikking is of
kan zijn.
4. De in
dit artikel genoemde termijn wordt geschorst op die
zaterdagen, zondagen en plaatselijke feestdagen, waarop ten
kantore van de bevrachter in het geheel niet wordt gewerkt.
5. De
opzegging geschiedt door telegram of bericht per telex of
door enig ander spoedbericht, waarvan de ontvangst duidelijk
aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het ogenblik
van ontvangst daarvan.
Artikel 391
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen
zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen
plaats en tijd te zijner beschikking zijn.
Artikel 392
1.
Alvorens zaken ter beschikking van de vervoerder zijn
gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2. Zijn
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, verlengd
met de overligtijd, door welke oorzaak dan ook, in het
geheel geen zaken ter beschikking van de vervoerder, dan is
deze, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd
de overeenkomst op te zeggen.
3. Zijn
bij het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde tijd,
door welke oorzaak dan ook, de overeengekomen zaken slechts
gedeeltelijk ter beschikking van de vervoerder, dan is deze,
zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de
overeenkomst op te zeggen dan wel de reis te aanvaarden.
4. De
opzegging geschiedt door telegram of bericht per telex of
door enig ander spoedbericht, waarvan de ontvangst duidelijk
aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het ogenblik
van ontvangst daarvan, doch niet vóór lossing van de zaken.
5. Onder
voorbehoud van het derde lid van artikel 383 is de afzender
verplicht de vervoerder de schade te vergoeden die deze
lijdt tengevolge van de opzegging of van de aanvaarding van
de reis.
6. Dit
artikel is niet van toepassing in geval van tijdbevrachting.
Artikel 393
1. In
geval van reisbevrachting is de vervrachter tegen
zekerheidstelling voor wat hij van de bevrachter heeft te
vorderen, op diens verlangen verplicht de reis te aanvaarden
met een gedeelte der overeengekomen zaken. De bevrachter is
verplicht de vervrachter de dientengevolge geleden schade te
vergoeden.
2. De
vervrachter is bevoegd in plaats van de ontbrekende zaken
andere aan te nemen. Hij is niet gehouden de vracht, die hij
voor het vervoer van deze zaken ontvangt, met de bevrachter
te verrekenen, behalve voor zover hij zijnerzijds van de
bevrachter vergoeding van door hem geleden schade heeft
geïnd of gevorderd.
Artikel 394
1. De
afzender is verplicht de vervoerder omtrent de zaken alsmede
omtrent de behandeling daarvan tijdig al die opgaven te
doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en waarvan
hij weet of behoort te weten, dat zij voor de vervoerder van
belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder deze
gegevens kent.
2. De
vervoerder is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te
onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.
3. Is
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door
welke oorzaak dan ook, niet of slechts gedeeltelijk voldaan
aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde
verplichting van de afzender, dan zijn, behalve in het geval
van tijdbevrachting, het tweede, derde, vierde en vijfde lid
van artikel 392 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 395
1. De
afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden
die deze lijdt doordat, door welke oorzaak dan ook, niet
naar behoren aanwezig zijn de documenten en inlichtingen die
van de zijde van de afzender vereist zijn voor het vervoer
dan wel ter voldoening aan vóór de aflevering van de zaken
te vervullen douane- en andere formaliteiten.
2. De
vervoerder is verplicht redelijke zorg aan te wenden dat de
documenten, die in zijn handen zijn gesteld, niet verloren
gaan of onjuist worden behandeld. Een door hem ter zake
verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit
hoofde van de artikelen 387, 388 en 389 in geval van verlies
van de zaken, niet overschrijden.
3. De
vervoerder is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te
onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.
4. Zijn
bij het verstrijken van de tijd waarbinnen de in het eerste
lid genoemde documenten en inlichtingen aanwezig moeten
zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren
aanwezig, dan zijn, behalve in het geval van
tijdbevrachting, het tweede, derde, vierde en vijfde lid van
artikel 392 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 396
1.
Wanneer vóór of bij de aanbieding van de zaken aan de
vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der partijen
zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij
het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen,
doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest,
redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te
gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door telegram, bericht per telex of door
enig ander spoedbericht, waarvan de ontvangst duidelijk
aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het ogenblik
van ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 397
1. De
afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden,
die materiaal, dat hij deze ter beschikking stelde of zaken
die deze ten vervoer ontving dan wel de behandeling daarvan,
de vervoerder berokkenden, behalve voor zover deze schade is
veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
afzender van de ten vervoer ontvangen zaken niet heeft
kunnen vermijden en waarvan zulk een afzender de gevolgen
niet heeft kunnen verhinderen.
2. Dit
artikel laat de artikelen 383 derde lid, 398 en 423, alsmede
de bepalingen nopens avarij-grosse onverlet.
Artikel 398
1. Ten
vervoer ontvangen zaken, die een zorgvuldig vervoerder,
indien hij geweten zou hebben dat zij na hun
inontvangstneming gevaar zouden kunnen opleveren, met het
oog daarop niet ten vervoer zou hebben willen ontvangen,
mogen door hem op ieder ogenblik en op iedere plaats worden
gelost, vernietigd dan wel op andere wijze onschadelijk
gemaakt. Ten aanzien van ten vervoer ontvangen zaken,
waarvan de vervoerder de gevaarlijkheid heeft gekend, geldt
hetzelfde doch slechts dan wanneer zij onmiddellijk dreigend
gevaar opleveren. De vervoerder is terzake geen enkele
schadevergoeding verschuldigd en de afzender is
aansprakelijk voor alle kosten en schaden voor de vervoerder
voortvloeiende uit de aanbieding ten vervoer, uit het
vervoer of uit de maatregelen zelf.
2. Door
het treffen van de in het eerste lid bedoelde maatregel
eindigt de overeenkomst met betrekking tot de daar genoemde
zaken, doch, indien deze alsnog worden gelost, eerst na deze
lossing. De vervoerder verwittigt zo mogelijk de afzender,
degeen aan wie de zaken moeten worden afgeleverd en degeen,
aan wie hij volgens de bepalingen van een mogelijkerwijs
afgegeven cognossement bericht van aankomst van het schip
moet zenden. Dit lid is niet van toepassing met betrekking
tot zaken die de vervoerder na het treffen van de in het
eerste lid bedoelde maatregel alsnog naar hun bestemming
vervoert.
3.
Indien zaken na beëindiging van de overeenkomst alsnog in
feite worden afgeleverd, wordt vermoed, dat zij zich op het
ogenblik van beëindiging van de overeenkomst bevonden in de
staat, waarin zij feitelijk zijn afgeleverd; worden zij niet
afgeleverd, dan wordt vermoed, dat zij op het ogenblik van
beëindiging van de overeenkomst verloren zijn gegaan.
4.
Indien de afzender na feitelijke aflevering een zaak niet
naar haar bestemming vervoert, wordt het verschil tussen de
waarden ter bestemming en ter plaatse van de aflevering, als
bedoeld in de tweede volzin van het tweede lid van artikel
388, aangemerkt als waardevermindering van die zaak.
Vervoert de afzender een zaak na de feitelijke aflevering
alsnog naar haar bestemming, dan worden de kosten, die hij
te dien einde maakt, aangemerkt als waardevermindering van
die zaak.
5. Op de
feitelijke aflevering is het tussen partijen overeengekomene
alsmede het in deze afdeling nopens de aflevering van zaken
bepaalde van toepassing, met dien verstande, dat deze
feitelijke aflevering niet op grond van de eerste zin van
het eerste lid of op grond van het tweede lid van artikel
484 de vracht verschuldigd doet zijn. De artikelen 490 en
491 zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Dit
artikel laat artikel 423, alsmede de bepalingen nopens
avarij-grosse onverlet.
7.
Nietig is ieder beding, waarbij van het eerste lid van dit
artikel wordt afgeweken.
Artikel 399
1. Na de
zaken ontvangen en aangenomen te hebben, moet de vervoerder,
de kapitein of de agent van de vervoerder op verlangen van
de afzender aan deze een cognossement afgeven, dat onder
meer vermeldt:
a. de voornaamste voor
identificatie van de zaken nodige merken, zoals deze,
voor de inlading van deze zaken is begonnen, door de
afzender schriftelijk zijn opgegeven, mits deze merken
zijn gestempeld of anderszins duidelijk zijn aangebracht
op de onverpakte zaken of op de kisten of verpakkingen,
die de zaken inhouden en wel zodanig, dat zij in normale
omstandigheden tot het einde van de reis leesbaar zullen
blijven;
b. òf het aantal der colli of het
stuktal, òf de hoeveelheid òf het gewicht, al naar
gelang der omstandigheden, zoals zulks door de afzender
schriftelijk is opgegeven;
c. de uiterlijk zichtbare staat en
gesteldheid der zaken;
met dien verstande, dat geen
vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder verplicht
zal zijn in het cognossement merken, aantal, hoeveelheid of
gewicht op te geven of te noemen waarvan hij redelijke
gronden heeft te vermoeden, dat zij niet nauwkeurig de in
werkelijkheid door hem ontvangen zaken weergeven of tot het
toetsen waarvan hij geen redelijke gelegenheid heeft gehad.
De vervoerder wordt vermoed geen redelijke gelegenheid te
hebben gehad de hoeveelheid en het gewicht van gestorte of
gepompte zaken te toetsen.
2. Als
de zaken ingeladen zijn, zal het cognossement, dat de
vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder aan de
afzender afgeeft, indien deze dit verlangt, de vermelding
"geladen" bevatten, mits de afzender, indien hij vooraf enig
op die zaken rechtgevend document heeft ontvangen, dit tegen
afgifte van het "geladen"-cognossement teruggeeft. De
vervoerder, kapitein of agent van de vervoerder heeft
eveneens het recht in de laadhaven op het oorspronkelijk
afgegeven document de naam van het schip of van de schepen,
aan boord waarvan de zaken werden geladen, en de datum of de
data van inlading aan te tekenen, in welk geval het aldus
aangevulde document, mits inhoudende de in dit artikel
vermelde bijzonderheden, als een "geladen"-cognossement in
de zin van dit artikel wordt beschouwd.
Artikel 410
Indien een vervoerovereenkomst is gesloten
en bovendien een cognossement is afgegeven, wordt, behoudens
artikel 441 tweede lid, tweede volzin, de rechtsverhouding
tussen de vervoerder en de afzender door de bedingen van de
vervoerovereenkomst en niet door die van dit cognossement
beheerst. Behoudens het in artikel 441 eerste lid gestelde
vereiste van houderschap van het cognossement, strekt dit hun
dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door de
vervoerder.
Artikel 411
De afzender wordt geacht ten behoeve van
de vervoerder in te staan voor de juistheid op het ogenblik van
de in ontvangstneming van de door hem opgegeven merken, getal,
hoeveelheid en gewicht, en de afzender zal de vervoerder
schadeloos stellen voor alle verliezen, schaden en kosten,
ontstaan ten gevolge van onjuistheden in de opgave van deze
bijzonderheden. Het recht van de vervoerder op dergelijke
schadeloosstelling beperkt in genen dele zijn aansprakelijkheid
en zijn verbintenissen, zoals zij uit de vervoerovereenkomst
voortvloeien, tegenover elke andere persoon dan de afzender.
Artikel 412
1. Het
cognossement wordt gedateerd en door de vervoerder
ondertekend en vermeldt de voorwaarden waarop het vervoer
plaatsvindt, alsmede de plaats waar en de persoon aan wie de
zaken moeten worden afgeleverd. Deze wordt, ter keuze van de
afzender, aangegeven hetzij bij name of andere aanduiding,
hetzij als order van de afzender of van een ander, hetzij
als toonder.
2. De
enkele woorden "aan order" worden geacht de order van de
afzender aan te geven.
Artikel 413
Het cognossement wordt, tenzij het op naam
is gesteld, afgegeven in één of meer exemplaren. De
verhandelbare exemplaren, waarin is vermeld hoeveel van deze
exemplaren in het geheel zijn afgegeven, gelden alle voor één en
één voor alle. Niet verhandelbare exemplaren moeten als zodanig
worden aangeduid.
Artikel 414
1.
Tegenbewijs tegen het cognossement wordt niet toegelaten,
wanneer het is overgedragen aan een derde te goeder trouw.
2.
Indien in het cognossement de clausule: "inhoud,
hoedanigheid, aantal, gewicht of maat onbekend", of enige
andere clausule van dergelijke strekking is opgenomen,
binden zodanige in het cognossement voorkomende vermeldingen
omtrent de zaken de vervoerder niet, tenzij bewezen wordt,
dat hij de inhoud of de hoedanigheid der zaken heeft gekend
of had behoren te kennen of dat de zaken hem toegeteld,
toegewogen of toegemeten zijn.
3. Een
cognossement, dat de uiterlijk zichtbare staat of
gesteldheid van de zaak niet vermeldt, levert, behoudens
tegenbewijs dat ook jegens een derde mogelijk is, een
vermoeden op dat de vervoerder die zaak voor zover uiterlijk
zichtbaar in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4. De in
het cognossement opgenomen opgave, bedoeld in artikel 388
eerste lid, schept behoudens tegenbewijs een vermoeden, doch
bindt niet de vervoerder die haar kan betwisten.
Artikel 415
1.
Verwijzingen in het cognossement worden geacht slechts die
bedingen daarin in te voegen, die voor degeen, jegens wie
daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar zijn.
2. Een
dergelijk beroep is slechts mogelijk voor hem, die op
schriftelijk verlangen van degeen jegens wie dit beroep kan
worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die
bedingen heeft doen toekomen.
3.
Nietig is ieder beding, waarbij van het tweede lid van dit
artikel wordt afgeweken.
Artikel 416
Een cognossement aan order wordt geleverd
op de wijze als aangegeven in afdeling 2 van Titel 4 van Boek 3.
Artikel 417
Levering van het cognossement vóór de
aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt
als levering van die zaken.
Artikel 418
De vervoerder is verplicht de plek van
inlading en lossing tijdig aan te wijzen; in geval van
tijdbevrachting is echter artikel 380 van toepassing en in geval
van reisbevrachting artikel 419.
Artikel 419
1. In
geval van reisbevrachting is de bevrachter verplicht de plek
van inlading en lossing tijdig aan te wijzen.
2. Hij
moet daartoe aanwijzen een gebruikelijke plek, die terstond
of binnen redelijke tijd beschikbaar is, waar het schip
veilig kan komen, liggen, laden of lossen en waarvandaan het
veilig kan vertrekken.
3.
Wanneer de bevrachter niet aan deze verplichting voldoet of
de bevrachters, als er meer zijn, niet eenstemmig zijn in de
aanwijzing, is de vervrachter zonder dat enige aanmaning is
vereist verplicht zelf de plek van inlading of lossing aan
te wijzen.
4.
Indien de bevrachter meer dan één plek aanwijst, geldt de
tijd nodig voor het verhalen als gebruikte laad- of lostijd.
De kosten van verhalen zijn voor zijn rekening.
5. De
bevrachter staat er voor in, dat het schip op de plek, die
hij op grond van het eerste lid ter inlading of lossing
aanwijst, veilig kan komen, liggen, laden of lossen en
daarvandaan veilig kan vertrekken. Indien deze plek blijkt
niet aan deze vereisten te voldoen, is de bevrachter slechts
in zoverre niet aansprakelijk als de kapitein, door de hem
gegeven aanwijzing op te volgen, onredelijk handelde.
Artikel 420
Wanneer in geval van reisbevrachting de
bevrachter de bevoegdheid heeft laad- of loshaven nader aan te
wijzen, is artikel 419 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 421
Behalve in geval van bevrachting is de
vervoerder verplicht de zaken aan boord van het schip te laden
en te stuwen.
Artikel 422
1. Voor
zover de vervoerder verplicht is tot laden, is hij gehouden
zulks in de overeengekomen laadtijd te doen.
2. Voor
zover de afzender verplicht is tot laden of stuwen, staat
hij er voor in dat zulks in de overeengekomen laadtijd
geschiedt.
3. Werd
geen laadtijd vastgesteld, dan behoort de inlading te
geschieden zo snel als ter plekke voor een schip als het
betrokken schip gebruikelijk of redelijk is.
4.
Bepaalt de vervoerovereenkomst overliggeld, doch niet de
overligtijd, dan wordt deze tijd vastgesteld op acht
opeenvolgende etmalen of, als op de ligplek een ander aantal
redelijk of gebruikelijk is, op dit aantal.
5. De
wettelijke bepalingen omtrent boetebedingen zijn niet van
toepassing op bedingen met betrekking tot overliggeld.
6.
Schuldenaren van overliggeld en een mogelijkerwijs uit
hoofde van het tweede lid verschuldigde schadevergoeding
zijn tot betaling daarvan hoofdelijk verbonden.
Artikel 423
1. Onder
een vervoerovereenkomst onder cognossement mogen zaken van
ontvlambare, explosieve of gevaarlijke aard, tot de inlading
waarvan de vervoerder, de kapitein of de agent van de
vervoerder geen toestemming zou hebben gegeven, wanneer hij
de aard of de gesteldheid daarvan had gekend, te allen tijde
vóór de lossing door de vervoerder op iedere plaats worden
gelost of vernietigd of onschadelijk gemaakt zonder
schadevergoeding, en de afzender van deze zaken is
aansprakelijk voor alle schade en onkosten, middellijk of
onmiddellijk voortgevloeid of ontstaan uit het inladen
daarvan.
2.
Indien onder een vervoerovereenkomst onder cognossement
enige zaak, als bedoeld in het eerste lid, ingeladen met
voorkennis en toestemming van de vervoerder, een gevaar
wordt voor het schip of de lading, mag zij evenzo door de
vervoerder worden gelost of vernietigd of onschadelijk
gemaakt zonder enige aansprakelijkheid van de vervoerder,
tenzij voor avarij-grosse, indien daartoe gronden bestaan.
Artikel 424
1.
Behalve in geval van tijd- of reisbevrachting is de
vervoerder wanneer, nadat de inlading een aanvang heeft
genomen, het schip vergaat of zodanig beschadigd blijkt te
zijn, dat het schip het herstel, nodig voor de uitvoering
van de overeenkomst, niet waard is of dat dit herstel binnen
redelijke tijd niet mogelijk is, na lossing van de zaken
bevoegd de overeenkomst te beëindigen, mits hij dit zo
spoedig mogelijk doet.
2.
Vermoed wordt dat het vergaan of de beschadiging van het
schip is te wijten aan een omstandigheid, die voor rekening
van de vervoerder komt; voor rekening van de vervoerder
komen die omstandigheden, die in geval van beschadiging van
door hem vervoerde zaken voor zijn rekening komen.
3. De
vervoerder verwittigt, zo mogelijk, de afzender, degeen aan
wie de zaken moeten worden afgeleverd en degeen aan wie hij
volgens de bepalingen van een mogelijkerwijs afgegeven
cognossement bericht van aankomst van het schip moet zenden.
4. Het
derde, het vierde en het vijfde lid van artikel 398 zijn van
toepassing.
Artikel 425
1. In
geval van tijd- of reisbevrachting is ieder der partijen,
mits zij dit zo spoedig mogelijk doet, bevoegd de
overeenkomst geheel of met betrekking tot een gedeelte der
zaken op te zeggen, wanneer het schip, zonder dat het
vergaan is, zodanig beschadigd blijkt te zijn, dat het schip
het herstel, nodig voor de uitvoering van de overeenkomst,
niet waard is of dat dit herstel binnen redelijke tijd niet
mogelijk is.
2. De
reisbevrachter komt de hem in het eerste lid van dit artikel
toegekende bevoegdheid ten aanzien van reeds aan boord
ontvangen zaken niet toe, indien de vervrachter, zodra hem
dit redelijkerwijs mogelijk was, heeft verklaard dat hij
deze zaken, zij het niet in het bevrachte schip, ondanks de
beëindiging van de overeenkomst naar hun bestemming zal
vervoeren; zulk vervoer wordt vermoed op grond van de
oorspronkelijke overeenkomst plaats te vinden.
3. De
opzegging geschiedt door telegram of bericht per telex of
door enig ander spoedbericht, waarvan de ontvangst duidelijk
aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het ogenblik
van ontvangst daarvan, doch ten aanzien van reeds aan boord
ontvangen zaken, eerst na lossing van die zaken. Een in een
dergelijk telegram of bericht vervatte mededeling, dat de
vervrachter zaken alsnog, doch niet in het bevrachte schip,
naar hun bestemming zal vervoeren, houdt met betrekking tot
die zaken opzegging van de overeenkomst in.
4. Ten
aanzien van reeds ten vervoer ontvangen zaken wordt vermoed,
dat de beschadiging van het schip is te wijten aan een
omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter komt;
voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden,
die in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken
voor zijn rekening komen.
5. Het
derde, het vierde en het vijfde lid van artikel 398 zijn van
toepassing met dien verstande, dat ingeval van
tijdbevrachting vracht verschuldigd blijft tot op het
tijdstip van de lossing der zaken.
Artikel 426
1. In
geval van tijd- of reisbevrachting eindigt de overeenkomst
met het vergaan van het schip. In geval van langdurige
tijdingloosheid wordt vermoed, dat het schip is vergaan te
2400 uur Universele Tijd van de dag, waarop het laatste
bericht is ontvangen.
2. Ten
aanzien van reeds ten vervoer ontvangen zaken wordt vermoed,
dat het vergaan van het schip is te wijten aan een
omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter komt;
voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden,
die in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken
voor zijn rekening komen.
3.
Vervoert de vervrachter ondanks het vergaan van het schip
zaken die reeds aan boord waren ontvangen alsnog naar hun
bestemming, dan wordt in geval van reisbevrachting dit
vervoer vermoed op grond van de oorspronkelijke overeenkomst
plaats te vinden.
4. De
vervrachter verwittigt de bevrachter zo spoedig als dit
mogelijk is.
5. Het
derde, het vierde en het vijfde lid van artikel 398 zijn van
toepassing.
Artikel 440
1. De
afzender - of, indien een cognossement is afgegeven,
uitsluitend de in artikel 441 bedoelde houder daarvan en dan
alleen tegen afgifte van alle verhandelbare exemplaren van
dit cognossement - is bevoegd, voor zover de vervoerder
hieraan redelijkerwijs kan voldoen, aflevering van ten
vervoer ontvangen zaken of, indien daarvoor een cognossement
is afgegeven, van alle daarop vermelde zaken gezamenlijk,
vóór de aankomst ter bestemmingsplaats te verlangen, mits
hij de vervoerder en de belanghebbenden bij de overige
lading ter zake schadeloos stelt. Hij is verplicht tot
bijdragen in een avarij-grosse, wanneer de avarij-grosse
handeling plaatshad met het oog op een omstandigheid,
waarvan reeds vóór de aflevering is gebleken.
2. Hij
kan dit recht niet uitoefenen, wanneer door de voortijdige
aflevering de reis zou worden vertraagd.
3.
Zaken, die ingevolge het eerste lid zijn afgeleverd, worden
aangemerkt als ter bestemming afgeleverde zaken en de
bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van zaken,
alsmede de artikelen 490 en 491 zijn van toepassing.
Artikel 441
1.
Indien een cognossement is afgegeven, heeft uitsluitend de
regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op rechtmatige
wijze houder is geworden, jegens de vervoerder onder het
cognossement het recht aflevering van de zaken
overeenkomstig de op de vervoerder rustende verplichtingen
te vorderen; daarbij is artikel 387 van toepassing.
2.
Jegens de houder van het cognossement, die niet de afzender
was, is de vervoerder onder cognossement gehouden aan en kan
hij een beroep doen op de bedingen van dit cognossement.
Jegens iedere houder van het cognossement, kan hij de uit
het cognossement duidelijk kenbare rechten tot betaling
geldend maken. Jegens de houder van het cognossement, die
ook de afzender was, kan de vervoerder zich bovendien op de
bedingen van de vervoerovereenkomst en op zijn persoonlijke
verhouding tot de afzender beroepen.
Artikel 442
1.
Indien bij toepassing van artikel 461 verscheidene personen
als vervoerder onder het cognossement moeten worden
aangemerkt zijn dezen jegens de in artikel 441 eerste lid
bedoelde cognossementhouder hoofdelijk verbonden.
2. In
het in het eerste lid genoemde geval is ieder der
vervoerders gerechtigd de uit het cognossement blijkende
rechten jegens de cognossementhouder uit te oefenen en is
deze jegens iedere vervoerder gekweten tot op het opeisbare
bedrag dat hij op grond van het cognossement aan één hunner
heeft voldaan. Titel 7 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 460
Van de houders van verschillende
exemplaren van hetzelfde cognossement heeft hij het beste recht,
die houder is van het exemplaar, waarvan ná de
gemeenschappelijke voorman, die houder was van al die
exemplaren, het eerst een ander houder is geworden te goeder
trouw en onder bezwarende titel.
Artikel 461
1.
Onverminderd de overige leden van dit artikel worden als
vervoerder onder het cognossement aangemerkt hij die het
cognossement ondertekende of voor wie een ander dit
ondertekende alsmede hij wiens formulier voor het
cognossement is gebezigd.
2.
Indien de kapitein of een ander voor hem het cognossement
ondertekende, wordt naast degene genoemd in het eerste lid,
die tijd- of reisbevrachter, die vervoerder is bij de
laatste overeenkomst in de keten der
exploitatie-overeenkomsten als bedoeld in afdeling 1 van
titel 5, als vervoerder onder het cognossement aangemerkt.
Indien het schip in rompbevrachting is uitgegeven wordt
naast deze eventuele tijd- of reisbevrachter ook de laatste
rompbevrachter als vervoerder onder het cognossement
aangemerkt. Is het schip niet in rompbevrachting uitgegeven
dan wordt naast de hier genoemde eventuele tijd- of
reisbevrachter ook de reder als vervoerder onder het
cognossement aangemerkt.
3. In
afwijking van de vorige leden wordt uitsluitend de laatste
rompbevrachter, onderscheidenlijk de reder, als vervoerder
onder het cognossement aangemerkt indien het cognossement
uitsluitend deze rompbevrachter, onderscheidenlijk de reder,
uitdrukkelijk als zodanig aanwijst en, in geval van
aanwijzing van de rompbevrachter, bovendien diens identiteit
uit het cognossement duidelijk kenbaar is.
4. Dit
artikel laat het tweede lid van artikel 262 onverlet.
5.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 462
1. Het
eerste lid van artikel 461 vindt geen toepassing indien een
daar als vervoerder onder het cognossement aangemerkte
persoon bewijst dat hij die het cognossement voor hem
ondertekende daarbij de grenzen zijner bevoegdheid
overschreed of dat het formulier zonder zijn toestemming is
gebezigd. Desalniettemin wordt een in het eerste lid van
artikel 461 bedoelde persoon als vervoerder onder het
cognossement aangemerkt, indien de houder van het
cognossement bewijst dat op het ogenblik van uitgifte van
het cognossement, op grond van een verklaring of gedraging
van hem voor wie is ondertekend of wiens formulier is
gebezigd, redelijkerwijze mocht worden aangenomen, dat hij
die ondertekende daartoe bevoegd was of dat het formulier
met toestemming was gebezigd.
2. In
afwijking van het eerste lid wordt de rederij als vervoerder
onder het cognossement aangemerkt indien haar boekhouder
door ondertekening van het cognossement de grenzen zijner
bevoegdheid overschreed, doch zij wordt niet gebonden jegens
de eerste houder van het cognossement die op het ogenblik
van uitgifte daarvan wist dat de boekhouder de grenzen
zijner bevoegdheid overschreed.
3. Een
beroep op het tweede lid van artikel 461 is mogelijk ook
indien de kapitein door ondertekening van het cognossement
of door een ander de bevoegdheid te geven dit namens hem te
ondertekenen, de grenzen zijner bevoegdheid overschreed,
doch dergelijk beroep staat niet open aan de eerste houder
van het cognossement die op het ogenblik van uitgifte
daarvan wist dat de kapitein de grenzen zijner bevoegdheid
overschreed.
4. Het
derde lid vindt eveneens toepassing indien hij die namens de
kapitein het cognossement ondertekende daarbij de grenzen
zijner bevoegdheid overschreed.
Artikel 480
1. Is
een vervrachter ingevolge artikel 461 tot meer gehouden dan
waartoe hij uit hoofde van zijn bevrachting is verplicht of
ontving hij minder dan waartoe hij uit dien hoofde is
gerechtigd, dan heeft hij - mits de ondertekening van het
cognossement of de afgifte van het formulier plaatsvond
krachtens het in de bevrachting bepaalde, dan wel op verzoek
van de bevrachter - deswege op deze laatste verhaal.
2.
Hetzelfde geldt voor een ingevolge het eerste lid
aangesproken bevrachter, die op zijn beurt vervrachter is.
Artikel 481
1. De
houder van het cognossement, die zich tot ontvangst van de
zaken heeft aangemeld, is verplicht, voordat hij deze heeft
ontvangen, het cognossement van kwijting te voorzien en aan
de vervoerder af te geven.
2. Hij
is gerechtigd het cognossement tot zekerheid der afgifte
daarvan bij een, in geval van geschil op verzoek van de
meest gerede partij door de rechter aan te wijzen, derde in
bewaring te geven totdat de zaken afgeleverd zijn.
Artikel 482
1. Een
door de vervoerder na intrekking van het cognossement
afgegeven document dat de houder daarvan recht geeft op
aflevering van in dat cognossement genoemde zaken, wordt met
betrekking tot deze zaken met het cognossement gelijk
gesteld. Het cognossement wordt vermoed van het hier
bedoelde document deel uit te maken. Hij die dit document
ondertekende of voor wie een ander dit ondertekende, noch
hij wiens formulier werd gebruikt, wordt door het blote feit
van deze ondertekening of dit gebruik als vervoerder onder
het cognossement aangemerkt.
2.
Tenzij in documenten als bedoeld in het eerste lid anders is
bepaald, zijn de houders daarvan hoofdelijk verbonden voor
de verbintenissen die uit het vervoer van de onder het
cognossement vervoerde zaken voor de houder van dat
cognossement voortvloeien.
Artikel 483
1.
Behalve in geval van bevrachting is de vervoerder verplicht
de zaken uit het schip te lossen.
2. Op de
lossing van de zaken vindt artikel 422 overeenkomstige
toepassing.
Artikel 484
1. De
vracht is verschuldigd na aflevering van de zaken ter
bestemming of ter plaatse, waar de vervoerder hen met
inachtneming van artikel 440 afleverde. Is de vracht bepaald
naar gewicht of omvang der zaken, dan wordt hij berekend
naar deze gegevens bij aflevering.
2.
Vracht die in één som voor alle zaken ter bestemming is
bepaald, is, ook wanneer slechts een gedeelte van die zaken
is afgeleverd, in zijn geheel verschuldigd.
3. Onder
voorbehoud van het vijfde lid van dit artikel is voor zaken,
die onderweg zijn verkocht omdat hun beschadigdheid verder
vervoer redelijkerwijs niet toeliet, de vracht verschuldigd,
doch ten hoogste tot het bedrag van hun opbrengst.
4.
Vracht, die vooruit te voldoen is of voldaan is, is en
blijft - behalve in geval van tijdbevrachting - in zijn
geheel verschuldigd, ook wanneer de zaken niet ter
bestemming worden afgeleverd.
5. In
waardeloze toestand afgeleverde zaken worden aangemerkt als
niet te zijn afgeleverd. Zaken, die niet zijn afgeleverd, of
die in waardeloze toestand zijn afgeleverd, worden
desalniettemin aangemerkt als afgeleverde zaken, voor zover
het niet of in waardeloze toestand afleveren het gevolg is
van de aard of een gebrek van de zaken, dan wel van een
handeling of nalaten van een rechthebbende op of de afzender
of ontvanger van de zaken.
Artikel 485
Voor zaken die door een opvarende voor
eigen rekening in strijd met enig wettelijk verbod worden
vervoerd is de hoogste vracht verschuldigd die ten tijde van de
inlading voor soortgelijke zaken kon worden bedongen. Deze
vracht is verschuldigd ook wanneer de zaken niet of in
waardeloze toestand ter bestemming worden afgeleverd en de
ontvanger is met de verscheper hoofdelijk voor deze vracht
verbonden.
Artikel 486
Onder voorbehoud van de laatste zinsnede
van het vijfde lid van artikel 425 is in geval van
tijdbevrachting vracht niet verschuldigd over de tijd, dat de
bevrachter het schip niet overeenkomstig de bedingen van de
bevrachting te zijner beschikking heeft
a. ten gevolge van beschadiging
daarvan, dan wel
b. doordat de vervrachter in de
nakoming van zijn verplichtingen te kort schiet,
mits het schip meer dan 24 aaneengesloten
uren niet ter beschikking van de bevrachter staat.
Artikel 487
1. Bij
tijdbevrachting komen de brandstof voor de machines, het
ketelwater, de havenrechten en soortgelijke rechten en
uitgaven, die verschuldigd worden ten gevolge van
uitgevoerde reizen en het vervoeren van zaken, ten laste van
de bevrachter. De overige lasten der exploitatie van het
schip komen ten laste van de vervrachter.
2. De
vervrachter is gerechtigd en verplicht de zich bij het einde
van de bevrachting nog aan boord bevindende brandstof van de
bevrachter over te nemen tegen de marktprijs ten tijde en
ter plaatse van de oplevering van het schip.
Artikel 488
Onverminderd het omtrent avarij-grosse
bepaalde en onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van Boek 6 zijn
de afzender, de ontvanger en, indien een cognossement is
afgegeven, de in artikel 441 bedoelde houder daarvan, hoofdelijk
verbonden de vervoerder de schade te vergoeden, geleden doordat
deze zich als zaakwaarnemer inliet met de behartiging van de
belangen van een rechthebbende op ten vervoer ontvangen zaken
dan wel doordat de kapitein of de schipper zijn in artikel 261
of artikel 860 genoemde verplichtingen is nagekomen.
Artikel 489
1. De
vervoerder is gerechtigd afgifte van zaken, die hij in
verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, te
weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken,
tenzij op de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van
dit beslag een verplichting tot afgifte aan de beslaglegger
voortvloeit.
2. De
vervoerder kan het recht van retentie uitoefenen op zaken,
die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, voor hetgeen hem door de ontvanger verschuldigd is of
zal worden terzake van het vervoer van die zaken alsmede
voor hetgeen als bijdrage in avarij-grosse op die zaken
verschuldigd is of zal worden. Dit retentierecht vervalt
zodra aan de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen
geschil bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de
betaling van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat
of welker hoogte nog niet kan worden vastgesteld.
3. De in
dit artikel aan de vervoerder toegekende rechten komen hem
niet toe jegens een derde, indien hij op het tijdstip dat
hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te twijfelen aan
de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de zaak
ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 490
1. Voor
zover hij die jegens de vervoerder recht heeft op aflevering
van vervoerde zaken niet opkomt, weigert deze te ontvangen
of deze niet met de vereiste spoed in ontvangst neemt, voor
zover op zaken beslag is gelegd, alsmede indien de
vervoerder gegronde redenen heeft aan te nemen, dat een
houder van een cognossement die als ontvanger opkomt,
desalniettemin niet tot de aflevering gerechtigd is, is de
vervoerder gerechtigd deze zaken voor rekening en gevaar van
de rechthebbende bij een derde op te slaan in een daarvoor
geschikte bewaarplaats of lichter. Op zijn verzoek kan de
rechter bepalen dat hij deze zaken, desgewenst ook in het
schip, onder zichzelf kan houden of andere maatregelen
daarvoor kan treffen.
2. De
derde-bewaarnemer en de ontvanger zijn jegens elkaar
verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is
echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke
toestemming daartoe van hem, die de zaken in bewaring gaf.
Artikel 491
1. In
geval van toepassing van artikel 490 kan de vervoerder, de
bewaarnemer dan wel hij, die jegens de vervoerder recht
heeft op de aflevering op zijn verzoek, door de rechter
worden gemachtigd de zaken geheel of gedeeltelijk op de door
deze te bepalen wijze te verkopen.
2. De
bewaarnemer is verplicht de vervoerder zo spoedig mogelijk
van de voorgenomen verkoop op de hoogte te stellen; de
vervoerder heeft deze verplichting jegens degeen, die jegens
hem recht heeft op de aflevering van de zaken, en jegens
degeen, aan wie hij volgens de bepalingen van een
mogelijkerwijs afgegeven cognossement bericht van aankomst
van het schip moet zenden.
3. De
opbrengst van het verkochte wordt in de consignatiekas
gestort voor zover zij niet strekt tot voldoening van de
kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken
beslag is gelegd voor een geldvordering, moet aan de
vervoerder uit het in bewaring te stellen bedrag worden
voldaan hetgeen hem verschuldigd is ter zake van het
vervoer, alsmede een bijdrage in avarij-grosse; voor zover
deze vorderingen nog niet vast staan, zal de opbrengst of
een gedeelte daarvan op door de rechter te bepalen wijze tot
zekerheid voor deze vorderingen strekken.
4. De in
de consignatiekas gestorte opbrengst treedt in de plaats van
de zaken.
Artikel 492
1.
Tenzij aan de vervoerder of zijn agent in de loshaven vóór
of op het ogenblik van het weghalen van de zaken en van hun
overgifte aan de krachtens de vervoerovereenkomst op de
aflevering rechthebbende persoon schriftelijk kennis is
gegeven van verliezen of schaden en van de algemene aard van
deze verliezen of schaden, schept dit weghalen, tot op
bewijs van het tegendeel, het vermoeden dat de zaken door de
vervoerder zijn afgeleverd in de staat als in de
vervoerovereenkomst omschreven.
2. Zijn
de verliezen of schaden niet uiterlijk zichtbaar, dan moet
de kennisgeving binnen drie dagen na de aflevering
geschieden.
3.
Schriftelijk voorbehoud is overbodig als de staat van de
zaak op het ogenblik van de inontvangstneming door beide
partijen gezamenlijk werd vastgesteld.
Artikel 493
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat,
dat er verlies of schade is, moeten de vervoerder en de
ontvanger elkaar over en weer in redelijkheid alle middelen
verschaffen om het onderzoek van de zaak en het natellen van de
colli mogelijk te maken.
Artikel 494
1. Zowel
de vervoerder als hij die jegens de vervoerder recht heeft
op de aflevering, is bevoegd bij de aflevering van zaken de
rechter te verzoeken een gerechtelijk onderzoek te doen
plaatshebben naar de toestand waarin deze worden afgeleverd;
tevens zijn zij bevoegd de rechter te verzoeken de daarbij
bevonden verliezen of schaden gerechtelijk te doen begroten.
2.
Indien dit onderzoek in tegenwoordigheid of na behoorlijke
oproeping van de wederpartij heeft plaatsgehad, wordt het
uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 495
1. Zowel
de vervoerder als hij die jegens de vervoerder recht heeft
op de aflevering is, wanneer hij verliezen of schaden van
zaken vermoedt, bevoegd de rechter te verzoeken vóór, bij of
terstond na de aflevering daarvan en desgewenst aan boord
van het schip een gerechtelijk onderzoek te doen
plaatshebben naar de oorzaak daarvan.
2.
Indien dit onderzoek in tegenwoordigheid of na behoorlijke
oproeping van de wederpartij heeft plaatsgehad, wordt het
uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 496
1. De
kosten van gerechtelijk onderzoek, als bedoeld in de
artikelen 494 en 495, moeten worden voldaan door de
aanvrager.
2. De
rechter kan deze kosten en door het onderzoek geleden schade
geheel of gedeeltelijk ten laste van de wederpartij van de
aanvrager brengen, ook al zou daardoor het bedrag genoemd in
het eerste lid van artikel 388 worden overschreden.
Afdeling 3. Overeenkomst van
personenvervoer over zee
Artikel 500
1. De
overeenkomst van personenvervoer in de zin van deze titel is
de overeenkomst van personenvervoer, al dan niet tijd- of
reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij verbindt aan
boord van een schip een of meer personen (reizigers) en al
dan niet hun bagage uitsluitend over zee te vervoeren. De
overeenkomst van personenvervoer aan boord van een
luchtkussenvoertuig noch de overeenkomst van personenvervoer
als omschreven in artikel 100 is een overeenkomst van
personenvervoer in de zin van deze afdeling.
2.
Vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een en
eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart, wordt als
vervoer over zee beschouwd.
3.
Hutbagage in de zin van deze afdeling is de bagage, met
uitzondering van levende dieren die de reiziger in zijn hut
heeft, die hij in zijn bezit, onder zijn toezicht of in zijn
macht heeft, alsmede de bagage die hij aan boord heeft van
een met hem als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of
schip, doch niet dit voertuig of schip zelf.
4. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen zaken die geen
hutbagage zijn voor de toepassing van bepalingen van deze
afdeling als hutbagage worden aangewezen, dan wel bepalingen
van deze afdeling niet van toepassing worden verklaard op
zaken, die hutbagage zijn.
Artikel 501
Vervoer over zee omvat:
a. met betrekking tot personen of
hun hutbagage de tijd dat de reiziger of zijn hutbagage
aan boord van het schip verblijft, de tijd van
inscheping of ontscheping, alsmede de tijd dat de
reiziger of zijn hutbagage te water wordt vervoerd
tussen wal en schip of tussen schip en wal, indien de
prijs hiervan in de vracht is inbegrepen of het voor dit
hulpvervoer gebezigde schip door de vervoerder ter
beschikking van de reiziger is gesteld. Vervoer over zee
van personen omvat echter niet de tijd dat de reiziger
verblijft in een stationsgebouw, op een kade of enige
andere haveninstallatie;
b. met betrekking tot hutbagage
bovendien de tijd dat de reiziger verblijft in een
stationsgebouw, op een kade of enige andere
haveninstallatie, indien die bagage is overgenomen door
de vervoerder en niet weer aan de reiziger is
afgeleverd;
c. met betrekking tot bagage die
geen hutbagage is de tijd tussen het overnemen door de
vervoerder hetzij te land, hetzij aan boord en de
aflevering door de vervoerder;
d. met betrekking tot een levend
dier de tijd dat het aan boord van het schip verblijft
dan wel onder de hoede van de vervoerder is.
Artikel 502
1. Tijd-
of reisbevrachting in de zin van deze afdeling is de
overeenkomst van personenvervoer, waarbij de vervoerder (de
vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord van een
schip dat hij daartoe, anders dan bij wijze van
rompbevrachting, in zijn geheel en al dan niet op tijdbasis
(tijdbevrachting of reisbevrachting) ter beschikking stelt
van zijn wederpartij (de bevrachter).
2. De in
afdeling 2 van titel 5 in het bijzonder voor het geval van
bevrachting gegeven bepalingen, alsmede artikel 375 zijn op
deze bevrachting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 503
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op ter beschikkingstelling van
een schip ten vervoer, anders dan bij wijze van rompbevrachting,
niet van toepassing.
Artikel 504
1. De
vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door
dood of letsel van de reiziger, indien een voorval dat
hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en voor
zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die
een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of door een
omstandigheid waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft
kunnen verhinderen.
2.
Vermoed wordt dat een zorgvuldig vervoerder de omstandigheid
die leidde tot schipbreuk, aanvaring, stranding, ontploffing
of brand heeft kunnen vermijden, alsmede dat zulk een
vervoerder heeft kunnen verhinderen dat deze omstandigheid
tot een dergelijk voorval leidde.
3.
Gebrekkigheid of slecht functioneren van het schip of van
het materiaal, waarvan hij zich voor het vervoer bedient
wordt aangemerkt als een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen
heeft kunnen verhinderen.
4. Bij
de toepassing van dit artikel wordt slechts dan rekening
gehouden met een gedraging van een derde, indien geen andere
omstandigheid, die mede tot het voorval leidde, voor
rekening van de vervoerder is.
Artikel 505
1. De
vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door
geheel of gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van
hutbagage of van een als bagage ten vervoer aangenomen
levend dier, indien een voorval dat hiertoe leidde zich
voordeed tijdens het vervoer en voor zover dit voorval is
veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder heeft kunnen vermijden of waarvan zulk een
vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
2.
Behalve met betrekking tot een levend dier zijn het tweede
en derde lid van artikel 504 van toepassing.
3. Bij
de toepassing van dit artikel wordt slechts dan rekening
gehouden met een gedraging van een derde, indien geen andere
omstandigheid, die mede tot het voorval leidde, voor
rekening van de vervoerder is.
4. Dit
artikel laat de artikelen 545 en 1006 onverlet.
Artikel 506
Onder voorbehoud van artikel 505 is de
vervoerder aansprakelijk voor schade veroorzaakt door geheel of
gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van bagage, indien een
voorval dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer,
tenzij en voor zover dit voorval is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen
vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen niet heeft
kunnen verhinderen.
Artikel 507
De vervoerder is niet aansprakelijk in
geval van verlies of beschadiging overkomen aan geldstukken,
verhandelbare documenten, goud, zilver, juwelen, sieraden,
kunstvoorwerpen of andere zaken van waarde, tenzij deze zaken
van waarde aan de vervoerder in bewaring zijn gegeven en hij
overeengekomen is hen in zekerheid te zullen bewaren.
Artikel 508
De vervoerder is terzake van door de
reiziger aan boord gebrachte zaken die hij, indien hij hun aard
of gesteldheid had gekend, niet aan boord zou hebben toegelaten
en waarvoor hij geen bewijs van ontvangst heeft afgegeven, geen
enkele schadevergoeding verschuldigd indien de reiziger wist of
behoorde te weten, dat de vervoerder de zaken niet ten vervoer
zou hebben toegelaten; de reiziger is alsdan aansprakelijk voor
alle kosten en schaden voor de vervoerder voortvloeiend uit de
aanbieding ten vervoer of uit het vervoer zelf.
Artikel 509
Onverminderd artikel 508 en onverminderd
artikel 179 van Boek 6 is de reiziger verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die hij of zijn bagage deze berokkende,
behalve voor zover deze schade is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig reiziger niet heeft kunnen
vermijden en voor zover zulk een reiziger de gevolgen daarvan
niet heeft kunnen verhinderen. De reiziger kan niet om zich van
zijn aansprakelijkheid te ontheffen beroep doen op de
hoedanigheid of een gebrek van zijn bagage.
Artikel 510
1.
Onverminderd de bepalingen van deze afdeling zijn op het
vervoer van bagage de artikelen 378, 387, 388 tweede lid,
389, 394 eerste en tweede lid, 395, 396, 398, 488 tot en met
491 en 493 tot en met 496 van toepassing. De in artikel 396
bedoelde opzegging kan ook mondeling geschieden. De in
artikel 489 toegekende rechten en het in artikel 491
toegekende recht tot het zich laten voldoen uit het in
bewaring te stellen bedrag van kosten terzake van het
vervoer, kunnen worden uitgeoefend voor alles wat de
wederpartij van de vervoerder of de reiziger aan de
vervoerder verschuldigd is.
2.
Partijen hebben de vrijheid af te wijken van in het eerste
lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk verklaarde
bepalingen.
Artikel 511
1. De
reiziger is gehouden de vervoerder schriftelijk kennis te
geven:
a. in geval van uiterlijk
zichtbare schade aan bagage:
(i). wat betreft hutbagage:
voor of ten tijde van de ontscheping van de
reiziger;
(ii). wat betreft alle andere
bagage: voor of ten tijde van de aflevering;
b. in geval van niet uiterlijk
zichtbare schade aan of verlies van bagage: binnen
vijftien dagen na de aanvang van de dag, volgende op de
dag van ontscheping of aflevering of die waarop de
bagage had moeten worden afgeleverd.
2.
Indien de reiziger niet aan zijn in het eerste lid van dit
artikel omschreven verplichting voldoet, wordt, behoudens
tegenbewijs, vermoed dat hij de bagage onbeschadigd heeft
ontvangen.
3.
Schriftelijke kennisgeving is overbodig indien de staat van
de bagage op het ogenblik van in ontvangstneming gezamenlijk
is vastgesteld of geïnspecteerd.
Artikel 512
De vervoerder is niet gehouden, doch wel
gerechtigd zich te overtuigen van de aard of gesteldheid van de
bagage, indien hij vermoedt dat hij, de aard of gesteldheid van
door de reiziger aan boord gebrachte bagage kennende, deze niet
aan boord zou hebben toegelaten. De vervoerder is gehouden dit
onderzoek te doen geschieden in tegenwoordigheid van de reiziger
of, zo dit niet mogelijk is, in tegenwoordigheid van twee
personen van wier hulp hij overigens bij de uitvoering van zijn
verbintenis geen gebruik maakt.
Artikel 513
Indien de vervoerder bewijst dat schuld of
nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of daartoe
heeft bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder
daarvoor geheel of gedeeltelijk worden opgeheven.
Artikel 514
Indien personen van wier hulp de
vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt,
op verzoek van de reiziger diensten bewijzen, waartoe de
vervoerder niet is verplicht, worden zij aangemerkt als te
handelen in opdracht van de reiziger aan wie zij deze diensten
bewijzen.
Artikel 515
Behoudens artikel 516 is de vervoerder die
zich, anders dan bij wijze van bevrachting, verbond tot vervoer
volgens een dienstregeling, niet aansprakelijk voor schade die
is veroorzaakt door vertraging, door welke oorzaak dan ook,
vóór, tijdens of na het vervoer opgetreden.
Artikel 516
Onder verlies of beschadiging van bagage
wordt mede verstaan vermogensschade geleden doordat de bagage
niet binnen een redelijke tijd te rekenen van het ogenblik van
aankomst van het schip, waarop deze bagage werd vervoerd of zou
worden vervoerd, aan de reiziger werd afgeleverd, doch niet
wordt daaronder verstaan vertraging door een arbeidsconflict
veroorzaakt.
Artikel 517
1.
Behoudens de artikelen 504 tot en met 507 is de vervoerder
niet aansprakelijk voor schade ontstaan door een handeling,
onachtzaamheid of nalatigheid van de kapitein of de
schipper, een ander lid van de bemanning, de loods of de
ondergeschikten van de vervoerder, gepleegd bij de navigatie
van het schip.
2.
Behoudens de artikelen 504 tot en met 507 wordt generlei
afwijking van de koers tot redding of poging tot redding van
mensenlevens of goederen en generlei redelijke afwijking van
de koers beschouwd als een schending van enige
vervoerovereenkomst en de vervoerder is niet aansprakelijk
voor enig verlies of enige schade daardoor ontstaan.
Artikel 518
1. De
aansprakelijkheid van de vervoerder is in geval van dood,
letsel of vertraging van de reiziger en in geval van
verlies, beschadiging of vertraging van diens bagage beperkt
tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen bedrag of bedragen.
2. Dit
artikel laat de titels 7 en 12 van dit boek onverlet.
Artikel 519
1. De
vervoerder kan zich niet beroepen op enige beperking van
zijn aansprakelijkheid voor zover de schade is ontstaan uit
zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 520
Nietig is ieder vóór het aan de reiziger
overkomen voorval of vóór het verlies of de beschadiging van
bagage gemaakt beding, waarbij de ingevolge de artikelen 504 tot
en met 507 en 516 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid
of bewijslast wordt verminderd op andere wijze dan in deze
afdeling is voorzien.
Artikel 521
1. In
geval van verlies of beschadiging van bagage wordt de
vordering tot schadevergoeding gewaardeerd naar de
omstandigheden.
2. In
geval van aan de reiziger overkomen letsel en van de dood
van de reiziger zijn de artikelen 107 en 108 van Boek 6 niet
van toepassing op de vorderingen die de vervoerder als
wederpartij van een andere vervoerder tegen deze laatste
instelt.
Artikel 522
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
reiziger, door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer
aanwezig is.
Artikel 523
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde
voor het vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet
naar behoren aanwezig zijn.
Artikel 524
1.
Wanneer vóór of tijdens het vervoer omstandigheden aan de
zijde van de wederpartij van de vervoerder of de reiziger
zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch
die, indien zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs
voor hem grond hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet
of op andere voorwaarden aan te gaan, is de vervoerder
bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de reiziger uit het
schip te verwijderen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving aan de wederpartij van de vervoerder of aan de
reiziger en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 525
1.
Wanneer vóór of tijdens het vervoer omstandigheden aan de
zijde van de vervoerder zich opdoen of naar voren komen, die
diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet
behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend
waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere
voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij van de
vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 526
Wanneer de reiziger na verlaten van het
schip niet tijdig terugkeert kan de vervoerder de overeenkomst
beschouwen als op dat tijdstip te zijn geëindigd.
Artikel 527
1. De
wederpartij van de vervoerder is steeds bevoegd de
overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden, die deze tengevolge van de opzegging
lijdt.
2. Zij
kan dit recht niet uitoefenen, wanneer daardoor de reis van
het schip zou worden vertraagd.
3. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
Artikel 528
1. Wordt
terzake van het vervoer een passagebiljet, een
ontvangstbewijs voor bagage of enig soortgelijk document
afgegeven, dan is de vervoerder verplicht daarin op
duidelijke wijze zijn naam en woonplaats te vermelden.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van het eerste lid van dit
artikel wordt afgeweken.
3. De
artikelen 56 tweede lid, 75 eerste lid en 186 eerste lid van
Boek 2 zijn niet van toepassing.
Afdeling 4. Enige bijzondere
overeenkomsten
Artikel 530
1. Onder
de overeenkomst (rompbevrachting), waarbij de ene partij (de
rompvervrachter) zich verbindt een schip uitsluitend ter zee
terbeschikking te stellen van haar wederpartij (de
rompbevrachter) zonder daarover nog enige zeggenschap te
houden, ligt de exploitatie van het schip in handen van de
rompbevrachter en geschiedt zij voor diens rekening.
2.
Artikel 375 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 531
1. Op de
overeenkomst, waarbij de ene partij zich verbindt een schip,
anders dan bij wijze van rompbevrachting, uitsluitend ter
zee terbeschikking te stellen van de andere partij voor
andere doeleinden dan het daarmee vervoeren van zaken of
personen zijn de bepalingen nopens avarij-grosse alsmede de
bepalingen van deze titel en, indien het een binnenschip
betreft, artikel 880 van overeenkomstige toepassing.
2.
Partijen hebben de vrijheid af te wijken van in het eerste
lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk verklaarde
bepalingen.
Artikel 532
Voor de toepassing van de bepalingen van
deze afdeling wordt ter beschikkingstelling van een en eenzelfde
schip ter zee en op binnenwateren beschouwd als
terbeschikkingstelling ter zee, tenzij deze
terbeschikkingstelling ter zee kennelijk ondergeschikt is aan
die op binnenwateren, in welk geval zij als
terbeschikkingstelling op binnenwateren wordt beschouwd.
Titel 6. Ongevallen
Afdeling 1. Aanvaring
Artikel 540
Aanvaring is de aanraking van schepen met
elkaar.
Artikel 541
Onder voorbehoud van de Wet
aansprakelijkheid olietankschepen vindt het in deze afdeling
omtrent aanvaring bepaalde eveneens toepassing indien schade
door een zeeschip is veroorzaakt zonder dat een aanvaring plaats
had.
Artikel 542
Indien een zeeschip door een aanvaring
schade heeft veroorzaakt, dan wel aan een zeeschip, deszelfs
opvarenden of de zaken aan boord daarvan door een schip schade
is veroorzaakt, wordt de aansprakelijkheid voor deze schade
geregeld door deze afdeling.
Artikel 543
Indien de aanvaring is veroorzaakt door
toeval, indien zij is toe te schrijven aan overmacht of indien
twijfel bestaat omtrent de oorzaken der aanvaring, wordt de
schade gedragen door hen, die haar hebben geleden.
Artikel 544
Indien de aanvaring is veroorzaakt door de
schuld van één schip, is de eigenaar van het schip, dat de
schuld had, verplicht de schade te vergoeden.
Artikel 545
1.
Indien twee of meer schepen gezamenlijk door hun schuld een
aanvaring hebben veroorzaakt, zijn de eigenaren daarvan
zonder hoofdelijkheid aansprakelijk voor de schade,
toegebracht aan medeschuldige schepen en aan goederen, die
zich aan boord daarvan bevinden, en hoofdelijk voor alle
overige schade.
2. Is de
aansprakelijkheid niet hoofdelijk, dan zijn de eigenaren van
de schepen, die gezamenlijk door hun schuld de aanvaring
hebben veroorzaakt, tegenover de benadeelden aansprakelijk
in verhouding tot het gewicht van de schuld van hun schepen;
indien echter de omstandigheden meebrengen, dat die
verhouding niet kan worden vastgesteld of indien blijkt dat
de schuld van deze schepen gelijkwaardig is wordt de
aansprakelijkheid in gelijke delen verdeeld.
3. Is de
aansprakelijkheid hoofdelijk, dan moet elk der
aansprakelijke eigenaren zijn door het tweede lid van dit
artikel vastgestelde aandeel in de betaling aan de
schuldeiser voor zijn rekening nemen. Onder voorbehoud van
artikel 364 en artikel 880 heeft hij, die meer dan zijn
aandeel heeft betaald, voor het overschot verhaal op zijn
medeschuldenaren, die minder dan hun aandeel hebben betaald.
Artikel 546
Er bestaan geen wettelijke vermoedens van
schuld met betrekking tot de aansprakelijkheid voor aanvaring;
het schip, dat in aanraking komt met een andere, zo nodig
behoorlijk verlichte, vaste of te bekwamer plaatse vastgemaakte
zaak, geen schip zijnde, is aansprakelijk voor de schade, tenzij
blijkt dat de aanraking niet is veroorzaakt door schuld van het
schip.
Artikel 547
De krachtens deze afdeling bestaande
aansprakelijkheid wordt niet opgeheven ingeval de aanvaring is
veroorzaakt door de schuld van een loods, zelfs niet als het
gebruik van deze verplicht is.
AFDELING 2. Hulpverlening
Artikel 550
Deze afdeling geldt slechts onder
voorbehoud van de Astronautenovereenkomst (Trb. 1968,
134).
Artikel 551
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. hulpverlening: iedere daad of
werkzaamheid, verricht om hulp te verlenen aan een in
bevaarbaar water of in welk ander water dan ook in
gevaar verkerend schip of andere zaak;
b. schip: ieder schip of ander
vaartuig, dan wel iedere constructie waarmee kan worden
gevaren;
c. goederen: alle zaken die niet
blijvend en opzettelijk aan de kust zijn bevestigd en de
in risico zijnde vracht;
d. milieuschade: aanzienlijke
fysieke schade aan de gezondheid van de mens, aan de
marine fauna of flora of aan hulpbronnen in kust- of
binnenwateren of daaraan grenzende gebieden, veroorzaakt
door verontreiniging, besmetting, brand, ontploffing of
soortgelijke ingrijpende gebeurtenissen;
e. betaling: iedere krachtens deze
afdeling verschuldigde beloning, vergoeding of
schadeloosstelling.
Artikel 552
Voor de toepassing van deze afdeling
worden de wateren genoemd in artikel 21 van de Wet op de
strandvonderij beschouwd tot de zee, en de stranden en oevers
daarvan tot het zeestrand te behoren.
Artikel 553
Deze afdeling is niet van toepassing in
geval van hulpverlening aan:
a. vaste of drijvende platforms of
verplaatsbare boorinstallaties wanneer die platforms of
boorinstallaties op een lokatie in bedrijf zijn voor de
exploratie, exploitatie of winning van minerale
rijkdommen van de zeebodem;
b. een maritiem cultuurgoed dat
van prehistorisch, archeologisch of historisch belang is
en zich ten minste vijftig jaar op de zeebodem bevindt.
Artikel 554
Deze afdeling is mede van toepassing in
geval van hulpverlening door of aan een oorlogsschip of ander
niet-handelsschip, dat toebehoort aan, dan wel gebruikt of
bevracht wordt door de Staat der Nederlanden of enige andere
Staat die het Internationaal Verdrag inzake Hulpverlening, 1989
(Trb. 1990, 109), op die schepen van toepassing heeft
verklaard.
Artikel 555
De bepalingen omtrent hulpverlening zijn
van overeenkomstige toepassing in geval van hulpverlening:
a. aan op het vaste zeestrand of
de oevers van bevaarbaar binnenwater gezonken of
aangespoelde zaken;
b. door een schip aan een
luchtvaartuig.
Artikel 556
1. Een
overeenkomst omtrent hulpverlening kan op verlangen van een
der partijen door de rechter geheel of gedeeltelijk worden
vernietigd of gewijzigd wanneer zij is tot stand gekomen
door misbruik van omstandigheden of onder invloed van gevaar
en de overeengekomen voorwaarden onbillijk zijn, of de
overeengekomen betaling buitensporig hoog of laag is in
verhouding tot de daadwerkelijk verleende diensten.
2.
Nietig is ieder beding waarbij van het bepaalde in het
eerste lid wordt afgeweken.
Artikel 557
1. Hulp
aan in gevaar verkerende schepen, aan zich aan boord daarvan
bevindende zaken of aan van een schip afkomstige driftige,
aangespoelde of gezonken zaken mag niet worden verleend
tegen een uitdrukkelijk en redelijk verbod van de reder of
kapitein van het schip in. Hulp aan andere in gevaar
verkerende zaken mag niet worden verleend tegen een
uitdrukkelijk en redelijk verbod in van de rechthebbende op
de zaak.
2. Een
verbod tot hulpverlening kan steeds worden uitgevaardigd.
Artikel 558
1. Het
verlenen van hulp aan een schip, aan zich aan boord daarvan
bevindende zaken of aan van een schip afkomstige driftige,
aangespoelde of gezonken zaken staat onder leiding van de
kapitein en, wanneer er geen kapitein is of deze niet
optreedt, onder leiding van de rechthebbende op het schip of
de zaak.
2. Bij
stranding of aanspoeling aan of op het vaste zeestrand
berust de leiding, wanneer kapitein noch rechthebbende
optreedt, bij de strandvonder.
3.
Indien het noodzakelijk is onverwijld maatregelen te
treffen, geldt het in dit artikel bepaalde niet, totdat de
kapitein, de rechthebbende of de strandvonder de leiding op
zich heeft genomen.
Artikel 559
1.
Wanneer een schip door de bemanning is verlaten en door
hulpverleners of de strandvonder is overgenomen, staat het
de kapitein steeds vrij naar zijn schip terug te keren en
het gezag daarover te hernemen, in welk geval de
hulpverleners of de strandvonder terstond het gezag aan de
kapitein moeten overdragen.
2.
Indien de kapitein of de rechthebbende bij de hulpverlening
of ter plaatse, waar de geredde zaken worden aangebracht,
tegenwoordig is en dit de hulpverlener of de strandvonder
bekend is, moeten de hulpverleners of de strandvonder,
onverminderd artikel 571, die zaken terstond te zijner
beschikking stellen.
3. In de
gevallen, waarin de geredde zaken niet op grond van het
vorige lid terstond ter beschikking van de kapitein of van
de rechthebbende moeten worden gesteld, moeten zij, voor
zover zij tijdens de hulpverlening zich aan of op de
buitengronden of het vaste zeestrand bevinden, terstond ter
beschikking worden gesteld van de strandvonder.
Artikel 560
1. De
hulpverlener is jegens de reder van het schip of de
rechthebbende op andere in gevaar verkerende zaken
verplicht:
a. de hulpverlening met de nodige
zorg uit te voeren;
b. bij de nakoming van de in
onderdeel a bedoelde verplichting de nodige zorg
te betrachten om milieuschade te voorkomen of te
beperken;
c. in alle gevallen, waarin de
omstandigheden dit redelijkerwijze vereisen, de bijstand
in te roepen van andere hulpverleners; en
d. de tussenkomst van andere
hulpverleners te aanvaarden, wanneer hierom
redelijkerwijze wordt verzocht door de reder of de
kapitein van het schip of de rechthebbende op andere in
gevaar verkerende zaken, met dien verstande dat het
bedrag van zijn beloning niet wordt verminderd, indien
mocht blijken dat het verzoek onredelijk was.
2. De
reder en de kapitein van het schip of de rechthebbende op
andere in gevaar verkerende zaken zijn jegens de
hulpverlener verplicht:
a. gedurende de hulpverlening
volledig met hem samen te werken;
b. daarbij de nodige zorg te
betrachten om milieuschade te voorkomen of te beperken;
en
c. wanneer het schip of de andere
zaken in veiligheid zijn gebracht, teruggave daarvan te
aanvaarden wanneer zulks redelijkerwijze door de
hulpverlener wordt verzocht.
3.
Nietig is ieder beding, waarbij van onderdeel b van
het eerste of tweede lid wordt afgeweken.
Artikel 561
1. Hulp
die met gunstig gevolg is verleend geeft recht op hulploon.
2.
Behoudens artikel 564, is geen betaling krachtens deze
afdeling verschuldigd, wanneer de hulp geen gunstig gevolg
heeft gehad.
3. Hulp
als omschreven in het eerste lid geeft recht op hulploon,
ook al is de tot hulploon gerechtigde of hij, die gerechtigd
is de vaststelling van het hulploon te vorderen, dezelfde
persoon als hij die hulploon verschuldigd is.
Artikel 562
Indien een partij bij een overeenkomst
omtrent hulpverlening door haar wederpartij daarbij terzake van
een bij de hulpverlening veroorzaakte schade buiten overeenkomst
wordt aangesproken, is zij jegens die wederpartij niet verder
aansprakelijk dan zij dit zou zijn op grond van de door hen
gesloten overeenkomst. De artikelen 365 en 366 zijn van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 563
1. Het
bedrag van het hulploon wordt vastgesteld bij overeenkomst
tussen partijen en bij gebreke daarvan door de rechter.
2. Het
hulploon wordt vastgesteld met het oog op het aanmoedigen
van hulpverlening, rekening houdend met de volgende criteria
ongeacht de volgorde waarin zij hieronder zijn opgesomd:
a. de geredde waarde van het schip
en de andere goederen;
b. de vakkundigheid en
inspanningen van de hulpverleners, betoond bij het
voorkomen of beperken van schade aan het milieu;
c. de mate van de door de
hulpverleners verkregen gunstige uitslag;
d. de aard en ernst van het
gevaar;
e. de vakkundigheid en
inspanningen betoond door de hulpverleners bij de
redding van het schip, de andere zaken en mensenlevens;
f. de door de hulpverleners
gebruikte tijd, gemaakte kosten en geleden verliezen;
g. het risico van
aansprakelijkheid en andere door de hulpverleners of hun
uitrusting gelopen risico's;
h. de snelheid van de verleende
diensten;
i. de beschikbaarheid en het
gebruik van schepen of andere voor hulpverlening
bestemde uitrusting;
j. de staat van gereedheid alsmede
de doelmatigheid en de waarde van de uitrusting van de
hulpverleners;
3. Voor
hulp verleend aan een schip en de zaken aan boord daarvan is
het hulploon uitsluitend verschuldigd door de reder van het
schip, met dien verstande dat de reder een recht van verhaal
heeft jegens de andere belanghebbenden voor hun
onderscheiden aandeel. Voor hulp verleend aan andere zaken
is het hulploon verschuldigd door de rechthebbende op die
zaken.
4. Het
hulploon, met uitzondering van rente en verhaalbare
gerechtelijke kosten, mag de geredde waarden van het schip
en de andere goederen niet overtreffen.
5.
Wanneer het hulploon mede strekt tot vergoeding van gemaakte
kosten en geleden schade geeft de rechter aan welke gemaakte
kosten en geleden schade dit betreft.
Artikel 564
1.
Indien een hulpverlener hulp heeft verleend aan een schip
dat zelf of wegens zijn lading schade dreigde toe te brengen
aan het milieu en hij geen hulploon heeft verkregen
krachtens artikel 563 dat ten minste gelijk is aan de
volgens dit artikel vast te stellen bijzondere vergoeding,
heeft hij recht op een bijzondere vergoeding van de zijde
van de reder, gelijk aan de door hem gemaakte kosten zoals
in dit artikel omschreven.
2.
Indien de hulpverlener in de in het eerste lid bedoelde
omstandigheden door zijn hulpverleningswerkzaamheden schade
aan het milieu heeft voorkomen of heeft beperkt, kan de door
de reder volgens het eerste lid aan de hulpverlener te
betalen bijzondere vergoeding worden verhoogd met maximaal
30% van de door de hulpverlener gemaakte kosten. Indien
echter de rechter, rekening houdend met de in het tweede lid
van artikel 563 genoemde criteria, zulks billijk en
rechtvaardig acht, kan hij die bijzondere vergoeding verder
verhogen, maar de totale verhoging mag in geen geval meer
bedragen dan 100% van de door de hulpverlener gemaakte
kosten.
3. Voor
de toepassing van het eerste en tweede lid worden onder
kosten van de hulpverlener verstaan de voorschotten die door
de hulpverlener redelijkerwijze zijn gedaan bij de
hulpverlening en een billijk tarief voor uitrusting en
personeel die daadwerkelijk en redelijkerwijze zijn ingezet
tijdens de hulpverlening, in aanmerking nemend de criteria
genoemd in artikel 563, tweede lid, onderdelen h,
i en j.
4. De
totale bijzondere vergoeding krachtens dit artikel wordt
slechts betaald indien en voor zover deze vergoeding hoger
is dan het hulploon dat de hulpverlener krachtens artikel
563 kan ontvangen.
5.
Indien de hulpverlener nalatig is geweest en daardoor in
gebreke is gebleven schade aan het milieu te voorkomen of te
beperken, kan de rechter de krachtens dit artikel
verschuldigde bijzondere vergoeding geheel of gedeeltelijk
ontzeggen.
6. De
rechter die een hulploon vaststelt als bedoeld in artikel
563 en een bijzondere vergoeding bepaalt als bedoeld in het
eerste lid, is niet verplicht om het bedrag van het hulploon
vast te stellen tot het beloop van de maximale waarde van
het schip en de andere geredde goederen alvorens het bedrag
van de bijzondere vergoeding te bepalen.
7. Geen
bepaling van dit artikel doet afbreuk aan enig recht van
verhaal van de reder van het schip.
Artikel 565
1. Geen
hulploon is verschuldigd door personen wier leven is gered.
2.
Niettegenstaande het in lid 1 bepaalde is voor de
afzonderlijke redding van opvarenden van een schip hulploon
verschuldigd door de reder.
3.
Degene die mensenlevens heeft gered en heeft deelgenomen aan
de werkzaamheden die zijn verricht ter gelegenheid van het
ongeval dat aanleiding heeft gegeven tot de hulpverlening,
is gerechtigd tot een billijk aandeel in de betaling die aan
de hulpverlener is toegekend voor de redding van het schip
of andere zaken of voor het voorkomen of beperken van schade
aan het milieu.
Artikel 566
1.
Gerechtigd tot hulploon zijn die personen of groepen van
personen, die hulp hebben verleend.
2.
Indien de hulp is verleend door personen of groepen, die
afhankelijk van elkaar handelden, is aan deze groepen of
personen gezamenlijk slechts één bedrag als hulploon
verschuldigd.
3.
Indien de hulp door een schip is verleend kunnen ook de
leden der bemanning, die geen hulp verleenden, tot hulploon
gerechtigd zijn.
Artikel 567
Afstand, jegens wie dan ook, door een lid
der bemanning van zijn recht op een aandeel in het door een
schip te verdienen of verdiende hulploon is nietig, tenzij het
schip blijkens zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak voor
hulpverlening of sleepdienst is bestemd of de afstand één
bepaalde hulpverlening betreft.
Artikel 568
1. Geen
recht op betaling krachtens deze afdeling hebben zij, die
hulp verleenden niettegenstaande een uitdrukkelijk en
redelijk verbod als bedoeld in artikel 557, eerste lid.
2.
Opvarenden kunnen wegens hulp door hen verleend aan het
schip, zich aan boord daarvan bevindende zaken of daarvan
afkomstige driftige, aangespoelde of gezonken zaken, slechts
recht op betaling hebben, wanneer door hen diensten zijn
bewezen, waartoe zij redelijkerwijs niet zijn gehouden.
3. Geen
betaling is verschuldigd krachtens deze afdeling tenzij de
verleende diensten verder gaan dan wat redelijkerwijs kan
worden aangemerkt als een gebruikelijke uitvoering van een
overeenkomst die was gesloten voordat het gevaar ontstond.
4.
Indien de hulpverleners door hun schuld de hulpverlening
hebben nodig gemaakt of bemoeilijkt of zich hebben schuldig
gemaakt aan diefstal, verberging of andere bedriegelijke
handelingen, kan de rechter de krachtens deze afdeling
verschuldigde betaling geheel of gedeeltelijk ontzeggen.
Artikel 569
1.
Indien de hulp is verleend door onafhankelijk van elkaar
handelende personen of groepen van personen is ieder dezer
personen bevoegd vaststelling te vorderen van het hulploon
of de bijzondere vergoeding die hem of de groep, waarvan hij
deel uitmaakte, toekomt.
2.
Indien de hulp is verleend door afhankelijk van elkaar
handelende personen of groepen van personen is ieder dezer
personen bevoegd vaststelling te vorderen van het hulploon
of de bijzondere vergoeding die aan deze personen of groepen
gezamenlijk toekomt.
3.
Indien door een schip hulp is verleend, is uitsluitend de
reder of de kapitein bevoegd omtrent het hulploon of de
bijzondere vergoeding overeen te komen. De door hem gesloten
overeenkomst bindt alle tot het hulploon of de bijzondere
vergoeding gerechtigden. Hij is verplicht ieder van hen vóór
de uitbetaling desverlangd het bedrag van het hulploon of de
bijzondere vergoeding schriftelijk mede te delen. Bij
gebreke van een overeenkomst is uitsluitend hij, niet alleen
gerechtigd, doch ook verplicht gerechtelijke vaststelling
van het hulploon of de bijzondere vergoeding te vorderen en
dit te innen.
4. In
het in artikel 561, derde lid, bedoelde geval is iedere tot
hulploon of bijzondere vergoeding gerechtigde bevoegd de
vaststelling daarvan door de rechter te vorderen, ook al
mocht over het hulploon of de bijzondere vergoeding een
overeenkomst zijn gesloten.
Artikel 570
1. De
verdeling van een hulploon als bedoeld in artikel 563 tussen
hulpverleners geschiedt volgens de in dat artikel genoemde
criteria.
2. De
verdeling van een bijzondere vergoeding als bedoeld in
artikel 564 tussen hulpverleners geschiedt met in
aanmerkingneming van de criteria genoemd in artikel 563,
tweede lid, onderdelen h, i en j.
3. Bij
geschillen omtrent de verdeling van het hulploon en de
bijzondere vergoeding tussen de daartoe gerechtigden wordt
deze op vordering van de meest gerede partij door de rechter
vastgesteld.
Artikel 571
1. Hij,
die gerechtigd is vaststelling van het hulploon te vorderen,
heeft – behoudens artikel 559, eerste en derde lid – jegens
ieder, die daarvan afgifte verlangt, een retentierecht op de
schepen of zaken, waaraan hulp is verleend, alsmede op de
schepen aan welker zich aan boord bevindende zaken hulp is
verleend, voor hetgeen ter zake van hulploon is
verschuldigd.
2. Ter
zake van de in artikel 564 bedoelde bijzondere vergoeding
kan dit retentierecht worden uitgeoefend op de schepen,
waaraan hulp is verleend.
3. Dit
retentierecht vervalt zodra is betaald het bedrag, waarover
geen geschil tussen partijen bestaat, en voldoende zekerheid
is gesteld voor de betaling van die bedragen, waaromtrent
wel geschil bestaat of welker hoogte nog niet kan worden
vastgesteld.
Artikel 572
1.
Degene die krachtens deze afdeling een betaling verschuldigd
is, moet op verlangen van de hulpverlener voldoende
zekerheid stellen voor hetgeen hij terzake van die betaling
verschuldigd is, met inbegrip van rente en kosten.
2. Het
schip en de andere zaken waaraan de hulp is verleend mogen
niet zonder toestemming van de hulpverlener worden
verwijderd van de eerste haven of plaats waar zij na
beëindiging van de hulpverlening zijn aangekomen, totdat
voldoende zekerheid is gesteld voor de in het eerste lid
bedoelde betaling.
Artikel 573
1. De
rechter kan, voordat hij het hulploon of de bijzondere
vergoeding vaststelt, bevelen dat aan degene die gerechtigd
is de vaststelling daarvan te vorderen, een naar billijkheid
te bepalen bedrag bij wijze van voorschot wordt betaald. De
rechter kan aan dit bevel voorwaarden verbinden die gezien
de omstandigheden billijk zijn, daaronder begrepen de
voorwaarde dat voor de gehele of gedeeltelijke terugbetaling
van het voorschot zekerheid zal worden gesteld.
2. Is
krachtens artikel 572 zekerheid gesteld, dan wordt het
bedrag van de gestelde zekerheid verminderd met het bedrag
van het betaalde voorschot.
Artikel 574
1.
Indien de rechthebbende op de schepen of andere zaken
waaraan hulp is verleend, niet opkomt, is hij, die
vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding
kan vorderen, gerechtigd deze voor rekening en gevaar van de
rechthebbende onder zich te houden dan wel bij een derde op
te slaan in een daarvoor geschikte bewaarplaats.
2. De
derde-bewaarnemer en de rechthebbende zijn jegens elkaar
verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is
echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke
toestemming daartoe van hem, die de zaken in bewaring gaf.
Artikel 575
1. In
geval van toepassing van artikel 574 kan hij, die gerechtigd
is vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding
te vorderen, de bewaarnemer dan wel de rechthebbende op de
schepen of zaken, op zijn verzoek door de rechter worden
gemachtigd hen geheel of gedeeltelijk op de door deze te
bepalen wijze te verkopen.
2. De
bewaarnemer is verplicht degeen, die de zaken in bewaring
gaf, zo spoedig mogelijk van de voorgenomen verkoop op de
hoogte te stellen; degeen die de zaken in bewaring gaf of
onder zich hield, heeft deze verplichting jegens de hem
bekende rechthebbenden op de zaken.
3. De
opbrengst van het verkochte wordt in de consignatiekas
gestort, voor zover zij niet strekt tot voldoening van de
kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken
beslag is gelegd voor een geldvordering, moet aan degeen,
die de zaken in bewaring gaf, uit het in bewaring te stellen
bedrag worden voldaan hetgeen hem terzake van hulploon of
bijzondere vergoeding is verschuldigd; voor zover het
hulploon of de bijzondere vergoeding nog niet vaststaat, zal
de opbrengst of een gedeelte daarvan op door de rechter te
bepalen wijze tot zekerheid voor deze vordering strekken.
4. De in
de consignatiekas gestorte opbrengst treedt in de plaats van
de zaken.
Artikel 576
1. Hij,
die gerechtigd is tot hulploon of bijzondere vergoeding,
verkrijgt de eigendom van de zaak, waaraan hulp is verleend
en waarvoor geen rechthebbende is opgekomen, twee jaren na
de beëindiging van de hulpverlening, mits de zaak zich op
dat tijdstip nog in zijn macht bevindt en hij datgene heeft
gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden gevergd om de
rechthebbende te ontdekken en van het gevolg van de
hulpverlening op de hoogte te stellen.
2. Het
eerste lid vindt geen toepassing, wanneer de rechthebbende
zich binnen de in dat lid genoemde termijn bij hem, die
vaststelling van het hulploon of de bijzondere vergoeding
kan vorderen, heeft aangemeld en aan deze de kosten van
bewaring en onderhoud en tot opsporing van de rechthebbende
heeft vergoed. Degeen die vaststelling van het hulploon of
de bijzondere vergoeding kan vorderen is bevoegd de afgifte
op te schorten totdat deze verplichting is nagekomen. Indien
de rechthebbende die de zaak opeist, de verschuldigde kosten
niet binnen een maand nadat ze hem zijn opgegeven, heeft
voldaan, wordt hij aangemerkt zijn recht op de zaak te
hebben prijsgegeven.
Artikel 577
De wetsbepalingen omtrent zaakwaarneming
vinden op hulpverlening geen toepassing.
Afdeling 3. Avarij-grosse
Artikel 610
Er is een avarij-grosse handeling, wanneer
- en alleen wanneer - enige buitengewone opoffering of uitgave
opzettelijk en redelijkerwijs wordt verricht of gedaan voor de
gemeenschappelijke veiligheid met het doel de goederen,
betrokken bij een gemeenschappelijke met een zeeschip
uitgevoerde onderneming, voor gevaar - hoe of door wiens toedoen
dit ook zij ontstaan - te behoeden.
Artikel 611
Alleen zodanige verliezen, schaden of
onkosten, die het onmiddellijke gevolg zijn van een
avarij-grosse handeling, worden als avarij-grosse toegelaten.
Artikel 612
1.
Avarij-grosse wordt aan hem, die haar leed, vergoed door de
reder, de belanghebbende bij verschuldigde vracht of
passagegeld, de ontvanger van de lading en de eigenaren van
de overige zich aan boord bevindende zaken, met uitzondering
van brieven, andere poststukken of postpakketten, van bagage
en van persoonlijke zaken van opvarenden die geen bagage
zijn.
2. In
afwijking van het eerste lid draagt een motorrijtuig of
schip, dat door een vervoerder in verband met een
overeenkomst van personenvervoer aan boord van het schip
wordt vervoerd, bij in de avarij-grosse.
Artikel 613
De vergoedingen in avarij-grosse en de
dragende waarden der in de avarij-grosse bijdragende belangen
worden bovendien bepaald met inachtneming van de York-Antwerp
Rules, nader omschreven bij algemene maatregel van bestuur.
Afdeling 4. Gevaarlijke stoffen aan boord
van een zeeschip
Artikel 620
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. "gevaarlijke stof": een
stof die als zodanig bij algemene maatregel van bestuur
is aangewezen; de aanwijzing kan worden beperkt tot
bepaalde concentraties van de stof, tot bepaalde in de
algemene maatregel van bestuur te omschrijven gevaren
die aan de stof verbonden zijn, en tot bepaalde daarin
te omschrijven situaties waarin de stof zich bevindt;
b. "schip": zeeschip, niet
zijnde een luchtkussenvoertuig;
c. "schade":
1°. schade veroorzaakt door
dood of letsel van enige persoon veroorzaakt door
een gevaarlijke stof;
2°. andere schade buiten het
schip aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich
bevindt, veroorzaakt door die gevaarlijke stof, met
uitzondering van verlies van of schade met
betrekking tot andere schepen of binnenschepen en
zaken aan boord daarvan, indien die schepen of
binnenschepen deel uitmaken van een sleep, waarvan
ook dit schip deel uitmaakt, of hecht met dit schip
in een eenheid zijn gekoppeld;
3°. de kosten van preventieve
maatregelen en verlies of schade veroorzaakt door
zulke maatregelen;
d. "preventieve maatregel":
iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking
van schade door wie dan ook genomen met uitzondering van
de overeenkomstig deze afdeling aansprakelijke persoon
nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden;
e. "gebeurtenis": elk feit
of elke opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak,
waardoor schade ontstaat of waardoor een ernstige en
onmiddellijke dreiging van schade ontstaat;
f. "reder": de persoon die
in een register waarin het schip te boek staat, als
eigenaar van het schip is ingeschreven, of, bij gebreke
van enige teboekstelling, de persoon die het schip in
eigendom heeft.
Artikel 621
1. Deze
afdeling is niet van toepassing, indien de reder jegens
degene die de vordering instelt, aansprakelijk is uit hoofde
van een exploitatie-overeenkomst of jegens deze persoon een
beroep op een exploitatie-overeenkomst heeft.
2. Deze
afdeling is van toepassing op de periode waarin een
gevaarlijke stof zich aan boord van een schip bevindt,
daaronder begrepen de periode vanaf het begin van de
inlading van de gevaarlijke stof in het schip tot het einde
van de lossing van die stof uit het schip.
3. Deze
afdeling is niet van toepassing op schade veroorzaakt
wanneer het schip uitsluitend wordt gebruikt in een niet
voor publiek toegankelijk gebied en zulk gebruik een
onderdeel vormt van een in dat gebied plaatsvindende
bedrijfsuitoefening.
4. Op
zich overeenkomstig het tweede lid aan boord bevindende
stoffen als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 is dat artikel
niet van toepassing, tenzij zich het geval van het derde lid
voordoet.
Artikel 622
1.
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt in een
vervoermiddel dat zich aan boord van een schip bevindt
zonder dat de gevaarlijke stof uit dit gestapelde
vervoermiddel wordt gelost, zal de gevaarlijke stof voor die
periode geacht worden zich alleen aan boord van dat schip te
bevinden. In afwijking van het in de vorige zin bepaalde
zal, gedurende de handelingen bedoeld in artikel 623, vijfde
lid, onderdelen c, d en e, de gevaarlijke stof
geacht worden zich alleen aan boord van het gestapelde
vervoermiddel te bevinden.
2.
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt in een schip dat
wordt gesleept door een ander schip of door een binnenschip
of wordt voortbewogen door een ander schip of door een
binnenschip, dat hecht met dit schip in een eenheid
gekoppeld is, zal de gevaarlijke stof geacht worden zich
alleen aan boord van eerstgenoemd schip te bevinden.
Artikel 623
1. Hij
die ten tijde van een gebeurtenis reder is van een schip aan
boord waarvan zich een gevaarlijke stof bevindt, is
aansprakelijk voor de schade door die stof veroorzaakt ten
gevolge van die gebeurtenis. Bestaat de gebeurtenis uit een
opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan rust de
aansprakelijkheid op degene die ten tijde van het eerste
feit reder was.
2. De
reder is niet aansprakelijk indien:
a. de schade is veroorzaakt door
een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog,
opstand of natuurgebeuren van uitzonderlijke,
onvermijdelijke en onweerstaanbare aard;
b. de schade uitsluitend is
veroorzaakt door een handelen of nalaten van een derde,
niet zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid,
onderdeel a, geschied met het opzet de schade te
veroorzaken;
c. de afzender of enige andere
persoon niet heeft voldaan aan zijn verplichting hem in
te lichten over de gevaarlijke aard van de stof, en noch
de reder noch de in het vijfde lid, onderdeel a,
genoemde personen wisten of hadden behoren te weten dat
deze gevaarlijk was.
3.
Indien de reder bewijst dat de schade geheel of gedeeltelijk
het gevolg is van een handelen of nalaten van de persoon die
de schade heeft geleden, met het opzet de schade te
veroorzaken, of van de schuld van die persoon, kan hij
geheel of gedeeltelijk worden ontheven van zijn
aansprakelijkheid tegenover die persoon.
4. De
reder kan voor schade slechts uit anderen hoofde dan deze
afdeling worden aangesproken in het geval van het tweede
lid, onderdeel c, alsmede in het geval dat hij uit
hoofde van arbeidsovereenkomst kan worden aangesproken.
5.
Behoudens de artikelen 624 en 625 zijn voor schade niet
aansprakelijk:
a. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de reder of de
leden van de bemanning,
b. de loods en ieder ander die,
zonder bemanningslid te zijn, ten behoeve van het schip
werkzaamheden verricht,
c. zij die anders dan tegen een
uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege het schip in
hulp verlenen aan het schip, de zich aan boord daarvan
bevindende zaken of de opvarenden,
d. zij die op aanwijzing van een
bevoegde overheidsinstantie hulp verlenen aan het schip,
de zich aan boord daarvan bevindende zaken of de
opvarenden,
e. zij die preventieve maatregelen
nemen met uitzondering van de reder,
f. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit lid,
onderdelen b, c, d en e, van
aansprakelijkheid vrijgestelde personen, tenzij de
schade is ontstaan uit hun eigen handelen of nalaten,
geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken,
hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er
waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
6. De
reder heeft, voor zover niet anders is overeengekomen,
verhaal op de in het vijfde lid bedoelde personen, doch
uitsluitend indien dezen ingevolge het slot van dit lid voor
de schade kunnen worden aangesproken.
Artikel 624
1.
Indien de reder bewijst dat de gevaarlijke stof tijdens de
periode bedoeld in artikel 621, tweede lid, is geladen of
gelost onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van een
door hem bij name genoemde ander dan de reder of zijn
ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber, zoals de
afzender of ontvanger, is de reder niet aansprakelijk voor
de schade als gevolg van een gebeurtenis tijdens het laden
of lossen van de gevaarlijke stof en is die ander voor deze
schade aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling.
2.
Indien echter de gevaarlijke stof tijdens de periode bedoeld
in artikel 621, tweede lid, is geladen of gelost onder de
gezamenlijke verantwoordelijkheid van de reder en een door
de reder bij name genoemde ander, zijn de reder en die ander
hoofdelijk aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling voor
de schade als gevolg van een gebeurtenis tijdens het laden
of lossen van de gevaarlijke stof.
3.
Indien is geladen of gelost door een persoon in opdracht of
ten behoeve van de vervoerder of een ander, zoals de
afzender of de ontvanger, is niet deze persoon, maar de
vervoerder of die ander aansprakelijk.
4.
Indien een ander dan de reder op grond van het eerste of het
tweede lid aansprakelijk is, kan die ander geen beroep doen
op artikel 623, vierde lid en vijfde lid, onderdeel b.
5.
Indien een ander dan de reder op grond van het eerste of het
tweede lid aansprakelijk is, zijn ten aanzien van die ander
titel 7 alsmede de artikelen 642a tot en met 642z van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in geval van hoofdelijke
aansprakelijkheid:
a. de beperking van
aansprakelijkheid krachtens titel 7 van het Wetboek van
Koophandel geldt voor het geheel der naar aanleiding van
eenzelfde gebeurtenis ontstane vorderingen gericht tegen
beiden;
b. een fonds gevormd door één van
hen overeenkomstig artikel 642c van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering wordt aangemerkt als door
beiden te zijn gevormd en zulks ten aanzien van de
vorderingen waarvoor het fonds werd gesteld.
6. In de
onderlinge verhouding tussen de reder en de in het tweede
lid van dit artikel genoemde ander is de reder niet tot
vergoeding verplicht dan in geval van schuld van hemzelf of
van zijn ondergeschikten, vertegenwoordigers of lasthebbers.
7. Dit
artikel is niet van toepassing als tijdens de periode,
bedoeld in artikel 621, tweede lid, is geladen of gelost
onder de uitsluitende of gezamenlijke verantwoordelijkheid
van een persoon, genoemd in artikel 623, vijfde lid,
onderdeel c, d of e.
Artikel 625
Indien ingevolge artikel 623, tweede lid,
onderdeel c, de reder niet aansprakelijk is, is de
afzender of andere persoon aansprakelijk overeenkomstig deze
afdeling en zijn te diens aanzien titel 7 alsmede de artikelen
642a tot en met 642z van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De afzender of
andere persoon kan geen beroep doen op artikel 623, vierde lid.
Artikel 626
Indien schade veroorzaakt door de
gevaarlijke stof redelijkerwijs niet kan worden gescheiden van
schade anderszins veroorzaakt, zal de gehele schade worden
aangemerkt als schade in de zin van deze afdeling.
Artikel 627
1.
Wanneer door een gebeurtenis schade is veroorzaakt door
gevaarlijke stoffen aan boord van meer dan één schip, dan
wel aan boord van een schip en een binnenschip of een
luchtkussenvoertuig, zijn de reders en de eigenaar of
exploitant van de daarbij betrokken schepen, het binnenschip
of het luchtkussenvoertuig, onverminderd het in artikel 623,
tweede en derde lid, en artikel 624, afdeling 4 van titel 11
en afdeling 1 van titel 14 bepaalde, hoofdelijk
aansprakelijk voor alle schade waarvan redelijkerwijs niet
kan worden aangenomen dat zij veroorzaakt is door
gevaarlijke stoffen aan boord van één of meer bepaalde
schepen, binnenschip of luchtkussenvoertuig.
2. Het
bepaalde in het eerste lid laat onverlet het beroep op
beperking van aansprakelijkheid van de reder, eigenaar of
exploitant krachtens titel 7 of titel 12, dan wel de
artikelen 1218 tot en met 1220, ieder tot het voor hem
geldende bedrag.
Titel 7. Beperking van aansprakelijkheid
voor maritieme vorderingen
Artikel 750
1. De
reder van een schip en de hulpverlener kunnen door het
stellen van één of meer fondsen als bedoeld in artikel 642c
van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hun
aansprakelijkheid beperken voor de in artikel 752 genoemde
vorderingen.
2. Onder
reder worden in deze titel mede verstaan de bevrachter, de
huurder of andere gebruiker van een schip met inbegrip van
degene in wiens handen de exploitatie van een schip is
gelegd.
3. Onder
hulpverlener wordt in deze titel een ieder verstaan die
werkzaamheden verricht in onmiddellijk verband met
hulpverlening, waaronder in deze titel mede worden verstaan
de in artikel 752, eerste lid, onder d, e en
f, genoemde werkzaamheden of maatregelen.
4. Onder
schip wordt in deze titel zeeschip verstaan. Een schip in
aanbouw wordt voor de toepassing van deze titel mede als
schip aangemerkt van het ogenblik af, dat de stapelloop
aanvangt. Een luchtkussenvoertuig wordt voor de toepassing
van deze titel niet als schip aangemerkt. Een platform dat
is gebouwd ter exploratie of exploitatie van de natuurlijke
rijkdommen van de zeebodem of van de ondergrond daarvan en
dat kan drijven, wordt voor de toepassing van deze titel
niet als schip aangemerkt gedurende de tijd dat het op de
zeebodem rust.
Artikel 751
1.
Indien een vordering als genoemd in artikel 752 wordt
gericht tegen enige persoon voor wiens handeling,
onachtzaamheid of nalatigheid de reder of de hulpverlener in
beginsel aansprakelijk is, heeft deze persoon de in deze
titel verleende bevoegdheid tot beperking van zijn
aansprakelijkheid.
2. De
verzekeraar van de aansprakelijkheid voor vorderingen,
waarvoor op grond van deze titel beperking van
aansprakelijkheid mogelijk is, kan zich in dezelfde mate als
zijn verzekerde op die beperking beroepen.
Artikel 752
1. Onder
voorbehoud van de artikelen 753 en 754 bestaat de
bevoegdheid tot beperking van aansprakelijkheid voor de
hierna genoemde vorderingen ingesteld hetzij op grond van
overeenkomst, hetzij buiten overeenkomst en zelfs wanneer de
aansprakelijkheid uitsluitend voortvloeit uit eigendom of
bezit van of een voorrecht op het schip of uit het feit, dat
dit onder hoede of toezicht is van hem die zich op de
beperking van aansprakelijkheid beroept:
a. vorderingen terzake van dood of
letsel, dan wel terzake van verlies van of schade aan
zaken (met inbegrip van schade aan kunstwerken van
havens, aan dokken, waterwegen of hulpmiddelen voor de
scheepvaart), opgekomen aan boord van het schip of in
rechtstreeks verband met de exploitatie van het schip of
met werkzaamheden ter hulpverlening, alsmede voor
vorderingen terzake van schade tengevolge van een of
ander;
b. vorderingen terzake van schade
ontstaan door vertraging bij het vervoer over zee van
lading, reizigers of hun bagage;
c. vorderingen terzake van andere
schade ontstaan door inbreuk op enig niet op
overeenkomst gegrond vermogensrecht en opgekomen in
rechtstreeks verband met de exploitatie van het schip of
met werkzaamheden ter hulpverlening;
d. vorderingen terzake van het
vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk
maken van een zee- of binnenschip dat is gezonken,
schipbreuk heeft geleden, gestrand of verlaten is, met
inbegrip van alles wat aan boord van zulk een schip is
of is geweest;
e. vorderingen terzake van het
verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van de
lading van het schip;
f. vorderingen van een persoon
terzake van maatregelen genomen om schade te voorkomen
of te verminderen voor welke schade de daarvoor
aansprakelijke persoon zijn aansprakelijkheid op grond
van deze titel zou kunnen beperken, alsmede voor
vorderingen terzake van verdere schade door zulke
maatregelen geleden, één en ander echter met
uitzondering van dusdanige vorderingen van deze
aansprakelijke persoon zelf.
2.
Aansprakelijkheid voor de in het eerste lid genoemde
vorderingen kan worden beperkt, ook indien deze, al dan niet
op grond van een overeenkomst, zijn ingesteld bij wijze van
verhaal of vrijwaring. De aansprakelijkheid voor de
vorderingen in het eerste lid genoemd onder d, e
of f, kan echter niet worden beperkt voor zover deze
vorderingen betrekking hebben op een vergoeding verschuldigd
op grond van een overeenkomst met de aansprakelijke persoon.
Artikel 753
1. Deze
titel is niet van toepassing op:
a. vorderingen uit hoofde van
hulpverlening of bijdrage in avarijgrosse;
b. vorderingen voor schade door
verontreiniging door olie, zoals deze zijn bedoeld in
het op 29 november 1969 tot stand gekomen Internationaal
Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor
schade door verontreiniging door olie of in enige kracht
van wet hebbende wijziging van dat Verdrag of Protocol
daarbij;
c. vorderingen onderworpen aan
enig internationaal verdrag of enige wet, die de
beperking van aansprakelijkheid voor kernschade regelt
of verbiedt;
d. vorderingen tegen de exploitant
van een nucleair schip terzake van kernschade;
e. vorderingen uit hoofde van
arbeidsovereenkomst tegen de reder of de hulpverlener
ingesteld door zijn ondergeschikten of hun
rechtverkrijgenden voor zover deze vorderingen
werkzaamheden betreffen in verband met het schip of de
hulpverlening, al naar gelang de aansprakelijkheid van
de reder of de hulpverlener voor deze vorderingen uit
hoofde van de op de arbeidsovereenkomst toepasselijke
wet niet of slechts tot een hoger bedrag dan op grond
van deze titel het geval ware, kan worden beperkt.
2.
Wanneer iemand die op grond van deze titel bevoegd is zijn
aansprakelijkheid te beperken, gerechtigd is tegen een
schuldeiser een vordering geldend te maken, die voortkomt
uit hetzelfde voorval, zullen de respectieve vorderingen met
elkaar worden verrekend en wordt de beperking van
aansprakelijkheid slechts toegepast op het daarna
mogelijkerwijs overblijvende saldo.
Artikel 754
Niemand is gerechtigd zijn
aansprakelijkheid te beperken, indien bewezen is dat de schade
is ontstaan door zijn eigen handeling of nalaten, geschied
hetzij met het opzet die schade te veroorzaken hetzij roekeloos
en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
Artikel 755
1. Het
bedrag waartoe de aansprakelijkheid uit hoofde van deze
titel voor niet in artikel 756 genoemde vorderingen, naar
aanleiding van éénzelfde voorval ontstaan, kan worden
beperkt (het bedrag van het fonds) beloopt:
a. wanneer het vorderingen betreft
ter zake van dood of letsel, die niet zijn vorderingen
als bedoeld in artikel 752, eerste lid, onder d
of e (personenfonds)
1°. 333 000 rekeneenheden voor
een schip, waarvan de tonnage niet meer dan 500
bedraagt;
2°. voor een schip, waarvan de
tonnage groter is dan 500, wordt het onder 1
genoemde bedrag vermeerderd met
– 500 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 501 tot
en met 3 000;
– 333 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 3 001
tot en met 30 000;
– 250 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 30 001
tot en met 70 000;
– 167 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één boven de
70 000.
b. wanneer het enige andere
vordering betreft die niet is een vordering als bedoeld
in artikel 752, eerste lid, onder d of e
(zakenfonds)
1°. 167 000 rekeneenheden voor
een schip, waarvan de tonnage niet meer dan 500
bedraagt;
2°. voor een schip, waarvan de
tonnage groter is dan 500, wordt het onder 1
genoemde bedrag vermeerderd met
– 167 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 501 tot
en met 30 000;
– 125 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 30 001
tot en met 70 000;
– 83 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één boven de
70 000.
c. wanneer het vorderingen betreft
als bedoeld in artikel 752, eerste lid, onder d
of e (wrakkenfonds)
1°. 262 000 rekeneenheden voor
een schip, waarvan de tonnage niet meer dan 500
bedraagt;
2°. voor een schip, waarvan de
tonnage groter is dan 500, wordt het onder 1
genoemde bedrag vermeerderd met
– 333 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 501 tot
en met 6 000;
– 125 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één van 6 001
tot en met 70 000;
– 83 rekeneenheden voor
elke toename van de tonnage met één boven de
70 000.
2. Voor
schepen, die blijkens hun constructie uitsluitend of in
hoofdzaak zijn bestemd tot het vervoer van personen en
waarvan de tonnage niet groter is dan 300, kan bij algemene
maatregel van bestuur het bedrag waartoe uit hoofde van deze
titel de aansprakelijkheid voor de in het eerste lid, aanhef
en onder b, bedoelde vorderingen kan worden beperkt,
op een lager aantal rekeneenheden worden gesteld dan genoemd
in het eerste lid, onder b, onder 1.
3. Het
bedrag waartoe de aansprakelijkheid van een hulpverlener aan
een schip die niet van een zee- of binnenschip uit
werkzaamheden verricht of die werkzaamheden uitsluitend
verricht op het schip waaraan of met betrekking waartoe hij
hulp verleent, kan worden beperkt, wordt berekend naar een
tonnage van 1500 ton.
4. Voor
de toepassing van deze titel wordt onder tonnage van het
schip verstaan de bruto-tonnage van het schip berekend
overeenkomstig de voorschriften voor meting vervat in
Bijlage I van het op 23 juni 1969 te Londen tot stand
gekomen Internationaal Verdrag betreffende de meting van
schepen, 1969.
5. Op
verzoek van de eigenaar kan door de inspecteur-generaal van
de Inspectie Verkeer en Waterstaat een verklaring worden
afgegeven betreffende de bruto-tonnage van een schip,
berekend overeenkomstig de voorschriften voor meting vervat
in Bijlage I van het op 23 juni 1969 te Londen tot stand
gekomen Internationaal Verdrag betreffende de meting van
schepen, 1969.
6. Deze
verklaring wordt afgegeven tegen betaling van de kosten
volgens een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
vast te stellen tarief.
Artikel 756
1. Wat
betreft vorderingen ontstaan naar aanleiding van éénzelfde
voorval terzake van dood of letsel van reizigers van een
schip beloopt het bedrag waartoe de reder daarvan zijn
aansprakelijkheid kan beperken (passagiersfonds), even vele
malen 46 666 rekeneenheden als het schip volgens zijn
veiligheidscertificaat gerechtigd is reizigers te vervoeren,
doch niet meer dan 25 000 000 rekeneenheden.
2. Onder
vorderingen terzake van dood of letsel van reizigers worden
voor de toepassing van dit artikel verstaan dergelijke
vorderingen ingediend naar aanleiding van een voorval
overkomen aan enige persoon vervoerd aan boord van het schip
a. op grond van een overeenkomst
tot het vervoer van reizigers;
b. die met toestemming van de
vervoerder een voertuig of levende dieren vergezelt, die
worden vervoerd op grond van een overeenkomst tot
goederenvervoer.
Artikel 757
Aan de bedragen vermeld in de artikelen
755 en 756 wordt toegevoegd de wettelijke rente berekend van de
aanvang van de dag volgende op de dag van het voorval, dat
aanleiding gaf tot de vordering, tot de aanvang van de dag
volgende op de dag waarop hij, die een verzoek tot beperking van
zijn aansprakelijkheid indiende, voldeed aan een hem krachtens
artikel 642c van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering opgelegd bevel.
Artikel 758
1. De
beperking van aansprakelijkheid als vastgesteld in artikel
755 geldt voor het geheel der naar aanleiding van éénzelfde
voorval ontstane vorderingen gericht tegen
a. de persoon of personen genoemd
in het tweede lid van artikel 750 en enige persoon voor
wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid dezen in
beginsel aansprakelijk zijn, of
b. de reder van een schip die van
dat schip uit hulp verleent, en de hulpverlener of
hulpverleners die van dat schip uit hun werkzaamheden
verricht of verrichten en enige persoon voor wiens
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze personen
in beginsel aansprakelijk zijn, of
c. de hulpverlener of
hulpverleners aan een schip die niet van een zee- of
binnenschip uit werkzaamheden verricht of verrichten of
die werkzaamheden verricht of verrichten uitsluitend op
het schip waaraan of met betrekking waartoe hulp wordt
verleend, en enige persoon voor wiens handeling,
onachtzaamheid of nalatigheid deze personen in beginsel
aansprakelijk zijn.
2. De
beperking van aansprakelijkheid als vastgesteld in artikel
756 geldt voor het geheel der naar aanleiding van éénzelfde
voorval ontstane vorderingen gericht tegen de persoon of de
personen die in de in artikel 750, tweede lid, genoemde
betrekking staan tot het in artikel 756 bedoelde schip, en
enige persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of
nalatigheid dezen in beginsel aansprakelijk zijn.
Artikel 759
De rekeneenheid, genoemd in de artikelen
755 en 756, is het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is
omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. De bedragen
genoemd in de artikelen 755 en 756 worden omgerekend in
Nederlands geld naar de koers van de dag waarop de schuldenaar
voldoet aan een ingevolge artikel 642c van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven bevel tot storting of
andere zekerheidsstelling. De waarde van het Nederlandse geld,
uitgedrukt in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend
volgens de waarderingsmethode die door het Internationale
Monetaire Fonds op de dag van omrekening wordt toegepast voor
zijn eigen verrichtingen en transacties.
III. Binnenvaartrecht
Titel 8. Het binnenschip en de zaken aan
boord daarvan
Afdeling 1. Rederij van het binnenschip
Artikel 770
1.
Indien een binnenschip blijkens de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3 aan twee of
meer personen gezamenlijk toebehoort, bestaat tussen hen een
rederij. Wanneer de eigenaren van het schip onder een
gemeenschappelijke naam optreden bestaat slechts een
rederij, indien zulks uitdrukkelijk bij akte is
overeengekomen en deze akte in die registers is
ingeschreven.
2. De
rederij is geen rechtspersoon.
Artikel 771
Afdeling 1 van titel 3 is op de rederij
van een binnenschip van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Rechten op binnenschepen
Artikel 780
1. In de
afdelingen 2 tot en met 6 van titel 8 worden onder schepen
mede verstaan schepen in aanbouw.
2. Onder
binnenschepen worden in de afdelingen 2 tot en met 6 van
titel 8 mede verstaan draagvleugelboten, veerponten, alsmede
baggermolens, drijvende kranen, elevatoren en alle drijvende
werktuigen, pontons of materiaal van soortgelijke aard, die
voldoen aan de in de artikelen 1 en 3 ten aanzien van
binnenschepen vermelde vereisten.
3.
Indien een schip in aanbouw een schip in de zin van artikel
1 is geworden, ontstaat daardoor niet een nieuw schip.
Artikel 781
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. het Verdrag van Genève: de op
25 januari 1965 te Genève gesloten overeenkomst inzake
inschrijving van binnenschepen, met Protocollen (Trb.
1966, 228);
b. verdragsstaat: een staat
waarvoor het Verdrag van Genève van kracht is;
c. verdragsregister: een buiten
Nederland in een verdragsstaat gehouden register, als
bedoeld in artikel 2 van het Verdrag van Genève;
d. de openbare registers: de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1
van Boek 3.
Artikel 782
De in deze afdeling aan de eigenaar
opgelegde verplichtingen rusten, indien het schip toebehoort aan
meer personen, aan een vennootschap onder firma, aan een
commanditaire vennootschap of aan een rechtspersoon, mede op
iedere mede-eigenaar, beherende vennoot of bestuurder.
Artikel 783 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 784
1.
Teboekstelling is slechts
mogelijk
- van een in aanbouw zijnd
binnenschip: indien het in Nederland in aanbouw is;
- van een afgebouwd binnenschip:
indien aan ten minste één der volgende voorwaarden is
voldaan:
a. dat de plaats, van waaruit
de exploitatie van het schip gewoonlijk wordt
geleid, in Nederland is gelegen;
b. dat, wanneer de eigenaar
van het schip een natuurlijke persoon is, deze
Nederlander is of zijn woonplaats in Nederland
heeft;
c. dat, wanneer de eigenaar
van het schip een rechtspersoon of een vennootschap
is, zijn zetel of de plaats van waaruit hij zijn
bedrijf voornamelijk uitoefent, in Nederland is
gelegen,
met dien verstande, dat in geval van
mede-eigendom van het binnenschip de onder b en c
genoemde voorwaarden niet als vervuld worden beschouwd,
wanneer niet het schip tenminste voor de helft in eigendom
toebehoort aan natuurlijke personen, rechtspersonen of
vennootschappen, die aan deze voorwaarden voldoen.
2.
Teboekstelling is niet mogelijk van een binnenschip dat
reeds teboekstaat in de openbare registers, hetzij als
binnenschip hetzij als zeeschip, of in een verdragsregister.
3. In
afwijking van het tweede lid is teboekstelling van een
binnenschip dat in een verdragsregister teboekstaat
mogelijk, wanneer dit schip, nadat de teboekstelling ervan
in dat verdragsregister is doorgehaald, volgens het eerste
lid kan worden teboekgesteld. Deze teboekstelling heeft
evenwel slechts rechtsgevolg, wanneer zij is gevolgd door
aantekening in de openbare registers, dat de teboekstelling
in het verdragsregister is doorgehaald.
4. In
afwijking van het tweede lid is teboekstelling van een
binnenschip dat in een verdragsregister teboekstaat
mogelijk, wanneer de bewaarder van dat register uit hoofde
van het tweede lid van artikel 22 van Protocol no. 2 bij het
Verdrag van Genève weigert het eigendomsrecht van de koper
na gedwongen verkoop in te schrijven.
5. De
teboekstelling wordt verzocht door de eigenaar van het
binnenschip. Hij moet daarbij ter inschrijving overleggen
een door hem ondertekende verklaring, dat naar zijn beste
weten het schip voor teboekstelling als binnenschip vatbaar
is.
6. De
teboekstelling in de openbare registers heeft geen
rechtsgevolg, wanneer aan de vereisten van de voorgaande
leden van dit artikel niet is voldaan.
7. Bij
het verzoek tot teboekstelling wordt woonplaats gekozen in
Nederland. Deze woonplaats wordt in het verzoek tot
teboekstelling vermeld en kan door een andere in Nederland
gelegen woonplaats worden vervangen.
Artikel 785
1. De
eigenaar van een binnenschip is verplicht de teboekstelling
daarvan te verzoeken. Aan deze verplichting moet worden
voldaan binnen drie maanden, nadat volgens artikel 784
teboekstelling mogelijk is.
2. Geen
verplichting tot teboekstelling bestaat
a. ten aanzien van vrachtschepen
met minder dan 20 tonnen van 1000 kilogram laadvermogen
of andere binnenschepen met minder dan 10 kubieke meters
verplaatsing, zijnde de in kubieke meters uitgedrukte
waterverplaatsing tussen het vlak van inzinking van het
ledige binnenschip in zoet water en het vlak van de
grootste toegelaten diepgang;
b. ten aanzien van afgebouwde
binnenschepen, die teboekstaan in het register van een
niet-verdragsstaat en in die staat voldoen aan tenminste
één der in het eerste lid van artikel 3 van het Verdrag
van Genève genoemde voorwaarden;
c. ten aanzien van binnenschepen,
die komen van een niet-verdragsstaat en op weg zijn naar
het land waar zij zullen moeten worden teboekgesteld.
Artikel 786
1. De
teboekstelling wordt slechts doorgehaald
a. op verzoek van degeen, die in
de openbare registers als eigenaar vermeld staat
1°. als de teboekstelling niet
of niet meer verplicht is;
2°. als het schip in een
verdragsregister teboekstaat onder voorwaarde van
doorhaling van de teboekstelling in de openbare
registers;
3°. als het schip in het
register van een niet-verdragsstaat zal worden te
boekgesteld en in die staat zal voldoen aan
tenminste één der in het eerste lid van artikel 3
van het Verdrag van Genève genoemde voorwaarden. In
dit geval heeft de doorhaling slechts rechtsgevolg,
wanneer binnen 30 dagen daarna door de eigenaar
wordt overgelegd een door hem ondertekende
verklaring, dat het schip in het register van de
genoemde staat teboekstaat en aldaar voldoet aan
tenminste één der in het eerste lid van artikel 3
van het Verdrag van Genève genoemde voorwaarden.
b. op aangifte van de eigenaar of
ambtshalve
1°. als het schip vergaan is,
gesloopt is of blijvend ongeschikt voor drijven is
geworden;
2°. als het schip door rovers
of vijanden is genomen;
3°. als het schip, indien het
niet in de openbare registers teboek zou staan, een
zeeschip zou zijn in de zin van artikel 2 of een
dergelijk zeeschip in aanbouw;
4°. als het schip niet of niet
meer voldoet aan tenminste één der in het eerste lid
van artikel 784 voor teboekstelling genoemde
voorwaarden;
5°. als het schip in een
verdragsregister teboekstaat zonder dat daarbij de
voorwaarde van doorhaling van de teboekstelling in
de openbare registers is gesteld.
2. In de
in het eerste lid onder b genoemde gevallen is de
eigenaar tot het doen van aangifte verplicht binnen drie
maanden nadat de reden tot doorhaling zich heeft voorgedaan.
3.
Wanneer ten aanzien van het schip inschrijvingen of
voorlopige aantekeningen ten gunste van derden bestaan,
geschiedt doorhaling slechts, wanneer geen dezer derden zich
daartegen verzet.
4.
Doorhaling geschiedt slechts na op verzoek van de meest
gerede partij verleende machtiging van de rechter.
Artikel 787
1.
Zolang de teboekstelling in de openbare registers niet is
doorgehaald heeft teboekstelling van een binnenschip in een
register van een niet-verdragsstaat of vestiging in een
niet-verdragsstaat van rechten daarop, voor vestiging
waarvan in Nederland inschrijving in de openbare registers
vereist zou zijn geweest geen rechtsgevolg.
2. In
afwijking van het eerste lid wordt een teboekstelling of
vestiging van rechten als daar bedoeld erkend, wanneer deze
geschiedde onder voorwaarde van doorhaling van de
teboekstelling in de openbare registers binnen 30 dagen na
de teboekstelling van het schip in het buitenlandse
register.
Artikel 788
De enige zakelijke rechten, waarvan een in
het register teboekstaand binnenschip het voorwerp kan zijn,
zijn de eigendom, de hypotheek, het vruchtgebruik en de in
artikel 821 en artikel 827 eerste lid onder b genoemde
voorrechten.
Artikel 789 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 790
1.
Een in de openbare registers
teboekstaand binnenschip is een registergoed.
2. Bij
toepassing van artikel 301 van Boek 3 ter zake van akten die
op de voet van artikel 89 leden 1 en 4 van Boek 3 zijn
bestemd voor de levering van een zodanig binnenschip, kan de
in het eerste genoemde artikel bedoelde uitspraak van de
Nederlandse rechter niet worden ingeschreven, zolang zij
niet in kracht van gewijsde is gegaan.
Artikel 791
Eigendom, hypotheek en vruchtgebruik op
een teboekstaand binnenschip worden door een bezitter te goeder
trouw verkregen door een onafgebroken bezit van vijf jaren.
Artikel 792
Onverminderd het bepaalde in artikel 260,
eerste lid, van Boek 3 wordt in de notariële akte waarbij
hypotheek wordt verleend op een teboekstaand binnenschip of een
recht waaraan een zodanig schip is onderworpen, duidelijk
vermeld:
a. het aan de hypotheek
onderworpen schip;
b. de voorwaarden voor
opeisbaarheid of een verwijzing naar een op het kantoor
van inschrijving ingeschreven document waarin de
voorwaarden voor opeisbaarheid zijn vastgelegd;
c. de bedongen rente en het
tijdstip of de tijdstippen waarop deze vervalt.
Artikel 793
Behoudens afwijkende, uit de openbare
registers blijkende, bedingen omvat de hypotheek de zaken die
uit hoofde van hun bestemming blijvend met het schip zijn
verbonden en die toebehoren aan de eigenaar van het schip.
Artikel 266 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 794
De door hypotheek gedekte vordering neemt
rang na de vorderingen, genoemd in de artikelen 820, 821, 221,
222 eerste lid, 831 en 832 eerste lid, doch vóór alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht
is toegekend.
Artikel 795
Indien de vordering rente draagt, strekt
de hypotheek mede tot zekerheid voor de renten der hoofdsom,
vervallen gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan het
begin van de uitwinning en gedurende de loop hiervan. Artikel
263 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 796
Op hypotheek op een aandeel in een
teboekstaand binnenschip is artikel 177 van Boek 3 niet van
toepassing; de hypotheek blijft na vervreemding of toedeling van
het schip in stand.
Artikel 797
1. De
eerste twee leden van artikel 264 van Boek 3 zijn in geval
van een hypotheek waaraan een teboekstaand binnenschip is
onderworpen, mede van toepassing op bevrachtingen.
2. De
artikelen 234 en 261 van Boek 3 zijn op een zodanige
hypotheek niet van toepassing.
Artikel 798
In geval van vruchtgebruik op een
teboekstaand binnenschip zijn de bepalingen van artikel 217 van
Boek 3 mede van toepassing op bevrachting voor zover die
bepalingen niet naar hun aard uitsluitend op pacht, huur van
bedrijfsruimte of huur van woonruimte van toepassing zijn.
Afdeling 3. Huurkoop van teboekstaande
binnenschepen
Artikel 800
1.
Scheepshuurkoop van een in het in artikel 783 genoemde
register teboekstaand binnenschip komt tot stand bij een
notariële akte, waarbij de koper zich verbindt tot betaling
van een prijs in termijnen, waarvan twee of meer termijnen
verschijnen nadat de verkoper aan de koper het schip ter
beschikking heeft gesteld en de verkoper zich verbindt tot
eigendomsoverdracht van het binnenschip na algehele betaling
van hetgeen door de koper krachtens de overeenkomst is
verschuldigd.
2. De
overeenkomst is slechts van kracht indien daartoe
schriftelijk toestemming is verkregen van degenen van wier
beperkt recht of beslag blijkt uit een inschrijving in de
openbare registers, die reeds bestond op de dag van de
inschrijving van de in artikel 805 bedoelde hypotheek.
3. Voor
de bedingen omtrent de terbeschikkingstelling van het schip
kan worden verwezen naar een aan de akte te hechten en door
partijen te ondertekenen geschrift.
4. De
volmacht tot het aangaan van een scheepshuurkoop moet bij
authentieke akte worden verleend.
Artikel 801
1. De
overeenkomst kan worden ingeschreven in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3.
2. Bij
eigendomsovergang op een derde van een schip, ten aanzien
waarvan reeds een scheepshuurkoopovereenkomst was
ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2
van Titel 1 van Boek 3, volgt deze derde in alle rechten en
verplichtingen van de scheepshuurverkoper op, die nochtans
naast de nieuwe eigenaar aan de overeenkomst gebonden
blijft.
3.
Rechten en verplichtingen welke vóór de eigendomsovergang
opeisbaar zijn geworden, gaan op de derde niet over.
Artikel 802
In de artikelen 803 tot en met 812 wordt
onder koper de scheepshuurkoper en onder verkoper de
scheepshuurverkoper verstaan.
Artikel 803
1.
Partijen zijn verplicht in de akte te vermelden welk deel
van elk der te betalen termijnen strekt tot aflossing van de
prijs voor de koop van het schip ("de koopsom"), welk deel
strekt tot betaling van mogelijkerwijs verschuldigde rente
en welk deel mogelijkerwijs betrekking heeft op de
terbeschikkingstelling van het schip.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van het eerste lid van dit
artikel wordt afgeweken met dien verstande dat, bij gebreke
of onduidelijkheid van de vermelding van de daar bedoelde
verdeling, deze op verzoek van de meest gerede partij alsnog
door de rechter wordt vastgesteld.
Artikel 804
Nietig is ieder beding volgens hetwelk
gedurende de contractsperiode een hogere koopsom kan worden
vastgesteld.
Artikel 805
1. De
verkoper is verplicht
a. het schip ter beschikking van
de koper te stellen en te laten;
b. de koper te vrijwaren voor de
gevolgen van
1°. een staat of eigenschap
van het schip
2°. een op het schip gelegd
beslag
3°. zijn faillissement of het
ten aanzien van hem van toepassing verklaren van de
schuldsaneringsregeling natuurlijke personen
4°. enige hem persoonlijk
betreffende omstandigheid
mits deze gevolgen ertoe leiden dat het schip aan de
koper niet die mate van beschikking kan verschaffen
die deze bij het aangaan van de overeenkomst er van
mocht verwachten. De verkoper is niet verplicht de
koper te vrijwaren voor de gevolgen van een
feitelijke stoornis door derden zonder bewering van
recht op het schip of van een bewering van recht op
het schip zonder feitelijke stoornis;
c. zorg te dragen dat ten behoeve
van de koper op de dag der overeenkomst hypotheek op de
eigendom van het schip wordt gevestigd ten belope van
een bedrag, gelijk aan driemaal de koopsom, terzake van
hetgeen de verkoper aan de koper in verband met de
scheepshuurkoop of de ontbinding daarvan verschuldigd is
of zal worden;
d. zich te onthouden van iedere
eigendomsoverdracht van het schip en zodra de koper zal
hebben voldaan aan zijn in de overeenkomst neergelegde
verplichtingen tot betaling, het schip aan dezen in
eigendom over te dragen vrij van na het tot stand komen
van de scheepshuurkoop gevestigde hypotheken ten gunste
van derden en vrij van boven hypotheek rangnemende
voorrechten en beslagen terzake van vorderingen waarvan
de verkoper de schuldenaar is.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij ten nadele van de koper van
het in het eerste lid onder a, c of d bepaalde
wordt afgeweken, met dien verstande dat de hypotheek als
daar onder c wordt bedoeld, wordt verleend op de door
partijen nader overeen te komen voorwaarden of bij gebreke
van overeenstemming daaromtrent op de voorwaarden door de
rechter alsnog op verzoek van de meest gerede partij zo
mogelijk in overeenstemming met het gebruik vast te stellen.
3.
Nietig is ieder beding, waarbij ten nadele van de koper van
het in het eerste lid onder b bepaalde wordt
afgeweken ten aanzien van een feit dat de verkoper bij het
aangaan van de overeenkomst kende.
4.
Nietig is ieder beding, waarbij het bedrag van een door de
verkoper mogelijkerwijs te betalen schadevergoeding wegens
niet nakoming van zijn uit dit artikel voortvloeiende
verplichtingen bij voorbaat wordt vastgesteld.
Artikel 806
De koper die aan zijn in de overeenkomst
neergelegde verplichtingen tot betaling heeft voldaan, is
verplicht het schip in eigendom te aanvaarden, mits dit vrij zij
van hypotheken ten gunste van derden en vrij van boven hypotheek
rangnemende voorrechten en beslagen terzake van vorderingen,
waarvan de verkoper de schuldenaar is.
Artikel 807
1. Onder
voorbehoud van artikel 808 is de koper gerechtigd door hem
verschuldigde gedeelten van de termijnen die betrekking
hebben op de koopsom en de rente aan te wenden tot
rechtstreekse betaling van opeisbare rente en aflossingen
aan schuldeisers te wier behoeve hypotheek op het schip is
gevestigd.
2.
Indien en voor zover het door de koper aan de verkoper
verschuldigde per termijn minder bedraagt dan het bedrag dat
periodiek aan rente en aflossing aan de in het eerste lid
bedoelde hypothecaire schuldeiser is verschuldigd, is deze,
in afwijking van artikel 29 van Boek 6 gehouden de
overeenkomstig het eerste lid betaalde huurkooptermijnen te
ontvangen, onverminderd de verplichting van de hypothecaire
schuldenaar tot betaling van het restant verschuldigde. De
hypothecaire schuldeiser is verplicht de hypothecaire
schuldenaar mede te delen welke opeisbare rente en
aflossingen door de koper zijn betaald.
3.
Indien de koper aan de in het eerste lid bedoelde
hypothecaire schuldeiser heeft doen weten, dat hij van het
hem in dit artikel toegekende recht gebruik wenst te maken,
is deze laatste verplicht de koper in te lichten omtrent de
grootte van de nog resterende hypothecaire schuld.
4. De
betalingen overeenkomstig dit artikel aan een hypothecaire
schuldeiser gedaan, strekken in mindering op hetgeen de
koper aan de verkoper verschuldigd is. De koper stelt de
verkoper onverwijld in kennis van deze betalingen.
5.
Overdracht of inpandgeving van de vordering, die de verkoper
op de koper heeft of een onder de koper ten laste van de
verkoper gelegd beslag, kan aan de rechten, die de koper aan
de bepalingen van dit artikel ontleent, geen afbreuk doen.
6. Bij
openbare, eigenmachtige of executoriale verkoop van het
schip ten behoeve van een hypothecaire schuldeiser of van
een beslaglegger op het schip, heeft de koper de in artikel
269 van Boek 3 bedoelde bevoegdheid. Maakt hij van dit recht
gebruik, dan is het derde lid van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 808
1. Na
verloop van één jaar na het sluiten van de overeenkomst is
de koper gerechtigd het restant van de verschuldigde koopsom
geheel of ten dele vóór het verschijnen van de bij de
overeenkomst vastgestelde termijnen te voldoen met
herberekening van het rentebestanddeel in de termijnen die
alsnog verschuldigd waren, zulks op de voorwaarden door
partijen overeengekomen danwel overeen te komen of bij
gebreke van overeenstemming daaromtrent door de rechter op
verzoek van de meest gerede partij vast te stellen.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij ten nadele van de koper van
dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 809
1. In
geval de koper niet aan zijn verplichting tot betaling van
de koopsom of de rente, dan wel een termijn daarvan voldoet,
kan de verkoper hierop eerst een beroep doen om krachtens
een daartoe mogelijkerwijs gemaakt beding teruggave van het
schip te vorderen, nadat hij de koper terzake in gebreke
heeft gesteld en deze, nadat hem bij die ingebrekestelling
een redelijke termijn is gesteld alsnog aan zijn
verplichtingen te voldoen, hiermee in gebreke blijft.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 810
1.
Indien de overeenkomst is ontbonden tengevolge van het in
gebreke blijven van de koper te voldoen aan zijn
verplichting tot betaling van de koopsom of de rente, dan
wel een termijn daarvan en de verkoper of de koper
dientengevolge in een betere vermogenstoestand zou geraken
dan bij in stand blijven van de overeenkomst, zijn partijen
verplicht onverwijld tot volledige verrekening over te gaan.
2. Ieder
beding, waarbij de verkoper zich de bevoegdheid voorbehoudt
de waarde van het schip te bepalen, laat de bevoegdheid van
de koper deze waarde op zijn verzoek nader door de rechter
te doen vaststellen, onverlet.
3.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 811 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 812
Nietig is ieder beding, krachtens hetwelk
de overeenkomst van rechtswege eindigt.
Afdeling 4. Voorrechten op binnenschepen
Artikel 820
1. In
geval van uitwinning van een binnenschip worden de kosten
van uitwinning, de kosten van bewaking tijdens deze
uitwinning of verkoop, alsmede de kosten van gerechtelijke
rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de
schuldeisers uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven
alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere
wet een voorrecht is toegekend.
2. In
geval van verkoop van een gestrand, onttakeld of gezonken
binnenschip, dat de overheid in het openbaar belang heeft
doen opruimen, worden de kosten der wrakopruiming uit de
opbrengst van de verkoop voldaan boven alle andere
vorderingen, waaraan bij deze of enige andere wet een
voorrecht is toegekend.
3. De in
de vorige leden bedoelde vorderingen staan in rang gelijk en
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 820a
Artikel 292 van Boek 3 en de artikelen 60,
tweede lid, eerste zin, derde lid en vierde lid, en 299b, derde
tot en met vijfde lid, van de Faillissementswet zijn op
binnenschepen niet van toepassing.
Artikel 821
Boven alle andere vorderingen waaraan bij
deze of enige andere wet een voorrecht is toegekend zijn,
behoudens artikel 820, op een binnenschip bevoorrecht:
a. in geval van beslag: de
vorderingen ter zake van kosten na het beslag gemaakt
tot behoud van het schip, daaronder begrepen de kosten
van herstellingen, die onontbeerlijk waren voor het
behoud van het schip;
b. de vorderingen ontstaan uit de
arbeidsovereenkomsten van de schipper of de andere leden
der bemanning, met dien verstande dat de vorderingen met
betrekking tot loon, salaris of beloningen slechts
bevoorrecht zijn tot op een bedrag over een tijdvak van
zes maanden verschuldigd;
c. de vorderingen ter zake van
hulpverlening alsmede ter zake van de bijdrage van het
schip in avarij-grosse.
Artikel 822
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 821 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten
teneinde een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen
gelijkelijk bevoorrecht.
Artikel 823
1. De
bevoorrechte vorderingen, genoemd in artikel 821, nemen rang
in de volgorde, waarin zij daar zijn gerangschikt.
2.
Bevoorrechte vorderingen onder dezelfde letter vermeld,
staan in rang gelijk, doch de vorderingen genoemd in artikel
821 onder c nemen onderling rang naar de omgekeerde
volgorde van de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
3. In
rang gelijkstaande vorderingen worden ponds-pondsgewijs
betaald.
Artikel 824
De voorrechten, genoemd in artikel 821,
strekken zich uit tot
a. alle zaken, die uit hoofde van
hun bestemming blijvend met het schip zijn verbonden en
die toebehoren aan de eigenaar van het schip;
b. de schadevergoedingen,
verschuldigd voor het verlies van het schip of voor niet
herstelde beschadiging daarvan, daarbij inbegrepen dat
deel van een beloning voor hulpverlening, van een
beloning voor vlotbrengen of van een vergoeding in
avarij-grosse, dat tegenover een zodanig verlies of
beschadiging staat. Dit geldt eveneens wanneer deze
schadevergoedingen of vorderingen tot beloning zijn
overgedragen of met pandrecht zijn bezwaard. Deze
schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen
welke zijn verschuldigd krachtens een overeenkomst van
verzekering van het schip, die dekking geeft tegen het
risico van verlies of avarij. Artikel 283 van Boek 3 is
niet van toepassing.
Artikel 825
1. De
schuldeiser, die een voorrecht heeft op grond van artikel
821, vervolgt zijn recht op het schip, in wiens handen dit
zich ook bevinde.
2.
Voorrechten als bedoeld in artikel 821 kunnen worden
ingeschreven in de openbare registers bedoeld in afdeling 2
van Titel 1 van Boek 3. Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet
van toepassing.
Artikel 826
De vorderingen genoemd in artikel 821,
doen een voorrecht op het schip ontstaan en zijn alsdan daarop
verhaalbaar, zelfs wanneer zij zijn ontstaan tijdens de
exploitatie van het schip door een ander dan de eigenaar, tenzij
aan deze de feitelijke macht over het schip door een
ongeoorloofde handeling was ontnomen en bovendien de schuldeiser
niet te goeder trouw was.
Artikel 827
1. Boven
alle andere vorderingen, waaraan bij deze of enige andere
wet een voorrecht is toegekend, doch na de bevoorrechte
vorderingen genoemd in artikel 821, na de hypothecaire
vorderingen, na de vorderingen genoemd in de artikelen 222
en 832 en na de vordering van de pandhouder, zijn op een
binnenschip, waaronder voor de toepassing van dit artikel
niet is te verstaan een binnenschip in aanbouw, bij voorrang
verhaalbaar:
a. de vorderingen, die
voortvloeien uit rechtshandelingen die de eigenaar, de
scheepshuurkoper of een bevrachter binden en die
rechtstreeks strekken tot het in bedrijf brengen of
houden van het schip, alsmede de vorderingen die tegen
een uit hoofde van artikel 461 gelezen met artikel 462
of artikel 943 gelezen met artikel 944 als vervoerder
aangemerkte persoon kunnen worden geldend gemaakt. Onder
rechtshandeling is hier het in ontvangst nemen van een
verklaring begrepen;
b. de vorderingen, die uit hoofde
van afdeling 1 van titel 6 of afdeling 1 van titel 11 op
de eigenaar rusten;
c. de vorderingen genoemd in
artikel 1062 voor zover zij op de eigenaar rusten.
2. De in
het eerste lid genoemde vorderingen staan in rang gelijk en
worden ponds-pondsgewijs betaald.
3. De
artikelen 822, 824 onder a en 826 zijn op de in het
eerste lid genoemde vorderingen van toepassing. Op de
vorderingen die in het eerste lid onder b worden
genoemd, is ook artikel 825 van toepassing.
4.
Artikel 283 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 828
Na de vorderingen genoemd in artikel 827
zijn de vorderingen genoemd in de artikelen 284 en 285 van Boek
3, voor zover zij dit niet zijn op grond van enig ander artikel
van deze titel, op een binnenschip bij voorrang verhaalbaar.
Artikel 829
1. De
krachtens deze afdeling verleende voorrechten gaan te niet
door verloop van een jaar, tenzij de schuldeiser zijn
vordering in rechte geldend heeft gemaakt. Deze termijn
begint met de aanvang van de dag volgend op die, waarop de
vordering opeisbaar wordt. Met betrekking tot de vordering
voor hulploon begint deze termijn echter met de aanvang van
de dag volgend op die, waarop de hulpverlening is beëindigd.
2. Het
voorrecht gaat teniet met de vordering.
3. In
geval van executoriale verkoop gaan de voorrechten mede
teniet op het tijdstip waarop het procesverbaal van
verdeling wordt gesloten.
Afdeling 5. Voorrechten op zaken aan boord
van binnenschepen
Artikel 830
Deze afdeling geldt onder voorbehoud van
titel 15.
Artikel 831
1. In
geval van uitwinning van zaken aan boord van een binnenschip
worden de kosten van uitwinning, de kosten van bewaking
daarvan tijdens deze uitwinning, alsmede de kosten van
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst
onder de schuldeisers, uit de opbrengst van de verkoop
voldaan boven alle andere vorderingen, waaraan bij deze of
enige andere wet een voorrecht is toegekend.
2. De in
het vorige lid bedoelde vorderingen staan in rang gelijk en
worden ponds-pondsgewijs betaald.
Artikel 832
1. Op
zaken aan boord van een binnenschip zijn de vorderingen ter
zake van hulpverlening en van een bijdrage van die zaken in
avarij-grosse bevoorrecht. Deze vorderingen nemen daartoe
rang na die welke zijn genoemd in de artikelen 210, 211,
221, 820, 821 en 831, doch vóór alle andere vorderingen,
waaraan bij deze of enige andere wet een voorrecht is
toegekend.
2. Op
ten vervoer ontvangen zaken zijn bevoorrecht de vorderingen
uit een met betrekking tot die zaken gesloten
vervoerovereenkomst, dan wel uit artikel 488 of artikel 951
voortvloeiend, doch slechts voor zover aan de vervoerder
door artikel 489 of artikel 954 een recht op de zaken wordt
toegekend. Deze vorderingen nemen daartoe rang na die welke
zijn genoemd in het eerste lid en in de artikelen 204 en
794, doch vóór alle andere vorderingen, waaraan bij deze of
enige andere wet een voorrecht is toegekend.
Artikel 833
Wanneer een vordering uit hoofde van
artikel 832 bevoorrecht is, zijn de renten hierop en de kosten
teneinde een voor tenuitvoerlegging vatbare titel te verkrijgen
gelijkelijk bevoorrecht.
Artikel 834
1. De
vorderingen ter zake van hulpverlening of bijdrage in
avarij-grosse, die bevoorrecht zijn op grond van artikel
211, artikel 222 eerste lid, artikel 821 of artikel 832
eerste lid, nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde
van de tijdstippen, waarop zij ontstonden.
2. De
bevoorrechte vorderingen in het tweede lid van artikel 832
vermeld staan in rang gelijk.
3. De in
artikel 284 van Boek 3 genoemde vordering neemt rang na de
in de vorige leden genoemde vorderingen, ongeacht wanneer
die vorderingen zijn ontstaan.
4. In
rang gelijkstaande vorderingen worden ponds-pondsgewijs
betaald.
Artikel 835
De voorrechten, genoemd in artikel 832,
strekken zich uit tot de schadevergoedingen, verschuldigd voor
verlies of niet herstelde beschadiging, daarbij inbegrepen dat
deel van een beloning voor hulpverlening, van een beloning voor
vlotbrengen of van een vergoeding in avarij-grosse, dat
tegenover een zodanig verlies of beschadiging staat. Dit geldt
eveneens wanneer deze schadevergoedingen of vorderingen tot
beloning zijn overgedragen of met pandrecht zijn bezwaard. Deze
schadevergoedingen omvatten echter niet vergoedingen, welke zijn
verschuldigd krachtens een overeenkomst van verzekering die
dekking geeft tegen het risico van verlies of avarij. Artikel
283 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 836
De in artikel 832 genoemde vorderingen
doen een voorrecht op de daar vermelde zaken ontstaan en zijn
alsdan daarop bij voorrang verhaalbaar, ook al is hun eigenaar
op het tijdstip, dat het voorrecht is ontstaan, niet de
schuldenaar van deze vorderingen.
Artikel 837
1. Met
de aflevering van de zaken aan de daartoe gerechtigde gaan,
behalve in het geval van artikel 559, de in artikel 832
genoemde voorrechten teniet. Zij gaan mede teniet met de
vordering en door, in geval van executoriale verkoop, niet
tijdig verzet te doen tegen de verdeling van de koopprijs
alsmede door gerechtelijke rangregeling.
2. Zij
blijven in stand, zolang de zaken op grond van de artikelen
490, 955 of 574 zijn opgeslagen of daarop op grond van
artikel 626 of artikel 636 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering beslag is gelegd.
Artikel 838
De verkoper van brandstof voor de
machines, van ketelwater, levensmiddelen of scheepsbenodigdheden
kan het hem in afdeling 8 van Titel 1 van Boek 7 toegekende
recht slechts gedurende 48 uur na het einde van de levering
uitoefenen, doch zulks ook indien deze zaken zich bevinden in
handen van de eigenaar, de scheepshuurkoper, een rompbevrachter
of een tijdbevrachter van het schip.
Afdeling 6. Slotbepalingen
Artikel 840
1. De
afdelingen 2 tot en met 5 van titel 8 zijn niet van
toepassing op binnenschepen, welke toebehoren aan het Rijk
of enig openbaar lichaam en uitsluitend bestemd zijn voor de
uitoefening van
a. de openbare macht of
b. niet-commerciële
overheidsdienst.
2. De
beschikking waarbij de in het eerste lid bedoelde bestemming
is vastgesteld, kan worden ingeschreven in de openbare
registers, bedoeld in afdeling 2 van Titel 1 van Boek 3.
Artikel 24 lid 1 van Boek 3 is niet van toepassing.
3. De
inschrijving machtigt de bewaarder tot doorhaling van de
teboekstelling van het schip in de openbare registers,
bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3.
Artikel 841
1.
Behoeven de in de afdelingen 2 tot en met 6 van titel 8
geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering
van de wet nadere regeling, dan geschiedt dit bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur, onverminderd de
bevoegdheid tot regeling krachtens de Kadasterwet.
2. In de
in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur
kan, in afwijking van artikel 786 tweede lid, een nadere
regeling worden gegeven met betrekking tot de termijn
waarbinnen de eigenaar van een binnenschip, waarop het
eerste lid onder b ten vijfde van dat artikel van
toepassing is en waarvan de teboekstelling in het
buitenlandse register heeft plaatsgevonden, voordat het
Verdrag van Genève voor de staat van dat register van kracht
is geworden, verplicht is tot het doen van aangifte tot
doorhaling van de teboekstelling.
Titel 9. Bemanning van een binnenschip
Afdeling 2. Schipper
Artikel 860
1. De
schipper is verplicht voor de belangen van de bevrachters en
van de rechthebbenden op de aan boord zijnde zaken, zo
mogelijk ook na lossing daarvan, te waken en de maatregelen
die daartoe nodig zijn, te nemen.
2.
Indien het noodzakelijk is onverwijld ter behartiging van
deze belangen rechtshandelingen te verrichten, is de
schipper daartoe bevoegd. Onder rechtshandeling is hier het
in ontvangst nemen van een verklaring begrepen.
3. Voor
zover mogelijk geeft hij van bijzondere voorvallen terstond
kennis aan de belanghebbenden bij de betrokken goederen en
handelt hij in overleg met hen en volgens hun orders.
Artikel 861
1.
Beperkingen van de wettelijke bevoegdheid van de schipper
gelden tegen derden slechts wanneer die hun bekend zijn
gemaakt.
2. De
schipper verbindt zichzelf slechts dan, wanneer hij de
grenzen zijner bevoegdheid overschrijdt.
Titel 10. Exploitatie
Afdeling 1. Algemene bepaling
Artikel 880
Op de exploitatie van een binnenschip zijn
de artikelen 361 tot en met 366 van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2. Overeenkomst van
goederenvervoer over binnenwateren
Artikel 889
Partijen kunnen overeenkomen dat in
afwijking van de afdelingen 1 en 2 alsmede in afwijking van
afdeling 1 van titel 20 de bepalingen van het Verdrag van
Boedapest inzake de overeenkomst voor het vervoer van goederen
over de binnenwateren (CMNI) op het vervoer van toepassing zijn.
Artikel 890
1. De
overeenkomst van goederenvervoer in de zin van deze titel is
de overeenkomst van goederenvervoer, al dan niet tijd- of
reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender)
verbindt aan boord van een schip zaken uitsluitend over
binnenwateren te vervoeren.
2.
Vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een en
eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart, wordt als
vervoer over binnenwateren beschouwd, mits het varen van dit
schip over zee kennelijk ondergeschikt is aan het varen over
binnenwateren.
3.
Vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een en
eenzelfde schip, dat zonder eigen beweegkracht deze beide
wateren bevaart, wordt beschouwd als vervoer over
binnenwateren voor zover, met inachtneming tevens van het
tweede lid van dit artikel, het varen van het beweegkracht
overbrengende schip als varen over binnenwateren wordt
beschouwd. Voor zover dit niet het geval is, wordt het als
vervoer over zee beschouwd.
4. Deze
afdeling is niet van toepassing op overeenkomsten tot het
vervoeren van postzendingen door of in opdracht van de
houder van de concessie, bedoeld in de Postwet of onder een
internationale postovereenkomst. Onder voorbehoud van
artikel 980 is deze afdeling niet van toepassing op
overeenkomsten tot het vervoeren van bagage.
Artikel 891
Deze afdeling laat de titels 7 en 12 van
dit boek onverlet.
Artikel 892
1. Tijd-
of reisbevrachting in de zin van deze afdeling is de
overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de vervoerder zich
verbindt tot vervoer aan boord van een schip, dat hij
daartoe, anders dan bij wijze van rompbevrachting, geheel of
gedeeltelijk en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van de afzender.
2. De
overeenkomst van vletten is de tijdbevrachting strekkende
tot vervoer van zaken binnen een havencomplex.
3.
Ruimtebevrachting is de reisbevrachting tegen een naar
inhoud van het schip bepaalde vracht.
4. Onder
"vervrachter" is in deze afdeling de in het eerste lid
genoemde vervoerder, onder "bevrachter" de aldaar genoemde
afzender te verstaan.
Artikel 893
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een
schip, anders dan bij wijze van rompbevrachting, niet van
toepassing.
Artikel 894
1. Bij
eigendomsovergang van een tevoren vervracht, al dan niet
teboekstaand, schip op een derde volgt deze in alle rechten
en verplichtingen van de vervrachter op, die nochtans naast
de nieuwe eigenaar aan de overeenkomst gebonden blijft.
2.
Rechten en verplichtingen, welke vóór de eigendomsovergang
opeisbaar zijn geworden, gaan op de derde niet over.
Artikel 895
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat
waarin hij hen heeft ontvangen.
Artikel 896
Onverminderd artikel 895 is de vervoerder
verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te
vervoeren.
Artikel 897
1. In
geval van tijdbevrachting is de vervrachter verplicht de
schipper opdracht te geven binnen de grenzen door de
overeenkomst gesteld de orders van de bevrachter op te
volgen. De vervrachter staat er voor in, dat de schipper de
hem gegeven opdracht nakomt.
2. De
bevrachter staat er voor in, dat het schip de plekken of
plaatsen, waarheen hij het ter inlading, lossing of
anderszins op grond van het eerste lid beveelt te gaan,
veilig kan bereiken, innemen en verlaten. Indien deze
plekken of plaatsen blijken niet aan deze vereisten te
voldoen, is de bevrachter slechts in zoverre niet
aansprakelijk als de schipper, door de hem gegeven orders op
te volgen, onredelijk handelde.
3.
Onverminderd artikel 943 wordt de bevrachter mede verbonden
door en kan hij rechten ontlenen aan een rechtshandeling,
die de schipper ingevolge het eerste lid van dit artikel
verricht. Onder rechtshandeling is hier het in ontvangst
nemen van een verklaring begrepen.
Artikel 898
1. De
vervoerder is niet aansprakelijk voor schade ontstaan door
een beschadiging, voor zover deze is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft
kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de
gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
2. Ten
aanzien van deugdelijkheid en geschiktheid van het schip en
van het materiaal, waarvan hij zich bedient of die hij ter
beschikking stelt, is van de vervoerder de zorg vereist van
een zorgvuldig vervoerder, die aan boord van eigen schip
vervoert en gebruik maakt van eigen materiaal. Voor
ondeugdelijkheid of ongeschiktheid van materiaal, dat door
afzender of ontvanger ter beschikking van de vervoerder is
gesteld, is de vervoerder niet aansprakelijk, voor zover een
zorgvuldig vervoerder zich van zulk materiaal zou hebben
bediend.
3. Onder
beschadiging worden mede verstaan geheel of gedeeltelijk
verlies van zaken, vertraging, alsmede ieder ander schade
veroorzakend feit.
Artikel 899
Vermoed wordt dat een zorgvuldig
vervoerder de volgende omstandigheden niet heeft kunnen
vermijden:
a. brand;
b. ontploffing;
c. hitte;
d. koude;
e. optreden van knaagdieren of
ongedierte;
f. bederf;
g. lekkage;
h. smelting;
i. ontvlamming;
j. corrosie.
Artikel 900
Wanneer vervoerde zaken een beschadiging
of een verlies lijden, waaraan zij door hun aard licht
onderhevig zijn, wanneer levende dieren doodgaan of beschadigd
worden, of wanneer door de afzender in een laadkist gestuwde
zaken bij onbeschadigde laadkist een beschadiging of een verlies
lijden, wordt vermoed dat de vervoerder noch de omstandigheid
die deze beschadiging of dit verlies veroorzaakte heeft kunnen
vermijden, noch heeft kunnen verhinderen, dat deze omstandigheid
tot deze beschadiging of dit verlies leidde.
Artikel 901
1. De
vervoerder is niet aansprakelijk voor schade ontstaan door
een beschadiging voor zover deze, hoe dan ook, is
veroorzaakt door een handeling, onachtzaamheid of
nalatigheid van één of meer opvarenden van het schip, de
sleepboot of de duwboot, gepleegd bij de navigatie daarvan,
tenzij de navigatiefout niet zou zijn gemaakt indien de
vervoerder bij de keuze van deze personen gehandeld zou
hebben als van een zorgvuldig vervoerder mag worden
verwacht. Het in de vorige zin bepaalde geldt ook voor zover
de beschadiging mede werd veroorzaakt door een na de
navigatiefout opgekomen omstandigheid, die een zorgvuldig
vervoerder heeft kunnen vermijden of waarvan zulk een
vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen. Fouten
gepleegd bij het samenstellen van een sleep of van een
duweenheid zijn navigatiefouten als hier bedoeld.
2. Voor
schade ontstaan door eigen navigatiefouten is de vervoerder
slechts aansprakelijk, wanneer hij deze beging hetzij met
het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met
de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
3. Onder
beschadiging worden mede verstaan geheel of gedeeltelijk
verlies van zaken, vertraging, alsmede ieder ander schade
veroorzakend feit.
Artikel 902
1.
Nietig is ieder beding, waarbij de ingevolge artikel 895 op
de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast op
andere wijze wordt verminderd dan in deze afdeling is
voorzien, tenzij het betreft:
a. beschadiging opgekomen vóór of
voortvloeiend uit een omstandigheid liggend vóór het
laden in of na het lossen uit het schip;
b. het vervoer van zaken, die door
hun karakter of gesteldheid een bijzondere overeenkomst
rechtvaardigen en welker vervoer moet geschieden onder
omstandigheden of op voorwaarden, die een bijzondere
overeenkomst rechtvaardigen. Het hier bepaalde geldt
echter slechts, wanneer voor het vervoer van deze zaken
geen cognossement aan order of toonder, doch een
blijkens zijn bewoordingen onverhandelbaar document is
afgegeven en het niet betreft een gewone handelslading,
verscheept bij gelegenheid van een gewone
handelsverrichting.
2. In
afwijking van het eerste lid staat het partijen vrij bij een
in het bijzonder ten aanzien van het voorgenomen vervoer
aangegane en in een afzonderlijk, niet naar in een ander
geschrift voorkomende bedingen verwijzend, geschrift
neergelegde overeenkomst te bedingen dat de vervoerder niet
aansprakelijk is voor schade ontstaan door een beschadiging,
voor zover deze is veroorzaakt door een in die overeenkomst
ondubbelzinnig omschreven wijze van behandeling der zaken
dan wel ondeugdelijkheid of ongeschiktheid van schip of
materiaal. Ondanks zulk een beding blijft de vervoerder
aansprakelijk voor door de omschreven wijze van behandeling
dan wel ondeugdelijkheid of ongeschiktheid veroorzaakte
beschadiging, voor zover een zorgvuldig vervoerder deze had
kunnen verhinderen.
3. Wordt
voor het vervoer een cognossement of ander document
afgegeven, dan moet, op straffe van nietigheid van een
beding als bedoeld in het tweede lid, daarin uitdrukkelijk
worden verwezen naar dit afzonderlijke geschrift.
4. Onder
beschadiging worden mede verstaan niet-aflevering en geheel
of gedeeltelijk verlies van zaken.
Artikel 903
1. Voor
zover de vervoerder aansprakelijk is wegens niet nakomen van
de op hem uit hoofde van de artikelen 895 en 896 rustende
verplichtingen, heeft de afzender geen ander recht dan
betaling te vorderen van een bedrag, dat wordt berekend met
inachtneming van de waarde welke zaken als de ten vervoer
ontvangene zouden hebben gehad zoals, ten tijde waarop en
ter plaatse waar, zij zijn afgeleverd of zij hadden moeten
zijn afgeleverd.
2. De in
het eerste lid genoemde waarde wordt berekend naar de koers
op de goederenbeurs of, wanneer er geen dergelijke koers is,
naar de gangbare marktwaarde of, wanneer ook deze ontbreekt,
naar de normale waarde van zaken van dezelfde aard en
hoedanigheid.
3. De
vervoerder is in geen geval aansprakelijk voor verlies of
schade van of aan zaken of met betrekking tot deze, indien
aard of waarde daarvan door de afzender opzettelijk
verkeerdelijk is opgegeven en, indien een cognossement is
afgegeven, daarin verkeerdelijk is opgenomen.
4.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel ten nadele
van de vervoerder wordt afgeweken.
Artikel 904
1.
Indien met betrekking tot een zaak hulploon, een bijdrage in
avarij-grosse of een schadevergoeding uit hoofde van artikel
951 is verschuldigd, wordt deze aangemerkt als een
waardevermindering van die zaak.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel ten nadele
van de vervoerder wordt afgeweken.
Artikel 905
1. Voor
zover de vervoerder aansprakelijk is wegens niet nakomen van
de op hem uit hoofde van de artikelen 895 en 896 rustende
verplichtingen, is hij niet aansprakelijk boven bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen
bedragen.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel ten nadele
van de vervoerder wordt afgeweken.
Artikel 906
1. De
vervoerder kan zich niet beroepen op enige beperking van
zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is ontstaan uit
zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 907
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen
zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen
plaats en tijd te zijner beschikking zijn.
Artikel 908
1.
Alvorens zaken ter beschikking van de vervoerder zijn
gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2. Zijn
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door
welke oorzaak dan ook, in het geheel geen zaken ter
beschikking van de vervoerder, dan is deze, zonder dat enige
ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
3. Zijn
bij het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde tijd,
door welke oorzaak dan ook, de overeengekomen zaken slechts
gedeeltelijk ter beschikking van de vervoerder dan is deze,
zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de
overeenkomst op te zeggen dan wel de reis te aanvaarden. De
afzender is op verlangen van de vervoerder in geval van
opzegging van de overeenkomst verplicht tot lossing van de
reeds gestuwde zaken of, in geval de vervoerder de reis
aanvaardt en het vertrek van het schip zonder herstuwing van
de reeds gestuwde zaken niet mogelijk is, tot deze
herstuwing.
4. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving of enig ander bericht, waarvan de ontvangst
duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst, doch niet vóór lossing van de zaken.
5. De
afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden
die deze lijdt tengevolge van de opzegging, van de
aanvaarding van de reis, dan wel van lossing of herstuwing
van reeds ingenomen zaken.
6. Dit
artikel is niet van toepassing in geval van tijdbevrachting.
Artikel 909
1. In
geval van reisbevrachting is de vervrachter na ontvangst van
wat hij van de bevrachter heeft te vorderen, op diens
verlangen verplicht de reis te aanvaarden met een gedeelte
der overeengekomen zaken. De bevrachter is verplicht de
vervrachter de vracht over de niet ter beschikking gestelde
zaken vóór het begin van het vervoer te voldoen.
2. De
vervrachter is bevoegd in plaats van de ontbrekende zaken
andere aan te nemen. Hij is niet gehouden de vracht, die hij
voor het vervoer van deze zaken ontvangt, met de bevrachter
te verrekenen, behalve voor zover hij zijnerzijds van de
bevrachter vracht over niet ter beschikking gestelde zaken
heeft geïnd of gevorderd.
3. Is
vertrek niet mogelijk zonder herstuwing van de reeds
gestuwde zaken, dan is de bevrachter op verlangen van de
vervrachter tot deze herstuwing verplicht. Hij is bovendien
verplicht de vervrachter de schade te vergoeden die deze
door herstuwing van reeds ingenomen zaken lijdt.
Artikel 910
1. De
afzender is verplicht de vervoerder omtrent de zaken alsmede
omtrent de behandeling daarvan tijdig al die opgaven te
doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en waarvan
hij weet of behoort te weten, dat zij voor de vervoerder van
belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder deze
gegevens kent.
2. De
vervoerder is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te
onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.
3. Is
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door
welke oorzaak dan ook, niet of slechts gedeeltelijk voldaan
aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde
verplichting van de afzender, dan zijn, behalve in het geval
van tijdbevrachting, het tweede, derde, vierde en vijfde lid
van artikel 908 en het vijfde lid van artikel 911 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 911
1. De
afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden
die deze lijdt doordat, door welke oorzaak dan ook, niet
naar behoren aanwezig zijn de documenten en inlichtingen,
die van de zijde van de afzender vereist zijn voor het
vervoer dan wel ter voldoening aan vóór de aflevering van de
zaken te vervullen douane- en andere formaliteiten.
2. De
vervoerder is verplicht redelijke zorg aan te wenden dat de
documenten, die in zijn handen zijn gesteld, niet verloren
gaan of onjuist worden behandeld. Een door hem terzake
verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit
hoofde van de artikelen 903 tot en met 906 in geval van
verlies van de zaken, niet overschrijden.
3. De
vervoerder is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te
onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.
4. Zijn
bij het verstrijken van de tijd waarbinnen de in het eerste
lid genoemde documenten en inlichtingen aanwezig moeten
zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren
aanwezig, dan zijn, behalve in het geval van
tijdbevrachting, het tweede, derde, vierde en vijfde lid van
artikel 908 van overeenkomstige toepassing.
5.
Indien door het niet naar behoren aanwezig zijn van de in
dit artikel bedoelde documenten of inlichtingen vervoer van
zaken van de betrokken of van een andere afzender op de
onderhavige reis wordt verlengd ten gevolge van vertraging
in de aanvang of het verloop daarvan, zal de
schadevergoeding niet minder bedragen dan het overliggeld
over het aantal uren, waarmee het vervoer is verlengd.
Artikel 912
1.
Wanneer vóór of bij de aanbieding van de zaken aan de
vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der partijen
zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij
het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen,
doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest,
redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te
gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving of enig ander bericht, waarvan de ontvangst
duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 913
1. De
afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden,
die materiaal, dat hij deze ter beschikking stelde of zaken
die deze ten vervoer ontving dan wel de behandeling daarvan,
de vervoerder berokkenden, behalve voor zover deze schade is
veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
afzender van de ten vervoer ontvangen zaken niet heeft
kunnen vermijden en waarvan zulk een afzender de gevolgen
niet heeft kunnen verhinderen.
2. Dit
artikel laat artikel 914 en de bepalingen nopens
avarij-grosse onverlet.
Artikel 914
1. Ten
vervoer ontvangen zaken, die een zorgvuldig vervoerder,
indien hij geweten zou hebben dat zij na hun
inontvangstneming gevaar zouden kunnen opleveren, met het
oog daarop niet ten vervoer zou hebben willen ontvangen,
mogen door hem op ieder ogenblik en op iedere plaats worden
gelost, vernietigd dan wel op andere wijze onschadelijk
gemaakt. Ten aanzien van ten vervoer ontvangen zaken,
waarvan de vervoerder de gevaarlijkheid heeft gekend, geldt
hetzelfde doch slechts dan wanneer zij onmiddellijk dreigend
gevaar opleveren.
2.
Indien de vervoerder op grond van het eerste lid gerechtigd
is tot lossen, vernietigen of op andere wijze onschadelijk
maken van zaken, is de afzender op verlangen van de
vervoerder en wanneer hem dit redelijkerwijs mogelijk is,
verplicht deze maatregel te nemen.
3. Door
het treffen van de in het eerste of tweede lid bedoelde
maatregel eindigt de overeenkomst met betrekking tot de daar
genoemde zaken, doch, indien deze alsnog worden gelost,
eerst na deze lossing. De vervoerder verwittigt zo mogelijk
de afzender, degeen aan wie de zaken moeten worden
afgeleverd en degeen, aan wie hij volgens de bepalingen van
een mogelijkerwijs afgegeven vrachtbrief of cognossement
bericht van aankomst van het schip moet zenden. Dit lid is
niet van toepassing met betrekking tot zaken die de
vervoerder na het treffen van de in het eerste of tweede lid
bedoelde maatregel alsnog naar hun bestemming vervoert.
4. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
beëindiging van de overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
5.
Indien zaken na beëindiging van de overeenkomst alsnog in
feite worden afgeleverd, wordt vermoed, dat zij zich op het
ogenblik van beëindiging van de overeenkomst bevonden in de
staat, waarin zij feitelijk zijn afgeleverd; worden zij niet
afgeleverd, dan wordt vermoed, dat zij op het ogenblik van
beëindiging van de overeenkomst verloren zijn gegaan.
6.
Indien de afzender na feitelijke aflevering een zaak niet
naar haar bestemming vervoert, wordt het verschil tussen de
waarden ter bestemming en ter plaatse van de aflevering,
beide als bedoeld in het tweede lid van artikel 903,
aangemerkt als waardevermindering van die zaak. Vervoert de
afzender een zaak na de feitelijke aflevering alsnog naar
haar bestemming, dan worden de kosten die hij te dien einde
maakt aangemerkt als waardevermindering van die zaak.
7. Op de
feitelijke aflevering is het tussen partijen overeengekomene
alsmede het in deze afdeling nopens de aflevering van zaken
bepaalde van toepassing, met dien verstande, dat deze
feitelijke aflevering niet op grond van de tweede zin van
het eerste lid of op grond van het derde lid van artikel 947
de vracht verschuldigd doet zijn. De artikelen 955, 956 en
957 zijn van overeenkomstige toepassing.
8. Dit
artikel laat de bepalingen nopens avarij-grosse onverlet.
9.
Nietig is ieder beding, waarbij van het eerste of het tweede
lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 915
1. Zowel
de afzender als de vervoerder kunnen terzake van het vervoer
een document (vrachtbrief) opmaken en verlangen dat dit of
een mogelijkerwijs door hun wederpartij opgemaakt document,
door hun wederpartij wordt getekend en aan hen wordt
afgegeven. Dit document kan noch aan order noch aan toonder
worden gesteld. De ondertekening kan worden gedrukt of door
een stempel dan wel enig ander kenmerk van oorsprong worden
vervangen.
2. In de
vrachtbrief worden aan de hand van door de afzender te
verstrekken gegevens vermeld:
a. de ten vervoer ontvangen zaken,
b. de plaats waar de vervoerder de
zaken ten vervoer heeft ontvangen,
c. de plaats waarheen de
vervoerder op zich neemt de zaken te vervoeren,
d. de geadresseerde,
e. de vracht,
f. al hetgeen overigens aan
afzender en vervoerder gezamenlijk goeddunkt.
De afzender staat in voor de
juistheid, op het ogenblik van inontvangstneming van de
zaken, van de door hem verstrekte gegevens.
3.
Ondertekening door de afzender houdt op zichzelf niet in,
dat hij de juistheid erkent van de aantekeningen die de
vervoerder op de vrachtbrief ten aanzien van de zaken
plaatste.
Artikel 916
1. Op
verlangen van de afzender, geuit voor de inlading een
aanvang neemt, is de vervoerder verplicht voor zaken, die
hij ten vervoer ontving, een cognossement op te maken, te
dateren, te ondertekenen en tegen intrekking van een
ontvangstbewijs of ligcognossement, dat door hem mocht zijn
afgegeven, aan de afzender af te geven. De afzender is
verplicht de gegevens, die nodig zijn voor het opmaken van
het cognossement te verstrekken en staat in voor de
juistheid daarvan op het ogenblik van de inontvangstneming
van de zaken. Op verlangen van de vervoerder is de afzender
verplicht het cognossement mede te ondertekenen of hem een
ondertekend afschrift daarvan ter hand te stellen.
2.
Wanneer de zaken voor zij ten vervoer zijn ingeladen door de
vervoerder worden ontvangen, is deze op verlangen van de
afzender verplicht een ontvangstbewijs of een voorlopig
cognossement op te maken, te dateren, te ondertekenen en af
te geven. De afzender is verplicht de gegevens, die nodig
zijn voor het opmaken van dit document, te verstrekken en
hij staat in voor de juistheid daarvan op het ogenblik van
de inontvangstneming van de zaken.
3. Nadat
de inlading is voltooid, is de vervoerder op verlangen van
de afzender verplicht een dergelijk voorlopig cognossement
hetzij om te ruilen tegen een cognossement, als in het
eerste lid bedoeld, hetzij op het voorlopige cognossement de
naam van het schip of de schepen, aan boord waarvan de zaken
werden geladen, en de datum of de data van de inlading aan
te tekenen en vervolgens deze gegevens te ondertekenen.
4. De
ondertekening kan worden gedrukt of door een stempel dan wel
enig ander kenmerk van oorsprong worden vervangen.
Artikel 917
Indien een vervoerovereenkomst is gesloten
en bovendien een cognossement is afgegeven, wordt, behoudens
artikel 940 tweede lid, tweede volzin, de rechtsverhouding
tussen de vervoerder en de afzender door de bedingen van de
vervoerovereenkomst en niet door die van dit cognossement
beheerst. Behoudens het in artikel 940 eerste lid gestelde
vereiste van houderschap van het cognossement, strekt dit hun
dan slechts tot bewijs van de ontvangst der zaken door de
vervoerder.
Artikel 918
Het cognossement, voor zover het geen
ligcognossement is, vermeldt de ten vervoer ontvangen zaken, de
plaats waar de vervoerder hen ten vervoer heeft ontvangen, de
plaats waarheen de vervoerder op zich neemt hen te vervoeren,
het schip aan boord waarvan de zaken worden geladen, en de
geadresseerde.
Artikel 919
1. In
het cognossement wordt de geadresseerde, ter keuze van de
afzender, aangegeven hetzij bij name of andere aanduiding,
hetzij als order van de afzender of van een ander, hetzij
als toonder. Op verlangen van de vervoerder wordt vermeld
aan wie deze kennis kan geven dat hij gereed is te lossen.
2. De
enkele woorden "aan order" worden geacht de order van de
afzender aan te geven.
Artikel 920
De verhandelbare exemplaren van een
cognossement, waarin is vermeld hoeveel van deze exemplaren in
het geheel zijn afgegeven, gelden alle voor één en één voor
alle.
Artikel 921
1. Het
cognossement bewijst, behoudens tegenbewijs, dat de
vervoerder de zaken heeft ontvangen en wel wat hun aard
betreft, zoals deze daarin in het algemeen zijn omschreven
en overigens zoals deze daarin naar aantal, gewicht of maat
zijn vermeld. Tegenbewijs tegen het cognossement wordt niet
toegelaten, wanneer het is overgedragen aan een derde te
goeder trouw.
2.
Indien in het cognossement de clausule: "aard, aantal, maat
of gewicht onbekend" of enige andere clausule van dergelijke
strekking is opgenomen, binden zodanige in het cognossement
voorkomende vermeldingen omtrent de zaken de vervoerder
niet, tenzij bewezen wordt, dat hij de aard, het aantal, de
maat of het gewicht der zaken heeft gekend of had behoren te
kennen.
3. Een
cognossement, dat de uiterlijk zichtbare staat of
gesteldheid van de zaak niet vermeldt, levert, behoudens
tegenbewijs dat ook jegens een derde mogelijk is, een
vermoeden op dat de vervoerder die zaak voor zover uiterlijk
zichtbaar in goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4.
Ondertekening door de afzender van het cognossement of van
een afschrift daarvan houdt op zichzelf niet in, dat hij de
juistheid erkent van de aantekeningen die de vervoerder
daarop ten aanzien van de zaken plaatste.
Artikel 922
1.
Verwijzingen in het cognossement worden geacht slechts die
bedingen daarin in te voegen, die voor degeen, jegens wie
daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar zijn.
2. Een
dergelijk beroep is slechts mogelijk voor hem, die op
schriftelijk verlangen van degeen jegens wie dit beroep kan
worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die
bedingen heeft doen toekomen.
3.
Nietig is ieder beding, waarbij van het tweede lid van dit
artikel wordt afgeweken.
Artikel 923
Een cognossement aan order wordt geleverd
op de wijze als aangegeven in afdeling 2 van Titel 4 van Boek 3.
Artikel 924
Levering van het cognossement vòòr de
aflevering van de daarin vermelde zaken door de vervoerder geldt
als levering van die zaken.
Artikel 925
De vervoerder is verplicht de plek van
inlading en lossing tijdig aan te wijzen; in geval van
tijdbevrachting is echter artikel 897 van toepassing en in geval
van reisbevrachting artikel 926.
Artikel 926
1. In
geval van reisbevrachting is de bevrachter verplicht de plek
van inlading en lossing tijdig aan te wijzen.
2. Hij
moet daartoe aanwijzen een plek, waar het schip veilig kan
komen, liggen, laden of lossen en waarvandaan het veilig kan
vertrekken.
3.
Indien de aangewezen plek niet beschikbaar is, lopen laad-
en lostijd zoals zij gelopen zouden hebben wanneer deze plek
wel beschikbaar zou zijn geweest.
4.
Wanneer de bevrachter niet aan deze verplichting voldoet, is
de vervrachter zonder dat enige aanmaning is vereist bevoegd
zelf de plek van inlading of lossing aan te wijzen.
5.
Indien de bevrachter meer dan één plek aanwijst, geldt de
tijd nodig voor het verhalen als gebruikte laad- of lostijd.
De kosten van verhalen zijn voor zijn rekening.
6. De
bevrachter staat er voor in, dat het schip op de plek, die
hij op grond van het eerste lid ter inlading of lossing
aanwijst, veilig kan komen, liggen, laden of lossen en
daarvandaan veilig kan vertrekken. Indien deze plek blijkt
niet aan deze vereisten te voldoen, is de bevrachter slechts
in zoverre niet aansprakelijk als de schipper, door de hem
gegeven aanwijzing op te volgen, onredelijk handelde.
Artikel 927
Wanneer in geval van reisbevrachting de
bevrachter de bevoegdheid heeft laad- of loshaven nader aan te
wijzen, is artikel 926 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 928
In geval van ruimtebevrachting zijn alle
kosten en tijdverlet, veroorzaakt om het schip de plek waar het
ter beschikking moet worden gesteld te doen bereiken, ten laste
van de bevrachter. De vergoeding voor tijdverlet zal niet minder
bedragen dan het overliggeld voor de gebezigde uren.
Artikel 929
1. De
vervoerder is verplicht het schip ter inlading en ter
lossing beschikbaar te stellen.
2. De
afzender is verplicht de zaken aan boord van het schip te
laden en te stuwen en de ontvanger is verplicht hen uit het
schip te lossen. Wanneer de vervoerder daarbij aanwijzingen
geeft voor de veiligheid van de vaart of ter voorkoming van
schade zijn zij verplicht deze op te volgen.
Artikel 930
1. De
laadtijd gaat in op de dag volgende op die waarop de
vervoerder aan de afzender of aan een door deze aangewezen
persoon het schip heeft gemeld.
2.
Indien het de afzender bekend is, dat het schip zich op de
dag van het sluiten van de overeenkomst in de laadplaats
bevindt, wordt de vervoerder beschouwd als op die dag de in
het eerste lid bedoelde melding te hebben verricht.
Artikel 931
1. Voor
zover de vervoerder verplicht is tot laden, is hij gehouden
zulks in de overeengekomen laadtijd te doen.
2. Voor
zover de afzender verplicht is tot laden of stuwen, staat
hij er voor in dat zulks in de overeengekomen laadtijd
geschiedt.
3.
Wanneer overligtijd is bedongen, is de afzender gerechtigd
deze tijd na afloop van de laadtijd voor inlading en stuwing
te bezigen.
4.
Bepaalt de vervoerovereenkomst overliggeld, doch niet de
overligtijd, dan wordt deze tijd vastgesteld op vier
opeenvolgende dagen of, als op de ligplek een ander aantal
redelijk of gebruikelijk is, op dit aantal.
5. De
laadtijd wordt verkort met het aantal uren, dat de belading
eerder is aangevangen of de vervoerder het schip op
verlangen van de afzender eerder voor belading beschikbaar
hield dan het tijdstip, waarop ingevolge het eerste lid van
artikel 930 de laadtijd inging. Hij wordt verlengd met het
aantal uren, dat het schip na aanvang van de werktijd op de
dag, waarop de laadtijd inging, nog niet voor belading
beschikbaar was.
6.
Laadtijd, bedongen overligtijd en de in het vierde lid
bedoelde overligdagen worden, voor zover de afzender tot
laden of stuwen verplicht is, verlengd met de uren, dat niet
kan worden geladen of gestuwd door schuld van de vervoerder
of door omstandigheden gelegen in het schip of in het
materiaal van het schip waarvan de vervoerder of de afzender
zich bedient. Zij nemen een einde, wanneer belading en
stuwing zijn beëindigd.
Artikel 932
1. De
afzender is gehouden tot betaling van overliggeld voor de
overligtijd met uitzondering van de uren vermeld in de
eerste zin van het zesde lid van artikel 931. Hij is
bovendien verplicht de vervoerder de schade te vergoeden
wanneer, door welke oorzaak dan ook, vervoer van zaken van
de betrokken of van een andere afzender op de onderhavige
reis wordt verlengd ten gevolge van vertraging in de aanvang
of het verloop van dit vervoer, ontstaan doordat de afzender
belading en stuwing niet had voltooid in de laadtijd en de
bedongen of wettelijke overligtijd. Deze schadevergoeding
zal niet minder bedragen dan het overliggeld over het aantal
uren, waarmee het vervoer is verlengd.
2. De
wettelijke bepalingen omtrent boetebedingen zijn niet van
toepassing op bedingen met betrekking tot overliggeld.
3.
Schuldenaren van overliggeld en een mogelijkerwijs uit
hoofde van het tweede lid van artikel 931 verschuldigde
schadevergoeding zijn tot betaling daarvan hoofdelijk
verbonden.
4.
Voorts gelden de regels, zo nodig vastgesteld bij algemene
maatregel van bestuur, ten aanzien van het aantal der laad-
en losdagen, de berekening van de laad-, los- en
overligtijd, het bedrag van het overliggeld, de wijze,
waarop het gewicht der te vervoeren of vervoerde zaken wordt
bepaald, de duur van de werktijd en de uren, waarop deze
begint en eindigt, voor zover niet bij plaatselijke
verordening andere uren van aanvang en einde zijn bepaald,
en de vergoeding voor of het meetellen van nachten,
zaterdagen, zondagen en daarmede geheel of gedeeltelijk
gelijkgestelde dagen, indien des nachts of op genoemde dagen
geladen, gestuwd of gelost wordt, alsmede het begin van
laad- en lostijd en de dagen en uren, waarop kennisgevingen
van laad- of losgereedheid kunnen worden gedaan.
Artikel 933
De artikelen 930, 931 en 932 vinden
overeenkomstige toepassing op lossen.
Artikel 934
1.
Behalve in geval van tijd- of reisbevrachting is de
vervoerder wanneer, nadat de inlading een aanvang heeft
genomen, het schip vergaat of zodanig beschadigd blijkt te
zijn, dat het herstel, nodig voor de uitvoering van de
overeenkomst, niet zonder ingrijpende maatregel mogelijk is,
na lossing van de zaken bevoegd de overeenkomst te
beëindigen, mits hij dit zo spoedig mogelijk doet; een
maatregel tot herstel, die lossing van de gehele lading
noodzakelijk maakt, wordt daarbij vermoed een ingrijpende
maatregel te zijn.
2.
Vermoed wordt dat het vergaan of de beschadiging van het
schip is te wijten aan een omstandigheid, die voor rekening
van de vervoerder komt; voor rekening van de vervoerder
komen die omstandigheden, die in geval van beschadiging van
door hem vervoerde zaken voor zijn rekening komen.
3. De
vervoerder verwittigt, zo mogelijk, de afzender, de
geadresseerde en degeen aan wie hij volgens de bepalingen
van een mogelijkerwijs afgegeven cognossement bericht van
gereedheid tot lossen moet zenden.
4. Het
vijfde, het zesde en het zevende lid van artikel 914 zijn
van toepassing.
Artikel 935
1. In
geval van tijd- of reisbevrachting is de vervrachter, mits
hij dit zo spoedig mogelijk doet, bevoegd de overeenkomst
geheel of met betrekking tot een gedeelte der zaken al dan
niet uitdrukkelijk op te zeggen, wanneer het schip, zonder
dat het vergaan is, zodanig beschadigd blijkt te zijn, dat
het, naar het oordeel van de vervrachter, het herstel, nodig
voor de uitvoering van de overeenkomst, niet waard is of dit
herstel binnen redelijke tijd niet mogelijk is.
2.
Wanneer in geval van reisbevrachting de vervrachter reeds
aan boord ontvangen zaken, zij het niet in het bevrachte
schip, ondanks de beëindiging van de overeenkomst, naar hun
bestemming vervoert, wordt dit vervoer vermoed op grond van
de oorspronkelijke overeenkomst plaats te vinden.
3. Door
de opzegging eindigt de overeenkomst, doch ten aanzien van
reeds aan boord ontvangen zaken, eerst na lossing van die
zaken.
4. Ten
aanzien van reeds ten vervoer ontvangen zaken wordt vermoed,
dat de beschadiging van het schip is te wijten aan een
omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter komt;
voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden,
die in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken
voor zijn rekening komen.
5. De
vervrachter verwittigt, zo spoedig als dit mogelijk is, de
bevrachter, de geadresseerde en degeen aan wie hij bericht
van gereedheid tot lossen moet zenden.
6. Het
vijfde, het zesde en het zevende lid van artikel 914 zijn
van toepassing met dien verstande, dat in geval van
tijdbevrachting vracht verschuldigd blijft tot op het
tijdstip van de lossing der zaken.
Artikel 936
1. In
geval van tijd- of reisbevrachting eindigt de overeenkomst
met het vergaan van het schip.
2. Ten
aanzien van reeds ten vervoer ontvangen zaken wordt vermoed,
dat het vergaan van het schip is te wijten aan een
omstandigheid, die voor rekening van de vervrachter komt;
voor rekening van de vervrachter komen die omstandigheden,
die in geval van beschadiging van door hem vervoerde zaken
voor zijn rekening komen.
3.
Vervoert de vervrachter ondanks het vergaan van het schip
zaken die reeds aan boord waren ontvangen alsnog naar hun
bestemming, dan wordt in geval van reisbevrachting dit
vervoer vermoed op grond van de oorspronkelijke overeenkomst
plaats te vinden.
4. De
vervrachter verwittigt, zo spoedig als dit mogelijk is, de
bevrachter, de geadresseerde en degeen aan wie hij bericht
van gereedheid tot lossen moet zenden.
5. Het
vijfde, het zesde en het zevende lid van artikel 914 zijn
van toepassing.
Artikel 937
1. De
afzender is, tenzij een cognossement is afgegeven, bevoegd
zichzelf of een ander als geadresseerde aan te wijzen, een
gegeven aanduiding van de geadresseerde te wijzigen, orders
omtrent de aflevering te geven of te wijzigen dan wel
aflevering van ten vervoer ontvangen zaken vóór de aankomst
ter bestemming te verlangen, voor zover de vervoerder aan
deze aanwijzingen redelijkerwijs kan voldoen en mits hij de
vervoerder en de belanghebbenden bij de overige lading ter
zake schadeloos stelt. Hij is verplicht tot bijdragen in een
avarij-grosse, wanneer de avarij-grosse handeling plaatshad
met het oog op een omstandigheid, waarvan reeds vóór de
aflevering is gebleken. Wanneer het schip naar een niet
eerder overeengekomen plaats of plek is gevaren, is hij
verplicht de vervoerder terzake bovendien een redelijke
vergoeding te geven.
2. Hij
kan deze rechten niet uitoefenen, wanneer door het opvolgen
van zijn aanwijzingen de reis zou worden vertraagd.
3. Deze
rechten van de afzender vervallen al naarmate de
geadresseerde op de losplek zaken ter lossing aanneemt of de
geadresseerde van de vervoerder schadevergoeding verlangt
omdat deze zaken niet aflevert.
4.
Zaken, die ingevolge het eerste lid zijn afgeleverd, worden
aangemerkt als ter bestemming afgeleverde zaken en de
bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van zaken,
alsmede de artikelen 955, 956 en 957 zijn van toepassing.
Artikel 938
1.
Indien een cognossement is afgegeven, is uitsluitend de in
artikel 940 bedoelde houder daarvan en dan alleen tegen
afgifte van alle verhandelbare exemplaren van dit
cognossement, bevoegd, voor zover de vervoerder hieraan
redelijkerwijs kan voldoen, aflevering van alle daarop
vermelde zaken gezamenlijk vóór de aankomst ter bestemming
te verlangen, mits hij de vervoerder en de belanghebbenden
bij de overige lading terzake schadeloos stelt. Hij is
verplicht tot bijdragen in een avarij-grosse, wanneer de
avarij-grosse handeling plaats had met het oog op een
omstandigheid, waarvan reeds vóór de aflevering is gebleken.
Wanneer het schip naar een niet eerder overeengekomen plaats
of plek is gevaren, is hij verplicht de vervoerder ter zake
bovendien een redelijke vergoeding te geven.
2. Hij
kan dit recht niet uitoefenen, wanneer door de voortijdige
aflevering de reis zou worden vertraagd.
3.
Zaken, die ingevolge het eerste lid zijn afgeleverd, worden
aangemerkt als ter bestemming afgeleverde zaken en de
bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van zaken,
alsmede de artikelen 955, 956 en 957 zijn van toepassing.
Artikel 939
Indien geen cognossement doch aan de
afzender een vrachtbrief die een geadresseerde vermeldt is
afgegeven, heeft ook deze geadresseerde jegens de vervoerder het
recht aflevering van de zaken overeenkomstig de op de vervoerder
rustende verplichtingen te vorderen; daarbij zijn de artikelen
903, 905 en 906 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 940
1.
Indien een cognossement is afgegeven, heeft uitsluitend de
regelmatige houder daarvan, tenzij hij niet op rechtmatige
wijze houder is geworden, jegens de vervoerder onder het
cognossement het recht aflevering van de zaken
overeenkomstig de op de vervoerder rustende verplichtingen
te vorderen; daarbij zijn de artikelen 903, 905 en 906 van
toepassing.
2.
Jegens de houder van het cognossement, die niet de afzender
was, is de vervoerder onder cognossement gehouden aan en kan
hij een beroep doen op de bedingen van dit cognossement.
Jegens iedere houder van het cognossement kan hij de uit het
cognossement duidelijk kenbare rechten tot betaling geldend
maken. Jegens de houder van het cognossement, die ook de
afzender was, kan de vervoerder zich bovendien op de
bedingen van de vervoerovereenkomst en op zijn persoonlijke
verhouding tot de afzender beroepen.
Artikel 941
1.
Indien bij toepassing van artikel 943 verscheidene personen
als vervoerder onder het cognossement moeten worden
aangemerkt zijn dezen jegens de in artikel 940 eerste lid
bedoelde cognossementhouder hoofdelijk verbonden.
2. In
het in het eerste lid genoemde geval is ieder der
vervoerders gerechtigd de uit het cognossement blijkende
rechten jegens de cognossementhouder uit te oefenen en is
deze jegens iedere vervoerder gekweten tot op het opeisbare
bedrag dat hij op grond van het cognossement aan één hunner
heeft voldaan. Titel 7 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 942
Van de houders van verschillende
exemplaren van hetzelfde cognossement heeft hij het beste recht,
die houder is van het exemplaar, waarvan ná de
gemeenschappelijke voorman, die houder was van al die
exemplaren, het eerst een ander houder is geworden te goeder
trouw en onder bezwarende titel.
Artikel 943
1.
Onverminderd de overige leden van dit artikel worden als
vervoerder onder het cognossement aangemerkt hij die het
cognossement ondertekende of voor wie een ander dit
ondertekende alsmede hij wiens formulier voor het
cognossement is gebezigd. Is het cognossement niet of op
onleesbare wijze ondertekend, dan wordt de wederpartij van
de afzender als vervoerder onder het cognossement
aangemerkt.
2.
Indien de schipper of een ander voor hem het cognossement
ondertekende, wordt naast degenen genoemd in het eerste lid,
die tijd- of reisbevrachter, die vervoerder is bij de
laatste overeenkomst in de keten der
exploitatie-overeenkomsten als bedoeld in afdeling 1 van
titel 5, als vervoerder onder het cognossement aangemerkt.
Indien het schip in rompbevrachting is uitgegeven wordt
naast deze eventuele tijd- of reisbevrachter ook de laatste
rompbevrachter als vervoerder onder het cognossement
aangemerkt. Is het schip niet in rompbevrachting uitgegeven,
dan wordt naast de hiergenoemde eventuele tijd- of
reisbevrachter ook de eigenaar als vervoerder onder het
cognossement aangemerkt.
3. In
afwijking van de vorige leden wordt uitsluitend de laatste
rompbevrachter, onderscheidenlijk de eigenaar, als
vervoerder onder het cognossement aangemerkt indien het
cognossement uitsluitend deze rompbevrachter,
onderscheidenlijk de eigenaar, uitdrukkelijk als zodanig
aanwijst en, in geval van aanwijzing van de rompbevrachter,
bovendien diens identiteit uit het cognossement duidelijk
kenbaar is.
4. Dit
artikel laat het tweede lid van artikel 861 onverlet.
5.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 944
1. Het
eerste lid, eerste volzin van artikel 943 vindt geen
toepassing indien een daar als vervoerder onder het
cognossement aangemerkte persoon bewijst dat hij die het
cognossement voor hem ondertekende daarbij de grenzen zijner
bevoegdheid overschreed of dat het formulier zonder zijn
toestemming is gebezigd. Desalniettemin wordt een in het
eerste lid, eerste volzin van artikel 943 bedoelde persoon
als vervoerder onder het cognossement aangemerkt, indien de
houder van het cognossement bewijst dat op het ogenblik van
uitgifte van het cognossement, op grond van een verklaring
of gedraging van hem voor wie is ondertekend of wiens
formulier is gebezigd, redelijkerwijze mocht worden
aangenomen, dat hij die ondertekende daartoe bevoegd was of
dat het formulier met toestemming was gebezigd.
2. In
afwijking van het eerste lid wordt de rederij als vervoerder
onder het cognossement aangemerkt indien haar boekhouder
door ondertekening van het cognossement de grenzen zijner
bevoegdheid overschreed, doch zij wordt niet gebonden jegens
de eerste houder van het cognossement die op het ogenblik
van uitgifte daarvan wist dat de boekhouder de grenzen
zijner bevoegdheid overschreed.
3. Een
beroep op het tweede lid van artikel 943 is mogelijk ook
indien de schipper door ondertekening van het cognossement
of door een ander de bevoegdheid te geven dit namens hem te
ondertekenen, de grenzen zijner bevoegdheid overschreed,
doch dergelijk beroep staat niet open aan de eerste houder
van het cognossement die op het ogenblik van uitgifte
daarvan wist dat de schipper de grenzen zijner bevoegdheid
overschreed.
4. Het
derde lid vindt eveneens toepassing indien hij die namens de
schipper het cognossement ondertekende daarbij de grenzen
zijner bevoegdheid overschreed.
Artikel 945
1. Is
een vervrachter ingevolge artikel 943 tot meer gehouden dan
waartoe hij uit hoofde van zijn bevrachting is verplicht of
ontving hij minder dan waartoe hij uit dien hoofde is
gerechtigd, dan heeft hij - mits de ondertekening van het
cognossement of de afgifte van het formulier plaatsvond
krachtens het in de bevrachting bepaalde, dan wel op verzoek
van de bevrachter - deswege op deze laatste verhaal.
2.
Hetzelfde geldt voor een ingevolge het eerste lid
aangesproken bevrachter, die op zijn beurt vervrachter is.
Artikel 946
1. De
houder van het cognossement, die zich tot ontvangst van de
zaken heeft aangemeld, is verplicht, voordat hij deze heeft
ontvangen, het cognossement van kwijting te voorzien en aan
de vervoerder af te geven.
2. Hij
is gerechtigd het cognossement tot zekerheid der afgifte
daarvan bij een, in geval van geschil op verzoek van de
meest gerede partij door de rechter aan te wijzen, derde in
bewaring te geven totdat de zaken afgeleverd zijn.
3.
Tenzij het cognossement in overeenstemming met het eerste
lid van kwijting is voorzien en aan de vervoerder is
afgegeven, is de ontvanger verplicht naarmate van de
aflevering van de zaken ontvangstbewijzen daarvoor af te
geven, voor zover althans dit de aflevering niet op
onredelijke wijze vertraagt.
Artikel 947
1. Een
derde gedeelte van de vracht, berekend over de ten vervoer
ontvangen zaken, - of, wanneer een beding als "franco vracht
tegen ontvangstbewijs" is gemaakt, twee derde gedeelte
daarvan - is verschuldigd op het ogenblik, dat de vervoerder
de zaken ten vervoer ontvangt of, wanneer door hem een
vrachtbrief of cognossement wordt afgegeven, bij het afgeven
hiervan. De overige vracht is verschuldigd na aflevering van
de zaken ter bestemming of ter plaatse, waar de vervoerder
hen met inachtneming van artikel 937 of artikel 938
afleverde. Is de vracht bepaald naar gewicht of omvang der
zaken, dan wordt hij berekend naar deze gegevens bij
aflevering.
2.
Wanneer zaken weliswaar worden afgeleverd, doch niet ter
bestemming, is distantievracht verschuldigd. Deze wordt
berekend aan de hand van het door de zaken afgelegde
gedeelte van het vervoer en de door de vervoerder gemaakte
kosten. Hierbij wordt rekening gehouden met de gehele duur
en lengte van het vervoer en het totaal van de daarvoor door
de vervoerder te maken kosten.
3.
Vracht, die in één som voor alle zaken is bepaald, is, ook
wanneer slechts een gedeelte van die zaken ter bestemming is
afgeleverd, in zijn geheel verschuldigd.
4.
Vracht, die vooruit te voldoen is of voldaan is, is en
blijft - behalve in geval van tijdbevrachting - in zijn
geheel verschuldigd, ook wanneer de zaken niet ter
bestemming worden afgeleverd.
5.
Zaken, die niet zijn afgeleverd, worden desalniettemin
aangemerkt als afgeleverde zaken voor zover het niet
afleveren het gevolg is van de aard of een gebrek van de
zaken, dan wel van een handeling of nalaten van een
rechthebbende op of de afzender, geadresseerde of ontvanger
van de zaken.
6.
Wanneer de vracht in het cognossement op een lager bedrag is
vastgesteld dan in de vervoerovereenkomst, is het verschil
aan de vervoerder vooruit te voldoen.
7.
Wanneer de afzender niet de vóór het begin van het vervoer
verschuldigde vracht heeft voldaan, is de vervoerder bevoegd
het vertrek van het schip op te schorten. Met toestemming
van de rechter is hij gerechtigd tot het nemen van de in de
artikelen 955 en 957 genoemde maatregelen. Gaat hij hiertoe
over, dan zijn deze artikelen alsmede artikel 956 van
toepassing. De afzender is verplicht de vervoerder de schade
te vergoeden, wanneer, door welke oorzaak dan ook, vervoer
van zaken van de betrokken of van een andere afzender op de
onderhavige reis wordt verlengd ten gevolge van deze
opschorting. Deze schadevergoeding zal niet minder bedragen
dan het overliggeld over het aantal uren, waarmee het
vervoer is verlengd.
Artikel 948
Voor zaken die door een opvarende voor
eigen rekening in strijd met enig wettelijk verbod worden
vervoerd is de hoogste vracht verschuldigd die ten tijde van de
inlading voor soortgelijke zaken kon worden bedongen. Deze
vracht is verschuldigd ook wanneer de zaken niet ter bestemming
worden afgeleverd en de ontvanger is met de verscheper
hoofdelijk voor deze vracht verbonden.
Artikel 949
Onder voorbehoud van de laatste zinsnede
van het zesde lid van artikel 935 is in geval van
tijdbevrachting vracht niet verschuldigd over de tijd, dat de
bevrachter het schip niet overeenkomstig de bedingen van de
bevrachting te zijner beschikking heeft
a. ten gevolge van beschadiging
daarvan, dan wel
b. doordat de vervrachter in de
nakoming van zijn verplichtingen tekort schiet,
mits het schip meer dan 24 aaneengesloten
uren niet ter beschikking van de bevrachter staat.
Artikel 950
1. Bij
tijdbevrachting komen de brandstof voor de
voortstuwingsinstallaties en de smeerolie, de havenrechten
en soortgelijke rechten en uitgaven, die verschuldigd worden
ten gevolge van uitgevoerde reizen en het vervoeren van
zaken, ten laste van de bevrachter. De overige lasten der
exploitatie van het schip komen ten laste van de
vervrachter.
2. Bij
vletten komen de havengelden ten laste van de vervrachter,
tenzij het schip zich begeeft naar een andere gemeente. In
dat geval komen de havengelden, verschuldigd in die andere
gemeente, alsmede de havengelden, verschuldigd na terugkeer
in de oorspronkelijke gemeente, ten laste van de bevrachter.
Artikel 951
Onverminderd het omtrent avarij-grosse
bepaalde en onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van Boek 6 zijn
de afzender en de ontvanger en, indien een cognossement is
afgegeven, de in artikel 940 bedoelde houder daarvan, hoofdelijk
verbonden de vervoerder de schade te vergoeden, geleden doordat
deze zich als zaakwaarnemer inliet met de behartiging van de
belangen van een rechthebbende op ten vervoer ontvangen zaken
dan wel doordat de kapitein of de schipper zijn in de artikelen
261 of 860 genoemde verplichtingen is nagekomen.
Artikel 952
Slechts een schriftelijk en ondubbelzinnig
daartoe strekkend beding ontheft de afzender van zijn
verplichtingen terzake van het vervoer.
Artikel 953
1. De
vervoerder is verplicht de bedragen, die als rembours op de
zaak drukken, bij aflevering van de zaak van de ontvanger te
innen en vervolgens aan de afzender af te dragen. Wanneer
hij aan deze verplichting, door welke oorzaak dan ook, niet
voldoet, is hij verplicht het bedrag van het rembours aan de
afzender te vergoeden, doch indien deze geen of minder
schade leed, ten hoogste tot op het bedrag van de geleden
schade.
2. De
ontvanger, die ten tijde van de aflevering weet dat een
bedrag als rembours op de zaak drukt, is verplicht aan de
vervoerder het door deze aan de afzender verschuldigde
bedrag te voldoen.
Artikel 954
1. De
vervoerder is gerechtigd afgifte van zaken, die hij in
verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, te
weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken,
tenzij op de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van
dit beslag een verplichting tot afgifte aan de beslaglegger
voortvloeit.
2. De
vervoerder kan het recht van retentie uitoefenen op zaken,
die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, voor hetgeen hem verschuldigd is of zal worden ter
zake van het vervoer van die zaken alsmede voor hetgeen als
bijdrage in avarij-grosse op die zaken verschuldigd is of
zal worden. Hij kan dit recht tevens uitoefenen voor hetgeen
bij wijze van rembours op de zaak drukt. Indien een
cognossement is afgegeven, kan hij dit recht slechts
uitoefenen voor wat hem door de ontvanger verschuldigd is of
zal worden, tenzij het cognossement bepaalt, dat de vracht
of andere vorderingen terzake van het vervoer door de
afzender moeten worden voldaan; in dat geval kan hij de
zaken terughouden, totdat de afzender aan zijn
verplichtingen voldoet. Dit retentierecht vervalt zodra aan
de vervoerder is betaald het bedrag waarover geen geschil
bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling
van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat of welker
hoogte nog niet kan worden vastgesteld. De vervoerder
behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden voor hetgeen bij
wijze van rembours op de zaak drukt.
3. De in
dit artikel aan de vervoerder toegekende rechten komen hem
niet toe jegens een derde, indien hij op het tijdstip dat
hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te twijfelen aan
de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de zaak
ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 955
1. Voor
zover, nadat zo nodig de in artikel 933 bedoelde melding is
geschied, hij die jegens de vervoerder recht heeft op
aflevering van vervoerde zaken, niet opkomt, weigert deze te
ontvangen of deze niet met de vereiste spoed in ontvangst
neemt, voor zover op zaken beslag is gelegd, alsmede indien
de vervoerder gegronde redenen heeft aan te nemen, dat een
houder van een cognossement die als ontvanger opkomt,
desalniettemin niet tot de aflevering gerechtigd is, is de
vervoerder gerechtigd deze zaken voor rekening en gevaar van
de rechthebbende bij een derde op te slaan in een daarvoor
geschikte bewaarplaats of lichter. Op zijn verzoek kan de
rechter bepalen, dat hij deze zaken, desgewenst ook in het
schip, onder zichzelf kan houden of andere maatregelen
daarvoor kan treffen. Hij is verplicht de afzender zo
spoedig mogelijk op de hoogte te stellen.
2. De
derde-bewaarnemer en de ontvanger zijn jegens elkaar
verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is
echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke
toestemming daartoe van hem, die de zaken in bewaring gaf.
Artikel 956
De vervoerder blijft in het geval van de
artikelen 954 of 955, zolang hij de zaken niet heeft opgeslagen,
voor ieder uur oponthoud gerechtigd tot overliggeld of, indien
hij meer schade lijdt, tot volledige schadevergoeding.
Artikel 957
1. In
geval van toepassing van artikel 955 kan de vervoerder, de
bewaarnemer dan wel hij, die jegens de vervoerder recht
heeft op de aflevering, op zijn verzoek door de rechter
worden gemachtigd de zaken geheel of gedeeltelijk op de door
deze te bepalen wijze te verkopen.
2. De
bewaarnemer is verplicht de vervoerder zo spoedig mogelijk
van de voorgenomen verkoop op de hoogte te stellen; de
vervoerder heeft deze verplichting jegens degeen, die jegens
hem recht heeft op de aflevering van de zaken, en jegens
degeen aan wie hij volgens artikel 933 melding moet doen.
3. De
opbrengst van het verkochte wordt in de consignatiekas
gestort voor zover zij niet strekt tot voldoening van de
kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken
beslag is gelegd voor een geldvordering, moet aan de
vervoerder uit het in bewaring te stellen bedrag worden
voldaan hetgeen hem verschuldigd is terzake van het vervoer,
op grond van een remboursbeding, alsmede een bijdrage in
avarij-grosse; voor zover deze vorderingen nog niet
vaststaan, zal de opbrengst of een gedeelte daarvan op door
de rechter te bepalen wijze tot zekerheid voor deze
vorderingen strekken.
4. De in
de consignatiekas gestorte opbrengst treedt in de plaats van
de zaken.
Artikel 958
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat,
dat er verlies of schade is, moeten de vervoerder en hij, die
jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering, elkaar over
en weer in redelijkheid alle middelen verschaffen om het
onderzoek van de zaak en het natellen van de colli mogelijk te
maken.
Artikel 959
1. Zowel
de vervoerder als hij die jegens de vervoerder recht heeft
op de aflevering is bevoegd bij de aflevering van zaken de
rechter te verzoeken een gerechtelijk onderzoek te doen
plaatshebben naar het gewicht, de maat of enige andere
omstandigheid, die van belang is bij de vaststelling van de
vracht, alsmede naar de toestand waarin de zaken worden
afgeleverd; tevens zijn zij bevoegd de rechter te verzoeken
de daarbij bevonden verliezen of schaden gerechtelijk te
doen begroten.
2.
Indien dit onderzoek in tegenwoordigheid of na behoorlijke
oproeping van de wederpartij heeft plaatsgehad, wordt het
uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 960
1. Zowel
de vervoerder als hij die jegens de vervoerder recht heeft
op de aflevering is, wanneer hij verliezen of schaden van
zaken vermoedt, bevoegd de rechter te verzoeken bij of
terstond na de aflevering daarvan en desgewenst aan boord
van het schip, een gerechtelijk onderzoek te doen
plaatshebben naar de oorzaak daarvan.
2.
Indien dit onderzoek in tegenwoordigheid of na behoorlijke
oproeping van de wederpartij heeft plaatsgehad, wordt het
uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 961
1. De
kosten van gerechtelijk onderzoek, als bedoeld in de
artikelen 959 en 960, moeten worden voldaan door de
aanvrager.
2. De
rechter kan deze kosten en door het onderzoek geleden schade
geheel of gedeeltelijk ten laste van de wederpartij van de
aanvrager brengen, ook al zouden daardoor de bedragen
genoemd in de in artikel 905 bedoelde algemene maatregel van
bestuur worden overschreden.
Afdeling 3. Overeenkomst van
personenvervoer over binnenwateren
Artikel 970
1. De
overeenkomst van personenvervoer in de zin van deze titel is
de overeenkomst van personenvervoer, al dan niet tijd- of
reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij verbindt aan
boord van een schip een of meer personen (reizigers) en al
dan niet hun bagage uitsluitend over binnenwateren te
vervoeren. Vervoer tussen wal en schip als bedoeld in
artikel 501 onder a wordt niet als vervoer over
binnenwateren aangemerkt. De overeenkomst van
personenvervoer aan boord van een luchtkussenvoertuig noch
de overeenkomst van personenvervoer als omschreven in
artikel 100 is een overeenkomst van personenvervoer in de
zin van deze afdeling.
2.
Hutbagage in de zin van deze afdeling is de bagage, met
uitzondering van levende dieren die de reiziger in zijn hut
heeft, die hij in zijn bezit, onder zijn toezicht of in zijn
macht heeft, alsmede de bagage die hij aan boord heeft van
een met hem als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of
schip, doch niet dit voertuig of schip zelf.
3.
Handbagage in de zin van deze afdeling is de bagage, met
uitzondering van levende dieren, die de reiziger als
gemakkelijk mee te voeren, draagbare dan wel met de hand
verrijdbare zaken op of bij zich heeft.
4. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen zaken die geen hut- of
handbagage zijn voor de toepassing van bepalingen van deze
afdeling als hut- of handbagage worden aangewezen, dan wel
bepalingen van deze afdeling niet van toepassing worden
verklaard op zaken, die hut- of handbagage zijn.
Artikel 971
Vervoer over binnenwateren omvat
a. met betrekking tot personen of
hun hut- of handbagage de tijd dat de reiziger of zijn
hut- of handbagage aan boord van het schip verblijft, de
tijd van inscheping of ontscheping, alsmede, onder
voorbehoud van artikel 501, de tijd dat de reiziger of
zijn hut- of handbagage te water wordt vervoerd tussen
wal en schip of tussen schip en wal, indien de prijs
hiervan in de vracht is inbegrepen of het voor dit
hulpvervoer gebezigde schip door de vervoerder ter
beschikking van de reiziger is gesteld. Vervoer over
binnenwateren van personen omvat echter niet de tijd dat
de reiziger verblijft op een ponton, een steiger, een
veerstoep of enig schip dat ligt tussen de wal en het
schip aan boord waarvan hij vervoerd zal worden of werd,
in een stationsgebouw, op een kade of enige andere
haveninstallatie;
b. met betrekking tot hut- of
handbagage bovendien de tijd dat de reiziger verblijft
op een ponton, een steiger, een veerstoep of enig schip
dat ligt tussen de wal en het schip aan boord waarvan
hij vervoerd zal worden of werd, in een stationsgebouw,
op een kade of enige andere haveninstallatie, indien die
bagage is overgenomen door de vervoerder en niet weer
aan de reiziger is afgeleverd;
c. met betrekking tot bagage die
noch hut- noch handbagage is, de tijd tussen het
overnemen daarvan door de vervoerder hetzij te land,
hetzij aan boord en de aflevering door de vervoerder.
Artikel 972
1. Tijd-
of reisbevrachting in de zin van deze afdeling is de
overeenkomst van personenvervoer, waarbij de vervoerder (de
vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord van een
schip dat hij daartoe, anders dan bij wijze van
rompbevrachting, in zijn geheel en al dan niet op tijdbasis
(tijdbevrachting of reisbevrachting) ter beschikking stelt
van zijn wederpartij (de bevrachter).
2. De in
afdeling 2 van titel 10 in het bijzonder voor het geval van
bevrachting gegeven bepalingen, alsmede artikel 894 zijn op
deze bevrachting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 973
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een
schip ten vervoer, anders dan bij wijze van rompbevrachting,
niet van toepassing.
Artikel 974
1. De
vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door
dood of letsel van de reiziger, indien een voorval dat
hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en voor
zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die
een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of door een
omstandigheid waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft
kunnen verhinderen.
2.
Vermoed wordt dat een zorgvuldig vervoerder de omstandigheid
die leidde tot schipbreuk, aanvaring, stranding, ontploffing
of brand heeft kunnen vermijden, alsmede dat zulk een
vervoerder heeft kunnen verhinderen dat deze omstandigheid
tot een dergelijk voorval leidde.
3.
Gebrekkigheid of slecht functioneren van het schip of van
het materiaal waarvan hij zich voor het vervoer bedient,
wordt aangemerkt als een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen
heeft kunnen verhinderen.
4. Bij
de toepassing van dit artikel wordt slechts dan rekening
gehouden met een gedraging van een derde, indien geen andere
omstandigheid, die mede tot het voorval leidde, voor
rekening van de vervoerder is.
Artikel 975
1. De
vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door
geheel of gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van hut-
of handbagage met uitzondering van een zaak, die zich aan
boord van een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig of
schip bevindt, indien een voorval dat hiertoe leidde zich
voordeed tijdens het vervoer en voor zover dit voorval is
veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig
vervoerder heeft kunnen vermijden of waarvan zulk een
vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
2. Het
tweede en derde lid van artikel 974 zijn van toepassing.
3. Bij
de toepassing van dit artikel wordt slechts dan rekening
gehouden met een gedraging van een derde, indien geen andere
omstandigheid, die mede tot het voorval leidde, voor
rekening van de vervoerder is.
4. Dit
artikel laat de artikelen 545 en 1006 onverlet.
Artikel 976
Onder voorbehoud van artikel 975 is de
vervoerder aansprakelijk voor schade veroorzaakt door geheel of
gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van bagage, indien een
voorval dat hiertoe leidde zich voordeed tijdens het vervoer en
voor zover dit voorval is veroorzaakt door een omstandigheid die
een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen vermijden of waarvan zulk
een vervoerder de gevolgen heeft kunnen verhinderen.
Artikel 977
De vervoerder is niet aansprakelijk in
geval van verlies of beschadiging overkomen aan geldstukken,
verhandelbare documenten, goud, zilver, juwelen, sieraden,
kunstvoorwerpen of andere zaken van waarde, tenzij deze zaken
van waarde aan de vervoerder in bewaring zijn gegeven en hij
overeengekomen is hen in zekerheid te zullen bewaren.
Artikel 978
De vervoerder is terzake van door de
reiziger aan boord gebrachte zaken die hij, indien hij hun aard
of gesteldheid had gekend, niet aan boord zou hebben toegelaten
en waarvoor hij geen bewijs van ontvangst heeft afgegeven, geen
enkele schadevergoeding verschuldigd indien de reiziger wist of
behoorde te weten, dat de vervoerder de zaken niet ten vervoer
zou hebben toegelaten; de reiziger is alsdan aansprakelijk voor
alle kosten en schaden voor de vervoerder voortvloeiend uit de
aanbieding ten vervoer of uit het vervoer zelf.
Artikel 979
Onverminderd artikel 978 en onverminderd
artikel 179 van Boek 6 is de reiziger verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die hij of zijn bagage deze berokkende,
behalve voor zover deze schade is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig reiziger niet heeft kunnen
vermijden en voor zover zulk een reiziger de gevolgen daarvan
niet heeft kunnen verhinderen. De reiziger kan niet om zich van
zijn aansprakelijkheid te ontheffen beroep doen op de
hoedanigheid of een gebrek van zijn bagage.
Artikel 980
1.
Onverminderd de bepalingen van deze afdeling zijn op het
vervoer van bagage de artikelen 895, 903 eerste en tweede
lid, 904 eerste lid, 910 eerste en tweede lid, 911, 912,
914, 951 en 954 tot en met 961 van toepassing. De in artikel
954 toegekende rechten en het in artikel 957 toegekende
recht tot het zich laten voldoen uit het in bewaring te
stellen bedrag van kosten terzake van het vervoer, kunnen
worden uitgeoefend voor alles wat de wederpartij van de
vervoerder of de reiziger aan de vervoerder verschuldigd is.
2.
Partijen hebben de vrijheid af te wijken van in het eerste
lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk verklaarde
bepalingen.
Artikel 981
Op de overeenkomst van personenvervoer
zijn de artikelen 511 tot en met 516 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 982
1.
Behoudens de artikelen 974 tot en met 977 is de vervoerder
niet aansprakelijk voor schade ontstaan door een handeling,
onachtzaamheid of nalatigheid van de kapitein of de
schipper, een ander lid van de bemanning, de loods of de
ondergeschikten van de vervoerder, gepleegd bij de navigatie
van het schip.
2.
Behoudens de artikelen 974 tot en met 977 wordt generlei
afwijking van de koers tot redding of poging tot redding van
mensenlevens of goederen en generlei redelijke afwijking van
de koers beschouwd als een schending van enige
vervoerovereenkomst en de vervoerder is niet aansprakelijk
voor enig verlies of enige schade daardoor ontstaan.
Artikel 983
1. De
aansprakelijkheid van de vervoerder is in geval van dood,
letsel of vertraging van de reiziger en in geval van
verlies, beschadiging of vertraging van diens bagage beperkt
tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te
bepalen bedrag of bedragen.
2. Dit
artikel laat de titels 7 en 12 van dit boek onverlet.
Artikel 984
1. De
vervoerder kan zich niet beroepen op enige beperking van
zijn aansprakelijkheid voor zover de schade is ontstaan uit
zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 985
Nietig is ieder vóór het aan de reiziger
overkomen voorval of vóór het verlies of beschadiging van bagage
gemaakt beding, waarbij de ingevolge de artikelen 974 tot en met
977 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast
wordt verminderd op andere wijze dan in deze afdeling is
voorzien.
Artikel 986
Op de overeenkomst van personenvervoer
over binnenwateren zijn de artikelen 521 tot en met 528 van
overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Enige bijzondere
overeenkomsten
Artikel 990
1. Onder
de overeenkomst (rompbevrachting), waarbij de ene partij (de
rompvervrachter) zich verbindt een schip uitsluitend op
binnenwateren terbeschikking te stellen van haar wederpartij
(de rompbevrachter) zonder daarover nog enige zeggenschap te
houden, ligt de exploitatie van het schip in handen van de
rompbevrachter en geschiedt zij voor diens rekening.
2.
Artikel 894 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 991
1. Op de
overeenkomst, waarbij de ene partij zich verbindt een schip,
anders dan bij wijze van rompbevrachting, uitsluitend op
binnenwateren terbeschikking te stellen van de andere partij
voor andere doeleinden dan het aan boord daarvan opslaan of
het daarmee vervoeren van zaken of personen zijn de
bepalingen nopens avarij-grosse alsmede de bepalingen van
deze titel en, indien het een zeeschip betreft, de artikelen
361 tot en met 366 van overeenkomstige toepassing.
2.
Partijen hebben de vrijheid af te wijken van in het eerste
lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk verklaarde
bepalingen.
Artikel 992
1. De
ligovereenkomst is de overeenkomst, waarbij de ene partij
(de vervrachter) zich verbindt een schip anders dan bij
wijze van rompbevrachting uitsluitend op binnenwateren
terbeschikking te stellen van de andere partij (de
bevrachter), teneinde aan boord daarvan zaken te laden, op
te slaan en daaruit te lossen.
2. De
ligovereenkomst kan voor bepaalde of voor onbepaalde tijd
worden aangegaan. Indien zij voor bepaalde tijd is aangegaan
en na afloop van die tijd stilzwijgend wordt verlengd, wordt
zij vermoed een voor onbepaalde tijd aangegane overeenkomst
te zijn.
3. Op de
ligovereenkomst zijn de bepalingen nopens avarij-grosse
alsmede de bepalingen van deze titel en, indien het een
zeeschip betreft, de artikelen 361 tot en met 366 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat partijen
de vrijheid hebben in hun onderlinge verhouding van deze
bepalingen af te wijken.
Artikel 993
1.
Indien de ligovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan,
kan zij door de bevrachter zonder termijn en door de
vervrachter met een termijn van tenminste zeven dagen worden
opgezegd.
2. Bij
opzegging door de vervrachter moet het schip na afloop van
de door deze gestelde termijn door de bevrachter zijn
gelost.
3. De
ligprijs is verschuldigd tot en met de dag, waarop de
lossing is voltooid, doch in elk geval tot en met de tweede
dag volgend op de dag van de opzegging door de bevrachter.
4. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving of enig ander bericht, waarvan de ontvangst
duidelijk aantoonbaar is.
Artikel 994
1. De
overeenkomst voor liggen en/of varen is de overeenkomst,
waarbij de ene partij (de vervrachter) zich verbindt een
schip, anders dan bij wijze van rompbevrachting, uitsluitend
op binnenwateren ter beschikking te stellen van de andere
partij (de bevrachter) en waarbij de bevrachter de keuze
heeft het schip slechts te laten liggen of het, na een tijd
van liggen, te laten varen.
2. Het
liggen wordt beheerst door het omtrent de ligovereenkomst
bepaalde; op het varen zijn de bepalingen nopens
avarij-grosse, alsmede de bepalingen van deze titel en,
indien het een zeeschip betreft, de artikelen 361 tot en met
366 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 995
De bevrachter heeft het recht het schip
gedeeltelijk te lossen en daarna te laten varen. In dat geval is
hij de vracht verschuldigd, die bij varen met de volle lading
verschuldigd zou zijn geweest.
Artikel 996
1. De
vervrachter kan, wanneer geen bepaalde ligtijd is
overeengekomen, met een termijn van ten minste zeven dagen
de ligtijd beëindigen door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving aan de bevrachter, dan wel door enig ander
bericht, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar is.
Deelt de bevrachter aan de vervrachter niet binnen 48 uur na
ontvangst van deze kennisgeving mede, dat hij het schip
wenst te laten varen, dan gaat na afloop van deze termijn
van 48 uur de lostijd in.
2. De
ligprijs is verschuldigd tot en met de dag, waarop de
lossing is voltooid, doch in elk geval tot en met de tweede
dag volgend op de dag, waarop de vervrachter de in het
eerste lid bedoelde mededeling deed.
Artikel 997
1.
Indien de bevrachter het schip wenst te laten varen is de
vervrachter verplicht uiterlijk op de eerste werkdag
volgende op die, waarop hij daarvan kennisgeving heeft
ontvangen, de reis aan te vangen. Wordt hij in de
aanvaarding van de reis door de bevrachter opgehouden, dan
is deze verplicht hem op de voet van artikel 932 schade te
vergoeden.
2. Kan
de reis door omstandigheden, die de vervrachter niet toe te
rekenen zijn en die reeds bestonden ten tijde van de
opdracht tot varen, niet worden aangevangen of vervolgd, dan
blijft, zolang de verhindering duurt, de ligprijs
verschuldigd.
Artikel 998
Voor de toepassing van de bepalingen van
deze afdeling wordt ter beschikkingstelling van een en eenzelfde
schip ter zee en op binnenwateren beschouwd als
terbeschikkingstelling op binnenwateren, mits de
terbeschikkingstelling ter zee kennelijk ondergeschikt is aan
die op binnenwateren.
Titel 11. Ongevallen
Afdeling 1. Aanvaring
Artikel 1000
Onder binnenschepen worden in deze
afdeling mede verstaan draagvleugelboten, vlotten, veerponten,
beweegbare delen van schipbruggen, baggermolens, drijvende
kranen, elevatoren en alle drijvende werktuigen, pontons of
materiaal van soortgelijke aard, die voldoen aan de in de
artikelen 1 en 3 ten aanzien van binnenschepen vermelde
vereisten.
Artikel 1001
Aanvaring is de aanraking van schepen met
elkaar.
Artikel 1002
Het in deze afdeling omtrent aanvaring
bepaalde vindt - voor zover niet afdeling 1 van titel 6 van
toepassing is - eveneens toepassing indien schade door een
binnenschip is veroorzaakt zonder dat een aanvaring plaatshad.
Artikel 1003
Indien een binnenschip door een aanvaring
schade heeft veroorzaakt, wordt de aansprakelijkheid voor deze
schade geregeld door deze afdeling, voor zover althans niet
afdeling 1 van titel 6 van toepassing is.
Artikel 1004
1.
Verplichting tot schadevergoeding op grond van deze afdeling
bestaat slechts indien de schade is veroorzaakt door schuld.
Er bestaat geen wettelijk vermoeden van schuld terzake van
een aanvaring, doch het schip, dat in aanraking komt met een
andere, zo nodig behoorlijk verlichte, vaste of te bekwamer
plaats vastgemaakte zaak, geen schip zijnde, is
aansprakelijk voor de schade, tenzij blijkt dat de schade
niet is veroorzaakt door schuld van het schip.
2.
Indien de schade is veroorzaakt door toeval, indien zij is
toe te schrijven aan overmacht of indien haar oorzaken niet
kunnen worden vastgesteld, wordt zij gedragen door hen, die
haar hebben geleden.
3. In
geval van slepen is ieder binnenschip, dat deel uitmaakt van
een sleep, slechts aansprakelijk indien er schuld aan zijn
zijde is.
Artikel 1005
Indien de schade is veroorzaakt door de
schuld van één binnenschip, is de eigenaar van dit schip
verplicht de schade te vergoeden.
Artikel 1006
1.
Indien twee of meer binnenschepen gezamenlijk door hun
schuld schade hebben veroorzaakt, zijn de eigenaren daarvan
zonder hoofdelijkheid aansprakelijk voor de schade,
toegebracht aan medeschuldige schepen en aan goederen, die
zich aan boord daarvan bevinden, en hoofdelijk voor alle
overige schade.
2. Is de
aansprakelijkheid niet hoofdelijk, dan zijn de eigenaren van
de schepen, die gezamenlijk door hun schuld de schade hebben
veroorzaakt, tegenover de benadeelden aansprakelijk in
verhouding tot het gewicht van de schuld van hun schepen;
indien echter de omstandigheden meebrengen, dat die
verhouding niet kan worden vastgesteld of indien blijkt dat
de schuld van deze schepen gelijkwaardig is, wordt de
aansprakelijkheid in gelijke delen verdeeld.
3. Is de
aansprakelijkheid hoofdelijk, dan moet elk der
aansprakelijke eigenaren zijn door het tweede lid van dit
artikel vastgestelde aandeel in de betaling aan de
schuldeiser voor zijn rekening nemen. Onder voorbehoud van
de artikelen 880 en 364 heeft hij, die meer dan zijn aandeel
heeft betaald, voor het overschot verhaal op zijn
medeschuldenaren die minder dan hun aandeel hebben betaald.
Verlies, veroorzaakt door het onvermogen van een der
eigenaren van de medeschuldige schepen om te betalen, wordt
over de andere eigenaren omgeslagen in de door het tweede
lid van dit artikel vastgestelde verhouding.
Artikel 1007
De krachtens deze afdeling bestaande
aansprakelijkheid wordt niet opgeheven ingeval de schade is
veroorzaakt door de schuld van een loods, zelfs niet als het
gebruik van deze verplicht is.
Afdeling 2. Hulpverlening
Artikel 1010
De hulpverlening door binnenschepen en de
hulp aan binnenschepen, aan zich aan boord daarvan bevindende
zaken of aan van een binnenschip afkomstige in bevaarbaar water
of welk ander water dan ook driftige, aangespoelde of gezonken
zaken worden geregeld door afdeling 2 van titel 6, met dien
verstande dat hetgeen in die afdeling voor de reder is bepaald,
wanneer het een binnenschip betreft, geldt voor de eigenaar
daarvan en hetgeen voor de kapitein is bepaald, wanneer het een
binnenschip betreft, geldt voor de schipper daarvan.
Afdeling 3. Avarij-grosse
Artikel 1020
1.
Avarij-grosse zijn de opofferingen en uitgaven
redelijkerwijs verricht of gedaan bij aanwezigheid van
bijzondere omstandigheden met het doel een binnenschip en de
goederen aan boord daarvan uit een gemeenschappelijk gevaar,
hoe of door wiens toedoen dit ook zij ontstaan, te redden.
2.
Verlies van passagegeld is geen avarij-grosse.
Artikel 1021
1.
Avarij-grosse wordt aan hem, die haar leed, vergoed door de
eigenaar van het binnenschip, de belanghebbende bij de
vracht, de ontvanger van de lading en de eigenaren van de
overige zich aan boord bevindende zaken met uitzondering van
postzendingen, mondvoorraden, passagiersbagage, zelfs
wanneer geregistreerd, en van persoonlijke bezittingen.
2. In
afwijking van het eerste lid draagt een motorrijtuig of
schip, dat door een vervoerder in verband met een
overeenkomst van personenvervoer aan boord van het
binnenschip wordt vervoerd, bij in de avarij-grosse.
Artikel 1022
De vergoedingen in avarij-grosse en de
dragende waarden der in de avarij-grosse bijdragende belangen
worden bovendien bepaald met inachtneming van de Rijnregels
I.V.R, nader omschreven bij algemene maatregel van bestuur.
Afdeling 4. Gevaarlijke stoffen aan boord
van een binnenschip
Artikel 1030
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. "gevaarlijke stof": een
stof die als zodanig bij algemene maatregel van bestuur
is aangewezen; de aanwijzing kan worden beperkt tot
bepaalde concentraties van de stof, tot bepaalde in de
algemene maatregel van bestuur te omschrijven gevaren
die aan de stof verbonden zijn, en tot bepaalde daarin
te omschrijven situaties waarin de stof zich bevindt;
b. "schip": binnenschip,
niet zijnde een luchtkussenvoertuig;
c. "schade":
1°. schade veroorzaakt door
dood of letsel van enige persoon veroorzaakt door
een gevaarlijke stof;
2°. andere schade buiten het
schip aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich
bevindt, veroorzaakt door die gevaarlijke stof, met
uitzondering van verlies van of schade met
betrekking tot andere schepen of zeeschepen en zaken
aan boord daarvan, indien die schepen of zeeschepen
deel uitmaken van een sleep, waarvan ook dit schip
deel uitmaakt, of hecht met dit schip in een eenheid
zijn gekoppeld;
3°. de kosten van preventieve
maatregelen en verlies of schade veroorzaakt door
zulke maatregelen;
d. "preventieve maatregel":
iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking
van schade door wie dan ook genomen met uitzondering van
de overeenkomstig deze afdeling aansprakelijke persoon
nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden;
e. "gebeurtenis": elk feit
of elke opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak,
waardoor schade ontstaat of waardoor een ernstige en
onmiddellijke dreiging van schade ontstaat;
f. "eigenaar": hij die de
zeggenschap heeft over het gebruik van het schip aan
boord waarvan de gevaarlijke stof zich bevindt. De
persoon die in een register waarin het schip te boek
staat, als eigenaar van het schip is ingeschreven, of,
bij gebreke van enige teboekstelling, de persoon die het
schip in eigendom heeft, wordt aangemerkt als eigenaar,
tenzij hij bewijst dat ten tijde van de gebeurtenis een
door hem bij name genoemde ander de zeggenschap over het
gebruik van het schip had of dat op dat tijdstip een
ander zonder zijn toestemming en zonder dat hij zulks
redelijkerwijs kon voorkomen de zeggenschap over het
gebruik van het schip had.
Artikel 1031
1. Deze
afdeling is niet van toepassing, indien de eigenaar jegens
degene die de vordering instelt, aansprakelijk is uit hoofde
van een exploitatie-overeenkomst of jegens deze persoon een
beroep op een exploitatie-overeenkomst heeft.
2. Deze
afdeling is van toepassing op de periode waarin een
gevaarlijke stof zich aan boord van een schip bevindt,
daaronder begrepen de periode vanaf het begin van de
inlading van de gevaarlijke stof in het schip tot het einde
van de lossing van die stof uit het schip.
3. Deze
afdeling is niet van toepassing op schade veroorzaakt
wanneer het schip uitsluitend wordt gebruikt in een niet
voor publiek toegankelijk gebied en zulk gebruik een
onderdeel vormt van een in dat gebied plaatsvindende
bedrijfsuitoefening.
4. Op
zich overeenkomstig het tweede lid aan boord bevindende
stoffen als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 is dat artikel
niet van toepassing, tenzij zich het geval van het derde lid
voordoet.
Artikel 1032
1.
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt in een
vervoermiddel dat zich aan boord van een schip bevindt
zonder dat de gevaarlijke stof uit dit gestapelde
vervoermiddel wordt gelost, zal de gevaarlijke stof voor die
periode geacht worden zich alleen aan boord van genoemd
schip te bevinden.
2.
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt in een schip dat
wordt gesleept door een ander schip of door een zeeschip of
wordt voortbewogen door een ander schip of door een
zeeschip, dat hecht met dit schip in een eenheid gekoppeld
is, zal de gevaarlijke stof geacht worden zich alleen aan
boord van laatstgenoemd schip of zeeschip te bevinden.
3.
Gedurende de handelingen bedoeld in artikel 1033, vijfde
lid, onderdelen c, d en e, zal de
gevaarlijke stof geacht worden:
a. in afwijking van het eerste
lid, zich alleen aan boord van het gestapelde
vervoermiddel te bevinden;
b. in afwijking van het tweede
lid, zich alleen aan boord van eerstgenoemd schip te
bevinden.
Artikel 1033
1. Hij
die ten tijde van een gebeurtenis eigenaar is van een schip
aan boord waarvan zich een gevaarlijke stof bevindt, is
aansprakelijk voor de schade door die stof veroorzaakt ten
gevolge van die gebeurtenis. Bestaat de gebeurtenis uit een
opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, dan rust de
aansprakelijkheid op degene die ten tijde van het eerste
feit eigenaar was.
2. De
eigenaar is niet aansprakelijk indien:
a. de schade is veroorzaakt door
een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog,
opstand of natuurgebeuren van uitzonderlijke,
onvermijdelijke en onweerstaanbare aard;
b. de schade uitsluitend is
veroorzaakt door een handelen of nalaten van een derde,
niet zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid,
onderdeel a, geschied met het opzet de schade te
veroorzaken;
c. de afzender of enige andere
persoon niet heeft voldaan aan zijn verplichting hem in
te lichten over de gevaarlijke aard van de stof, en noch
de eigenaar, noch de in het vijfde lid, onderdeel a,
genoemde personen wisten of hadden behoren te weten dat
deze gevaarlijk was.
3.
Indien de eigenaar bewijst dat de schade geheel of
gedeeltelijk het gevolg is van een handelen of nalaten van
de persoon die de schade heeft geleden, met het opzet de
schade te veroorzaken, of van de schuld van die persoon, kan
hij geheel of gedeeltelijk worden ontheven van zijn
aansprakelijkheid tegenover die persoon.
4. De
eigenaar kan voor schade slechts uit anderen hoofde dan deze
afdeling worden aangesproken in het geval van het tweede
lid, onderdeel c, alsmede in het geval dat hij uit
hoofde van arbeidsovereenkomst kan worden aangesproken.
5.
Behoudens de artikelen 1034 en 1035 zijn voor schade niet
aansprakelijk:
a. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de eigenaar of de
leden van de bemanning,
b. de loods en ieder ander die,
zonder bemanningslid te zijn, ten behoeve van het schip
werkzaamheden verricht,
c. zij die anders dan tegen een
uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege het schip in
hulp verlenen aan het schip, de zich aan boord daarvan
bevindende zaken of de opvarenden,
d. zij die op aanwijzing van een
bevoegde overheidsinstantie hulp verlenen aan het schip,
de zich aan boord daarvan bevindende zaken of de
opvarenden,
e. zij die preventieve maatregelen
nemen met uitzondering van de eigenaar,
f. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit lid,
onderdelen b, c, d en e, van
aansprakelijkheid vrijgestelde personen, tenzij de
schade is ontstaan uit hun eigen handelen of nalaten,
geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken,
hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er
waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
6. De
eigenaar heeft, voor zover niet anders is overeengekomen,
verhaal op de in het vijfde lid bedoelde personen, doch
uitsluitend indien dezen ingevolge het slot van dit lid voor
de schade kunnen worden aangesproken.
Artikel 1034
1.
Indien de eigenaar bewijst dat de gevaarlijke stof tijdens
de periode bedoeld in artikel 1031, tweede lid, is geladen
of gelost onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van een
door hem bij name genoemde ander dan de eigenaar of zijn
ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber, zoals de
afzender of ontvanger, is de eigenaar niet aansprakelijk
voor de schade als gevolg van een gebeurtenis tijdens het
laden of lossen van de gevaarlijke stof en is die ander voor
deze schade aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling.
2.
Indien echter de gevaarlijke stof tijdens de periode bedoeld
in artikel 1031, tweede lid, is geladen of gelost onder de
gezamenlijke verantwoordelijkheid van de eigenaar en een
door de eigenaar bij name genoemde ander, zijn de eigenaar
en die ander hoofdelijk aansprakelijk overeenkomstig deze
afdeling voor de schade als gevolg van een gebeurtenis
tijdens het laden of lossen van de gevaarlijke stof.
3.
Indien is geladen of gelost door een persoon in opdracht of
ten behoeve van de vervoerder of een ander, zoals de
afzender of de ontvanger, is niet deze persoon, maar de
vervoerder of die ander aansprakelijk.
4.
Indien een ander dan de eigenaar op grond van het eerste of
het tweede lid aansprakelijk is, kan die ander geen beroep
doen op artikel 1033, vierde lid en vijfde lid, onderdeel
b.
5.
Indien een ander dan de eigenaar op grond van het eerste of
het tweede lid aansprakelijk is, zijn ten aanzien van die
ander titel 12 alsmede de artikelen 642a tot en met 642z van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in geval
van hoofdelijke aansprakelijkheid:
a. de beperking van
aansprakelijkheid krachtens titel 12 geldt voor het
geheel der naar aanleiding van eenzelfde gebeurtenis
ontstane vorderingen gericht tegen beiden;
b. een fonds gevormd door één van
hen overeenkomstig artikel 642c van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering wordt aangemerkt als door
beiden te zijn gevormd en zulks ten aanzien van de
vorderingen waarvoor het fonds werd gesteld.
6. In de
onderlinge verhouding tussen de eigenaar en de in het tweede
lid van dit artikel genoemde ander is de eigenaar niet tot
vergoeding verplicht dan in geval van schuld van hemzelf of
van zijn ondergeschikten, vertegenwoordigers of lasthebbers.
7. Dit
artikel is niet van toepassing als tijdens de periode,
bedoeld in artikel 1031, tweede lid, is geladen of gelost
onder de uitsluitende of gezamenlijke verantwoordelijkheid
van een persoon, genoemd in artikel 1033, vijfde lid,
onderdeel c, d of e.
Artikel 1035
Indien ingevolge artikel 1033, tweede lid,
onderdeel c, de eigenaar niet aansprakelijk is, is de
afzender of andere persoon aansprakelijk overeenkomstig deze
afdeling en zijn te diens aanzien titel 12 alsmede de artikelen
642a tot en met 642z van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. De afzender of
andere persoon kan geen beroep doen op artikel 1033, vierde lid.
Artikel 1036
Indien schade veroorzaakt door de
gevaarlijke stof redelijkerwijs niet kan worden gescheiden van
schade anderszins veroorzaakt, zal de gehele schade worden
aangemerkt als schade in de zin van deze afdeling.
Artikel 1037
1.
Wanneer door een gebeurtenis schade is veroorzaakt door
gevaarlijke stoffen aan boord van meer dan één schip, dan
wel aan boord van een schip en een zeeschip of een
luchtkussenvoertuig, zijn de eigenaren en de reder of de
exploitant van de daarbij betrokken schepen, het zeeschip of
het luchtkussenvoertuig, onverminderd het in artikel 1033,
tweede en derde lid, en artikel 1034, afdeling 4 van titel 6
en afdeling 1 van titel 14 bepaalde, hoofdelijk
aansprakelijk voor alle schade waarvan redelijkerwijs niet
kan worden aangenomen dat zij veroorzaakt is door
gevaarlijke stoffen aan boord van één of meer bepaalde
schepen, zeeschip of luchtkussenvoertuig.
2. Het
bepaalde in het eerste lid laat onverlet het beroep op
beperking van aansprakelijkheid van de reder, eigenaar of
exploitant krachtens titel 7 of titel 12, dan wel de
artikelen 1218 tot en met 1220, ieder tot het voor hem
geldende bedrag.
TITEL 12. Beperking van aansprakelijkheid
van eigenaren van binnenschepen
Artikel 1060
1. De
eigenaar van een binnenschip en de hulpverlener kunnen door
het stellen van één of meer fondsen als bedoeld in artikel
642c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
hun aansprakelijkheid beperken voor de in artikel 1062
genoemde vorderingen.
2. Onder
eigenaar worden in deze titel mede verstaan de bevrachter,
de huurder en de beheerder van een binnenschip met inbegrip
van degene in wiens handen de exploitatie van een
binnenschip is gelegd.
3. Onder
hulpverlener wordt in deze titel een ieder verstaan die
werkzaamheden verricht in onmiddellijk verband met
hulpverlening, waaronder in deze titel mede worden verstaan
de in artikel 1062, eerste lid, onder d, e en
f, genoemde werkzaamheden of maatregelen.
4. Onder
binnenschepen worden in deze titel mede verstaan
draagvleugelboten, veerponten en kleine vaartuigen,
baggermolens, drijvende kranen, elevatoren en alle andere
drijvende en verplaatsbare werktuigen, pontons of materiaal
van soortgelijke aard, die voldoen aan de in de artikelen 1
en 3 van dit boek ten aanzien van binnenschepen vermelde
vereisten.
5. Een
binnenschip in aanbouw wordt voor de toepassing van deze
titel mede als binnenschip aangemerkt van het ogenblik af
dat de stapelloop aanvangt. Een luchtkussenvoertuig wordt
voor de toepassing van deze titel niet als binnenschip
aangemerkt.
Artikel 1061
1.
Indien een vordering als genoemd in artikel 1062 wordt
gericht tegen enige persoon voor wiens handeling,
onachtzaamheid of nalatigheid de eigenaar of de hulpverlener
in beginsel aansprakelijk is, heeft deze persoon de in deze
titel verleende bevoegdheid tot beperking van zijn
aansprakelijkheid.
2. De
verzekeraar van de aansprakelijkheid voor vorderingen,
waarvoor op grond van deze titel beperking van
aansprakelijkheid mogelijk is, kan zich in dezelfde mate als
zijn verzekerde op die beperking beroepen.
Artikel 1062
1. Onder
voorbehoud van de artikelen 1063 en 1064 bestaat de
bevoegdheid tot beperking van aansprakelijkheid voor de
hierna genoemde vorderingen ingesteld hetzij op grond van
overeenkomst, hetzij buiten overeenkomst en zelfs wanneer de
aansprakelijkheid uitsluitend voortvloeit uit eigendom of
bezit van of een voorrecht op het schip of uit het feit, dat
dit onder hoede of toezicht is van hem die zich op de
beperking van aansprakelijkheid beroept:
a. vorderingen terzake van dood of
letsel, dan wel terzake van verlies van of schade aan
zaken (met inbegrip van schade aan kunstwerken van
havens, aan dokken, waterwegen, sluizen, bruggen en
hulpmiddelen voor de scheepvaart), opgekomen aan boord
van het binnenschip of in rechtstreeks verband met de
exploitatie van het binnenschip of met werkzaamheden ter
hulpverlening, alsmede voor vorderingen terzake van
schade tengevolge van een of ander;
b. vorderingen terzake van schade
ontstaan door vertraging bij het vervoer van lading,
reizigers of hun bagage;
c. vorderingen terzake van andere
schade ontstaan door inbreuk op enig niet op
overeenkomst gegrond vermogensrecht en opgekomen in
rechtstreeks verband met de exploitatie van het
binnenschip of met werkzaamheden ter hulpverlening;
d. vorderingen terzake van het
vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk
maken van een zee- of binnenschip dat is gezonken,
schipbreuk heeft geleden, gestrand of verlaten is, met
inbegrip van alles wat aan boord van zulk een schip is
of is geweest;
e. vorderingen terzake van het
verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van de
lading van het binnenschip;
f. vorderingen van een persoon
terzake van maatregelen genomen om schade te voorkomen
of te verminderen voor welke schade de daarvoor
aansprakelijke persoon zijn aansprakelijkheid op grond
van deze titel zou kunnen beperken, alsmede voor
vorderingen terzake van verdere schade door zulke
maatregelen geleden, één en ander echter met
uitzondering van dusdanige vorderingen van deze
aansprakelijke persoon zelf.
2.
Aansprakelijkheid voor de in het eerste lid genoemde
vorderingen kan worden beperkt, ook indien deze, al dan niet
op grond van een overeenkomst, zijn ingesteld bij wijze van
verhaal of vrijwaring. De aansprakelijkheid voor de
vorderingen in het eerste lid genoemd onder d, e
of f, kan echter niet worden beperkt voor zover deze
vorderingen betrekking hebben op een vergoeding verschuldigd
op grond van een overeenkomst met de aansprakelijke persoon.
Artikel 1063
1. Deze
titel is niet van toepassing op:
a. vorderingen uit hoofde van
hulpverlening of bijdrage in avarij-grosse;
b. vorderingen onderworpen aan
enig internationaal verdrag of enige wet, die de
beperking van aansprakelijkheid voor kernschade regelt
of verbiedt;
c. vorderingen tegen de exploitant
van een nucleair binnenschip terzake van kernschade;
d. vorderingen uit hoofde van
arbeidsovereenkomst tegen de eigenaar of de hulpverlener
ingesteld door zijn ondergeschikten of hun
rechtverkrijgenden voor zover deze vorderingen
werkzaamheden betreffen in verband met het binnenschip
of de hulpverlening, al naar gelang de aansprakelijkheid
van de eigenaar of de hulpverlener voor deze vorderingen
uit hoofde van de op de arbeidsovereenkomst
toepasselijke wet niet of slechts tot een hoger bedrag
dan op grond van deze titel het geval ware, kan worden
beperkt.
2.
Wanneer iemand die op grond van deze titel bevoegd is zijn
aansprakelijkheid te beperken, gerechtigd is tegen een
schuldeiser een vordering geldend te maken, die voortkomt
uit hetzelfde voorval, zullen de respectieve vorderingen met
elkaar worden verrekend en wordt de beperking van
aansprakelijkheid slechts toegepast op het daarna
mogelijkerwijs overblijvende saldo.
Artikel 1064
Niemand is gerechtigd zijn
aansprakelijkheid te beperken, indien bewezen is dat de schade
is ontstaan door zijn eigen handeling of nalaten, geschied
hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos
en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
Artikel 1065
Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid
uit hoofde van deze titel voor vorderingen, naar aanleiding van
éénzelfde voorval ontstaan, kan worden beperkt (het bedrag van
het fonds), wordt berekend naar bij algemene maatregel van
bestuur vast te stellen maatstaven welke verschillend kunnen
zijn voor verschillende soorten schepen en voor een
hulpverlener. Daarbij kunnen met betrekking tot de in artikel
1062, eerste lid, bedoelde vorderingen verschillende fondsen
worden voorzien.
Artikel 1066
1. De
beperking van aansprakelijkheid als vastgesteld krachtens de
in artikel 1065 bedoelde algemene maatregel van bestuur
geldt voor het geheel der naar aanleiding van éénzelfde
voorval ontstane vorderingen, die niet zijn vorderingen als
bedoeld in het tweede lid, gericht tegen
a. de persoon of personen genoemd
in het tweede lid van artikel 1060 en enige persoon voor
wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid dezen in
beginsel aansprakelijk zijn, of
b. de eigenaar van een binnenschip
die van dat schip uit hulp verleent, en de hulpverlener
of hulpverleners die van dat schip uit hun werkzaamheden
verricht of verrichten en enige persoon voor wiens
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze personen
in beginsel aansprakelijk zijn, of
c. de hulpverlener of
hulpverleners aan een binnenschip die niet van een zee-
of binnenschip uit werkzaamheden verricht of verrichten
of die werkzaamheden verricht of verrichten uitsluitend
op het binnenschip waaraan of met betrekking waartoe
hulp wordt verleend, en enige persoon voor wiens
handeling, onachtzaamheid of nalatigheid deze personen
in beginsel aansprakelijk zijn.
2. De
beperking van aansprakelijkheid als vastgesteld krachtens de
in artikel 1065 bedoelde algemene maatregel van bestuur voor
vorderingen terzake van dood of letsel van reizigers van een
binnenschip geldt voor het geheel der naar aanleiding van
éénzelfde voorval ontstane vorderingen gericht tegen de
persoon of de personen die in de in artikel 1060, tweede
lid, genoemde betrekking staan tot dat schip, en enige
persoon voor wiens handeling, onachtzaamheid of nalatigheid
dezen in beginsel aansprakelijk zijn.
IV. Wegvervoersrecht
Titel 13. Wegvervoer
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1080
1. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen zaken, die geen
voertuigen zijn, voor de toepassing van bepalingen van deze
titel als voertuig worden aangewezen, dan wel bepalingen van
deze titel niet van toepassing worden verklaard op zaken,
die voertuigen zijn.
2. Een
takelwagen is niet een voertuig in de zin van deze titel.
3. Een
overeenkomst, waarbij de ene partij zich tegenover de andere
partij verbindt een voertuig te besturen, dat hem daartoe
door die andere partij ter beschikking is gesteld, is niet
een overeenkomst van vervoer in de zin van deze titel.
Artikel 1081
Op de exploitatie van een voertuig zijn de
artikelen 361 tot en met 366 van overeenkomstige toepassing, met
dien verstande dat deze artikelen eveneens van overeenkomstige
toepassing zijn wanneer degene op wie krachtens artikel 2 eerste
en tweede lid van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
Motorrijtuigen de verplichting tot verzekering rust, de in
artikel 6 dier wet bedoelde verzekeraar of een ondergeschikte
van een dezer buiten overeenkomst wordt aangesproken. De
artikelen 361 tot en met 366 zijn bovendien van overeenkomstige
toepassing, indien het Waarborgfonds Motorverkeer, genoemd in
artikel 23 van eerdervermelde wet, dan wel het bureau, genoemd
in het zesde lid van artikel 2 van die wet, of een
ondergeschikte van een dezer buiten overeenkomst wordt
aangesproken.
Afdeling 2. Overeenkomst van
goederenvervoer over de weg
Artikel 1090
De overeenkomst van goederenvervoer in de
zin van deze titel is de overeenkomst van goederenvervoer, al
dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij
(de vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender)
verbindt door middel van een voertuig zaken uitsluitend over de
weg en anders dan over spoorwegen te vervoeren.
Artikel 1091
Vervoer over de weg van zaken omvat voor
de toepassing van artikel 1098 tweede lid, in afwijking van het
elders bepaalde, het tijdvak dat het voertuig zich aan boord van
een ander vervoermiddel en niet op de weg bevindt, doch dit
slechts ten aanzien van zaken die daarbij niet uit dat voertuig
werden uitgeladen.
Artikel 1092
Deze afdeling is niet van toepassing op
overeenkomsten tot lijkbezorging, overeenkomsten tot het
vervoeren van verhuisgoederen of overeenkomsten tot het
vervoeren van postzendingen door of in opdracht van de houder
van de concessie, bedoeld in de Postwet of onder een
internationale postovereenkomst. Onder voorbehoud van artikel
1154 is deze afdeling niet van toepassing op overeenkomsten tot
het vervoeren van bagage.
Artikel 1093
1. Tijd-
of reisbevrachting in de zin van deze afdeling is de
overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de vervoerder zich
verbindt tot vervoer door middel van een voertuig, dat hij
daartoe in zijn geheel met bestuurder en al dan niet op
tijdbasis (tijdbevrachting of reisbevrachting) ter
beschikking stelt van de afzender.
2. Onder
"vervrachter" is in deze afdeling de in het eerste lid
genoemde vervoerder, onder "bevrachter" de aldaar genoemde
afzender te verstaan.
Artikel 1094
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een
voertuig met bestuurder, ten einde door middel daarvan zaken te
vervoeren, niet van toepassing.
Artikel 1095
De vervoerder is verplicht ten vervoer
ontvangen zaken ter bestemming af te leveren en wel in de staat
waarin hij hen heeft ontvangen.
Artikel 1096
Onverminderd artikel 1095 is de vervoerder
verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder vertraging te
vervoeren.
Artikel 1097
1. In
geval van bevrachting is de vervrachter verplicht de
bestuurder opdracht te geven binnen de grenzen door de
overeenkomst gesteld de orders van de bevrachter op te
volgen. De vervrachter staat ervoor in, dat de bestuurder de
hem gegeven opdracht nakomt.
2. De
bevrachter staat in voor schade die de vervrachter lijdt
door de plaatselijke gesteldheid van de plekken, waarheen
hij de bestuurder van het voertuig op grond van het eerste
lid ter inlading of lossing beveelt te gaan en hij is
slechts in zoverre voor die schade niet aansprakelijk, als
de bestuurder, door de hem gegeven orders op te volgen,
onredelijk handelde.
Artikel 1098
1. De
vervoerder is niet aansprakelijk voor schade ontstaan door
een beschadiging, voor zover deze is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder niet heeft
kunnen vermijden en voor zover zulk een vervoerder de
gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
2. De
vervoerder kan niet om zich van zijn aansprakelijkheid te
ontheffen beroep doen op de gebrekkigheid van het voertuig
of van het materiaal waarvan hij zich bedient, tenzij dit
laatste door de afzender, de geadresseerde of de ontvanger
te zijner beschikking is gesteld. Onder materiaal wordt niet
begrepen een schip, luchtvaartuig of spoorvoertuig, waarop
het voertuig zich bevindt.
3. Onder
beschadiging worden mede verstaan geheel of gedeeltelijk
verlies van zaken, vertraging, alsmede ieder ander schade
veroorzakend feit.
Artikel 1099
Onverminderd de artikelen 1100 en 1101 is
de vervoerder, die de op hem uit hoofde van de artikelen 1095 en
1096 rustende verplichtingen niet nakwam, desalniettemin voor de
daardoor ontstane schade niet aansprakelijk, voor zover dit niet
nakomen het gevolg is van de bijzondere risico’s verbonden aan
een of meer van de volgende omstandigheden:
a. het vervoer van de zaken in een
onoverdekt voertuig, wanneer dit uitdrukkelijk is
overeengekomen en op de vrachtbrief is vermeld;
b. behandeling, lading, stuwing of
lossing van de zaken door de afzender, de geadresseerde
of personen, die voor rekening van de afzender of de
geadresseerde handelen;
c. de aard van bepaalde zaken
zelf, die door met deze aard zelf samenhangende oorzaken
zijn blootgesteld aan geheel of gedeeltelijk verlies of
aan beschadiging, in het bijzonder door ontvlamming,
ontploffing, smelting, breuk, corrosie, bederf,
uitdroging, lekkage, normaal kwaliteitsverlies, of
optreden van ongedierte of knaagdieren;
d. hitte, koude,
temperatuurverschillen of vochtigheid van de lucht, doch
slechts indien niet is overeengekomen dat het vervoer
zal plaatsvinden met een voertuig speciaal ingericht om
de zaken aan invloed daarvan te onttrekken;
e. onvolledigheid of gebrekkigheid
van de adressering, cijfers, letters of merken der
colli;
f. het feit dat het vervoer een
levend dier betreft.
Artikel 1100
1.
Wanneer de vervoerder bewijst dat, gelet op de
omstandigheden van het geval, het niet nakomen van de op hem
uit hoofde van de artikelen 1095 en 1096 rustende
verplichtingen een gevolg heeft kunnen zijn van een of meer
der in artikel 1099 genoemde bijzondere risico's, wordt
vermoed, dat het niet nakomen daaruit voortvloeit. Degeen,
die jegens de vervoerder recht heeft op de zaken, kan
evenwel bewijzen, dat dit niet nakomen geheel of
gedeeltelijk niet door een van deze risico’s is veroorzaakt.
2. Het
hierboven genoemde vermoeden bestaat niet in het in artikel
1099 onder a genoemde geval, indien zich een ongewoon
groot tekort voordoet dan wel een ongewoon groot verlies van
colli.
3.
Indien in overeenstemming met het door partijen
overeengekomene het vervoer plaatsvindt door middel van een
voertuig, speciaal ingericht om de zaken te onttrekken aan
de invloed van hitte, koude, temperatuurverschillen of
vochtigheid van de lucht, kan de vervoerder ter ontheffing
van zijn aansprakelijkheid ten gevolge van deze invloed
slechts een beroep doen op artikel 1099 onder c,
indien hij bewijst, dat alle maatregelen waartoe hij,
rekening houdende met de omstandigheden, verplicht was, zijn
genomen met betrekking tot de keuze, het onderhoud en het
gebruik van deze inrichtingen en dat hij zich heeft gericht
naar de bijzondere instructies bedoeld in het vijfde lid.
4. De
vervoerder kan slechts beroep doen op artikel 1099 onder
f, indien hij bewijst dat alle maatregelen, waartoe hij
normaliter, rekening houdende met de omstandigheden,
verplicht was, zijn genomen en dat hij zich heeft gericht
naar de bijzondere instructies bedoeld in het vijfde lid.
5. De
bijzondere instructies, bedoeld in het derde en het vierde
lid van dit artikel, moeten aan de vervoerder vóór de
aanvang van het vervoer zijn gegeven, hij moet deze
uitdrukkelijk hebben aanvaard en zij moeten, indien voor dit
vervoer een vrachtbrief is afgegeven, daarop zijn vermeld.
De enkele vermelding op de vrachtbrief levert te dezer zake
geen bewijs op.
Artikel 1101
Wanneer de vervoerder de op hem uit hoofde
van de artikelen 1095 en 1096 rustende verplichtingen niet
nakwam, wordt ten aanzien van
a. zaken, die onverpakt zijn,
terwijl zij gelet op hun aard of de wijze van vervoer,
verpakt hadden behoren te zijn, dan wel zaken die, gelet
op hun aard of de wijze van vervoer, niet voldoende of
niet doelmatig zijn verpakt;
b. onverpakte zaken, die niet
vallen onder de omschrijving onder a gegeven,
indien de vervoerder bewijst, dat gelet op de
omstandigheden van het geval het niet nakomen een gevolg
heeft kunnen zijn van het bijzondere risico verbonden
aan het onverpakt zijn,
vermoed dat de vervoerder noch de
omstandigheid, die het niet nakomen veroorzaakte, heeft kunnen
vermijden, noch de gevolgen daarvan heeft kunnen verhinderen en
dat het niet nakomen niet is ontstaan door een of meer der in
het tweede lid van artikel 1098 voor rekening van de vervoerder
gebrachte omstandigheden.
Artikel 1102
1.
Nietig is ieder beding, waarbij de ingevolge artikel 1095 op
de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast op
andere wijze wordt vermeerderd of verminderd dan in deze
afdeling is voorzien, tenzij dit beding uitdrukkelijk en
anders dan door een verwijzing naar in een ander geschrift
voorkomende bedingen, is aangegaan bij een in het bijzonder
ten aanzien van het voorgenomen vervoer aangegane en in een
afzonderlijk geschrift neergelegde overeenkomst.
2.
Bovendien is nietig ieder beding, waarbij de ingevolge
artikel 1095 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of
bewijslast op andere wijze wordt vermeerderd of verminderd
dan in deze afdeling is voorzien, wanneer dit beding
a. voorkomt in enig document, dat
door een vermelding daarop is aangeduid als
transportbrief of
b. tussen de vervoerder en de
ontvanger is aangegaan bij de aflevering van de zaak.
Artikel 1103
1. Voor
zover de vervoerder aansprakelijk is wegens niet nakomen van
de op hem uit hoofde van de artikelen 1095 en 1096 rustende
verplichtingen, heeft de afzender geen ander recht dan
betaling te vorderen van een bedrag, dat wordt berekend met
inachtneming van de waarde welke zaken als de ten vervoer
ontvangene zouden hebben gehad zoals, ten tijde waarop en
ter plaatse waar zij zijn afgeleverd of zij hadden moeten
zijn afgeleverd.
2. De in
het eerste lid genoemde waarde wordt berekend naar de koers
op de goederenbeurs of, wanneer er geen dergelijke koers is,
naar de gangbare martkwaarde of, wanneer ook deze ontbreekt,
naar de normale waarde van zaken van dezelfde aard en
hoedanigheid.
Artikel 1104
Indien met betrekking tot een zaak een
schadevergoeding uit hoofde van artikel 1129 is verschuldigd,
wordt deze aangemerkt als een waardevermindering van die zaak.
Artikel 1105
Voor zover de vervoerder aansprakelijk is
wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen
1095 en 1096 rustende verplichtingen, is hij niet aansprakelijk
boven bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen
bedragen.
Artikel 1106
1. De
afzender kan, mits de vervoerder hierin toestemt en tegen
betaling van een overeen te komen bedrag, op de vrachtbrief
een waarde van de zaken aangeven, die het maximum, vermeld
in de in artikel 1105 genoemde algemene maatregel van
bestuur, overschrijdt. In dat geval treedt het aangegeven
bedrag in de plaats van dit maximum.
2.
Nietig is ieder beding, ook indien het wordt aangegaan op de
wijze als voorzien in het eerste lid van artikel 1102,
waarbij het aldus aangegeven bedrag hoger wordt gesteld dan
de in het eerste lid van artikel 1103 genoemde waarde.
Artikel 1107
1. De
afzender kan, mits de vervoerder hierin toestemt en tegen
betaling van een overeen te komen bedrag, door vermelding op
de vrachtbrief het bedrag van een bijzonder belang bij de
aflevering voor het geval van verlies of beschadiging van
vervoerde zaken en voor dat van overschrijding van een
overeengekomen termijn van aflevering daarvan, vaststellen.
2.
Indien een bijzonder belang bij de aflevering is aangegeven,
kan, indien de vervoerder aansprakelijk is wegens niet
nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen 1095 en
1096 rustende verplichtingen, onafhankelijk van de
schadevergoedingen genoemd in de artikelen 1103 tot en met
1106 en tot ten hoogste eenmaal het bedrag van het
aangegeven belang, een schadevergoeding worden gevorderd
gelijk aan de bewezen bijkomende schade.
Artikel 1108
1. De
vervoerder kan zich niet beroepen op enige beperking van
zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is ontstaan uit
zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 1109
1. De
afzender is bevoegd de overeenkomst op te zeggen, wanneer
hem door de vervoerder is medegedeeld dat geen voertuig op
de overeengekomen plaats of tijd voor het vervoer aanwezig
is of zal kunnen zijn.
2. Hij
kan deze bevoegdheid slechts uitoefenen terstond na
ontvangst van deze mededeling.
3.
Indien bij gebreke van de ontvangst van een mededeling, als
bedoeld in het eerste lid, het de afzender uit anderen
hoofde bekend is, dat het voertuig niet op de overeengekomen
plaats of tijd voor het vervoer aanwezig is of kan zijn, is
hij, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd
de overeenkomst op te zeggen, doch slechts binnen een
redelijke termijn nadat hem dit bekend was; gelijke
bevoegdheid komt hem toe, indien hem na ontvangst van een
mededeling, als bedoeld in het eerste lid, uit anderen
hoofde bekend wordt, dat het voertuig op grond van andere
omstandigheden dan welke de vervoerder tot zijn mededeling
brachten, niet op de overeengekomen plaats of tijd voor het
vervoer aanwezig is of kan zijn.
4. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving of enig ander bericht, waarvan de ontvangst
duidelijk aantoonbaar is, en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan.
5.
Indien de vervoerder gehouden is de schade, die de afzender
door de opzegging lijdt, te vergoeden, zal deze vergoeding
niet meer bedragen dan de vracht voor het overeengekomen
vervoer, of, in geval van tijdbevrachting, voor
terbeschikkingstelling van het voertuig gedurende 24 uur.
Artikel 1110
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen
zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen
plaats en tijd te zijner beschikking zijn.
Artikel 1111
1.
Alvorens zaken ter beschikking van de vervoerder zijn
gesteld is de afzender bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
Hij is verplicht aan de vervoerder de vracht, die voor het
vervoer van de zaken was overeengekomen, te voldoen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving of enig ander bericht, waarvan de ontvangst
duidelijk aantoonbaar is, en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan.
3. Dit
artikel is niet van toepassing ingeval van tijdbevrachting.
Artikel 1112
1. Zijn
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door
welke oorzaak dan ook, in het geheel geen zaken ter
beschikking, dan is de vervoerder, zonder dat enige
ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te
zeggen. De afzender is verplicht hem de vracht, die voor het
vervoer van de zaken was overeengekomen, te voldoen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving of enig ander bericht, waarvan de ontvangst
duidelijk aantoonbaar is, en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan.
3. Dit
artikel is niet van toepassing in geval van tijdbevrachting.
Artikel 1113
1. Zijn
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door
welke oorzaak dan ook, de overeengekomen zaken slechts
gedeeltelijk ter beschikking van de vervoerder, dan is deze,
zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de
overeenkomst op te zeggen, dan wel de reis te aanvaarden.
2. De
afzender is op verlangen van de vervoerder in geval van
opzegging van de overeenkomst verplicht tot lossing van de
reeds gestuwde zaken of, in geval de vervoerder de reis
aanvaardt en het vertrek van het voertuig zonder herstuwing
van de reeds gestuwde zaken niet mogelijk is, tot deze
herstuwing. Hij is verplicht de vervoerder de vracht, die
voor het vervoer van de niet ter beschikking zijnde of ten
gevolge van de opzegging niet vervoerde zaken was
overeengekomen, te voldoen en deze bovendien de schade te
vergoeden, die hij lijdt ten gevolge van de opzegging, van
de aanvaarding van de reis, dan wel van lossing of
herstuwing van reeds ingenomen zaken.
3. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving of enig ander bericht, waarvan de ontvangst
duidelijk aantoonbaar is, en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan.
4. Dit
artikel is niet van toepassing in geval van tijdbevrachting.
Artikel 1114
1. De
afzender is verplicht de vervoerder omtrent de zaken alsmede
omtrent de behandeling daarvan tijdig al die opgaven te
doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn, en waarvan
hij weet of behoort te weten, dat zij voor de vervoerder van
belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder deze
gegevens kent.
2. De
afzender is verplicht de gegevens, die hij volgens het
eerste lid aan de vervoerder moet verstrekken, zo mogelijk
op of aan de te vervoeren zaken of derzelver verpakking
duidelijk aan te brengen en wel zodanig, dat zij in normale
omstandigheden tot het einde van het vervoer leesbaar zullen
blijven.
3. De
vervoerder is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te
onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.
4. Is
bij het verstrijken van de tijd waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door
welke oorzaak dan ook, niet of slechts gedeeltelijk voldaan
aan de in het eerste of tweede lid van dit artikel genoemde
verplichtingen van de afzender, dan zijn, behalve in het
geval van tijdbevrachting, de artikelen 1112 en 1113 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1115
1. De
afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden
die deze lijdt doordat, door welke oorzaak dan ook, niet
naar behoren aanwezig zijn de documenten en inlichtingen,
die van de zijde van de afzender vereist zijn voor het
vervoer dan wel ter voldoening aan vóór de aflevering van de
zaken te vervullen douane- en andere formaliteiten.
2. De
vervoerder is verplicht redelijke zorg aan te wenden, dat de
documenten, die in zijn handen zijn gesteld niet verloren
gaan of onjuist worden behandeld. Een door hem ter zake
verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit
hoofde van de artikelen 1103 tot en met 1108 in geval van
verlies van de zaken, niet overschrijden.
3. De
vervoerder is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te
onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.
4. Zijn
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de in het eerste
lid genoemde documenten en inlichtingen aanwezig moeten
zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren
aanwezig, dan zijn, behalve in het geval van
tijdbevrachting, de artikelen 1112 en 1113 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1116
1.
Wanneer vóór of bij de aanbieding van de zaken aan de
vervoerder omstandigheden aan de zijde van een der partijen
zich opdoen of naar voren komen, die haar wederpartij bij
het sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen,
doch die, indien zij haar wel bekend waren geweest,
redelijkerwijs voor haar grond hadden opgeleverd de
vervoerovereenkomst niet of op andere voorwaarden aan te
gaan, is deze wederpartij bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving of enig ander bericht, waarvan de ontvangst
duidelijk aantoonbaar is, en de overeenkomst eindigt op het
ogenblik van ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
op zegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 1117
1. De
afzender is verplicht de vervoerder de buitengewone schade
te vergoeden, die materiaal dat hij deze ter beschikking
stelde of zaken die deze ten vervoer ontving, dan wel de
behandeling daarvan, de vervoerder berokkenden, behalve voor
zover deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die
voor rekening van de vervoerder komt; voor rekening van de
vervoerder komen die omstandigheden, die in geval van
beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn rekening
komen.
2. Dit
artikel laat artikel 1118 onverlet.
Artikel 1118
1. Zaken
ten aanzien waarvan de afzender, door welke oorzaak dan ook,
niet aan zijn verplichtingen uit hoofde van het eerste en
tweede lid van artikel 1114 voldeed, mogen door de
vervoerder op ieder ogenblik en op iedere plaats worden
gelost, vernietigd of op andere wijze onschadelijk gemaakt,
doch dit slechts dan wanneer zij onmiddellijk dreigend
gevaar opleveren. De vervoerder is terzake geen enkele
schadevergoeding verschuldigd en de afzender is
aansprakelijk voor alle kosten en schaden voor de vervoerder
voortvloeiende uit de aanbieding ten vervoer, uit het
vervoer of uit deze maatregelen zelf.
2.
Indien de vervoerder op grond van het eerste lid gerechtigd
is tot lossen, vernietigen of op andere wijze onschadelijk
maken van zaken, is de afzender op verlangen van de
vervoerder en wanneer hem dit redelijkerwijs mogelijk is,
verplicht deze maatregel te nemen.
3. Door
het treffen van de in het eerste of tweede lid bedoelde
maatregel eindigt de overeenkomst met betrekking tot de daar
genoemde zaken, doch, indien deze alsnog worden gelost,
eerst na deze lossing. De vervoerder verwittigt de afzender
en zo mogelijk degeen aan wie de zaken moeten worden
afgeleverd. Dit lid is niet van toepassing met betrekking
tot zaken, die de vervoerder na het treffen van de in het
eerste lid bedoelde maatregel alsnog naar hun bestemming
vervoert.
4. Op de
feitelijke aflevering is het tussen partijen overeengekomene
als mede het in deze afdeling nopens de aflevering van zaken
bepaalde van toepassing. De artikelen 1132, 1133, 1137 en
1138 zijn van overeenkomstige toepassing.
5.
Nietig is ieder beding, waarbij van het eerste of het tweede
lid van dit artikel wordt afgeweken.
Artikel 1119
1. Zowel
de afzender als de vervoerder kunnen ter zake van het
vervoer een vrachtbrief opmaken en verlangen dat deze of een
mogelijkerwijs door hun wederpartij opgemaakte vrachtbrief
door hun wederpartij wordt getekend en aan hen wordt
afgegeven. De ondertekening kan worden gedrukt of door een
stempel dan wel enig ander kenmerk van oorsprong worden
vervangen.
2. Op de
vrachtbrief worden volgens de daarop mogelijkerwijs
voorkomende aanwijzingen de volgende aanduidingen vermeld:
a. de afzender, als hoedanig
slechts één persoon kan worden genoemd;
b. de ten vervoer ontvangen zaken;
c. de plaats waar de vervoerder de
zaken ten vervoer heeft ontvangen;
d. de plaats waarheen de
vervoerder op zich neemt de zaken te vervoeren;
e. de geadresseerde, als hoedanig
slechts één persoon kan worden genoemd;
f. de vervoerder;
g. al hetgeen overigens aan
afzender en vervoerder gezamenlijk goeddunkt.
3. De
aanduidingen vermeld in het tweede lid onder a tot en
met e worden in de vrachtbrief opgenomen aan de hand
van door de afzender te verstrekken gegevens. De afzender
staat in voor de juistheid, op het ogenblik van
inontvangstneming van de zaken, van deze gegevens. De
aanduiding van de vervoerder wordt in de vrachtbrief
opgenomen aan de hand van door deze te verstrekken gegevens
en de vervoerder staat in voor de juistheid hiervan.
4.
Partijen zijn verplicht elkaar de schade te vergoeden, die
zij lijden door het ontbreken van in het tweede lid genoemde
gegevens.
Artikel 1120
De vervoerder is niet gehouden, doch vóór
de afgifte van de vrachtbrief aan de afzender wel gerechtigd, te
onderzoeken of de daarop omtrent de zaken vermelde gegevens
juist, nauwkeurig en volledig zijn. Hij is bevoegd zijn
bevindingen ten aanzien van de zaken op de vrachtbrief aan te
tekenen.
Artikel 1121
Wanneer de te vervoeren zaken moeten
worden geladen in verschillende voertuigen of wanneer het
verschillende soorten zaken of afzonderlijke partijen betreft,
hebben afzender zowel als vervoerder het recht te eisen, dat er
evenveel vrachtbrieven worden opgemaakt als er voertuigen moeten
worden gebruikt of als er soorten of partijen zaken zijn.
Artikel 1122
1.
Tenzij tussen hen een bevrachting is aangegaan, wordt op
verlangen van afzender of vervoerder, mits dit te kennen is
gegeven alvorens zaken ter beschikking van de vervoerder
worden gesteld, de vrachtbrief voor deze zaken opgesteld in
de vorm van een transportbrief. Aan de bovenvoorzijde van de
vrachtbrief wordt alsdan met duidelijk leesbare letters het
woord "transportbrief" geplaatst.
2. De
transportbrief wordt opgemaakt in overeenstemming met de
vereisten genoemd in artikel 1119 en artikel 1121.
3.
Verwijzingen in de transportbrief worden geacht slechts die
bedingen daarin in te voegen, die voor degeen, jegens wie
daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar zijn. Een
dergelijk beroep is slechts mogelijk voor hem, die op
schriftelijk verlangen van degeen jegens wie dit beroep kan
worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die
bedingen heeft doen toekomen.
4.
Indien beide partijen zulks verlangen, kan ook in geval van
bevrachting een transportbrief worden opgemaakt. Deze moet
dan voldoen aan de in dit artikel gestelde eisen.
5.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 1123
1.
Indien een transportbrief is afgegeven, wordt, onder
voorbehoud van het tweede lid van dit artikel, de
rechtsverhouding tussen de vervoerder enerzijds en de
afzender of de geadresseerde anderzijds beheerst door de
bedingen van deze transportbrief.
2.
Indien een vervoerovereenkomst is gesloten en bovendien een
transportbrief is afgegeven, wordt de rechtsverhouding
tussen de vervoerder en de afzender door de bedingen van de
vervoerovereenkomst en niet door die van deze transportbrief
beheerst. De transportbrief strekt hun dan slechts, en dit
onder voorbehoud van artikel 1124, tot bewijs van de
ontvangst der zaken door de vervoerder.
Artikel 1124
1. In de
vrachtbrief vervatte gegevens omtrent de ten vervoer
ontvangen zaken leveren geen bewijs op jegens de vervoerder,
tenzij het gegevens betreft waarvan een zorgvuldig
vervoerder de juistheid kan beoordelen.
2. Bevat
de vrachtbrief een door de vervoerder afzonderlijk
ondertekende verklaring dat hij de juistheid erkent van in
die verklaring genoemde gegevens omtrent de ten vervoer
ontvangen zaken, dan wordt tegenbewijs daartegen niet
toegelaten.
3. Een
vrachtbrief, die de uiterlijk zichtbare staat of gesteldheid
van de zaak niet vermeldt, levert geen vermoeden op, dat de
vervoerder die zaak, voor zover uiterlijk zichtbaar, in
goede staat of gesteldheid heeft ontvangen.
4. Door
de vervoerder op de vrachtbrief geplaatste aantekeningen,
genoemd in artikel 1120, binden de afzender niet. Bevat
echter de vrachtbrief een door de afzender afzonderlijk
ondertekende verklaring, dat hij de juistheid van die
aantekeningen erkent, dan wordt tegenbewijs daartegen niet
toegelaten.
Artikel 1125
1. De
afzender is bevoegd zichzelf of een ander als geadresseerde
aan te wijzen, een gegeven aanduiding van de geadresseerde
te wijzigen, orders omtrent de aflevering te geven of te
wijzigen dan wel aflevering vóór de aankomst ter bestemming
van zonder transportbrief ten vervoer ontvangen zaken of,
wanneer een transportbrief is afgegeven, van alle daarop
vermelde zaken, te verlangen.
2. De
uitvoering van deze instructies moet mogelijk zijn op het
ogenblik, dat de instructies de persoon, die deze moet
uitvoeren, bereiken en zij mag noch de normale
bedrijfsuitvoering van de vervoerder beletten, noch schade
toebrengen aan de vervoerder of belanghebbenden bij de
overige lading. Doet zij dit laatste desalniettemin, dan is
de afzender verplicht de geleden schade te vergoeden.
Wanneer het voertuig naar een niet eerder overeengekomen
plaats is gereden, is hij verplicht de vervoerder terzake
bovendien een redelijke vergoeding te geven.
3. Deze
rechten van de afzender vervallen al naarmate de
geadresseerde op de losplaats zaken aanneemt of de
geadresseerde van de vervoerder schadevergoeding verlangt
omdat deze zaken niet aflevert.
4.
Zaken, die ingevolge het eerste lid zijn afgeleverd, worden
aangemerkt als ter bestemming afgeleverde zaken en de
bepalingen van deze afdeling nopens de aflevering van zaken,
alsmede de artikelen 1132, 1133, 1137 en 1138 zijn van
toepassing.
Artikel 1126
Indien aan de afzender een vrachtbrief is
afgegeven, die een geadresseerde vermeldt, heeft ook deze
geadresseerde jegens de vervoerder het recht aflevering van
zaken overeenkomstig de op de vervoerder rustende verplichtingen
te vorderen; daarbij zijn de artikelen 1103-1108 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1127
De ontvanger is verplicht terstond na de
aflevering van de zaken een ontvangstbewijs daarvoor af te
geven.
Artikel 1128
1.
Vracht is - behalve in geval van tijdbevrachting -
verschuldigd op het ogenblik, dat de vervoerder de zaken ten
vervoer ontvangt of, wanneer een vrachtbrief wordt
afgegeven, bij het afgeven hiervan.
2.
Vracht, die vooruit te voldoen is of voldaan is, is en
blijft - behalve in geval van tijdbevrachting - in zijn
geheel verschuldigd, ook wanneer de zaken niet ter
bestemming worden afgeleverd.
3.
Wanneer de afzender niet aan zijn uit dit artikel
voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan, is de
vervoerder bevoegd het vervoer van de betrokken zaak op te
schorten. Met toestemming van de rechter is hij gerechtigd
tot het nemen van de in de artikelen 1132 en 1133 genoemde
maatregelen. Gaat hij hiertoe over, dan zijn deze artikelen
van toepassing.
Artikel 1129
Onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van
Boek 6 zijn de afzender en de ontvanger hoofdelijk verbonden de
vervoerder de schade te vergoeden, geleden doordat deze zich als
zaakwaarnemer inliet met de behartiging van de belangen van een
rechthebbende op ten vervoer ontvangen zaken.
Artikel 1130
1. De
vervoerder is verplicht de bedragen, die als rembours op de
zaak drukken, bij aflevering van de zaak van de ontvanger te
innen en vervolgens aan de afzender af te dragen. Wanneer
hij aan deze verplichting, door welke oorzaak dan ook, niet
voldoet, is hij verplicht het bedrag van het rembours aan de
afzender te vergoeden, doch indien deze geen of minder
schade leed, ten hoogste tot op het bedrag van de geleden
schade.
2. De
ontvanger, die ten tijde van de aflevering weet dat een
bedrag als rembours op de zaak drukt, is verplicht aan de
vervoerder het door deze aan de afzender verschuldigde
bedrag te voldoen.
Artikel 1131
1. De
vervoerder is gerechtigd afgifte van zaken of documenten,
die hij in verband met de vervoerovereenkomst onder zich
heeft, te weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering daarvan,
tenzij daarop beslag is gelegd en uit de vervolging van dit
beslag een verplichting tot afgifte aan de beslaglegger
voortvloeit.
2. De
vervoerder kan het recht van retentie uitoefenen op zaken of
documenten, die hij in verband met de vervoerovereenkomst
onder zich heeft, voor hetgeen hem verschuldigd is of zal
worden terzake van het vervoer van die zaken. Hij kan dit
recht tevens uitoefenen voor hetgeen bij wijze van rembours
op de zaak drukt. Dit retentierecht vervalt zodra aan de
vervoerder is betaald het bedrag waarover geen geschil
bestaat en voldoende zekerheid is gesteld voor de betaling
van die bedragen, waaromtrent wel geschil bestaat of welker
hoogte nog niet kan worden vastgesteld. De vervoerder
behoeft echter geen zekerheid te aanvaarden voor hetgeen bij
wijze van rembours op de zaak drukt.
3. De in
dit artikel aan de vervoerder toegekende rechten komen hem
niet toe jegens een derde, indien hij op het tijdstip dat
hij de zaak of het document ten vervoer ontving, reden had
te twijfelen aan de bevoegdheid van de afzender jegens die
derde hem die zaak of dat document ten vervoer ter
beschikking te stellen.
Artikel 1132
1. Voor
zover hij die jegens de vervoerder recht heeft op aflevering
van vervoerde zaken niet opkomt, weigert deze te ontvangen
of deze niet met de vereiste spoed in ontvangst neemt, of
voor zover op zaken beslag is gelegd, is de vervoerder
gerechtigd deze zaken voor rekening en gevaar van de
rechthebbende bij een derde op te slaan in een daarvoor
geschikte bewaarplaats. Op zijn verzoek kan de rechter
bepalen dat hij deze zaken, desgewenst ook in het voertuig,
onder zichzelf kan houden of andere maatregelen daarvoor kan
treffen. Hij is verplicht de afzender zo spoedig mogelijk op
de hoogte te stellen.
2. De
derde-bewaarnemer en de ontvanger zijn jegens elkaar
verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is
echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke
toestemming daartoe van hem, die de zaken in bewaring gaf.
Artikel 1133
1. In
geval van toepassing van artikel 1132, kan de vervoerder, de
bewaarnemer dan wel hij die jegens de vervoerder recht heeft
op de aflevering, op zijn verzoek door de rechter worden
gemachtigd de zaken geheel of gedeeltelijk op de door deze
te bepalen wijze te verkopen.
2. De
bewaarnemer is verplicht de vervoerder zo spoedig mogelijk
van de voorgenomen verkoop op de hoogte te stellen; de
vervoerder heeft deze verplichting jegens degeen, die jegens
hem recht heeft op de aflevering van de zaken.
3. De
opbrengst van het verkochte wordt in de consignatiekas
gestort voor zover zij niet strekt tot voldoening van de
kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken
beslag is gelegd voor een geldvordering, moet aan de
vervoerder uit het in bewaring te stellen bedrag worden
voldaan hetgeen hem verschuldigd is ter zake van het vervoer
of op grond van een remboursbeding; voor zover deze
vorderingen nog niet vast staan, zal de opbrengst of een
gedeelte daarvan op door de rechter te bepalen wijze tot
zekerheid voor deze vorderingen strekken.
4. De in
de consignatiekas gestorte opbrengst treedt in de plaats van
de zaken.
Artikel 1134
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat,
dat er verlies of schade is, moeten de vervoerder en hij, die
jegens de vervoerder recht heeft op de aflevering, elkaar over
en weer in redelijkheid alle middelen verschaffen om het
onderzoek van de zaak en het natellen van de colli mogelijk te
maken.
Artikel 1135
1. Zowel
de vervoerder als hij die jegens de vervoerder recht heeft
op de aflevering is bevoegd bij de aflevering van zaken de
rechter te verzoeken een gerechtelijk onderzoek te doen
plaatshebben naar de toestand waarin deze worden afgeleverd;
tevens zijn zij bevoegd de rechter te verzoeken de daarbij
bevonden verliezen of schaden gerechtelijk te doen begroten.
2.
Indien dit onderzoek in tegenwoordigheid of na behoorlijke
oproeping van de wederpartij heeft plaatsgehad, wordt het
uitgebrachte rapport vermoed juist te zijn.
Artikel 1136
1. De
kosten van gerechtelijk onderzoek, als bedoeld in artikel
1135, moeten worden voldaan door de aanvrager.
2. De
rechter kan deze kosten en door het onderzoek geleden schade
geheel of gedeeltelijk ten laste van de wederpartij van de
aanvrager brengen, ook al zouden daardoor de bedragen
genoemd in de in artikel 1105 bedoelde algemene maatregel
van bestuur worden overschreden.
Artikel 1137
Indien binnen één jaar nadat de vervoerder
aan degeen, die jegens hem recht op aflevering van zaken heeft,
schadevergoeding heeft uitgekeerd ter zake van het niet
afleveren van deze zaken, deze zaken of enige daarvan alsnog
onder de vervoerder blijken te zijn of te zijn gekomen, is de
vervoerder verplicht die afzender of die geadresseerde, die
daartoe bij aangetekende brief het verlangen uitte, van deze
omstandigheid bij aangetekende brief op de hoogte te brengen en
heeft de afzender respectievelijk de geadresseerde gedurende
dertig dagen na ontvangst van deze mededeling het recht tegen
verrekening van de door hem ontvangen schadevergoeding opnieuw
afleveren van deze zaken te verlangen. Hetzelfde geldt, indien
de vervoerder terzake van het niet afleveren geen
schadevergoeding heeft uitgekeerd, met dien verstande dat de
termijn van één jaar begint met de aanvang van de dag volgende
op die, waarop de zaken hadden moeten zijn afgeleverd.
Artikel 1138
Met betrekking tot ten vervoer ontvangen
zaken, die de vervoerder onder zich heeft, doch ten aanzien
waarvan hij niet meer uit hoofde van de vervoerovereenkomst tot
aflevering is verplicht, is artikel 1133 van overeenkomstige
toepassing met dien verstande, dat uit de opbrengst van het
verkochte bovendien aan de vervoerder moet worden voldaan het
bedrag, dat deze mogelijkerwijs voldeed ter zake van zijn
aansprakelijkheid wegens het niet nakomen van de op hem uit
hoofde van de artikelen 1095 en 1096 rustende verplichtingen.
Afdeling 3. Overeenkomst van
personenvervoer over de weg
Artikel 1140
1. De
overeenkomst van personenvervoer in de zin van deze titel is
de overeenkomst van personenvervoer, al dan niet tijd- of
reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij verbindt aan
boord van een voertuig een of meer personen (reizigers) en
al dan niet hun bagage uitsluitend over de weg en anders dan
over spoorwegen te vervoeren.
2. De
overeenkomst van personenvervoer als omschreven in artikel
100 is niet een overeenkomst van personenvervoer in de zin
van deze afdeling.
Artikel 1141
1.
Handbagage in de zin van deze afdeling is de bagage met
inbegrip van levende dieren, die de reiziger als gemakkelijk
mee te voeren, draagbare dan wel met de hand verrijdbare
zaken op of bij zich heeft.
2. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen zaken, die geen
handbagage zijn, voor de toepassing van bepalingen van deze
afdeling als handbagage worden aangewezen, dan wel
bepalingen van deze afdeling niet van toepassing worden
verklaard op zaken, die handbagage zijn.
Artikel 1142
1.
Vervoer over de weg van personen omvat uitsluitend de tijd
dat de reiziger aan boord van het voertuig is, terwijl dit
zich op de weg bevindt. Bovendien omvat het de tijd van zijn
instappen daarin of uitstappen daaruit.
2.
Vervoer over de weg van personen omvat voor de toepassing
van artikel 1148 tweede lid, in afwijking van het elders
bepaalde, het tijdvak dat het voertuig zich aan boord van
een ander vervoermiddel en niet op de weg bevindt, doch dit
slechts ten aanzien van de reiziger die zich aan boord van
dat voertuig bevindt of die daar in- of uitstapt.
Artikel 1143
1.
Vervoer over de weg van handbagage omvat uitsluitend de tijd
dat deze aan boord van het voertuig is terwijl dit zich op
de weg bevindt. Bovendien omvat het de tijd van inlading
daarin en uitlading daaruit.
2. Voor
bagage, die geen handbagage is, omvat het vervoer over de
weg de tijd tussen het overnemen daarvan door de vervoerder
en de aflevering door de vervoerder.
3.
Vervoer over de weg van bagage omvat voor de toepassing van
artikel 1150 tweede lid, in afwijking van het elders
bepaalde, het tijdvak dat het voertuig, aan boord waarvan de
bagage zich bevindt, zich aan boord van een ander
vervoermiddel en niet op de weg bevindt, doch dit slechts
ten aanzien van bagage, die zich aan boord van dat voertuig
bevindt of die daarin wordt ingeladen dan wel daaruit wordt
uitgeladen.
Artikel 1144
1. Tijd-
of reisbevrachting in de zin van deze afdeling is de
overeenkomst van personenvervoer, waarbij de vervoerder
(vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord van een
voertuig, dat hij daartoe in zijn geheel met bestuurder en
al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van zijn wederpartij
(bevrachter).
2. De
artikelen 1093, 1097, 1109, 1112 en 1113 zijn op deze
bevrachting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1145
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn op terbeschikkingstelling van een
voertuig met bestuurder, ten einde aan boord daarvan personen te
vervoeren, niet van toepassing.
Artikel 1146 [Vervallen per 01-01-1992]
Artikel 1147
De vervoerder is aansprakelijk voor schade
veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger ten gevolge van
een ongeval dat in verband met en tijdens het vervoer aan de
reiziger is overkomen.
Artikel 1148
1. De
vervoerder is niet aansprakelijk voor schade door dood of
letsel van de reiziger veroorzaakt, voor zover het ongeval
dat hiertoe leidde, is veroorzaakt door een omstandigheid
die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en
voor zover zulk een vervoerder de gevolgen daarvan niet
heeft kunnen verhinderen.
2.
Lichamelijke of geestelijke tekortkomingen van de bestuurder
van het voertuig alsmede gebrekkigheid of slecht
functioneren van het voertuig of van het materiaal, waarvan
hij zich voor het vervoer bedient, worden aangemerkt als een
omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen
vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft
kunnen verhinderen. Onder materiaal wordt niet begrepen een
schip, luchtvaartuig of spoorvoertuig, aan boord waarvan het
voertuig zich bevindt.
3. Bij
de toepassing van dit artikel wordt slechts dan rekening
gehouden met een gedraging van een derde, indien geen andere
omstandigheid, die mede tot het ongeval leidde, voor
rekening van de vervoerder is.
Artikel 1149
Nietig is ieder vóór het aan de reiziger
overkomen ongeval gemaakt beding waarbij de ingevolge artikel
1147 op de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast
wordt verminderd op andere wijze dan in deze afdeling is
voorzien.
Artikel 1150
1. De
vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door
geheel of gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van
bagage voor zover dit verlies of deze beschadiging is
ontstaan tijdens het vervoer en is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen
vermijden of waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft
kunnen verhinderen. Voor schade veroorzaakt door geheel of
gedeeltelijk verlies dan wel beschadiging van handbagage is
hij bovendien aansprakelijk voor zover dit verlies of deze
beschadiging is veroorzaakt door een aan de reiziger
overkomen ongeval, dat voor rekening van de vervoerder komt.
2.
Lichamelijke of geestelijke tekortkomingen van de bestuurder
van het voertuig alsmede gebrekkigheid of slecht
functioneren van het voertuig of van het materiaal waarvan
hij zich voor het vervoer bedient, worden aangemerkt als een
omstandigheid die een zorgvuldig vervoerder heeft kunnen
vermijden en waarvan zulk een vervoerder de gevolgen heeft
kunnen verhinderen. Onder materiaal wordt niet begrepen een
schip, luchtvaartuig of spoorwagon, aan boord waarvan het
voertuig zich bevindt.
3. Bij
de toepassing van het eerste lid wordt ten aanzien van
handbagage slechts dan rekening gehouden met een gedraging
van een derde, indien geen andere omstandigheid, die mede
tot het voorval leidde, voor rekening van de vervoerder is.
4.
Nietig is ieder vóór het verlies of de beschadiging van
bagage gemaakt beding, waarbij de ingevolge dit artikel op
de vervoerder drukkende aansprakelijkheid of bewijslast op
andere wijze wordt verminderd dan in deze afdeling is
voorzien.
Artikel 1151
De vervoerder is niet aansprakelijk in
geval van verlies of beschadiging overkomen aan geldstukken,
verhandelbare documenten, goud, zilver, juwelen, sieraden,
kunstvoorwerpen of andere zaken van waarde, tenzij deze zaken
van waarde aan de vervoerder in bewaring zijn gegeven en hij
overeengekomen is hen in zekerheid te zullen bewaren.
Artikel 1152
De vervoerder is terzake van door de
reiziger aan boord van het voertuig gebrachte zaken die hij,
indien hij hun aard of gesteldheid had gekend, niet aan boord
van het voertuig zou hebben toegelaten en waarvoor hij geen
bewijs van ontvangst heeft afgegeven, geen enkele
schadevergoeding verschuldigd indien de reiziger wist of
behoorde te weten, dat de vervoerder de zaken niet ten vervoer
zou hebben toegelaten; de reiziger is alsdan aansprakelijk voor
alle kosten en schaden voor de vervoerder voortvloeiend uit de
aanbieding ten vervoer of uit het vervoer zelf.
Artikel 1153
Onverminderd artikel 1152 en onverminderd
artikel 179 van Boek 6 is de reiziger verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die hij of zijn bagage deze berokkende,
behalve voor zover deze schade is veroorzaakt door een
omstandigheid die een zorgvuldig reiziger niet heeft kunnen
vermijden en voor zover zulk een reiziger de gevolgen daarvan
niet heeft kunnen verhinderen. De reiziger kan niet om zich van
zijn aansprakelijkheid te ontheffen beroep doen op de
hoedanigheid of een gebrek van zijn bagage.
Artikel 1154
1.
Onverminderd de bepalingen van deze afdeling zijn op het
vervoer van bagage de artikelen 1095, 1096, 1103, 1104, 1114
eerste, tweede en derde lid, 1115 eerste, tweede en derde
lid, 1116 tot en met 1118, 1129 en 1131 tot en met 1138 van
toepassing. De in artikel 1131 toegekende rechten en het in
artikel 1133 en artikel 1138 toegekende recht tot het zich
laten voldoen uit het in bewaring stellen bedrag van kosten
terzake van het vervoer, kunnen worden uitgeoefend voor
alles wat de wederpartij van de vervoerder of de reiziger
aan de vervoerder verschuldigd is.
2.
Partijen hebben de vrijheid af te wijken van in het eerste
lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk verklaarde
bepalingen.
Artikel 1155
Indien de vervoerder bewijst dat schuld of
nalatigheid van de reiziger schade heeft veroorzaakt of daartoe
heeft bijgedragen, kan de aansprakelijkheid van de vervoerder
daarvoor geheel of gedeeltelijk worden opgeheven.
Artikel 1156
Indien personen van wier hulp de
vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakt,
op verzoek van de reiziger diensten bewijzen, waartoe de
vervoerder niet is verplicht, worden zij aangemerkt als te
handelen in opdracht van de reiziger aan wie zij deze diensten
bewijzen.
Artikel 1157
De aansprakelijkheid van de vervoerder is
in geval van dood, letsel of vertraging van de reiziger en in
geval van verlies, beschadiging of vertraging van diens bagage
beperkt tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
te bepalen bedrag of bedragen.
Artikel 1158
1. De
vervoerder kan zich niet beroepen op enige beperking van
zijn aansprakelijkheid, voor zover de schade is ontstaan uit
zijn eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap, dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 1159
1. In
geval van verlies of beschadiging van bagage wordt de
vordering tot schadevergoeding gewaardeerd naar de
omstandigheden.
2. In
geval van aan de reiziger overkomen letsel of van de dood
van de reiziger zijn de artikelen 107 en 108 van Boek 3 niet
van toepassing op de vorderingen die vervoerder als
wederpartij van een andere vervoerder tegen deze instelt.
Artikel 1160
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
reiziger, door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer
aanwezig is.
Artikel 1161
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde
voor het vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet
naar behoren aanwezig zijn.
Artikel 1162
1.
Wanneer vóór of tijdens het vervoer omstandigheden aan de
zijde van de wederpartij van de vervoerder of de reiziger
zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, doch
die, indien zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs
voor hem grond hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet
of op andere voorwaarden aan te gaan, is de vervoerder
bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de reiziger uit het
voertuig te verwijderen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving aan de wederpartij van de vervoerder of aan de
reiziger en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst van de eerst ontvangen kennisgeving.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
op zegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 1163
1.
Wanneer vóór of tijdens het vervoer omstandigheden aan de
zijde van de vervoerder zich opdoen of naar voren komen, die
diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet
behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend
waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere
voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij van de
vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 1164
Wanneer de reiziger na verlaten van het
voertuig niet tijdig terugkeert, kan de vervoerder de
overeenkomst beschouwen als op dat tijdstip te zijn geëindigd.
Artikel 1165
1. De
wederpartij van de vervoerder is steeds bevoegd de
overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze ten gevolge van de opzegging
lijdt.
2. Zij
kan dit recht niet uitoefenen, wanneer daardoor de reis van
het voertuig zou worden vertraagd.
3. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
Artikel 1166
1. Wordt
ter zake van het vervoer een plaatsbewijs, een
ontvangstbewijs voor bagage of enig soortgelijk document
afgegeven, dan is de vervoerder verplicht daarin op
duidelijke wijze zijn naam en woonplaats te vermelden.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van het eerste lid van dit
artikel wordt afgeweken.
3. De
artikelen 56 tweede lid, 75 eerste lid en 186 eerste lid van
Boek 2 zijn niet van toepassing.
Afdeling 4. Verhuisovereenkomst
Artikel 1170
1. De
verhuisovereenkomst in de zin van deze titel is de
overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de vervoerder (de
verhuizer) zich tegenover de afzender (de opdrachtgever)
verbindt verhuisgoederen te vervoeren, hetzij uitsluitend in
een gebouw of woning, hetzij uitsluitend ten dele in een
gebouw of woning en ten dele over de weg, hetzij uitsluitend
over de weg. Vervoer over spoorwegen wordt niet als vervoer
over de weg beschouwd.
2.
Verhuisgoederen in de zin van deze titel zijn zaken die zich
in een overdekte ruimte bevinden en die tot de stoffering,
meubilering of inrichting van die ruimte bestemd zijn en als
zodanig reeds zijn gebruikt met uitzondering van die zaken
die volgens verkeersopvatting niet tot de gebruikelijke
inhoud van die ruimte behoren.
3.
Indien partijen overeenkomen, dat het geheel van het vervoer
over de weg zal worden beheerst door het geheel van de
rechtsregelen, die het zouden beheersen, wanneer het andere
zaken dan verhuisgoederen zou betreffen, wordt deze
overeenkomst niet als verhuisovereenkomst aangemerkt.
Artikel 1171
Vervoer over de weg van verhuisgoederen
omvat voor de toepassing van artikel 1175 tweede lid, in
afwijking van het elders bepaalde, het tijdvak dat het voertuig
aan boord waarvan de verhuisgoederen zich bevinden, zich aan
boord van een ander vervoermiddel en niet op de weg bevindt,
doch dit slechts ten aanzien van verhuisgoederen, die daarbij
niet uit dat voertuig werden uitgeladen.
Artikel 1172
De verhuizer is verplicht verhuisgoederen,
die gelet op hun aard of de wijze van vervoer, ingepakt behoren
te worden of uit elkaar genomen behoren te worden, in te pakken
dan wel uit elkaar te nemen en ter bestemming uit te pakken, dan
wel in elkaar te zetten.
Artikel 1173
1. De
verhuizer is verplicht de verhuisgoederen ter bestemming af
te leveren en wel in de staat, waarin zij hem uit hoofde van
artikel 1172 ter verpakking of demontage, dan wel in de
staat, waarin zij hem ten vervoer ter beschikking zijn
gesteld.
2. Onder
afleveren wordt in deze afdeling verstaan het plaatsen van
de verhuisgoederen ter bestemming op de daartoe
mogelijkerwijs aangeduide plek en zulks, bij toepassing van
artikel 1172, na hen te hebben uitgepakt of in elkaar gezet.
Artikel 1174
Onverminderd artikel 1173 is de verhuizer
verplicht een aangevangen verhuizing zonder vertraging te
voltooien.
Artikel 1175
1. Bij
niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen 1173
en 1174 rustende verplichtingen is de verhuizer
desalniettemin voor de daardoor ontstane schade niet
aansprakelijk, voor zover dit niet nakomen is veroorzaakt
door een omstandigheid die een zorgvuldig verhuizer niet
heeft kunnen vermijden en voor zover zulk een verhuizer de
gevolgen daarvan niet heeft kunnen verhinderen.
2. De
verhuizer kan niet om zich van zijn aansprakelijkheid uit
hoofde van de artikelen 1173 of 1174 te ontheffen beroep
doen op:
a. de gebrekkigheid van het
voertuig dat voor de verhuizing wordt gebezigd;
b. de gebrekkigheid van het
materiaal, waarvan hij zich bedient, tenzij dit door de
opdrachtgever te zijner beschikking is gesteld; onder
materiaal wordt niet begrepen een schip, luchtvaartuig
of spoorvoertuig, waarop het voertuig, dat voor de
verhuizing wordt gebezigd, zich bevindt;
c. de gebrekkigheid van
steunpunten benut voor de bevestiging van
hijswerktuigen;
d. enig door toedoen van derden,
wier handelingen niet voor rekening van de opdrachtgever
komen, aan de verhuisgoederen overkomen ongeval.
3. Het
eerste lid van dit artikel is eveneens van toepassing ten
aanzien van aansprakelijkheid van de verhuizer uit anderen
hoofde dan van de artikelen 1173 of 1174.
Artikel 1176
Onverminderd de artikelen 1177 en 1178 is
de verhuizer, die de op hem uit hoofde van de artikelen 1173 en
1174 rustende verplichtingen niet nakwam, desalniettemin voor de
daardoor ontstane schade niet aansprakelijk, voor zover dit niet
nakomen het gevolg is van de bijzondere risico’s verbonden aan
een of meer van de volgende omstandigheden:
a. het inpakken of uit elkaar
nemen, dan wel het uitpakken of in elkaar zetten van
verhuisgoederen door de opdrachtgever of met behulp van
enige persoon of enig middel door de opdrachtgever
daartoe eigener beweging ter beschikking gesteld;
b. de keuze door de opdrachtgever
- hoewel de verhuizer hem een andere mogelijkheid aan de
hand deed - van een wijze van verpakking of uitvoering
van de verhuisovereenkomst, die verschilt van wat voor
de overeengekomen verhuizing gebruikelijk is;
c. de aanwezigheid onder de
verhuisgoederen van zaken waarvoor de verhuizer, indien
hij op de hoogte was geweest van hun aanwezigheid en hun
aard, bijzondere maatregelen zou hebben getroffen;
d. de aard of de staat van de
verhuisgoederen zelf, die door met deze aard of staat
zelf samenhangende oorzaken zijn blootgesteld aan geheel
of gedeeltelijk verlies of aan beschadiging.
Artikel 1177
Wanneer de verhuizer bewijst dat, gelet op
de omstandigheden van het geval, het niet nakomen van de op hem
uit hoofde van de artikelen 1173 en 1174 rustende verplichtingen
een gevolg heeft kunnen zijn van een of meer der in artikel 1176
genoemde bijzondere risico's, wordt vermoed, dat het niet
nakomen daaruit voortvloeit.
Artikel 1178
1.
Wanneer de verhuizer de op hem uit hoofde van de artikelen
1173 en 1174 rustende verplichtingen niet nakwam, wordt ten
aanzien van:
a. levende dieren;
b. geld, geldswaardige papieren,
juwelen, uit edelmetaal vervaardigde of andere kostbare
kleinodiën
vermoed dat de verhuizer noch de
omstandigheid, die het niet nakomen veroorzaakte, heeft
kunnen vermijden, noch de gevolgen daarvan heeft kunnen
verhinderen en dat het niet nakomen niet is ontstaan door
een of meer der in het tweede lid van artikel 1175 voor
rekening van de verhuizer gebrachte omstandigheden.
2. De
verhuizer kan geen beroep doen op het eerste lid onder b,
indien de opdrachtgever hem de daar genoemde zaken
afzonderlijk en onder opgave van hoeveelheid en waarde vóór
het begin der verhuizing overhandigde.
Artikel 1179
1.
Nietig is ieder beding, waarbij de ingevolge artikel 1173 op
de verhuizer drukkende aansprakelijkheid of bewijslast op
andere wijze wordt verminderd dan in deze afdeling is
voorzien.
2.
Wanneer het verhuisgoederen betreft, die door hun karakter
of gesteldheid een bijzondere overeenkomst rechtvaardigen,
staat het partijen in afwijking van het eerste lid vrij de
op de verhuizer drukkende aansprakelijkheid of bewijslast te
verminderen, doch slechts wanneer dit beding uitdrukkelijk
en anders dan door een verwijzing naar in een ander
geschrift voorkomende bedingen is aangegaan bij een in het
bijzonder ten aanzien van de voorgenomen verhuizing
aangegane en in een afzonderlijk geschrift neergelegde
overeenkomst.
Artikel 1180
Voor zover de verhuizer aansprakelijk is
wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen
1173 en 1174 rustende verplichtingen heeft de opdrachtgever geen
ander recht dan te zijner keuze te vorderen betaling van een
redelijk bedrag voor herstel van beschadigd verhuisgoed, dan wel
betaling van een bedrag, dat wordt berekend met inachtneming van
de waarde welke verhuisgoederen als die, waarop de
verhuisovereenkomst betrekking heeft, zouden hebben gehad,
zoals, ten tijde waarop en ter plaatse waar, zij zijn afgeleverd
of zij hadden moeten zijn afgeleverd.
Artikel 1181
Indien met betrekking tot een verhuisgoed
een schadevergoeding uit hoofde van artikel 1195 is
verschuldigd, wordt deze aangemerkt als een waardevermindering
van dat verhuisgoed.
Artikel 1182
Voor zover de verhuizer aansprakelijk is
wegens niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen
1173 en 1174 rustende verplichtingen, is hij niet aansprakelijk
boven bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen
bedragen. Bij of krachtens deze maatregel kan worden vastgesteld
welk bedrag van de geleden schade voor risico van de
opdrachtgever blijft.
Artikel 1183
1. De
opdrachtgever kan, mits de verhuizer hierin toestemt en
tegen betaling van een overeen te komen bedrag, schriftelijk
een waarde van de verhuisgoederen aangeven, die het maximum,
vermeld in de in artikel 1182 genoemde algemene maatregel
van bestuur, overschrijdt. In dat geval treedt het
aangegeven bedrag in de plaats van dit maximum.
2.
Nietig is ieder beding waarbij het aldus aangegeven bedrag
hoger wordt gesteld dan het hoogste der in artikel 1180
genoemde bedragen.
Artikel 1184
1. De
opdrachtgever kan, mits de verhuizer hierin toestemt en
tegen betaling van een overeen te komen bedrag, schriftelijk
het bedrag van een bijzonder belang bij de aflevering voor
het geval van verlies of beschadiging van vervoerd
verhuisgoed en voor dat van overschrijding van een
overeengekomen termijn van aanvang of einde der verhuizing
vaststellen.
2.
Indien een bijzonder belang bij de aflevering is aangegeven,
kan, indien de verhuizer aansprakelijk is wegens niet
nakomen van de op hem uit hoofde van artikel 1173 rustende
verplichting dan wel op grond van overschrijding van een
overeengekomen termijn van aanvang of einde der verhuizing,
onafhankelijk van de schadevergoedingen genoemd in de
artikelen 1180 tot en met 1183 en tot ten hoogste eenmaal
het bedrag van het aangegeven belang, een schadevergoeding
worden gevorderd gelijk aan de bewezen bijkomende schade.
Artikel 1185
1. De
verhuizer kan zich niet beroepen op enige beperking van zijn
aansprakelijkheid, voor zover de schade is ontstaan uit zijn
eigen handeling of nalaten, geschied hetzij met het opzet
die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt
afgeweken.
Artikel 1186
1. De
opdrachtgever is bevoegd de overeenkomst op te zeggen,
wanneer hem door de verhuizer is medegedeeld, dat hij niet
op de overeengekomen plaats en tijd met de verhuizing een
aanvang kan of zal kunnen maken.
2. Hij
kan deze bevoegdheid slechts uitoefenen terstond na
ontvangst van deze mededeling.
3.
Indien bij gebreke van de ontvangst van een mededeling, als
bedoeld in het eerste lid, het de opdrachtgever uit anderen
hoofde bekend is, dat de verhuizer niet op de overeengekomen
plaats of tijd met de verhuizing een aanvang maakt of kan
maken, is hij, zonder dat enige ingebrekestelling is
vereist, bevoegd de overeenkomst op te zeggen, doch slechts
binnen een redelijke termijn, nadat hem dit bekend is
geworden; gelijke bevoegdheid komt hem toe, indien hem na
ontvangst van een mededeling, als bedoeld in het eerste lid,
uit anderen hoofde bekend wordt, dat de verhuizer op grond
van andere omstandigheden dan welke hem tot zijn mededeling
brachten niet met de verhuizing op de overeengekomen plaats
of tijd een aanvang maakt of kan maken.
4. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
5.
Indien de verhuizer gehouden is de schade, die de
opdrachtgever door de opzegging lijdt, te vergoeden, zal
deze vergoeding, behoudens artikel 1184, niet meer bedragen
dan de overeengekomen verhuisprijs.
Artikel 1187
De opdrachtgever is verplicht de verhuizer
de schade te vergoeden, die deze lijdt doordat de overeengekomen
verhuisgoederen, door welke oorzaak dan ook, niet op de
overeengekomen plaats en tijd te zijner beschikking zijn.
Artikel 1188
1.
Alvorens verhuisgoederen ter beschikking van de verhuizer
zijn gesteld, is de opdrachtgever bevoegd de overeenkomst op
te zeggen. Hij is verplicht aan de verhuizer de daardoor
geleden schade te vergoeden.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
Artikel 1189
1. Zijn
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de
verhuisgoederen ter beschikking van de verhuizer moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, in het geheel geen
verhuisgoederen ter beschikking, dan is de verhuizer, zonder
dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de
overeenkomst op te zeggen. De opdrachtgever is verplicht hem
de daardoor geleden schade te vergoeden.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
Artikel 1190
1. Zijn
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de
verhuisgoederen ter beschikking van de verhuizer moeten zijn
gesteld, door welke oorzaak dan ook, de overeengekomen
verhuisgoederen slechts gedeeltelijk ter beschikking, dan is
de verhuizer op verlangen van de opdrachtgever
desalniettemin verplicht de wel ter beschikking gestelde
goederen te verhuizen.
2. De
opdrachtgever is verplicht de verhuizer de daardoor geleden
schade te vergoeden.
Artikel 1191
1. De
opdrachtgever is verplicht de verhuizer omtrent de
verhuisgoederen alsmede omtrent de behandeling daarvan
tijdig al die opgaven te doen, waartoe hij in staat is of
behoort te zijn, en waarvan hij weet of behoort te weten,
dat zij voor de verhuizer van belang zijn, tenzij hij mag
aannemen dat de verhuizer deze gegevens kent.
2. De
verhuizer is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te
onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.
Artikel 1192
1. De
opdrachtgever is verplicht de verhuizer de schade te
vergoeden die deze lijdt doordat, door welke oorzaak dan
ook, niet naar behoren aanwezig zijn de documenten en
inlichtingen, die blijkens mededeling door de verhuizer van
de zijde van de opdrachtgever vereist zijn voor de
verhuizing dan wel ter voldoening aan vóór de aflevering van
de verhuisgoederen te vervullen douane- en andere
formaliteiten.
2. De
verhuizer is verplicht redelijke zorg aan te wenden, dat de
documenten, die in zijn handen zijn gesteld, niet verloren
gaan of onjuist worden behandeld. Een terzake door hem
verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit
hoofde van de artikelen 1180 tot en met 1185 in geval van
verlies van de verhuisgoederen, niet overschrijden.
3. De
verhuizer is niet gehouden, doch wel gerechtigd, te
onderzoeken of de hem gedane opgaven juist en volledig zijn.
4. Zijn
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de in het eerste
lid genoemde documenten en inlichtingen aanwezig moeten
zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet naar behoren
aanwezig, dan zijn de artikelen 1189 en 1190 van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 1193
1.
Wanneer vóór of bij de aanbieding van de verhuisgoederen aan
de verhuizer omstandigheden aan de zijde van één der
partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar
wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet
behoefde te kennen, doch die, indien zij haar wel bekend
waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden
opgeleverd de verhuisovereenkomst niet of op andere
voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de
overeenkomst op te zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door een mondelinge of schriftelijke
kennisgeving en de overeenkomst eindigt op het ogenblik van
ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 1194
1. De
verhuisprijs is verschuldigd op het ogenblik, dat de
verhuizer de verhuisgoederen ter bestemming aflevert.
2.
Indien partijen overeenkwamen, dat de verhuisprijs vóór het
vertrek van het voertuig, waarin de verhuisgoederen zijn
geladen, zal worden betaald en de opdrachtgever niet aan
deze verplichting heeft voldaan, is de verhuizer bevoegd het
vervoer van de betrokken verhuisgoederen op te schorten en
is hij met toestemming van de rechter gerechtigd tot het
nemen van de in de artikelen 1197 en 1198 genoemde
maatregelen. Gaat hij hiertoe over, dan zijn deze artikelen
van toepassing.
Artikel 1195
Onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van
Boek 6 is de opdrachtgever verplicht de verhuizer de schade te
vergoeden, geleden doordat deze zich als zaakwaarnemer inliet
met de behartiging van de belangen van een rechthebbende op
verhuisgoederen.
Artikel 1196
De verhuizer heeft geen retentierecht op
verhuisgoederen en documenten, die hij in verband met de
verhuisovereenkomst onder zich heeft.
Artikel 1197
1. Voor
zover de opdrachtgever niet opkomt, weigert verhuisgoederen
te ontvangen of deze niet met de vereiste spoed in ontvangst
neemt, of voor zover op verhuisgoederen beslag is gelegd, is
de verhuizer gerechtigd deze verhuisgoederen voor rekening
en gevaar van de rechthebbende bij een derde op te slaan in
een daarvoor geschikte bewaarplaats. Op zijn verzoek kan de
rechter bepalen dat hij deze verhuisgoederen, desgewenst ook
in het voor de verhuizing gebezigde voertuig, onder zichzelf
kan houden of andere maatregelen daarvoor kan treffen. Hij
is verplicht de opdrachtgever zo spoedig mogelijk op de
hoogte te stellen.
2. De
derde-bewaarnemer en de opdrachtgever zijn jegens elkaar
verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is
echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke
toestemming daartoe van hem, die de verhuisgoederen in
bewaring gaf.
Artikel 1198
1. In
geval van toepassing van artikel 1197 kan de verhuizer, de
bewaarnemer dan wel de opdrachtgever door de rechter op zijn
verzoek worden gemachtigd de verhuisgoederen geheel of
gedeeltelijk op de door deze te bepalen wijze te verkopen.
2. De
bewaarnemer is verplicht de verhuizer zo spoedig mogelijk
van de voorgenomen verkoop op de hoogte te stellen; de
verhuizer heeft deze verplichting jegens de opdrachtgever.
3. De
opbrengst van het verkochte wordt in de consignatiekas
gestort, voor zover zij niet strekt tot voldoening van de
kosten van opslag en verkoop, alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken
beslag is gelegd voor een geldvordering, moet aan de
verhuizer uit het in bewaring te stellen bedrag worden
voldaan hetgeen hem verschuldigd is terzake van de
verhuizing; voor zover deze vordering nog niet vaststaat,
zal de opbrengst of een gedeelte daarvan op door de rechter
te bepalen wijze tot zekerheid voor deze vordering strekken.
4. De in
de consignatiekas gestorte opbrengst treedt in de plaats van
de verhuisgoederen.
Artikel 1199
Indien er zekerheid of vermoeden bestaat,
dat er verlies of schade is, moeten de verhuizer en de
opdrachtgever elkaar over en weer in redelijkheid alle middelen
verschaffen om het onderzoek van de verhuisgoederen mogelijk te
maken.
Artikel 1200
Indien binnen drie jaren nadat de
verhuizer aan de opdrachtgever schadevergoeding heeft uitgekeerd
terzake van het niet afleveren van verhuisgoederen, deze
verhuisgoederen of enige daarvan alsnog onder de verhuizer
blijken te zijn of te zijn gekomen, is de verhuizer verplicht de
opdrachtgever van deze omstandigheid bij aangetekende brief op
de hoogte te brengen en heeft de opdrachtgever gedurende dertig
dagen na ontvangst van deze mededeling het recht tegen
verrekening van de door hem ontvangen schadevergoeding opnieuw
aflevering van deze verhuisgoederen te verlangen. Hetzelfde
geldt, indien de verhuizer terzake van het niet afleveren geen
schadevergoeding heeft uitgekeerd, met dien verstande dat de
termijn van drie jaren begint met de aanvang van de dag volgende
op die, waarop de verhuisgoederen hadden moeten zijn afgeleverd.
Artikel 1201
Met betrekking tot verhuisgoederen, die de
verhuizer onder zich heeft, doch ten aanzien waarvan hij niet
meer uit hoofde van de verhuisovereenkomst tot aflevering is
verplicht, is artikel 1198 van overeenkomstige toepassing met
dien verstande, dat uit de opbrengst van het verkochte bovendien
aan de verhuizer moet worden voldaan het bedrag, dat deze
mogelijkerwijs voldeed terzake van zijn aansprakelijkheid wegens
het niet nakomen van de op hem uit hoofde van de artikelen 1173
en 1174 rustende verplichtingen.
Titel 14. Ongevallen
Afdeling 1. Gevaarlijke stoffen aan boord
van een voertuig
Artikel 1210
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. "gevaarlijke stof": een
stof die als zodanig bij algemene maatregel van bestuur
is aangewezen; de aanwijzing kan worden beperkt tot
bepaalde concentraties van de stof, tot bepaalde in de
algemene maatregel van bestuur te omschrijven gevaren
die aan de stof verbonden zijn, en tot bepaalde daarin
te omschrijven situaties waarin de stof zich bevindt;
b. "schade":
1°. schade veroorzaakt door
dood of letsel van enige persoon veroorzaakt door
een gevaarlijke stof;
2°. andere schade buiten het
voertuig aan boord waarvan de gevaarlijke stof zich
bevindt, veroorzaakt door die gevaarlijke stof, met
uitzondering van verlies van of schade met
betrekking tot andere voertuigen en zaken aan boord
daarvan, indien die voertuigen deel uitmaken van een
sleep, waarvan ook dit voertuig deel uitmaakt;
3°. de kosten van preventieve
maatregelen en verlies of schade veroorzaakt door
zulke maatregelen;
c. "preventieve maatregel":
iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking
van schade door wie dan ook genomen met uitzondering van
de overeenkomstig deze afdeling aansprakelijke persoon
nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden;
d. "gebeurtenis": elk feit
of elke opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak,
waardoor schade ontstaat of waardoor een ernstige en
onmiddellijke dreiging van schade ontstaat;
e. "exploitant": hij die de
zeggenschap heeft over het gebruik van het voertuig aan
boord waarvan de gevaarlijke stof zich bevindt. Hij aan
wie een kenteken als bedoeld in artikel 36, eerste lid,
van de Wegenverkeerswet 1994 is opgegeven, of, bij
gebreke daarvan, de eigenaar van het voertuig, wordt
aangemerkt als exploitant, tenzij hij bewijst dat ten
tijde van de gebeurtenis een door hem bij name genoemde
ander de zeggenschap over het gebruik van het voertuig
had of dat op dat tijdstip een ander zonder zijn
toestemming en zonder dat hij zulks redelijkerwijs kon
voorkomen de zeggenschap over het gebruik van het
voertuig had.
Artikel 1211
1. Deze
afdeling is niet van toepassing, indien de exploitant jegens
degene die de vordering instelt, aansprakelijk is uit hoofde
van een exploitatie-overeenkomst of jegens deze persoon een
beroep op een exploitatie-overeenkomst heeft.
2. Deze
afdeling is van toepassing op de periode waarin een
gevaarlijke stof zich in een voertuig bevindt, daaronder
begrepen de periode vanaf het begin van de inlading van de
gevaarlijke stof in het voertuig tot het einde van de
lossing van die stof uit het voertuig.
3. Deze
afdeling is niet van toepassing op schade veroorzaakt
wanneer het voertuig uitsluitend wordt gebruikt op een niet
voor publiek toegankelijk terrein en zulk gebruik een
onderdeel vormt van een op dat terrein plaatsvindende
bedrijfsuitoefening.
4. Op
zich overeenkomstig het tweede lid aan boord bevindende
stoffen als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 is dat artikel
niet van toepassing, tenzij zich het geval van het derde lid
voordoet.
5.
Onverminderd het in het derde lid bepaalde is deze afdeling
van overeenkomstige toepassing op luchtkussenvoertuigen,
waar ook gebruikt.
Artikel 1212
1.
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt in een
vervoermiddel dat zich aan boord van een voertuig bevindt
zonder dat de gevaarlijke stof uit dit gestapelde
vervoermiddel wordt gelost, zal de gevaarlijke stof voor die
periode geacht worden zich alleen aan boord van genoemd
voertuig te bevinden.
2.
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt in een voertuig dat
wordt voortbewogen door een ander voertuig, zal de
gevaarlijke stof geacht worden zich alleen aan boord van het
laatstgenoemde voertuig te bevinden.
3.
Gedurende de handelingen bedoeld in artikel 1213, vijfde
lid, onderdelen c, d en e, zal de
gevaarlijke stof geacht worden:
a. in afwijking van het eerste
lid, zich alleen aan boord van het gestapelde
vervoermiddel te bevinden;
b. in afwijking van het tweede
lid, zich alleen aan boord van eerstgenoemd voertuig te
bevinden.
Artikel 1213
1. Hij
die ten tijde van een gebeurtenis exploitant is van een
voertuig aan boord waarvan zich een gevaarlijke stof
bevindt, is aansprakelijk voor de schade door die stof
veroorzaakt ten gevolge van die gebeurtenis. Bestaat de
gebeurtenis uit een opeenvolging van feiten met dezelfde
oorzaak, dan rust de aansprakelijkheid op degene die ten
tijde van het eerste feit exploitant was.
2. De
exploitant is niet aansprakelijk indien:
a. de schade is veroorzaakt door
een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog,
opstand of natuurgebeuren van uitzonderlijke,
onvermijdelijke en onweerstaanbare aard;
b. de schade uitsluitend is
veroorzaakt door een handelen of nalaten van een derde,
niet zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid,
onderdeel a, geschied met het opzet de schade te
veroorzaken;
c. de afzender of enige andere
persoon niet heeft voldaan aan zijn verplichting hem in
te lichten over de gevaarlijke aard van de stof, en noch
de exploitant, noch de in het vijfde lid, onderdeel a,
genoemde personen wisten of hadden behoren te weten dat
deze gevaarlijk was.
3.
Indien de exploitant bewijst dat de schade geheel of
gedeeltelijk het gevolg is van een handelen of nalaten van
de persoon die de schade heeft geleden, met het opzet de
schade te veroorzaken, of van de schuld van die persoon, kan
hij geheel of gedeeltelijk worden ontheven van zijn
aansprakelijkheid tegenover die persoon.
4. De
exploitant kan voor schade slechts uit anderen hoofde dan
deze afdeling worden aangesproken in het geval van het
tweede lid, onderdeel c, alsmede in het geval dat hij
uit hoofde van arbeidsovereenkomst kan worden aangesproken.
In het geval van het tweede lid, onderdeel c, kan de
exploitant deze aansprakelijkheid beperken als ware hij op
grond van deze afdeling aansprakelijk.
5.
Behoudens de artikelen 1214 en 1215 zijn voor schade niet
aansprakelijk:
a. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de exploitant,
b. ieder die ten behoeve van het
voertuig werkzaamheden verricht,
c. zij die anders dan tegen een
uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege het voertuig in
hulp verlenen aan het voertuig, de zich aan boord
daarvan bevindende zaken of personen,
d. zij die op aanwijzing van een
bevoegde overheidsinstantie hulp verlenen aan het
voertuig, de zich aan boord daarvan bevindende zaken of
personen,
e. zij die preventieve maatregelen
nemen met uitzondering van de exploitant,
f. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit lid,
onderdelen b, c, d en e, van
aansprakelijkheid vrijgestelde personen, tenzij de
schade is ontstaan uit hun eigen handelen of nalaten,
geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken,
hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er
waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
6. De
exploitant heeft, voor zover niet anders is overeengekomen,
verhaal op de in het vijfde lid bedoelde personen, doch
uitsluitend indien dezen ingevolge het slot van dit lid voor
de schade kunnen worden aangesproken.
Artikel 1214
1.
Indien de exploitant bewijst dat de gevaarlijke stof tijdens
de periode bedoeld in artikel 1211, tweede lid, is geladen
of gelost onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van een
door hem bij name genoemde ander dan de exploitant of zijn
ondergeschikte, vertegenwoordiger of lasthebber, zoals de
afzender of ontvanger, is de exploitant niet aansprakelijk
voor de schade als gevolg van een gebeurtenis tijdens het
laden of lossen van de gevaarlijke stof en is die ander voor
deze schade aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling.
2.
Indien echter de gevaarlijke stof tijdens de periode bedoeld
in artikel 1211, tweede lid, is geladen of gelost onder de
gezamenlijke verantwoordelijkheid van de exploitant en een
door de exploitant bij name genoemde ander, zijn de
exploitant en die ander hoofdelijk aansprakelijk
overeenkomstig deze afdeling voor de schade als gevolg van
een gebeurtenis tijdens het laden of lossen van de
gevaarlijke stof.
3.
Indien is geladen of gelost door een persoon in opdracht of
ten behoeve van de vervoerder of een ander, zoals de
afzender of de ontvanger, is niet deze persoon, maar de
vervoerder of die ander aansprakelijk.
4.
Indien een ander dan de exploitant op grond van het eerste
of het tweede lid aansprakelijk is, kan die ander geen
beroep doen op artikel 1213, vierde lid en vijfde lid,
onderdeel b.
5.
Indien een ander dan de exploitant op grond van het eerste
of het tweede lid aansprakelijk is, zijn ten aanzien van die
ander de artikelen 1218 tot en met 1220 van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat in geval van hoofdelijke
aansprakelijkheid:
a. de beperking van
aansprakelijkheid als bepaald krachtens artikel 1218,
eerste lid, geldt voor het geheel der naar aanleiding
van eenzelfde gebeurtenis ontstane vorderingen gericht
tegen beiden;
b. een fonds gevormd door één van
hen overeenkomstig artikel 1219 wordt aangemerkt als
door beiden te zijn gevormd en zulks ten aanzien van de
vorderingen waarvoor het fonds werd gesteld.
6. In de
onderlinge verhouding tussen de exploitant en de in het
tweede lid van dit artikel genoemde ander is de exploitant
niet tot vergoeding verplicht dan in geval van schuld van
hemzelf of van zijn ondergeschikten, vertegenwoordigers of
lasthebbers.
7. Dit
artikel is niet van toepassing als tijdens de periode,
bedoeld in artikel 1211, tweede lid, is geladen of gelost
onder de uitsluitende of gezamenlijke verantwoordelijkheid
van een persoon, genoemd in artikel 1213, vijfde lid,
onderdeel c, d of e.
Artikel 1215
Indien ingevolge artikel 1213, tweede lid,
onderdeel c, de exploitant niet aansprakelijk is, is de
afzender of andere persoon aansprakelijk overeenkomstig deze
afdeling en zijn te diens aanzien de artikelen 1218 tot en met
1220 van overeenkomstige toepassing. De afzender of andere
persoon kan geen beroep doen op artikel 1213, vierde lid.
Artikel 1216
Indien schade veroorzaakt door de
gevaarlijke stof redelijkerwijs niet kan worden gescheiden van
schade anderszins veroorzaakt, zal de gehele schade worden
aangemerkt als schade in de zin van deze afdeling.
Artikel 1217
1.
Wanneer door een gebeurtenis schade is veroorzaakt door
gevaarlijke stoffen aan boord van meer dan één voertuig, dan
wel aan boord van een voertuig of luchtkussenvoertuig en een
zeeschip, een binnenschip of een spoorrijtuig, zijn de
exploitanten van de daarbij betrokken voertuigen, de reder
of de eigenaar van het daarbij betrokken zeeschip of het
binnenschip en de exploitant van de spoorweg waarop de
gebeurtenis met het daarbij betrokken spoorrijtuig
plaatsvond, onverminderd het in artikel 1213, tweede en
derde lid, en artikel 1214, afdeling 4 van titel 6, afdeling
4 van titel 11 en afdeling 4 van titel 19 bepaalde,
hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade waarvan
redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat zij
veroorzaakt is door gevaarlijke stoffen aan boord van één of
meer bepaalde voertuigen, luchtkussenvoertuig, zeeschip of
binnenschip, of spoorrijtuig dat gebruikt werd op een
bepaalde spoorweg.
2. Het
bepaalde in het eerste lid laat onverlet het beroep op
beperking van aansprakelijkheid van de exploitant, reder of
eigenaar krachtens deze afdeling, titel 7 of titel 12, dan
wel de artikelen 1678 tot en met 1680, ieder tot het voor
hem geldende bedrag.
Artikel 1218
1. De
exploitant kan zijn aansprakelijkheid per gebeurtenis
beperken tot een bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te bepalen bedrag of bedragen die verschillend
kunnen zijn voor vorderingen ter zake van dood of letsel en
andere vorderingen.
2. De
exploitant is niet gerechtigd zijn aansprakelijkheid te
beperken indien de schade is ontstaan uit zijn eigen
handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet die
schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap
dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Artikel 1219
Ten einde zich te kunnen beroepen op de in
artikel 1218 bedoelde beperking van aansprakelijkheid moet de
exploitant een fonds of fondsen vormen overeenkomstig artikel
1220.
Artikel 1220
1. Hij
die gebruik wenst te maken van de hem in artikel 1218
gegeven bevoegdheid tot beperking van zijn
aansprakelijkheid, verzoekt een rechtbank die bevoegd is
kennis te nemen van de vorderingen tot vergoeding van
schade, het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is
beperkt, vast te stellen en te bevelen dat tot een procedure
ter verdeling van dit bedrag zal worden overgegaan.
2. Op
het verzoek en de procedure ter verdeling zijn de artikelen
642a, tweede tot en met vierde lid, 642b, 642c, 642e, eerste
lid, 642f tot en met 642t, eerste lid, en 642u tot en met
642z van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing.
3.
Indien het krachtens artikel 1218, eerste lid, bepaalde
bedrag voor vorderingen ter zake van dood of letsel
onvoldoende is voor volledige vergoeding van deze
vorderingen, worden deze vorderingen in evenredigheid gekort
en zal het krachtens artikel 1218, eerste lid, bepaalde
bedrag voor andere vorderingen naar evenredigheid worden
verdeeld onder die vorderingen en de vorderingen ter zake
van dood of letsel, voor zover deze onvoldaan zouden zijn.
4. De
vorderingen van de exploitant ter zake van door hem
vrijwillig en binnen de grenzen der redelijkheid gedane
uitgaven en gebrachte offers ter voorkoming of beperking van
schade staan in rang gelijk met andere vorderingen op het
krachtens artikel 1218, eerste lid, bepaalde bedrag voor
andere vorderingen dan die ter zake van dood of letsel.
V. Luchtrecht
Titel 15. Het luchtvaartuig
Afdeling 1. Rechten op luchtvaartuigen
Artikel 1300
In deze titel wordt verstaan onder:
a. het Verdrag van Genève: het op
19 juni 1948 te Genève tot stand gekomen Verdrag
betreffende de internationale erkenning van rechten op
luchtvaartuigen (Trb. 1952, 86);
b. Verdragsstaat: een staat
waarvoor het Verdrag van Genève van kracht is;
c. verdragsregister: een buiten
Nederland gehouden register als bedoeld in artikel I,
eerste lid, onder ii, van het Verdrag van Genève;
d. de openbare registers: de
openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1
van Boek 3.
Artikel 1301
De in deze afdeling aan de eigenaar
opgelegde verplichtingen rusten, indien het luchtvaartuig
toebehoort aan meer personen, aan een vennootschap onder firma,
aan een commanditaire vennootschap of aan een rechtspersoon,
mede op iedere mede-eigenaar, beherende vennoot of bestuurder.
Artikel 1302 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 1303
1.
Teboekstelling is slechts
mogelijk indien
a. het luchtvaartuig een
Nederlands luchtvaartuig is in de zin van de Wet
luchtvaart, en
b. het luchtvaartuig ten minste
een bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld
gewicht heeft.
2.
Teboekstelling is niet mogelijk van een luchtvaartuig dat
reeds teboekstaat in de openbare registers, in een
verdragsregister of in enig soortgelijk buitenlands
register.
3. In
afwijking van het tweede lid is teboekstelling van een in
een verdragsregister of in enig soortgelijk register
teboekstaand luchtvaartuig mogelijk, wanneer de eigenaar de
eigendom van het luchtvaartuig heeft verkregen door
toewijzing na een executie, welke in Nederland heeft
plaatsgevonden.
4. De
teboekstelling wordt verzocht door de eigenaar van het
luchtvaartuig. Hij moet daarbij ter inschrijving overleggen
een door hem ondertekende verklaring, dat naar zijn beste
weten het luchtvaartuig voor teboekstelling vatbaar is. Deze
verklaring behoeft de goedkeuring van de rechter.
5. De
teboekstelling in de openbare registers heeft geen
rechtsgevolg, wanneer aan de vereisten van de voorgaande
leden van dit artikel niet is voldaan.
6. Bij
het verzoek tot teboekstelling wordt woonplaats gekozen in
Nederland. Deze woonplaats wordt in het verzoek tot
teboekstelling vermeld en kan door een andere in Nederland
gelegen woonplaats worden vervangen.
Artikel 1304
1. De
teboekstelling wordt slechts doorgehaald
a. op verzoek van degene die in de
openbare registers als eigenaar vermeld staat;
b. op aangifte van de eigenaar of
ambtshalve
1°. als het luchtvaartuig
heeft opgehouden als zodanig te bestaan;
2°. als van het luchtvaartuig
gedurende twee maanden na het laatste vertrek geen
tijding is ontvangen, zonder dat dit aan een
algemene storing in de berichtgeving kan worden
geweten;
3°. als het luchtvaartuig niet
of niet meer de hoedanigheid van Nederlands
luchtvaartuig heeft;
4°. als het luchtvaartuig, na
een executie in een Verdragsstaat buiten Nederland,
welke plaatsvond overeenkomstig het Verdrag van
Genève, in een verdragsregister teboekstaat.
2. In de
in het eerste lid, onder b, genoemde gevallen is de
eigenaar van het luchtvaartuig tot het doen van aangifte
verplicht binnen drie maanden nadat de reden tot doorhaling
zich heeft voorgedaan.
3.
Wanneer ten aanzien van het luchtvaartuig inschrijvingen of
voorlopige aantekeningen ten gunste van derden bestaan,
geschiedt, behalve in het geval, genoemd in het eerste lid,
onderdeel b, onder 4°, doorhaling slechts wanneer
geen dezer derden zich daartegen verzet.
4.
Doorhaling geschiedt slechts na op verzoek van de meest
gerede partij verleende machtiging van de rechter.
Artikel 1305
De enige zakelijke rechten waarvan een in
de openbare registers teboekstaand luchtvaartuig het voorwerp
kan zijn, zijn de eigendom, de hypotheek en de zakelijke
rechten, bedoeld in de artikelen 1308 en 1309.
Artikel 1306
1. Een
in de openbare registers teboekstaand luchtvaartuig is een
registergoed.
2. Bij
de toepassing van artikel 301 van Boek 3 ter zake van akten
die op de voet van artikel 89, eerste en vierde lid, van
Boek 3 zijn bestemd voor de levering van zodanig
luchtvaartuig, kan de in het eerstgenoemde artikel bedoelde
uitspraak van de Nederlandse rechter niet worden
ingeschreven, zolang zij niet in kracht van gewijsde is
gegaan.
Artikel 1307
Eigendom en hypotheek op een teboekstaand
luchtvaartuig worden door een bezitter te goeder trouw verkregen
door een onafgebroken bezit van vijf jaren.
Artikel 1308
Op een teboekstaand luchtvaartuig kan een
zakelijk recht worden gevestigd, bestaande in het recht van de
houder van het luchtvaartuig om na betaling van een zeker bedrag
of na vervulling van enige andere voorwaarde de eigendom daarvan
krachtens een door hem reeds gesloten of nog te sluiten
koopovereenkomst te verkrijgen. In de notariële akte bestemd
voor de vestiging van dit recht, wordt duidelijk het aan dit
recht onderworpen luchtvaartuig vermeld.
Artikel 1309
1. Op
een teboekstaand luchtvaartuig kan een zakelijk recht worden
gevestigd, bestaande in het recht van de houder tot gebruik
van het luchtvaartuig uit een huurovereenkomst die voor ten
minste zes maanden is gesloten. In de notariële akte bestemd
voor de vestiging van dit recht, wordt duidelijk het aan dit
recht onderworpen luchtvaartuig vermeld.
2. De
huurovereenkomst geldt als titel voor de vestiging. Indien
de huurovereenkomst in een notariële akte is neergelegd, die
aan de eisen voor een akte van levering voldoet, geldt deze
akte als akte van levering.
3. Op
een huurovereenkomst ter zake van een teboekstaand
luchtvaartuig is artikel 226 van Boek 7 niet van toepassing.
Artikel 1310
Onverminderd het bepaalde in artikel 260,
eerste lid, van Boek 3 wordt in de notariële akte waarbij
hypotheek wordt verleend op een teboekstaand luchtvaartuig,
duidelijk het aan de hypotheek onderworpen luchtvaartuig
vermeld.
Artikel 1311
De door hypotheek gedekte vordering neemt
rang na de vorderingen, genoemd in de artikelen 1315 en 1317,
doch vóór alle andere vorderingen waaraan bij deze of enige
andere wet een voorrecht is toegekend.
Artikel 1312
Indien de vordering rente draagt, strekt
de hypotheek mede tot zekerheid voor de renten der hoofdsom,
vervallen gedurende de laatste drie jaren voorafgaand aan het
begin van de uitwinning en gedurende de loop hiervan. Artikel
263 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 1313
Op hypotheek op een aandeel in een
teboekstaand luchtvaartuig is artikel 177 van Boek 3 niet van
toepassing; de hypotheek blijft na vervreemding of toedeling van
het luchtvaartuig in stand.
Artikel 1314
Op een hypotheek op een teboekstaand
luchtvaartuig zijn de artikelen 234, 261, 264, 265, 266 en
268-273 van Boek 3 en de artikelen 544-548 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering niet van toepassing.
Afdeling 2. Voorrechten op luchtvaartuigen
Artikel 1315
In geval van uitwinning van een
luchtvaartuig dat teboekstaat in de openbare registers of in een
verdragsregister, worden de kosten van uitwinning, de kosten van
bewaking tijdens deze uitwinning, de kosten na het beslag
gemaakt tot behoud van het luchtvaartuig, daaronder begrepen de
kosten van herstellingen die onontbeerlijk waren voor het behoud
daarvan, alle andere kosten in het belang van de schuldeisers
gemaakt tijdens de executie, alsmede de kosten van de
gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder
de schuldeisers uit de opbrengst van de verkoop voldaan boven
alle andere vorderingen waaraan bij deze of enige andere wet een
voorrecht is toegekend.
Artikel 1316
Artikel 292 van Boek 3 en de artikelen 60,
tweede lid, eerste zin, derde lid en vierde lid, en 299b, derde
tot en met vijfde lid, van de Faillissementswet zijn niet van
toepassing op luchtvaartuigen die teboekstaan in de openbare
registers of in een verdragsregister.
Artikel 1317
1. Boven
alle andere vorderingen waaraan bij deze of enige andere wet
een voorrecht is toegekend zijn, behoudens artikel 1315, op
een luchtvaartuig dat op het tijdstip van het ontstaan van
de hierna genoemde vorderingen teboekstaat in de openbare
registers of in een verdragsregister, bevoorrecht:
a. de vorderingen tot betaling van
hulploon voor aan het luchtvaartuig verleende hulp;
b. de vorderingen tot betaling van
buitengewone kosten, noodzakelijk voor het behoud van
het luchtvaartuig.
2. Het
eerste lid geldt slechts indien de hulp of de handeling tot
behoud is beëindigd in Nederland of in een Verdragsstaat
welks wetgeving aan de vorderingen, ontstaan vanwege deze
handelingen, een voorrecht met zaaksgevolg toekent.
3.
Artikel 284 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 1318
De bevoorrechte vorderingen, genoemd in
artikel 1317, nemen onderling rang naar de omgekeerde volgorde
van de tijdstippen waarop de gebeurtenissen plaatsvonden,
waardoor zij ontstonden.
Artikel 1319
De schuldeiser die een voorrecht heeft op
grond van artikel 1317, vervolgt zijn recht op het
luchtvaartuig, in wiens handen dit zich ook bevinde.
Artikel 1320
1. De
krachtens deze afdeling op een luchtvaartuig verleende
voorrechten gaan teniet door verloop van drie maanden,
tenzij binnen die termijn het voorrecht is ingeschreven in
de openbare registers of het verdragsregister waarin het
luchtvaartuig teboekstaat, en bovendien het bedrag der
vordering in der minne is vastgesteld dan wel langs
gerechtelijke weg erkenning van het voorrecht en deszelfs
omvang is gevorderd.
2. In
geval van executoriale verkoop gaan de voorrechten mede
teniet op het tijdstip waarop het proces-verbaal van
verdeling wordt gesloten.
3. De in
het eerste lid genoemde termijn begint met de aanvang van de
dag volgende op die, waarop de hulpverlening of de handeling
tot behoud waardoor de vordering is ontstaan, is beëindigd.
4.
Voorrechten als bedoeld in artikel 1317 kunnen worden
ingeschreven in de openbare registers. Artikel 24, eerste
lid, van Boek 3 is niet van toepassing.
Afdeling 3. Slotbepaling
Artikel 1321
Behoeven de in deze titel geregelde
onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van de wet
nadere regeling, dan geschiedt dit bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur, onverminderd de bevoegdheid tot regeling
krachtens de Kadasterwet.
Titel 16. Exploitatie
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1340
Op de exploitatie van een luchtvaartuig
zijn, onverminderd de artikelen 1360, eerste lid, en 1402,
eerste lid, de artikelen 361 tot en met 366 van overeenkomstige
toepassing met dien verstande dat ook hij van wiens hulp de
vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik
maakte, mits hij handelde in de werkzaamheden waartoe hij werd
gebruikt, een beroep kan doen op artikel 365.
Artikel 1341
In deze titel wordt, voor zover het
betreft vervoer van personen en bagage, onder een luchtvaartuig
tevens een luchtkussenvoertuig verstaan.
Artikel 1342
In deze titel wordt onder aangegeven
bagage verstaan de bagage die door of namens de reiziger,
voordat hij een luchtreis onderneemt, aan de vervoerder ten
vervoer wordt overhandigd.
Artikel 1343
1.
Verwijzingen in een vervoerdocument worden geacht slechts
die bedingen daarin in te voegen, die voor degeen, jegens
wie daarop een beroep wordt gedaan, duidelijk kenbaar zijn.
2. Een
dergelijk beroep is slechts mogelijk voor hem, die op
schriftelijk verlangen van degeen jegens wie dit beroep kan
worden gedaan of wordt gedaan, aan deze onverwijld die
bedingen heeft doen toekomen.
3.
Nietig is ieder beding waarbij van het tweede lid van dit
artikel wordt afgeweken.
Artikel 1344
Het luchtvervoer, achtereenvolgens door
verschillende vervoerders te bewerkstelligen, wordt voor de
toepassing van deze titel geacht een enkel luchtvervoer te
vormen, wanneer het door de partijen als een enkele handeling is
beschouwd, onverschillig of het in de vorm van een enkele
overeenkomst dan wel in de vorm van een reeks van overeenkomsten
is gesloten.
Artikel 1345
1. In
deze titel wordt, behoudens het bepaalde in het vierde en
vijfde lid van dit artikel, onder de vervoerder mede
verstaan de feitelijke vervoerder, met dien verstande dat de
feitelijke vervoerder slechts onderworpen is aan de
bepalingen van deze titel voor wat betreft het door hem
verrichte deel van het vervoer.
2. Onder
feitelijk vervoerder wordt verstaan hij die zonder
vervoerder of opvolgend vervoerder als bedoeld in de
artikelen 1350, 1352, 1390, 1392 of 1420 te zijn, doch met
diens toestemming, het gehele in deze titel bedoelde vervoer
of een deel daarvan verricht.
3. De in
het tweede lid bedoelde toestemming wordt vermoed te zijn
verleend.
4. Een
eigen handeling of nalaten van de vervoerder of een eigen
handeling of nalaten van degenen van wier hulp hij bij de
uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakte, mits
gepleegd in de werkzaamheden waartoe zij werden gebruikt,
kan niet leiden tot een aansprakelijkheid van de feitelijke
vervoerder groter dan de in of krachtens de artikelen 1359,
1399 en 1400 vastgestelde aansprakelijkheid. Een door de
vervoerder aangegaan beding dat zijn aansprakelijkheid
uitbreidt buiten deze titel of waarin deze afstand doet van
enig hem door of krachtens deze titel toegekend recht of
waarbij een bijzonder belang bij de aflevering wordt
vastgesteld als bedoeld in artikel 1359, eerste lid, en
1400, tweede lid, bindt de feitelijke vervoerder uitsluitend
indien hij heeft toegestemd in een dergelijk beding.
5.
Opdrachten als bedoeld in artikel 1373 hebben slechts
uitwerking als zij tot de vervoerder zijn gericht.
Artikel 1346
Afdeling 3 van deze titel is slechts van
toepassing voorzover niet Verordening (EG) nr. 2027/97 van de
Raad betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders bij
ongevallen, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 889/2002
van het Europees Parlement en de Raad van 13 mei 2002 (PbEG
L140) van toepassing is.
Artikel 1347
De rekeneenheid, genoemd in deze titel, is
het bijzondere trekkingsrecht, zoals dat is omschreven door het
Internationale Monetaire Fonds. De bedragen in deze titel
genoemd worden omgerekend in euro's naar de koers van de dag van
betaling, danwel, in geval van een gerechtelijke procedure, naar
die van de dag van de uitspraak. De waarde in euro's, uitgedrukt
in bijzondere trekkingsrechten, wordt berekend volgens de
waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds
op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn eigen
verrichtingen en transacties.
Afdeling 2. Overeenkomst van
goederenvervoer door de lucht
Artikel 1350
1. De
overeenkomst van goederenvervoer in de zin van deze titel is
de overeenkomst van goederenvervoer, al dan niet tijd- of
reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij (de
vervoerder) zich tegenover de andere partij (de afzender)
verbindt aan boord van een luchtvaartuig zaken uitsluitend
door de lucht te vervoeren.
2. Deze
afdeling is niet van toepassing op overeenkomsten tot het
vervoeren van postzendingen door of in opdracht van de
houder van de concessie bedoeld in de Postwet of onder een
internationale postovereenkomst. Onder voorbehoud van
artikel 1395 is deze afdeling niet van toepassing op
overeenkomsten tot het vervoer van bagage.
Artikel 1351
1.
Vervoer door de lucht omvat de tijd dat de zaken zich onder
de hoede van de vervoerder bevinden.
2. Het
vervoer door de lucht omvat niet enig vervoer te land, ter
zee of op de binnenwateren, bewerkstelligd buiten een
luchthaven. Wanneer zodanig vervoer echter plaats heeft ter
uitvoering van de luchtvervoerovereenkomst in verband met
het inladen, de aflevering of de overlading, wordt schade
vermoed het gevolg te zijn van een voorval tijdens het
luchtvervoer. Wanneer een vervoerder, zonder toestemming van
de afzender, het vervoer dat tussen de partijen is
overeengekomen als luchtvervoer geheel of gedeeltelijk
vervangt door een andere wijze van vervoer, wordt deze
andere wijze van vervoer geacht deel uit te maken van het
tijdvak van het luchtvervoer.
Artikel 1352
Tijd- of reisbevrachting in de zin van
deze afdeling is de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de
vervoerder (de vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord
van een luchtvaartuig, dat hij daartoe, anders dan bij een
overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt een
luchtvaartuig ter beschikking te stellen van haar wederpartij
zonder daarover nog enige zeggenschap te houden, geheel of
gedeeltelijk en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of
reisbevrachting) ter beschikking stelt van de afzender (de
bevrachter).
Artikel 1353
1. De
vervoerder is verplicht ten vervoer ontvangen zaken ter
bestemming af te leveren en wel in de staat waarin hij deze
heeft ontvangen.
2. De
vervoerder is niet aansprakelijk, voorzover hij bewijst dat
de schade uitsluitend het gevolg is van één of meer van de
volgende omstandigheden:
a. de aard of een eigen gebrek van
de zaken;
b. gebrekkige verpakking van de
zaken door een ander dan de vervoerder of degenen, van
wier hulp hij bij de uitvoering van zijn verbintenis
gebruik maakte;
c. een oorlogshandeling of een
gewapend conflict;
d. een overheidsdaad verricht in
verband met de invoer, uitvoer of doorvoer van de zaken.
Artikel 1354
1. De
vervoerder is verplicht ten vervoer ontvangen zaken zonder
vertraging te vervoeren.
2. De
vervoerder is niet aansprakelijk voor schade voortvloeiend
uit vertraging, indien hij en degenen van wier hulp hij bij
de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakte, alle
maatregelen hebben genomen, die redelijkerwijs gevergd
konden worden om de schade te vermijden of het hem en hun
onmogelijk was die maatregelen te nemen.
Artikel 1355
1.
Indien de vervoerder bewijst dat schuld of nalatigheid van
de persoon die schadevergoeding vordert of van de persoon
aan wie hij zijn rechten ontleent, de schade heeft
veroorzaakt of daartoe heeft bijgedragen, is de vervoerder
geheel of gedeeltelijk ontheven van zijn aansprakelijkheid
jegens die persoon voorzover die schuld of nalatigheid de
schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft bijgedragen.
2. Dit
artikel is van toepassing op alle
aansprakelijkheidsbepalingen in deze afdeling.
Artikel 1356
Elk beding, strekkende om de vervoerder te
ontheffen van zijn aansprakelijkheid uit hoofde van deze
afdeling of om een lagere grens van aansprakelijkheid vast te
stellen dan die welke krachtens deze afdeling is bepaald, is
nietig, doch de nietigheid van dit beding heeft niet de
nietigheid ten gevolge van de overeenkomst die onderworpen
blijft aan deze titel.
Artikel 1357
1. Voor
zover de vervoerder aansprakelijk is wegens niet nakomen van
de op hem uit hoofde van artikel 1353 of artikel 1354
rustende verplichtingen, heeft de afzender geen ander recht
dan betaling te vorderen van een bedrag, dat wordt berekend
met inachtneming van de waarde welke zaken als de ten
vervoer ontvangene zouden hebben gehad zoals, ten tijde
waarop en ter plaatse waar, zij zijn afgeleverd of zij
hadden moeten zijn afgeleverd.
2. De in
het eerste lid genoemde waarde wordt berekend naar de koers
op de goederenbeurs of, wanneer er geen dergelijke koers is,
naar de gangbare marktwaarde of, wanneer ook deze ontbreekt,
naar de normale waarde van zaken van dezelfde aard en
hoedanigheid.
Artikel 1358
Indien met betrekking tot een zaak een
schadevergoeding uit hoofde van artikel 1377 is verschuldigd,
wordt deze aangemerkt als een waardevermindering van die zaak.
Artikel 1359
1. Bij
het luchtvervoer van zaken is de aansprakelijkheid van de
vervoerder in geval van vernieling, verlies, beschadiging of
vertraging beperkt tot een bedrag van zeventien
rekeneenheden per kilogram, zulks behoudens bijzondere
verklaring omtrent belang bij de aflevering, gedaan door de
afzender bij de afgifte van de zaken aan de vervoerder en
tegen betaling van een mogelijkerwijs verhoogd tarief. In
dat geval is de vervoerder verplicht te betalen tot het
bedrag van de opgegeven som, tenzij hij bewijst dat deze het
werkelijk belang van de afzender bij de aflevering te boven
gaat.
2. Bij
vernieling, verlies, beschadiging of vertraging van een
gedeelte van de zaken of van enig daarin opgenomen voorwerp
wordt ter bepaling van de aansprakelijkheidsgrens van de
vervoerder alleen in aanmerking genomen het totale gewicht
van het betrokken collo of van de betrokken colli. Indien
evenwel de vernieling, het verlies, de beschadiging of de
vertraging van een gedeelte van de zaken of van enig daarin
opgenomen voorwerp, de waarde van andere colli, gedekt door
dezelfde luchtvrachtbrief of hetzelfde ontvangstbewijs of
als die niet zijn uitgegeven, door dezelfde gegevens zoals
die zijn vastgelegd in een ander middel bedoeld in artikel
1365, tweede lid, beïnvloedt, wordt het totale gewicht van
deze colli in aanmerking genomen ter bepaling van de
aansprakelijkheidsgrens.
3. Het
eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een
eventuele aansprakelijkheid van de vervoerder voor de kosten
van het geding met de partij tegen wie hij zich op deze
bepalingen kan beroepen, inclusief rente, tenzij de
vervoerder schriftelijk hetzij binnen een termijn van zes
maanden na de datum van het voorval waardoor de schade werd
veroorzaakt, hetzij vóór de aanvang van het proces, wanneer
dit na die termijn is aanhangig gemaakt, een bedrag aan de
eiser heeft aangeboden even groot als of groter dan het
bedrag van de toegewezen schadevergoeding met uitsluiting
van genoemde kosten van het geding.
Artikel 1360
1.
Indien een geding op grond van schade als bedoeld in deze
afdeling aanhangig wordt gemaakt tegen een persoon van wiens
hulp de vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis
gebruik maakte, zal deze, indien hij bewijst dat hij heeft
gehandeld in de werkzaamheden waartoe hij werd gebruikt,
zich kunnen beroepen op de aansprakelijkheidsgrens waarop de
vervoerder zich krachtens artikel 1359 kan beroepen.
2. Het
totale bedrag van de schadevergoeding, welke in dat geval
van de vervoerder en de in het eerste lid bedoelde persoon
kan worden verkregen, mag de in artikel 1359 vermelde grens
niet overschrijden.
Artikel 1361
De afzender is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze lijdt doordat de overeengekomen
zaken, door welke oorzaak dan ook, niet op de overeengekomen
plaats en tijd te zijner beschikking zijn.
Artikel 1362
1.
Alvorens zaken ter beschikking van de vervoerder zijn
gesteld, is de afzender bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
2. Zijn
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door
welke oorzaak dan ook, in het geheel geen zaken ter
beschikking van de vervoerder, dan is deze, zonder dat enige
ingebrekestelling is vereist, bevoegd de overeenkomst op te
zeggen.
3. Zijn
bij het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde tijd,
door welke oorzaak dan ook, de overeengekomen zaken slechts
gedeeltelijk ter beschikking van de vervoerder dan is deze,
zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, bevoegd de
overeenkomst op te zeggen dan wel de reis te aanvaarden.
4. De
opzegging geschiedt door een kennisgeving, waarvan de
ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van de ontvangst daarvan doch wat
betreft gedeeltelijk ter beschikking gestelde zaken niet
vóór het einde der vervoerperiode daarvan.
5. De
afzender is verplicht de vervoerder de schade te vergoeden
die deze lijdt tengevolge van de opzegging of van de
aanvaarding van de reis.
6. Dit
artikel is niet van toepassing ingeval van tijdbevrachting.
Artikel 1363
1.
Wanneer vóór of bij de aanbieding van de zaken aan de
vervoerder omstandigheden aan de zijde van een van de
partijen zich opdoen of naar voren komen, die haar
wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet
behoefde te kennen, maar die, indien zij haar wel bekend
waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere
voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij bevoegd de
overeenkomst op te zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door een kennisgeving, waarvan de
ontvangst duidelijk aantoonbaar is en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging van de overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 1364
De afzender is verplicht de vervoerder de
buitengewone schade te vergoeden, die materiaal dat hij deze ter
beschikking stelde of zaken die deze ten vervoer ontving, dan
wel de behandeling daarvan, de vervoerder berokkenden, behalve
voor zover deze schade is veroorzaakt door een omstandigheid die
voor rekening van de vervoerder komt; voor rekening van de
vervoerder komen die omstandigheden, die in geval van
beschadiging van door hem vervoerde zaken voor zijn rekening
komen.
Artikel 1365
1. Bij
het vervoer van zaken moet een luchtvrachtbrief worden
uitgereikt, die in elk geval een aanduiding van het gewicht
van de zending dient te bevatten.
2. De
uitreiking van een luchtvrachtbrief kan worden vervangen
door het gebruik van ieder ander middel waardoor de gegevens
betreffende het te verrichten vervoer worden vastgelegd.
Indien van zodanig ander middel gebruik wordt gemaakt, reikt
de vervoerder aan de afzender, op diens verzoek, een
ontvangstbewijs uit dat identificatie van de zending
mogelijk maakt en toegang geeft tot de door die andere
middelen vastgelegde gegevens.
3.
Indien nodig voor de vervulling van de formaliteiten van
douane, politie en andere overheidsinstanties, kan van de
afzender worden verlangd dat hij een document uitreikt dat
de aard van de zaken aanduidt. Deze bepaling schept voor de
vervoerder geen enkele verplichting, verbintenis of daaruit
voortvloeiende aansprakelijkheid.
4. Het
eerste lid geldt niet tussen partijen bij een bevrachting.
Artikel 1366
1. De
luchtvrachtbrief wordt door de afzender opgemaakt in drie
oorspronkelijke exemplaren.
2. Het
eerste exemplaar bevat de vermelding «voor de vervoerder»;
het wordt getekend door de afzender. Het tweede exemplaar
bevat de vermelding «voor de afzender»; het wordt getekend
door de afzender en de vervoerder. Het derde exemplaar wordt
getekend door de vervoerder en door hem, na ontvangst van de
zaken, aan de afzender overhandigd.
3. De
handtekening van de vervoerder en die van de afzender kunnen
worden gedrukt of vervangen door een stempel dan wel langs
electronische weg worden gezet.
4.
Indien, op verzoek van de afzender, de vervoerder de
luchtvrachtbrief opmaakt, wordt hij vermoed te handelen
namens de afzender.
5. De
artikelen 56, tweede lid, 75, eerste lid, en 186, eerste
lid, van Boek 2 zijn niet van toepassing.
Artikel 1367
Wanneer er verscheidene colli zijn:
a. heeft de vervoerder het recht
van de afzender te verlangen dat hij aparte
luchtvrachtbrieven opmaakt;
b. heeft de afzender het recht van
de vervoerder te verlangen dat hij aparte
ontvangstbewijzen uitreikt, wanneer gebruik wordt
gemaakt van de in artikel 1365, tweede lid, bedoelde
middelen.
Artikel 1368
Niet-inachtneming van de artikelen 1365
tot en met 1367 doet niet af aan het bestaan of de geldigheid
van de vervoerovereenkomst, die desondanks onderworpen zal zijn
aan de bepalingen van deze titel met inbegrip van die
betreffende de beperking van de aansprakelijkheid.
Artikel 1369
1. De
afzender staat in voor de juistheid van de bijzonderheden en
verklaringen betreffende de zaken die door of namens hem in
de luchtvrachtbrief zijn opgenomen of die door of namens hem
aan de vervoerder zijn verstrekt voor opneming in het
ontvangstbewijs of in de gegevens vastgelegd door de andere
middelen bedoeld in artikel 1365, tweede lid. De vorige zin
is eveneens van toepassing in het geval waarin de namens de
afzender handelende persoon tevens namens de vervoerder
handelt.
2. De
afzender is aansprakelijk voor alle schade die door de
vervoerder of door enige andere persoon jegens wie de
vervoerder aansprakelijk is, wordt geleden als gevolg van de
onnauwkeurigheid, onjuistheid of onvolledigheid van de
bijzonderheden en verklaringen die door of namens de
afzender zijn verstrekt.
3.
Behoudens het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit
artikel is de vervoerder aansprakelijk voor alle schade die
door de afzender of door enige andere persoon jegens wie de
afzender aansprakelijk is, wordt geleden als gevolg van de
onnauwkeurigheid, onjuistheid of onvolledigheid van de
bijzonderheden en verklaringen die door of namens de
vervoerder zijn opgenomen in het ontvangstbewijs of in de
gegevens vastgelegd door de andere middelen bedoeld in
artikel 1365, tweede lid.
Artikel 1370
1. De
afzender is verplicht de vervoerder omtrent de zaken alsmede
omtrent de behandeling daarvan tijdig al die opgaven te
doen, waartoe hij in staat is of behoort te zijn en waarvan
hij weet of behoort te weten dat zij voor de vervoerder van
belang zijn, tenzij hij mag aannemen dat de vervoerder die
gegevens kent.
2. De
afzender is verplicht de inlichtingen en de documenten te
verschaffen die vóór de aflevering van de zaken aan de
geadresseerde nodig zijn om aan de formaliteiten inzake
douane, politie of andere overheidsinstanties te voldoen. De
afzender is jegens de vervoerder aansprakelijk voor alle
schade die het gevolg is van het ontbreken, de
onvolledigheid of de onnauwkeurigheid van die inlichtingen
en documenten, behoudens in geval de schade is veroorzaakt
door schuld van de vervoerder of van degenen van wier hulp
hij bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakte.
3. De
vervoerder is verplicht redelijke zorg aan te wenden dat de
documenten, die in zijn handen zijn gesteld, niet verloren
gaan of onjuist worden behandeld. Een door hem terzake
verschuldigde schadevergoeding zal die, verschuldigd uit
hoofde van de artikelen 1357, 1358 en 1359 in geval van
verlies van de zaken, niet overschrijden.
4. De
vervoerder is niet gehouden te onderzoeken of de hem gedane
opgaven en de hem verschafte inlichtingen en documenten
juist of voldoende zijn.
5. Is
bij het verstrijken van de tijd, waarbinnen de zaken ter
beschikking van de vervoerder moeten zijn gesteld, door
welke oorzaak dan ook, niet of slechts gedeeltelijk voldaan
aan de in het eerste lid bedoelde verplichting van de
afzender of zijn bij het verstrijken van de tijd waarbinnen
de in het tweede lid bedoelde documenten en inlichtingen
aanwezig moeten zijn, deze, door welke oorzaak dan ook, niet
naar behoren aanwezig, dan zijn, behalve in geval van
tijdbevrachting, het tweede, derde, vierde en vijfde lid van
artikel 1362 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1371
1. De
luchtvrachtbrief of het ontvangstbewijs strekt, behoudens
tegenbewijs, tot bewijs van het sluiten van de overeenkomst,
van de ontvangst van de zaken en van de vervoervoorwaarden
die erin worden vermeld.
2.
Opgaven in de luchtvrachtbrief of het ontvangstbewijs
betreffende het gewicht, de afmetingen en de verpakking van
de zaken, als ook die betreffende het aantal colli, hebben
kracht van bewijs behoudens tegenbewijs; die betreffende de
hoeveelheid, de omvang en de toestand van de zaken strekken
tegenover de vervoerder slechts tot bewijs, voor zover zij
door deze juist zijn bevonden in tegenwoordigheid van de
afzender en dit juist bevinden is vastgesteld in de
luchtvrachtbrief of het ontvangstbewijs of indien het
betreft opgaven omtrent de uiterlijke staat van de zaken.
Artikel 1372
De artikelen 1365, eerste, tweede en
vierde lid, 1366 en 1367 zijn niet van toepassing op het
vervoer, dat in bijzondere omstandigheden buiten elke normale
uitoefening van het luchtvaartbedrijf plaats heeft.
Artikel 1373
1. Onder
voorwaarde dat hij al de uit de vervoerovereenkomst
voortvloeiende verplichtingen nakomt, heeft de afzender het
recht over de zaken te beschikken hetzij door deze op de
luchthaven van vertrek of van bestemming terug te nemen,
hetzij door deze tijdens de reis bij een landing op te
houden, hetzij door deze op de plaats van bestemming of
tijdens de reis te doen afleveren aan een ander dan de
oorspronkelijk aangewezen geadresseerde, hetzij door
terugzending te vragen naar de luchthaven van vertrek, voor
zover de uitoefening van dat recht geen nadeel toebrengt aan
de vervoerder of aan de andere afzenders en met de
verplichting de daaruit voortvloeiende kosten te vergoeden.
2.
Indien uitvoering van de opdrachten van de afzender
onmogelijk is, moet de vervoerder hem daarvan onmiddellijk
in kennis stellen.
3.
Indien de vervoerder de opdrachten van de afzender inzake de
beschikking over de zaken uitvoert zonder overlegging te
vorderen van het aan deze uitgereikte exemplaar van de
luchtvrachtbrief of het ontvangstbewijs, is hij, behoudens
zijn recht van verhaal op de afzender, aansprakelijk voor de
schade die daardoor veroorzaakt mocht worden aan de
regelmatige houder van de luchtvrachtbrief of van het
ontvangstbewijs.
4. Het
recht van de afzender eindigt op het moment waarop dat van
de geadresseerde overeenkomstig artikel 1374 begint. Indien
evenwel de geadresseerde de zaken weigert, of indien hij
niet kan worden bereikt, herkrijgt de afzender zijn
beschikkingsrecht.
Artikel 1374
1.
Tenzij de afzender het hem ingevolge artikel 1373 toekomende
recht heeft uitgeoefend, heeft de geadresseerde het recht
onmiddellijk na aankomst van de zaken op de plaats van
bestemming van de vervoerder aflevering van de zaken te
vorderen tegen betaling van de verschuldigde bedragen en
onder naleving van de vervoervoorwaarden.
2.
Tenzij anders is bedongen, moet de vervoerder de
geadresseerde onmiddellijk in kennis stellen van de aankomst
van de zaken.
3.
Indien het verlies van de zaken door de vervoerder wordt
erkend, of indien de zaken na afloop van een termijn van
zeven kalenderdagen, nadat zij hadden moeten aankomen, niet
zijn aangekomen, is de geadresseerde gerechtigd de rechten
die uit de overeenkomst voortvloeien, jegens de vervoerder
geldend te maken.
Artikel 1375
De afzender en de geadresseerde kunnen
alle rechten doen gelden die hun onderscheidenlijk in de
artikelen 1373 en 1374 zijn toegekend, ieder op zijn eigen naam,
onverschillig of zij handelen in hun eigen belang of dat van een
ander, onder voorwaarde dat zij de door de vervoerovereenkomst
opgelegde verplichtingen nakomen.
Artikel 1376
1. De
artikelen 1373, 1374 en 1375 laten de verhouding tussen de
afzender en de geadresseerde onderling en de verhouding van
derden, die hun rechten ontlenen aan de afzender of de
geadresseerde, onverlet.
2. Van
de in het eerste lid genoemde artikelen kan alleen worden
afgeweken door een uitdrukkelijke bepaling in de
luchtvrachtbrief of in het ontvangstbewijs.
Artikel 1377
Onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van
Boek 6 zijn de afzender en de geadresseerde hoofdelijk verbonden
de vervoerder de schade te vergoeden, geleden doordat deze zich
als zaakwaarnemer inliet met de behartiging van de belangen van
een rechthebbende op ten vervoer ontvangen zaken.
Artikel 1378
1. De
vervoerder is gerechtigd afgifte van zaken, die hij in
verband met de vervoerovereenkomst onder zich heeft, te
weigeren aan ieder, die uit anderen hoofde dan de
vervoerovereenkomst recht heeft op aflevering van die zaken,
tenzij op de zaken beslag is gelegd en uit de vervolging van
dit beslag een verplichting tot afgifte aan de beslaglegger
voortvloeit.
2. Het
in het eerste lid aan de vervoerder toegekende recht komt
hem niet toe jegens een derde, indien hij op het tijdstip
dat hij de zaak ten vervoer ontving, reden had te twijfelen
aan de bevoegdheid van de afzender jegens die derde hem de
zaak ten vervoer ter beschikking te stellen.
Artikel 1379
1. Voor
zover hij die jegens de vervoerder recht heeft op aflevering
van vervoerde zaken niet opkomt, weigert deze te ontvangen
of deze niet met de vereiste spoed in ontvangst neemt, voor
zover op zaken beslag is gelegd, alsmede indien de
vervoerder gegronde redenen heeft aan te nemen dat hij die
als gerechtigde opkomt desalniettemin niet tot de aflevering
gerechtigd is, is de vervoerder gerechtigd deze zaken voor
rekening en gevaar van de rechthebbende bij een derde op te
slaan in een daarvoor geschikte bewaarplaats. Op zijn
verzoek kan de rechter bepalen dat hij deze zaken onder
zichzelf kan houden of andere maatregelen daarvoor kan
treffen.
2. De
derde-bewaarnemer en de ontvanger zijn jegens elkaar
verbonden, als ware de omtrent de bewaring gesloten
overeenkomst mede tussen hen aangegaan. De bewaarnemer is
echter niet gerechtigd tot afgifte dan na schriftelijke
toestemming daartoe van hem, die de zaken in bewaring gaf.
3. De
vervoerder is verplicht voor rekening van de rechthebbende
de afzender en tevens de ontvanger zo spoedig mogelijk door
een kennisgeving, waarvan de ontvangst duidelijk aantoonbaar
is, in kennis te stellen van de opslag en van de aanleiding
daartoe.
Artikel 1380
1. In
geval van toepassing van artikel 1379 kan de vervoerder, de
bewaarnemer dan wel hij, die jegens de vervoerder recht
heeft op de aflevering, op zijn verzoek door de rechter
worden gemachtigd de zaken geheel of gedeeltelijk op de door
deze te bepalen wijze te verkopen.
2. De
bewaarnemer is verplicht de vervoerder zo spoedig mogelijk
van de voorgenomen verkoop op de hoogte te stellen; de
vervoerder heeft deze verplichting jegens de afzender en
jegens degene die jegens hem recht heeft op de aflevering
van de zaken.
3. De
opbrengst van het verkochte wordt in de consignatiekas
gestort voor zover zij niet strekt tot voldoening van de
kosten van opslag en verkoop alsmede, binnen de grenzen der
redelijkheid, van de gemaakte kosten. Tenzij op de zaken
beslag is gelegd voor een geldvordering, moet aan de
vervoerder uit het in bewaring te stellen bedrag worden
voldaan hetgeen hem verschuldigd is terzake van het vervoer;
voor zover deze vorderingen nog niet vaststaan, zal de
opbrengst of een gedeelte daarvan op door de rechter te
bepalen wijze tot zekerheid voor deze vorderingen strekken.
4. De in
de consignatiekas gestorte opbrengst treedt in de plaats van
de zaken.
Artikel 1381
De kosten van sortering van de zaken, voor
zover nodig voor de juiste aflevering, zijn voor rekening van de
vervoerder.
Artikel 1382
In geval van aanneming door de
geadresseerde van de zaken zonder protest wordt vermoed dat deze
in goede staat en in overeenstemming met het vervoerdocument of
met de gegevens vastgelegd door de andere middelen bedoeld in
artikel 1365, tweede lid, zijn afgeleverd.
Afdeling 3. Overeenkomst van
personenvervoer door de lucht
Artikel 1390
De overeenkomst van personenvervoer in de
zin van deze titel is de overeenkomst van personenvervoer, al
dan niet tijd- of reisbevrachting zijnde, waarbij de ene partij
(de vervoerder) zich tegenover de andere partij verbindt aan
boord van een luchtvaartuig een of meer personen (reizigers) en
al dan niet hun bagage uitsluitend door de lucht te vervoeren.
Artikel 1391
Het tijdperk van het luchtvervoer van
personen en hun niet aangegeven bagage omvat de tijd, dat de
reiziger zich aan boord van het luchtvaartuig bevindt, alsmede
de tijd van enige handeling verband houdend met het aan boord
gaan en het verlaten van het luchtvaartuig.
Artikel 1392
Tijd- of reisbevrachting in de zin van
deze afdeling is de overeenkomst van personenvervoer, waarbij de
vervoerder (de vervrachter) zich verbindt tot vervoer aan boord
van een luchtvaartuig dat hij daartoe, anders dan bij een
overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt een
luchtvaartuig ter beschikking te stellen van haar wederpartij
zonder daarover nog enige zeggenschap te houden, in zijn geheel
en al dan niet op tijdbasis (tijdbevrachting of reisbevrachting)
ter beschikking stelt van zijn wederpartij (de bevrachter).
Artikel 1393
De vervoerder is aansprakelijk voor schade
veroorzaakt door dood of letsel van de reiziger, indien het
ongeval dat de schade veroorzaakte, plaats vond tijdens de in
artikel 1391 omschreven periode.
Artikel 1394
1. De
vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door
vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage
indien het voorval dat de schade veroorzaakte, plaats vond
tijdens de in artikel 1351 omschreven periode. De vervoerder
is evenwel niet aansprakelijk voorzover de schade
voortvloeide uit de aard of het eigen gebrek van de bagage.
2. De
vervoerder is aansprakelijk voor schade veroorzaakt door
vernieling, verlies of beschadiging van niet aangegeven
bagage, daaronder begrepen persoonlijke bezittingen, indien
de schade voortvloeide uit zijn schuld of die van degenen
van wier hulp hij bij de uitvoering van zijn verbintenis
gebruik maakte.
Artikel 1395
1.
Onverminderd deze afdeling zijn op het vervoer van
aangegeven bagage de artikelen 1351, 1357, 1358, 1370, 1377,
1378, 1379 en 1380 van overeenkomstige toepassing.
2.
Partijen hebben de vrijheid af te wijken van in het eerste
lid op hun onderlinge verhouding toepasselijk verklaarde
bepalingen.
Artikel 1396
1. De
vervoerder is aansprakelijk voor schade voortvloeiende uit
vertraging in het luchtvervoer.
2. De
vervoerder is niet aansprakelijk voor schade voorvloeiend
uit vertraging, indien hij en degenen van wier hulp hij bij
de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakte alle
maatregelen hebben genomen, die redelijkerwijs gevergd
konden worden om de schade te vermijden of het hem en hun
onmogelijk was die maatregelen te nemen.
Artikel 1397
1.
Indien de vervoerder bewijst dat schuld of nalatigheid van
de persoon die schadevergoeding vordert of van de persoon
aan wie hij zijn rechten ontleent, de schade heeft
veroorzaakt of daartoe heeft bijgedragen, is de vervoerder
geheel of gedeeltelijk ontheven van zijn aansprakelijkheid
jegens die persoon voorzover die schuld of nalatigheid de
schade heeft veroorzaakt of daartoe heeft bijgedragen.
2.
Indien schadevergoeding wordt gevorderd wegens dood of
letsel van een reiziger door een ander dan die reiziger, is
de vervoerder eveneens geheel of gedeeltelijk ontheven van
zijn aansprakelijkheid voorzover hij bewijst dat de schuld
of nalatigheid van die reiziger de schade heeft veroorzaakt
of daartoe heeft bijgedragen.
3. Dit
artikel is van toepassing op alle
aansprakelijkheidsbepalingen in deze afdeling, daaronder
begrepen artikel 1399, eerste lid.
Artikel 1398
1. Elk
beding strekkende om de vervoerder te ontheffen van zijn
aansprakelijkheid uit hoofde van deze afdeling of om een
lagere grens van aansprakelijkheid vast te stellen dan die,
welke krachtens deze afdeling is bepaald, is nietig, doch de
nietigheid van dit beding heeft niet de nietigheid ten
gevolge van de overeenkomst, die onderworpen blijft aan deze
titel.
2. Deze
bepaling laat artikel 1395, tweede lid, onverlet.
Artikel 1399
1. Voor
schade bedoeld in artikel 1393 die een bedrag van 100 000
rekeneenheden per reiziger niet te boven gaat, kan de
vervoerder zijn aansprakelijkheid niet beperken of
uitsluiten.
2. De
vervoerder is niet aansprakelijk voor schade bedoeld in
artikel 1393 voorzover deze een bedrag van 100 000
rekeneenheden per reiziger te boven gaat, indien hij bewijst
dat:
a. de schade niet te wijten was
aan de schuld of nalatigheid van hem of van degenen van
wier hulp hij bij de uitvoering van zijn verbintenis
gebruik maakte; of
b. de schade uitsluitend te wijten
was aan de schuld of nalatigheid van een derde.
3.
Artikel 1359, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1400
1. In
geval van schade veroorzaakt door vertraging als bedoeld in
artikel 1396 bij het vervoer van reizigers, is de
aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt tot 4150
rekeneenheden per reiziger.
2. Bij
het vervoer van bagage is de aansprakelijkheid van de
vervoerder in geval van vernieling, verlies, beschadiging of
vertraging beperkt tot 1000 rekeneenheden per reiziger zulks
behoudens bijzondere verklaring omtrent belang bij de
aflevering gedaan door de reiziger bij de afgifte van de
aangegeven bagage aan de vervoerder en tegen betaling van
een mogelijkerwijs verhoogd tarief. In dat geval is de
vervoerder verplicht te betalen tot het bedrag van de
opgegeven som, tenzij hij bewijst dat deze het werkelijk
belang van de reiziger bij de aflevering te boven gaat.
3.
Artikel 1359, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1401
De in artikel 1400 vermelde
aansprakelijkheidsgrenzen zijn niet van toepassing, indien wordt
bewezen dat de schade het gevolg is van een eigen handeling of
nalaten van de vervoerder of van enige persoon van wiens hulp
hij bij de uitvoering van zijn verbintenis gebruik maakte, welke
plaats vond hetzij met het opzet schade te veroorzaken, hetzij
roekeloos en met de wetenschap, dat schade er waarschijnlijk uit
zou voortvloeien; in geval van een eigen handeling of nalaten
van een persoon als hiervoor bedoeld moet tevens worden bewezen
dat deze handelde in de uitoefening van de werkzaamheden waartoe
hij werd gebruikt.
Artikel 1402
1.
Indien een geding op grond van schade als bedoeld in deze
afdeling aanhangig wordt gemaakt tegen een persoon van wiens
hulp de vervoerder bij de uitvoering van zijn verbintenis
gebruik maakte, zal deze, indien hij bewijst dat hij in de
werkzaamheden waartoe hij werd gebruikt heeft gehandeld,
zich kunnen beroepen op de aansprakelijkheidsgrenzen waarop
de vervoerder zich krachtens de artikelen 1399 en 1400 kan
beroepen.
2. Het
totale bedrag van de schadevergoeding, welke in dat geval
van de vervoerder en de in het eerste lid bedoelde persoon
kan worden verkregen, mag de in artikel 1399 en artikel 1400
vermelde grenzen niet overschrijden.
3. Het
eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien
wordt bewezen dat de schade het gevolg is van een eigen
handeling of nalaten van de in het eerste lid bedoelde
persoon, welke plaats vond hetzij met het opzet schade te
veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat
schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Artikel 1403
In geval van aan de reiziger overkomen
letsel en van de dood van de reiziger zijn de artikelen 107 en
108 van Boek 6 niet van toepassing op de vorderingen die de
vervoerder als wederpartij van een andere vervoerder tegen deze
laatste instelt.
Artikel 1404
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
reiziger, door welke oorzaak dan ook, niet tijdig ten vervoer
aanwezig is.
Artikel 1405
De wederpartij van de vervoerder is
verplicht deze de schade te vergoeden die hij lijdt doordat de
documenten met betrekking tot de reiziger, die van haar zijde
voor het vervoer vereist zijn, door welke oorzaak dan ook, niet
naar behoren aanwezig zijn.
Artikel 1406
1.
Onverminderd artikel 179 van Boek 6 is de reiziger verplicht
de vervoerder de schade te vergoeden, die hij of zijn bagage
heeft berokkend en zulks door het blote feit, dat de
gebeurtenis, die de schade veroorzaakte, plaats vond
gedurende de in artikel 1391 omschreven periode, of wat
betreft aangegeven bagage de in artikel 1351 omschreven
periode.
2. De
schade wordt aangemerkt het door de vervoerder naar zijn
redelijk oordeel vast te stellen bedrag te belopen, maar
indien de vervoerder meent dat de schade meer dan 227 euro
beloopt, moet hij zulks bewijzen.
Artikel 1407
1.
Wanneer vóór of tijdens het vervoer omstandigheden aan de
zijde van de wederpartij van de vervoerder of de reiziger
zich opdoen of naar voren komen, die de vervoerder bij het
sluiten van de overeenkomst niet behoefde te kennen, maar
die, indien zij hem wel bekend waren geweest, redelijkerwijs
voor hem grond hadden opgeleverd de vervoerovereenkomst niet
of op andere voorwaarden aan te gaan, is de vervoerder
bevoegd de overeenkomst op te zeggen en de reiziger uit het
luchtvaartuig te verwijderen.
2. De
opzegging geschiedt door een kennisgeving aan de wederpartij
van de vervoerder of aan de reiziger en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst van de eerst ontvangen
kennisgeving.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging van de overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 1408
1.
Wanneer vóór of tijdens het vervoer omstandigheden aan de
zijde van de vervoerder zich opdoen of naar voren komen, die
diens wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst niet
behoefde te kennen, maar die, indien zij haar wel bekend
waren geweest, redelijkerwijs voor haar grond hadden
opgeleverd de vervoerovereenkomst niet of op andere
voorwaarden aan te gaan, is deze wederpartij van de
vervoerder bevoegd de overeenkomst op te zeggen.
2. De
opzegging geschiedt door een kennisgeving en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
3. Naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid zijn partijen na
opzegging der overeenkomst verplicht elkaar de daardoor
geleden schade te vergoeden.
Artikel 1409
Wanneer de reiziger na het verlaten van
het luchtvaartuig niet tijdig terugkeert, kan de vervoerder de
overeenkomst beschouwen als op dat tijdstip te zijn geëindigd.
Artikel 1410
1. De
wederpartij van de vervoerder is steeds bevoegd de
overeenkomst op te zeggen. Zij is verplicht de vervoerder de
schade te vergoeden die deze ten gevolge van de opzegging
lijdt.
2. Zij
kan dit recht niet uitoefenen, wanneer daardoor de reis van
het luchtvaartuig zou worden vertraagd.
3. De
opzegging geschiedt door een kennisgeving en de overeenkomst
eindigt op het ogenblik van ontvangst daarvan.
Artikel 1411
1. Bij
het vervoer van reizigers moet een individueel of collectief
vervoersdocument worden uitgereikt.
2. De
uitreiking van het in het eerste lid bedoelde
vervoersdocument kan worden vervangen door het gebruik van
ieder ander middel waardoor de gegevens betreffende de reis
worden vastgelegd. Indien van zodanig ander middel gebruik
wordt gemaakt, biedt de vervoerder aan de aldus vastgelegde
gegevens in schriftelijke vorm aan de reiziger uit te
reiken.
3. De
vervoerder reikt aan de reiziger een identificatielabel uit
voor elk stuk aangegeven bagage.
4. Aan
de reiziger wordt een schriftelijke mededeling verstrekt
inhoudende dat wanneer deze titel van toepassing is hij de
aansprakelijkheid van de vervoerders regelt en kan beperken
ter zake van dood of letsel en in geval van vernieling,
verlies of beschadiging van bagage, alsmede in geval van
vertraging.
5.
Niet-inachtneming van het bepaalde in de voorgaande leden
doet niet af aan het bestaan of de geldigheid van de
vervoerovereenkomst, die desondanks onderworpen zal zijn aan
de bepalingen van deze titel met inbegrip van die
betreffende de beperking van de aansprakelijkheid.
6. Het
eerste lid geldt niet tussen partijen bij een bevrachting.
7. De
artikelen 56, tweede lid, 75, eerste lid, en 186, eerste
lid, van Boek 2 zijn niet van toepassing.
8. Dit
artikel is niet van toepassing op het vervoer dat in
bijzondere omstandigheden buiten elke normale uitoefening
van het luchtvaartbedrijf plaats vindt.
Artikel 1412
De reiziger heeft het recht onmiddellijk
na aankomst ter plaatse van zijn bestemming van de vervoerder te
vorderen hem de bagage af te leveren.
Artikel 1413
Onverminderd afdeling 1 van Titel 4 van
Boek 6 is de wederpartij van de vervoerder verplicht de
vervoerder de schade te vergoeden, geleden doordat deze zich als
zaakwaarnemer inliet met de behartiging van de belangen van de
reiziger met betrekking tot diens bagage.
Artikel 1414
In geval van aanneming door de reiziger
van de aangegeven bagage zonder protest wordt vermoed dat deze
in goede staat en in overeenstemming met de gegevens vastgelegd
door de andere middelen bedoeld in artikel 1411, tweede lid, is
afgeleverd.
Afdeling 4. Opvolgend vervoer
Artikel 1420
1. In de
gevallen dat het vervoer wordt beheerst door artikel 1344 en
dat het bewerkstelligd moet worden achtereenvolgens door
verschillende vervoerders, is elke vervoerder die reizigers,
bagage of andere zaken aanneemt onderworpen aan de in deze
titel gegeven bepalingen; hij wordt aangemerkt als één der
partijen die de vervoerovereenkomst hebben gesloten voor
zover die overeenkomst betrekking heeft op het deel van het
vervoer, dat onder zijn toezicht is bewerkstelligd.
2. In
geval van zodanig vervoer hebben de reiziger of enige andere
persoon die een van deze afgeleid recht heeft op
schadevergoeding enkel verhaal op de vervoerder, die het
vervoer heeft bewerkstelligd gedurende hetwelk het ongeval
of de vertraging plaats vond, behalve in het geval dat de
eerste vervoerder bij uitdrukkelijk beding de
aansprakelijkheid voor het gehele vervoer op zich heeft
genomen.
3.
Indien het bagage en andere zaken betreft kan de reiziger
respectievelijk de afzender de eerste vervoerder aanspreken;
de reiziger of de geadresseerde die het recht op afgifte
heeft of de reiziger heeft verhaal tegen de laatste
vervoerder; zij kunnen daarenboven de vervoerder aanspreken
die het vervoer heeft bewerkstelligd gedurende hetwelk de
vernieling, het verlies, de beschadiging of de vertraging
plaats had. Deze vervoerders zijn hoofdelijk aansprakelijk
tegenover de reiziger, de afzender en de geadresseerde.
VI. Vervoer langs spoorstaven
Titel 18. Overeenkomst van goederenvervoer
over spoorwegen
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1550
1. De
overeenkomst van goederenvervoer in de zin van deze titel is
de overeenkomst van goederenvervoer, waarbij de ene partij
(de vervoerder) zich tegenover de andere partij (de
afzender) verbindt tot het vervoer van zaken uitsluitend
over spoorwegen. Partijen kunnen bedingen dat de onderhavige
titel van toepassing is op het vervoer over de weg of
binnenwateren dat in aanvulling op het vervoer over
spoorwegen plaats vindt.
2. Deze
titel is niet van toepassing op overeenkomsten tot het
vervoer van postzendingen door of in opdracht van de houder
van een concessie, bedoeld in de Postwet of onder een
internationale postovereenkomst.
3. Deze
titel is niet van toepassing op overeenkomsten tot het
vervoer van bagage.
Artikel 1551
Voor de toepassing van deze titel wordt
verstaan onder:
a. de vervoerder: de contractuele
vervoerder met wie de afzender de vervoerovereenkomst
heeft gesloten, of een opvolgende vervoerder, die op
grond van de vervoerovereenkomst aansprakelijk is;
b. ondervervoerder: een vervoerder
die niet de vervoerovereenkomst heeft gesloten met de
afzender, maar aan wie de onder a bedoelde vervoerder de
uitvoering van het vervoer over spoorwegen, geheel of
gedeeltelijk, heeft toevertrouwd;
c. intermodale transporteenheid:
containers, wissellaadbakken, opleggers of andere
soortgelijke bij intermodaal vervoer gebruikte
laadeenheden.
d. VSG: Regeling vervoer over de
spoorweg van gevaarlijke stoffen.
Artikel 1552
De wetsbepalingen omtrent huur,
bewaarneming en bruikleen zijn niet van toepassing op
terbeschikkingstelling van een spoorvoertuig ten einde door
middel daarvan zaken te vervoeren in dier voege dat degene die
het spoorvoertuig ter beschikking stelt, verplicht is voor de
voortbeweging daarvan zorg te dragen.
Artikel 1553
Elk beding dat middellijk of onmiddellijk
afwijkt van het in deze titel en in artikel 1727 bepaalde is
nietig, tenzij de vervoerovereenkomst niet onder bezwarende
titel is gesloten. De nietigheid van dergelijke bedingen heeft
niet de nietigheid van de overige bedingen van de
vervoerovereenkomst tot gevolg. Niettemin kan een vervoerder een
zwaardere aansprakelijkheid en zwaardere verplichtingen op zich
nemen dan uit deze titel voortvloeien.
Afdeling 2. Sluiting en uitvoering van de
vervoerovereenkomst
Artikel 1554
1. Op
grond van de vervoerovereenkomst is de vervoerder verplicht
de zaken naar de plaats van bestemming te vervoeren en ze
daar aan de geadresseerde af te leveren.
2. De
vervoerovereenkomst moet worden vastgelegd in een
vrachtbrief. Het ontbreken, de onregelmatigheid of het
verlies van de vrachtbrief tast evenwel noch het bestaan,
noch de geldigheid van de vervoerovereenkomst aan, die
onderworpen blijft aan deze titel.
3. De
vrachtbrief wordt door de afzender en de vervoerder
ondertekend. De handtekening kan vervangen worden door een
stempel of elke andere daartoe geëigende methode.
4. De
vervoerder moet de aanneming ten vervoer op de vrachtbrief
op de geëigende wijze bevestigen en de afzender het
vrachtbriefduplicaat overhandigen.
5. De
vrachtbrief heeft niet de betekenis van een cognossement.
6. Voor
iedere zending moet een vrachtbrief worden opgemaakt.
Behoudens indien anders is overeengekomen tussen de afzender
en de vervoerder, kan een vrachtbrief slechts betrekking
hebben op de lading van één spoorwagen.
7. De
vrachtbrief, met inbegrip van de duplicaat-vrachtbrief, kan
ook worden opgesteld in de vorm van elektronische
registratie van gegevens, die kunnen worden omgezet in
leesbare lettertekens. De voor de registratie en verwerking
van de gegevens gebruikte procedures moeten uit functioneel
oogpunt gelijkwaardig zijn, in het bijzonder wat betreft de
bewijskracht van de vrachtbrief, die door deze elektronische
gegevens wordt gevormd.
Artikel 1555
1. De
vrachtbrief moet de volgende aanduidingen bevatten:
a. de plaats en datum van het
opmaken ervan;
b. de naam en het adres van de
afzender;
c. de naam en het adres van de
vervoerder die de vervoerovereenkomst gesloten heeft;
d. de naam en het adres van degene
aan wie de zaken daadwerkelijk ten vervoer werden
afgegeven, indien dit niet de in c vermelde vervoerder
is;
e. de plaats en datum waarop de
zaken in ontvangst werden genomen;
f. de plaats van de aflevering;
g. de naam en het adres van de
geadresseerde;
h. de omschrijving van de aard der
zaken en de verpakkingswijze, en voor gevaarlijke zaken
hun omschrijving in de VSG voorgeschreven voor het
internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke zaken;
i. het aantal colli en de voor
identificatie van stukgoedzendingen vereiste bijzondere
merktekens en nummers;
j. het wagennummer, in geval van
vervoer van volledige wagenlading;
k. het nummer van het op eigen
wielen rollend spoorvoertuig dat als te vervoeren zaak
ten vervoer wordt aangeboden;
l. bovendien, bij intermodale
laadeenheden, de categorie, het nummer of de voor hun
identificatie vereiste andere kenmerken;
m. de brutomassa of de op andere
wijze uitgedrukte hoeveelheid der zaken;
n. een nauwkeurige lijst van de
door overheidsinstanties voorgeschreven bescheiden die
bij de vrachtbrief zijn gevoegd of ter beschikking van
de vervoerder zijn gesteld bij een nader omschreven
instantie of bij een in de overeenkomst vermelde
instelling;
o. de op het vervoer betrekking
hebbende kosten (vrachtprijs, bijkomende kosten en
andere kosten die vanaf het sluiten van de overeenkomst
tot aan de aflevering ontstaan) voorzover zij door de
geadresseerde moeten worden betaald of bij een andere
aanduiding dat de kosten verschuldigd zijn door de
geadresseerde.
2. In
voorkomend geval moet de vrachtbrief bovendien de volgende
aanduidingen bevatten:
a. In geval van vervoer door
opvolgende vervoerders: de tot aflevering der zaken
verplichte vervoerder, voorzover die met zijn instemming
is ingeschreven op de vrachtbrief;
b. de kosten die de afzender voor
zijn rekening neemt;
c. het bedrag van het bij de
aflevering van de zaken te innen rembours;
d. de aangegeven waarde der zaken
en het bedrag van het bijzonder belang bij de
aflevering;
e. de overeengekomen
afleveringstermijn;
f. de lijst van aan de vervoerder
overhandigde bescheiden, niet opgesomd in lid 1, onder
n;
g. de vermeldingen door de
afzender van het aantal en de beschrijving van de door
hem op de wagen aangebrachte verzegelingen.
3. In de
vrachtbrief kunnen de partijen bij de vervoerovereenkomst
andere aanduidingen opnemen die zij nuttig achten.
Artikel 1556
1. De
afzender is aansprakelijk voor alle kosten en schade, die
bij de vervoerder ontstaan ten gevolge van:
a. aanduidingen door de afzender
op de vrachtbrief die onnauwkeurig, onjuist of
onvolledig zijn of die op een andere dan de voor hen
voorgeschreven plaats vermeld werden of
b. het verzuimen door de afzender
om door de VSG voorgeschreven aanduidingen te vermelden.
2.
Indien de vervoerder aanduidingen op de vrachtbrief vermeldt
op verzoek van de afzender, wordt hij geacht te handelen in
naam van de afzender, behoudens tegenbewijs.
Artikel 1557
Wanneer de afzender heeft verzuimd de door
de VSG voorgeschreven aanduidingen te vermelden, kan de
vervoerder op elk ogenblik, al naargelang de omstandigheden
vereisen, de zaken uitladen, vernietigen of onschadelijk maken
zonder dat dit aanleiding geeft tot enige schadeloosstelling,
behalve indien hij bij de aanneming ten vervoer van de zaken
kennis had van de gevaarlijke aard van de zaken.
Artikel 1558
1.
Behoudens andersluidend beding tussen de afzender en de
vervoerder moeten de kosten (vrachtprijs, bijkomende kosten
en andere kosten, die vanaf het sluiten van de overeenkomst
tot de aflevering ontstaan) door de afzender worden betaald.
2.
Wanneer, op grond van een beding tussen de afzender en de
vervoerder, de kosten ten laste van de geadresseerde worden
gelegd en wanneer de geadresseerde noch de vrachtbrief in
ontvangst genomen heeft, noch zijn rechten uit de
vervoerovereenkomst overeenkomstig artikel 1565 lid 3 heeft
doen gelden, noch de vervoerovereenkomst overeenkomstig
artikel 1566 heeft gewijzigd, blijven de kosten ten laste
van de afzender.
Artikel 1559
1. De
vervoerder heeft steeds het recht te onderzoeken of de
vervoervoorwaarden vervuld zijn en of de zending
overeenstemt met de door de afzender op de vrachtbrief
vermelde gegevens. Wanneer dit onderzoek betrekking heeft op
de inhoud van de zending vindt het voorzover mogelijk plaats
in aanwezigheid van de rechthebbende; in het geval dat dit
niet mogelijk is, doet de vervoerder beroep op twee
onafhankelijke getuigen.
2.
Indien de zending niet overeenstemt met de aanduidingen op
de vrachtbrief of indien de voorschriften met betrekking tot
het voorwaardelijk ten vervoer toelaten van de zaken niet
zijn nageleefd, moet het resultaat van het onderzoek vermeld
worden op het blad van de vrachtbrief dat de zaken
vergezelt, en eveneens op de duplicaat-vrachtbrief, indien
de vervoerder daar nog over beschikt. In dat geval komen de
kosten van het onderzoek ten laste van de zaak, tenzij deze
onmiddellijk betaald worden.
3.
Wanneer de afzender zorg draagt voor de belading, kan hij
eisen dat de vervoerder de staat van de zaken en van hun
verpakking onderzoekt, alsook de juistheid van de op de
vrachtbrief vermelde aanduidingen over het aantal colli, hun
merktekens en nummers alsmede de brutomassa of de op andere
wijze uitgedrukte hoeveelheid. De vervoerder is daartoe
slechts verplicht, wanneer hem de daarvoor geëigende
middelen ter beschikking staan. De vervoerder kan de kosten
van het onderzoek terugvorderen. Het resultaat van de
onderzoekingen wordt op de vrachtbrief vermeld.
Artikel 1560
1. De
vrachtbrief levert volledig bewijs, behoudens tegenbewijs,
van het sluiten en de inhoud van de vervoerovereenkomst,
alsmede van het ten vervoer aannemen van de zaken door de
vervoerder.
2.
Wanneer de vervoerder zorg heeft gedragen voor de belading,
levert de vrachtbrief volledig bewijs, behoudens
tegenbewijs, van de staat der zaken en hun verpakking zoals
vermeld op de vrachtbrief of bij ontstentenis daarvan het
bewijs van hun uiterlijk goede staat bij het ten vervoer
aannemen door de vervoerder en de juistheid van de
vermeldingen op de vrachtbrief over het aantal der colli,
hun merktekens en nummers alsmede de brutomassa of de op
andere wijze uitgedrukte hoeveelheid.
3.
Wanneer de afzender zorg heeft gedragen voor de belading,
levert de vrachtbrief alleen volledig bewijs, behoudens
tegenbewijs, van de staat der zaken en hun verpakking, zoals
vermeld op de vrachtbrief en bij ontstentenis daarvan het
bewijs van hun uiterlijk goede staat en de juistheid van de
in lid 2 opgesomde vermeldingen, in het geval dat de
vervoerder deze heeft onderzocht en het resultaat van zijn
onderzoek op de vrachtbrief heeft genoteerd.
4. De
vrachtbrief levert evenwel niet volledig bewijs op in het
geval dat zij een met redenen omkleed voorbehoud bevat. Een
voorbehoud kan met name gemotiveerd worden door het feit dat
de vervoerder niet over geëigende middelen beschikte om te
onderzoeken of de zending beantwoordt aan de gegevens op de
vrachtbrief.
Artikel 1561
1.
Afzender en vervoerder komen onderling overeen wie van hen
het laden en lossen der zaken moet uitvoeren. Bij gebreke
van een dergelijk beding ligt voor het laden en lossen van
stukgoed de verplichting bij de vervoerder, terwijl voor
wagenladingen de verplichting voor het laden bij de afzender
ligt en die voor het lossen na de aflevering bij de
geadresseerde.
2. De
afzender is aansprakelijk voor alle gevolgen van de
gebrekkige belading die hij heeft uitgevoerd en hij moet met
name de door dit feit door de vervoerder geleden schade
vergoeden. Het bewijs van de gebrekkige belading rust op de
vervoerder.
Artikel 1562
De afzender is jegens de vervoerder
aansprakelijk voor alle schade en kosten veroorzaakt door het
ontbreken of de gebrekkigheid van de verpakking, tenzij het
gebrek uiterlijk zichtbaar was of de vervoerder er kennis van
had bij het ten vervoer aannemen van de zaken en hij daarvoor
geen voorbehoud maakte.
Artikel 1563
1. Met
het oog op het naleven van de vereiste douane- of andere
voorschriften van overheidsinstanties moet de afzender
voorafgaand aan de aflevering van de zaken bij de
vrachtbrief de noodzakelijke bescheiden voegen of deze aan
de vervoerder ter beschikking stellen en hem alle gewenste
inlichtingen verschaffen.
2. De
vervoerder is niet gehouden na te gaan of deze bescheiden en
inlichtingen juist en volledig zijn. De afzender is jegens
de vervoerder aansprakelijk voor alle schade ontstaan door
het ontbreken, de onvolledigheid of de onregelmatigheid van
de bescheiden en inlichtingen, behalve in geval van schuld
van de vervoerder.
3. De
vervoerder is aansprakelijk voor de gevolgen van het verlies
of het onregelmatig gebruik van de op de vrachtbrief
vermelde en bijgevoegde of hem overhandigde bescheiden,
tenzij het verlies of de door het onregelmatig gebruik van
deze bescheiden veroorzaakte schade het gevolg is van
omstandigheden die de vervoerder niet kon vermijden of
waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen. De eventuele
schadevergoeding bedraagt evenwel niet meer dan die in geval
van verlies van de zaken.
4. De
afzender, door een vermelding op de vrachtbrief, of de
geadresseerde, door een opdracht overeenkomstig artikel 1566
lid 3 kan vragen:
a. dat bij het naleven van de
vereiste douane- of andere overheidsvoorschriften
hijzelf aanwezig is ofwel zich doet vertegenwoordigen
door een gevolmachtigde om alle inlichtingen te
verschaffen en de ter zake dienende opmerkingen te
maken;
b. dat hijzelf de vereiste douane-
of andere overheidsvoorschriften naleeft of hen doet
naleven door een gevolmachtigde;
c. dat, wanneer hijzelf of zijn
gevolmachtigde bij het naleven van de vereiste douane-
of andere overheidsvoorschriften aanwezig is of deze
laatste zelf naleeft, hij de douane- en andere kosten
betaalt.
In deze gevallen mogen noch de
afzender, noch de geadresseerde die het recht heeft over de
zaken te beschikken, of hun gevolmachtigde de zaken in bezit
nemen.
5.
Indien de afzender een plaats heeft aangewezen voor het
naleven van de vereiste douane- of andere
overheidsvoorschriften waar dat krachtens de geldende
voorschriften niet mogelijk is of indien hij voor het
naleven van deze voorschriften een andere, onuitvoerbare
handelwijze heeft voorgeschreven, handelt de vervoerder op
de volgens hem voor de rechthebbende voordeligste wijze en
deelt hij de genomen maatregelen mee aan de afzender.
6. De
vervoerder kan evenwel overeenkomstig de bepalingen van lid
5 handelen, indien de geadresseerde de vrachtbrief niet in
ontvangst heeft genomen binnen de termijn die is
voorgeschreven door de op de plaats van bestemming geldende
voorschriften.
7. De
afzender moet voldoen aan de overheidsvoorschriften voor wat
betreft de verpakking en de afdekking van de zaken. Indien
de afzender de zaken niet overeenkomstig deze voorschriften
heeft verpakt of afgedekt, kan de vervoerder daarvoor
zorgen; de daardoor ontstane kosten komen ten laste van de
zaken.
Artikel 1564
1. De
afzender en de vervoerder komen de afleveringstermijn
overeen. Bij gebreke van een beding hieromtrent kan de
afleveringstermijn nochtans nooit langer zijn dan die welke
volgt uit de leden 2 tot en met 4.
2.
Behoudens de leden 3 en 4 belopen de maximum
afleveringstermijnen:
* termijn van verzenden 12 uren;
* termijn van vervoeren 24 uren.
3. De
vervoerder kan toeslagtermijnen van bepaalde duur
vaststellen: bij buitengewone omstandigheden die een
ongebruikelijke verkeerstoename of ongebruikelijke
moeilijkheden voor de bedrijfsuitvoering tot gevolg hebben,
dan wel bij ladingen die bestemd zijn voor stations die
slechts eenmaal per dag of niet dagelijks worden bediend.
De duur van de toeslagtermijnen moet
opgenomen zijn in de Algemene vervoervoorwaarden.
4. De
afleveringstermijn begint te lopen vanaf de aanneming ten
vervoer van de zaken; hij wordt verlengd met de duur van een
niet door de schuld van de vervoerder veroorzaakt oponthoud.
De afleveringstermijn wordt geschorst op zaterdagen,
zondagen en wettelijke feestdagen.
Artikel 1565
1. De
vervoerder moet de vrachtbrief afgeven en de zaken afleveren
aan de geadresseerde op de voor de aflevering voorziene
plaats tegen kwijting en betaling van de uit de
vervoerovereenkomst voortvloeiende vorderingen.
2. Met
de aflevering aan de geadresseerde worden, wanneer zulks
overeenkomstig de op de plaats van bestemming geldende
voorschriften geschiedt, gelijkgesteld:
a. de afgifte van de zaken aan de
douane of belastingsinstanties in hun expeditie- of
opslagruimten, wanneer die zich niet onder de hoede van
de vervoerder bevinden;
b. de opslag van de zaken bij de
vervoerder of de inbewaringgeving ervan bij een
expediteur of in een openbare douane-entrepot.
3. Na de
aankomst van de zaken op de plaats van aflevering kan de
geadresseerde aan de vervoerder verzoeken hem de vrachtbrief
te overhandigen en aan hem de zaken af te leveren. Indien
het verlies van de zaken is vastgesteld of indien de zaken
niet binnen de in artikel 1577 bedoelde termijn aangekomen
zijn, kan de geadresseerde in eigen naam zijn rechten uit de
vervoerovereenkomst jegens de vervoerder doen gelden.
4. De
rechthebbende kan de ontvangst van de zaken weigeren, zelfs
na de inontvangstname van de vrachtbrief en het betalen van
vorderingen voortvloeiend uit de vervoerovereenkomst, zolang
niet is overgegaan tot de onderzoeken waar hij om heeft
verzocht met het oog op het vaststellen van de beweerde
schade.
5.
Overigens vindt de aflevering van de zaken plaats
overeenkomstig de op de plaats van aflevering geldende
voorschriften.
6.
Indien de zaken aan de geadresseerde zijn afgeleverd zonder
voorafgaande inning van het rembours dat rust op de zaken,
is de vervoerder gehouden de afzender de schade te vergoeden
tot ten hoogste het bedrag van het rembours, onverminderd
zijn regres op de geadresseerde.
Artikel 1566
1. De
afzender heeft het recht om over de zaken te beschikken en
de vervoerovereenkomst door nadere opdrachten te wijzigen.
Met name kan hij vragen aan de vervoerder
a. de zaken niet verder te
vervoeren;
b. de aflevering uit te stellen;
c. de zaken aan een andere dan de
op de vrachtbrief vermelde geadresseerde af te leveren;
d. de zaken op een andere dan de
op de vrachtbrief vermelde plaats af te leveren.
2. Het
recht van de afzender tot het wijzigen van de
vervoerovereenkomst vervalt, zelfs wanneer hij de
duplicaat-vrachtbrief in zijn bezit heeft, in de gevallen
waarin de geadresseerde
a. de vrachtbrief in ontvangst
genomen heeft;
b. de zaken aangenomen heeft;
c. zijn rechten overeenkomstig
artikel 1565 lid 3 heeft doen gelden;
d. overeenkomstig lid 3 bevoegd is
nadere opdrachten te geven; vanaf dat ogenblik moet de
vervoerder de nadere opdrachten en aanwijzingen van de
geadresseerde opvolgen.
3. Het
recht tot het wijzigen van de vervoerovereenkomst komt aan
de geadresseerde toe vanaf het ogenblik dat de vrachtbrief
opgemaakt wordt, tenzij door de afzender anders aangegeven
is op de vrachtbrief.
4. Het
recht van de geadresseerde tot het wijzigen van de
vervoerovereenkomst vervalt wanneer hij:
a. de vrachtbrief in ontvangst
heeft genomen;
b. de zaken heeft aangenomen;
c. zijn rechten overeenkomstig
artikel 1565 lid 3 heeft doen gelden;
d. overeenkomstig lid 5
voorgeschreven heeft de zaken af te leveren aan een
derde, en wanneer deze zijn rechten overeenkomstig
artikel 1565 lid 3 heeft doen gelden.
5.
Indien de geadresseerde heeft voorgeschreven de zaken aan
een derde af te leveren, is deze laatste niet bevoegd om de
vervoerovereenkomst te wijzigen.
Artikel 1567
1.
Wanneer de afzender of in geval van artikel 1566 lid 3 de
geadresseerde de vervoerovereenkomst wil wijzigen door
latere opdrachten, moet hij de vervoerder de
duplicaat-vrachtbrief aanbieden waarop de wijzigingen
aangebracht moeten zijn.
2. De
afzender of in geval van artikel 1566 lid 3 de geadresseerde
moet de vervoerder alle kosten en de schade vergoeden die
voortvloeien uit het uitvoeren van de latere wijzigingen.
3. Het
uitvoeren van latere wijzigingen moet mogelijk, geoorloofd
en redelijk zijn op het ogenblik waarop de opdrachten aan
degene die deze moet uitvoeren, bereiken en mag met name
noch de gebruikelijke bedrijfsuitoefening van de
vervoeronderneming belemmeren, noch de afzenders en
geadresseerden van andere zendingen benadelen.
4. De
latere wijzigingen mogen niet een splitsing van de zending
tot gevolg hebben.
5.
Wanneer de vervoerder, rekening houdend met de bepalingen
genoemd in lid 3, de ontvangen instructies niet kan
uitvoeren, moet hij onmiddellijk diegene die om de
wijzigingen verzoekt, daarvan in kennis stellen.
6. In
geval van schuld van de vervoerder is hij aansprakelijk voor
de gevolgen van het niet of gebrekkig uitvoeren van een
latere wijziging. De eventuele schadevergoeding bedraagt
evenwel niet meer dan die in geval van verlies van de zaken.
7. De
vervoerder die gevolg geeft aan latere wijzigingen van de
afzender zonder het overleggen van de duplicaat-vrachtbrief
te eisen, is jegens de geadresseerde aansprakelijk voor de
daaruit voortvloeiende schade, indien de
duplicaat-vrachtbrief aan deze laatste is overhandigd. De
eventuele schadevergoeding bedraagt evenwel niet meer dan
die in geval van verlies van de zaken.
Artikel 1568
1. In
geval van een belemmering in het vervoer beslist de
vervoerder of het de voorkeur verdient de zaken verder te
vervoeren dan wel of het in het belang is van de
beschikkingsgerechtigde hem om instructies te verzoeken,
waarbij hij aan hem alle nuttige inlichtingen waarover hij
beschikt, meedeelt.
2.
Indien een verder vervoer niet mogelijk is, verzoekt de
vervoerder de beschikkingsgerechtigde om instructies. Indien
de vervoerder deze instructies niet tijdig kan verkrijgen,
moet hij die maatregelen treffen welke hem het voordeligst
lijken voor de belangen van beschikkingsgerechtigde.
Artikel 1569
1. In
geval van een belemmering in de aflevering moet de
vervoerder de afzender daarvan onverwijld op de hoogte
stellen en moet hij hem om instructies verzoeken, tenzij de
afzender door een vermelding op de vrachtbrief gevraagd
heeft om in geval van een belemmering in de aflevering de
zaken terug te zenden.
2.
Wanneer de belemmering in de aflevering wegvalt, voordat
instructies van de afzender de vervoerder bereiken, worden
de zaken afgeleverd bij de geadresseerde. De afzender moet
daarvan onverwijld in kennis worden gesteld.
3. In
geval de geadresseerde weigert de zaken in ontvangst te
nemen, is de afzender gerechtigd tot het geven van
instructies, zelfs indien hij de duplicaat-vrachtbrief niet
kan overleggen.
4.
Wanneer de belemmering in de aflevering optreedt, nadat de
geadresseerde de vervoerovereenkomst overeenkomstig artikel
1566 leden 3 en 5 gewijzigd heeft, moet de vervoerder deze
geadresseerde inlichten.
Artikel 1570
1. De
vervoerder heeft recht op vergoeding van de kosten
veroorzaakt door:
a. het inwinnen van instructies,
b. het uitvoeren van de ontvangen
instructie,
c. het niet of niet tijdig
ontvangen van door hem verzochte instructie,
d. het nemen van een beslissing
overeenkomstig artikel 1568 lid 1, zonder instructies
gevraagd te hebben,
tenzij deze kosten door zijn schuld
veroorzaakt zijn. Hij kan met name de vrachtprijs voor het
werkelijk gereden vervoertraject in rekening brengen en
aanspraak maken op de daarmee overeenstemmende
afleveringstermijn.
2. In de
gevallen bedoeld in artikel 1568 lid 2 en in artikel 1569
lid 1 kan de vervoerder de zaken onmiddellijk en op kosten
van de rechthebbende lossen. Na het lossen wordt het vervoer
geacht beëindigd te zijn. De vervoerder bewaart vervolgens
de zaken voor rekening van de rechthebbende. Hij kan de
zaken evenwel toevertrouwen aan een derde en is dan slechts
aansprakelijk voor de oordeelkundige keuze van die derde. De
zaken blijven belast met de uit de vervoerovereenkomst
voortvloeiende schuldvorderingen en alle andere kosten.
3. In
geval van toepassing van lid 2 is artikel 1133 van
overeenkomstige toepassing.
4.
Indien in geval van belemmeringen in het vervoer of in de
aflevering de afzender binnen redelijke tijd geen
instructies meedeelt en de belemmering in het vervoer of in
de aflevering niet opgelost kan worden overeenkomstig de
bepalingen van de leden 2 en 3, kan de vervoerder de zaken
op kosten van de afzender terugzenden of, indien zulks
gerechtvaardigd is, vernietigen.
Afdeling 3. Aansprakelijkheid
Artikel 1571
1. De
vervoerder is aansprakelijk voor de schade ten gevolge van
geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging van de zaken
vanaf de aanneming ten vervoer tot aan de aflevering,
alsmede ten gevolge van de vertraging in de aflevering.
2. De
vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven voorzover
het verlies, de beschadiging of de vertraging in de
aflevering is veroorzaakt door schuld van de rechthebbende,
door een opdracht van de rechthebbende die niet het gevolg
is van de schuld van de vervoerder, door eigen gebrek van de
zaak (inwendig bederf, gewichtsverlies, enz.) of door
omstandigheden die de vervoerder niet kon vermijden en
waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen. Gebrekkigheid
of slecht functioneren van het materiaal waarvan de
vervoerder zich bedient, daaronder begrepen de
spoorweginfrastructuur, wordt niet beschouwd als een
omstandigheid die de vervoerder niet kon vermijden en
waarvan hij de gevolgen niet kon verhinderen.
3. De
vervoerder is van deze aansprakelijkheid ontheven, voorzover
het verlies of de beschadiging een gevolg is van de
bijzondere risico's, verbonden aan een of meer van de
volgende feiten:
a. het vervoer in open wagens,
verricht krachtens een beding dat is opgenomen in op de
vervoerovereenkomst toepasselijke algemene
vervoervoorwaarden en uitdrukkelijk is overeengekomen en
vermeld op de vrachtbrief; behalve voor de schade
veroorzaakt door weersomstandigheden aan de zaken,
worden de zaken geladen in intermodale transporteenheden
en in gesloten wegvoertuigen die op spoorwagens vervoerd
worden, niet beschouwd als vervoerd in open wagen;
indien de afzender dekkleden voor het vervoer van zaken
in open wagens gebruikt, heeft de vervoerder dezelfde
aansprakelijkheid als die bij het vervoer in open wagens
zonder dekkleden, zelfs als het zaken betreft die
volgens de Algemene vervoervoorwaarden niet in open
wagens worden vervoerd;
b. het ontbreken of de
gebrekkigheid van de verpakking bij zaken die door hun
aard onderhevig zijn aan verliezen of beschadigingen,
wanneer ze niet of gebrekkig zijn verpakt;
c. het laden van de zaken door de
afzender of het lossen door de geadresseerde;
d. de aard van bepaalde zaken die
door met deze aard zelf samenhangende oorzaken zijn
blootgesteld aan geheel of gedeeltelijk verlies of aan
beschadiging zoals in het bijzonder breuk, roest,
inwendig en spontaan bederf, uitdroging, vermindering in
massa;
e. de onjuiste, onnauwkeurige of
onvolledige aanduiding of nummering van de colli;
f. het vervoer van levende dieren;
g. vervoer dat krachtens de
toepasselijke bepalingen of op de vrachtbrief vermelde
bedingen tussen de afzender en de vervoerder uitgevoerd
moet worden onder begeleiding, indien het verlies of de
beschadiging het gevolg is van een gevaar dat de
begeleiding had moeten vermijden.
Artikel 1572
1. In
geval van een vervoer van op eigen wielen rollende
spoorvoertuigen die als te vervoeren zaak ten vervoer worden
aangeboden, is de vervoerder aansprakelijk voor de schade
ten gevolge van het verlies of beschadiging van de
spoorvoertuigen en de bestanddelen daarvan vanaf de
aanneming ten vervoer tot de aflevering alsmede voor de
schade ten gevolge van de overschrijding van
afleveringstermijn, tenzij hij bewijst dat de schade niet
door zijn schuld veroorzaakt is.
2. De
vervoerder is niet aansprakelijk voor schade die het gevolg
is van het verlies van de losse bestanddelen waarvan geen
melding wordt gemaakt op beide zijden van het voertuig of
die niet opgenomen zijn in de inventaris die het voertuig
begeleidt.
Artikel 1573
1. Het
bewijs dat het verlies, de beschadiging of de vertraging in
de aflevering door een van de in artikel 1571 lid 2 genoemde
feiten is veroorzaakt, rust op de vervoerder.
2.
Wanneer de vervoerder bewijst dat het verlies of de
beschadiging, gelet op de omstandigheden van het geval, kan
zijn ontstaan uit een of meer van de in artikel 1571 lid 3
genoemde bijzondere risico's, wordt vermoed dat het verlies
of de beschadiging daardoor is veroorzaakt. De rechthebbende
heeft evenwel het recht te bewijzen dat de schade geheel of
gedeeltelijk niet door een van deze risico's is veroorzaakt.
3. Het
vermoeden volgens lid 2 is niet van toepassing in het geval
bedoeld in artikel 1571 lid 3, onder a, indien het een
ongewoon groot verlies of een verlies van colli betreft.
Artikel 1574
Wanneer een vervoer dat het onderwerp
vormt van één en dezelfde vervoerovereenkomst, door meer
opvolgende vervoerders wordt verricht, treedt iedere vervoerder
door het overnemen van de zaken met de vrachtbrief toe tot de
vervoerovereenkomst overeenkomstig de bepalingen van de
vrachtbrief en neemt hij de daaruit voortvloeiende
verplichtingen op zich. In dit geval is iedere vervoerder
aansprakelijk voor de uitvoering van het vervoer op het gehele
vervoertraject tot aan de aflevering.
Artikel 1575
1.
Wanneer de vervoerder de uitvoering van het vervoer geheel
of gedeeltelijk heeft toevertrouwd aan een ondervervoerder,
al dan niet op grond van een aan hem in de
vervoerovereenkomst toegekende bevoegdheid, blijft de
vervoerder niettemin aansprakelijk voor het volledige
vervoer.
2. Alle
bepalingen van deze titel die betrekking hebben op de
aansprakelijkheid van de vervoerder zijn ook van toepassing
op de aansprakelijkheid van de ondervervoerder met
betrekking tot het door hem verrichte vervoer. Wanneer een
vordering wordt ingesteld tegen zijn ondergeschikten en
andere personen van wier diensten de ondervervoerder gebruik
maakt bij de uitvoering van het vervoer, zijn de artikelen
1584 en 1587 van toepassing.
3. Een
bijzondere overeenkomst waarin de vervoerder verplichtingen
op zich neemt die niet op hem rusten krachtens deze titel,
of waarin hij afziet van rechten die hem ingevolge deze
titel zijn toegekend, is niet bindend voor de
ondervervoerder die hiermee niet uitdrukkelijk en
schriftelijk heeft ingestemd. Ongeacht of de ondervervoerder
deze overeenkomst al dan niet heeft aanvaard, blijft de
vervoerder niettemin gebonden aan de uit deze bijzondere
overeenkomst voortvloeiende verplichtingen of afstand van
rechten.
4.
Wanneer en voorzover de vervoerder en de ondervervoerder
aansprakelijk zijn, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk.
5. Het
totale bedrag van de schadevergoeding verschuldigd door de
vervoerder, de ondervervoerder alsmede door hun
ondergeschikten en andere personen van wier diensten zij
gebruik maken voor de uitvoering van het vervoer is niet
hoger dan de in deze titel voorgeschreven maximumbedragen.
6. Dit
artikel doet geen afbreuk aan de mogelijke regresrechten
tussen de vervoerder en de ondervervoerder.
Artikel 1576
Wanneer een zending, die overeenkomstig
deze titel verzonden is, eveneens overeenkomstig deze titel is
doorgezonden en wanneer na deze doorzending een gedeeltelijk
verlies of een schade is vastgesteld, wordt vermoed dat het
gedeeltelijk verlies of de schade is ontstaan tijdens de laatste
vervoerovereenkomst, indien de zending onder de hoede van de
vervoerder is gebleven en is doorgezonden in dezelfde toestand
waarin zij op de plaats van doorzending is aangekomen.
Artikel 1577
1. De
rechthebbende kan zonder nader bewijs de zaken als verloren
beschouwen, wanneer zij niet binnen 30 dagen na afloop van
de afleveringstermijn aan de geadresseerde zijn afgeleverd
of te zijner beschikking zijn gesteld.
2. De
rechthebbende kan bij het ontvangen van de schadevergoeding
voor de verloren zaken schriftelijk verzoeken er onverwijld
in kennis van te worden gesteld in geval de zaken zijn
teruggevonden binnen een jaar na de betaling van de
schadevergoeding. De vervoerder bevestigt dit verzoek
schriftelijk.
3.
Binnen dertig dagen na ontvangst van de in lid 2 bedoelde
kennisgeving kan de rechthebbende verzoeken dat de zaken aan
hem worden afgeleverd tegen betaling van de
schuldvorderingen die uit de vrachtbrief voortvloeien en
tegen terugbetaling van de ontvangen schadevergoeding, onder
aftrek, in voorkomend geval, van de kosten die in deze
schadevergoeding begrepen zouden zijn geweest. Hij behoudt
niettemin zijn in artikelen 1581 en 1583 bedoelde rechten op
schadevergoeding voor overschrijding van de
afleveringstermijn.
4. Bij
gebreke van een in lid 2 bedoeld verzoek of van binnen de in
lid 3 bedoelde termijn gegeven instructies, of indien de
zaken meer dan een jaar na de betaling van de
schadevergoeding teruggevonden zijn, beschikt de vervoerder
daarover overeenkomstig de wetten en voorschriften die
gelden op de plaats waar de zaken zich bevinden.
Artikel 1578
1. In
geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de zaken moet
de vervoerder, met uitsluiting van elke andere
schadevergoeding, een schadevergoeding betalen berekend
volgens de beursprijs, bij gebreke daarvan volgens de
marktprijs en, bij gebreke van beide, volgens de
gebruikelijke waarde van zaken van dezelfde aard en
kwaliteit op de dag en de plaats waar de zaken in ontvangst
zijn genomen.
2. De
schadevergoeding bedraagt niet meer dan 17 rekeneenheden per
ontbrekend kilogram brutomassa. De rekeneenheid is het
bijzondere trekkingsrecht zoals dat is omschreven door het
Internationale Monetaire Fonds. De bedragen genoemd in het
eerste lid worden omgerekend in Nederlands geld naar de
koers van de dag, waarop de betaling wordt verricht. De
waarde van het Nederlandse geld, uitgedrukt in bijzondere
trekkingsrechten, wordt berekend volgens de
waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire
Fonds op de dag van omrekening wordt toegepast voor zijn
eigen verrichtingen en transacties.
3. In
geval van verlies van een op eigen wielen rollend
spoorvoertuig dat als te vervoeren zaak ten vervoer is
aangeboden of van verlies van een intermodale
transporteenheid of van hun bestanddelen, is de
schadevergoeding, met uitsluiting van elke andere
schadevergoeding, beperkt tot de gebruikelijke waarde van
het spoorvoertuig of de intermodale transporteenheid of hun
bestanddelen op de dag en de plaats van het verlies. Indien
het niet mogelijk is de dag of de plaats van het verlies
vast te stellen, is de schadevergoeding beperkt tot de
gebruikelijke waarde op de dag en de plaats van de
inontvangstneming.
4. De
vervoerder moet bovendien de vrachtprijs en de overige ter
zake van het vervoer van de verloren zaken betaalde bedragen
terugbetalen, met uitzondering van de accijnzen op zaken die
vervoerd worden onder opschorting van die accijnzen.
Artikel 1579
1. Met
betrekking tot zaken, die ingevolge hun aard in het algemeen
een gewichtsverlies ondergaan tijdens het vervoer, is de
vervoerder, ongeacht de lengte van het afgelegde traject,
slechts aansprakelijk voor het gedeelte van het verlies dat
meer bedraagt dan:
a. twee procent van de massa voor
vloeibare of in vochtige toestand aangeboden zaken;
b. één procent van de massa voor
droge zaken.
2. Op de
in lid 1 bedoelde beperking van de aansprakelijkheid kan
geen beroep worden gedaan, indien wordt bewezen, dat het
verlies, gelet op de omstandigheden van het geval, geen
gevolg is van oorzaken, die de afwijking rechtvaardigen.
3. In
het geval dat meer colli met één enkele vrachtbrief zijn
vervoerd, wordt het gewichtsverlies berekend voor iedere
collo, wanneer de massa ervan bij vertrek afzonderlijk op de
vrachtbrief is vermeld of op andere wijze kan worden
vastgesteld.
4. In
geval van geheel verlies van de zaak of in geval van verlies
van colli vindt voor de berekening van de schadevergoeding
geen aftrek plaats wegens gewichtsverlies tijdens het
vervoer.
5. Dit
artikel laat de artikelen 1571 en 1573 onverlet.
Artikel 1580
1. In
geval van beschadiging van de zaken moet de vervoerder, met
uitsluiting van elke andere schadevergoeding, een
schadevergoeding betalen gelijk aan de waardevermindering
van de zaken. Dit bedrag wordt berekend door op de
overeenkomstig artikel 1578 bepaalde waarde van de zaken het
op de plaats van bestemming vastgestelde percentage van de
waardevermindering toe te passen.
2. De
schadevergoeding bedraagt niet meer dan:
a. indien de gehele zending door
de beschadiging in waarde is verminderd, het in geval
van geheel verlies te betalen bedrag;
b. indien slechts een gedeelte van
de zending door de beschadiging in waarde is verminderd,
het in geval van verlies van het in waarde verminderde
gedeelte te betalen bedrag.
3. In
geval van beschadiging van een op eigen wielen rollend
spoorvoertuig dat als te vervoeren zaak ten vervoer is
aangeboden of van beschadiging van een intermodale
transporteenheid of van hun bestanddelen wordt de
aansprakelijkheid beperkt tot de herstelkosten, met
uitsluiting van elke andere schadevergoeding. De
schadevergoeding bedraagt niet meer dan het in geval van
verlies te betalen bedrag.
4. De
vervoerder moet bovendien de in artikel 1578 lid 4 vermelde
kosten in de in lid 1 bepaalde verhouding terugbetalen.
Artikel 1581
1.
Indien een schade, met inbegrip van een beschadiging,
voortvloeit uit het overschrijden van de afleveringstermijn,
moet de vervoerder een schadevergoeding betalen die niet
meer bedraagt dan het viervoud van de vrachtprijs.
2. In
geval van geheel verlies van de zaken komt de in lid 1
bedoelde schadevergoeding niet bovenop die bedoeld in
artikel 1578.
3. In
geval van gedeeltelijk verlies van de zaken bedraagt de in
lid 1 bepaalde schadevergoeding niet meer dan het viervoud
van de vrachtprijs van het niet verloren gedeelte van de
zending.
4. In
geval van beschadiging van zaken die niet het gevolg is van
de overschrijding van de afleveringstermijn komt, in
voorkomend geval, de in lid 1 bedoelde schadevergoeding
bovenop die bedoeld in artikel 1580.
5. In
geen geval kan de som van de in lid 1 bedoelde
schadevergoeding en die van de artikelen 1578 en 1580 hoger
zijn dan de schadevergoeding die verschuldigd is in geval
van geheel verlies van de zaken.
6.
Wanneer de afleveringstermijn overeenkomstig artikel 1564
lid 1 is vastgesteld bij overeenkomst, kan daarin in een van
lid 1 afwijkende regeling tot schadevergoeding voorzien
worden. Indien in dit geval de in artikel 1564 leden 2 tot
en met 4 bedoelde afleveringstermijnen overschreden worden,
kan de rechthebbende hetzij de schadevergoeding uit de
bovenvermelde overeenkomst verlangen, hetzij de
schadevergoeding die in de leden 1 tot en met 5 is voorzien.
Artikel 1582
De afzender en de vervoerder kunnen
overeenkomen dat de afzender in de vrachtbrief een waarde der
zaken opneemt die het in artikel 1578 lid 2 voorgeschreven
maximumbedrag overschrijdt. In dat geval treedt het aangegeven
bedrag in de plaats van dit maximumbedrag.
Artikel 1583
De afzender en de vervoerder kunnen
overeenkomen dat de afzender een bijzonder belang bij de
aflevering aangeeft door op de vrachtbrief een bedrag in cijfers
te vermelden voor het geval van verlies of beschadiging en het
geval van overschrijding van de afleveringstermijn. In geval van
aangifte van een belang bij de aflevering kan boven op de in de
artikelen 1578, 1580 en 1581 bedoelde schadevergoedingen de
vergoeding van de overige bewezen schade verlangd worden tot ten
hoogste het bedrag van het aangegeven belang.
Artikel 1584
De in de artikelen 1563 lid 3, 1567 leden
6 en 7, 1578, 1580 tot en met 1583 bedoelde beperkingen van
aansprakelijkheid zijn niet van toepassing, indien is bewezen
dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten van de
vervoerder geschied hetzij met het opzet die schade te
veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die
schade er waarschijnlijk uit zal voortvloeien.
Artikel 1585
Indien de rechthebbende niet binnen een
hem gestelde redelijke termijn de voor de definitieve regeling
van de vordering nodige bewijsstukken aan de vervoerder overlegt,
loopt de rente over de schadevergoeding niet tussen de afloop
van deze termijn en de daadwerkelijke overlegging van de stukken.
Artikel 1586
De vervoerder is aansprakelijk voor zijn
ondergeschikten en voor andere personen van wier diensten hij
gebruik maakt bij de uitvoering van het vervoer, wanneer deze
ondergeschikten of andere personen handelen in de uitoefening
van hun werkzaamheden. De beheerders van de
spoorweginfrastructuur waarop het vervoer wordt verricht, worden
beschouwd als personen van wier diensten de vervoerder gebruik
maakt bij de uitvoering van het vervoer.
Artikel 1587
1. In
alle gevallen waar deze titel van toepassing is, kan tegen
de vervoerder slechts een vordering wegens
aansprakelijkheid, ongeacht de rechtsgrond, worden ingesteld
onder de voorwaarden en beperkingen van deze titel.
2.
Hetzelfde geldt voor een vordering ingesteld tegen de
ondergeschikten en de andere personen voor wie de vervoerder
krachtens artikel 1586 aansprakelijk is.
Afdeling 4. Uitoefening van rechten
Artikel 1588
1.
Wanneer een gedeeltelijk verlies of een beschadiging door de
vervoerder wordt ontdekt of vermoed of door de rechthebbende
wordt beweerd, moet de vervoerder onverwijld en zo mogelijk
in aanwezigheid van de rechthebbende een proces-verbaal
opmaken dat naargelang de aard van de schade, de toestand
van de zaken en zo mogelijk de omvang, de oorzaak en het
tijdstip van ontstaan van de schade vermeldt.
2. Een
afschrift van dit proces-verbaal moet kosteloos aan de
rechthebbende worden verstrekt.
3.
Wanneer de rechthebbende niet met de vermeldingen in het
proces-verbaal instemt, is artikel 1135 van overeenkomstige
toepassing.
Artikel 1589
1.
Vorderingen buiten rechte met betrekking tot de
vervoerovereenkomst moeten schriftelijk worden ingediend bij
de vervoerder tegen wie de rechtsvordering kan worden
ingesteld.
2.
Vorderingen buiten rechte kunnen ingediend worden door de
personen die gerechtigd zijn rechtsvorderingen in te stellen
tegen de vervoerder.
3. De
afzender die een vordering buiten rechte indient, moet de
duplicaat-vrachtbrief overleggen. Bij gebreke daarvan moet
hij de machtiging van de geadresseerde overleggen of
bewijzen dat deze laatste de zaken heeft geweigerd.
4. De
geadresseerde die een vordering buiten rechte indient, moet
de vrachtbrief overleggen, indien deze aan hem is afgegeven.
5. De
vrachtbrief, de duplicaat-vrachtbrief en de overige
bescheiden die de rechthebbende bij zijn vordering buiten
rechte wil voegen, moeten worden overgelegd in origineel of
in voorkomend geval op verzoek van de vervoerder, in een
naar behoren gewaarmerkt afschrift.
6. Bij
de regeling van de vordering buiten rechte kan de vervoerder
de overlegging van het origineel van de vrachtbrief, de
duplicaat-vrachtbrief of het remboursbewijs verlangen om er
de regeling op te vermelden.
Artikel 1590
1.
Behoudens de leden 3 en 4, zijn tot het instellen van de op
de vervoerovereenkomst gegronde rechtsvorderingen
gerechtigd:
a. de afzender tot het tijdstip
waarop de geadresseerde
i. de vrachtbrief in ontvangst
heeft genomen,
ii. de zaken heeft aangenomen
of
iii. de hem krachtens artikel
1565 lid 3 of artikel 1566 lid 3 toekomende rechten
heeft doen gelden;
b. de geadresseerde vanaf het
tijdstip waarop hij
i. de vrachtbrief in ontvangst
heeft genomen,
ii. de zaken heeft aangenomen
of
iii. de hem krachtens artikel
1565 lid 3 of artikel 1566 lid 3 toekomende rechten
heeft doen gelden.
2. Het
recht van de geadresseerde om een rechtsvordering in te
stellen, vervalt zodra de door hem overeenkomstig artikel
1566 lid 5 aangewezen persoon de vrachtbrief in ontvangst
heeft genomen, de zaken heeft aangenomen of de hem krachtens
artikel 1565 lid 3 toekomende rechten heeft doen gelden.
3. De
rechtsvordering tot terugbetaling van een bedrag dat op
grond van de vervoerovereenkomst betaald is, komt slechts
toe aan degene die de betaling heeft gedaan.
4. De
rechtsvordering met betrekking tot rembours komt slechts toe
aan de afzender.
5. Om
rechtsvorderingen in te stellen moet de afzender de
duplicaat-vrachtbrief overleggen. Bij gebreke daarvan moet
hij een machtiging van de geadresseerde overleggen of
bewijzen dat deze laatste de zaken heeft geweigerd. Indien
nodig moet de afzender het bewijs leveren van het ontbreken
of het verlies van de vrachtbrief.
6. Om
rechtsvorderingen in te stellen moet de geadresseerde de
vrachtbrief overleggen, indien deze aan hem is afgegeven.
Artikel 1591
1.
Behoudens de leden 3 en 4, kunnen de op de
vervoerovereenkomst gegronde rechtsvorderingen uitsluitend
worden ingesteld tegen de eerste of laatste vervoerder of
tegen de vervoerder die dat deel van het vervoer verrichtte
gedurende welke het feit dat tot de rechtsvordering heeft
geleid, zich heeft voorgedaan.
2.
Wanneer in geval het vervoer wordt verricht door opvolgende
vervoerders, de vervoerder die de zaken moet afleveren met
zijn instemming is ingeschreven op de vrachtbrief, kan
overeenkomstig lid 1 de rechtsvordering tegen hem worden
ingesteld, zelfs als hij de zaken of de vrachtbrief niet
heeft ontvangen.
3. De
rechtsvordering tot terugbetaling van een krachtens de
vervoerovereenkomst betaald bedrag kan worden ingesteld
tegen de vervoerder die dit bedrag heeft geïnd of tegen
degene ten voordele van wie dit bedrag is geïnd.
4. De
rechtsvordering ter zake van rembours kan alleen worden
ingesteld tegen de vervoerder die de zaken op de plaats van
afzending ten vervoer heeft aangenomen.
5. De
rechtsvordering kan tegen een andere dan de in de leden 1 en
4 bedoelde vervoerders worden ingesteld als tegeneis of als
verweer in een geding over een op dezelfde
vervoerovereenkomst gegronde vordering.
6.
Voorzover deze titel van toepassing is op de
ondervervoerder, kan tegen hem eveneens een rechtsvordering
worden ingesteld.
7.
Indien de eiser de keuze heeft tussen meer vervoerders,
vervalt zijn keuzerecht zodra de rechtsvordering tegen een
van hen is ingesteld; dit geldt eveneens indien de eiser de
keuze heeft tussen een of meer vervoerders en een
ondervervoerder.
Artikel 1592
1. Door
de inontvangstneming van de zaken door de rechthebbende
wordt deze vermoed de zaken in goede staat en op tijd te
hebben ontvangen.
2. Dit
vermoeden kan slechts worden weerlegd:
a. in geval van gedeeltelijk
verlies of beschadiging, indien
i. het verlies of de
beschadiging overeenkomstig artikel 1588 is
vastgesteld vóór de inontvangstneming van de zaken
door de rechthebbende;
ii. de vaststelling, die
overeenkomstig artikel 1588 had moeten geschieden,
slechts door de schuld van de vervoerder achterwege
is gebleven;
b. in geval van uiterlijk niet
waarneembare schade, die is vastgesteld na de
inontvangstneming van de zaken door de rechthebbende,
indien deze
i. de vaststelling
overeenkomstig artikel 1588 onmiddellijk na de
ontdekking van de schade en uiterlijk binnen zeven
dagen na de inontvangstneming van de zaken verlangt,
en
ii. bovendien bewijst, dat de
schade tussen de aanneming ten vervoer van de zaken
en de aflevering is ontstaan;
c. in geval van overschrijding van
de afleveringstermijn, indien de rechthebbende zijn
rechten binnen zestig dagen bij een van de in artikel
1591 lid 1 bedoelde vervoerders heeft doen gelden;
d. indien de rechthebbende bewijst
dat de schade is ontstaan uit een handeling of nalaten
van de vervoerder geschied hetzij met het opzet die
schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zal
voortvloeien.
3.
Indien de zaken overeenkomstig artikel 1576 doorgezonden
zijn, vervallen de vorderingen uit een der voorafgaande
vervoerovereenkomsten in geval van gedeeltelijk verlies of
beschadiging als betrof het een enkele overeenkomst.
Afdeling 5. Onderlinge betrekkingen tussen
de vervoerders
Artikel 1593
1. Elke
vervoerder moet aan de betrokken vervoerders het hun
toekomende aandeel betalen van de kosten of andere uit de
vervoerovereenkomst ontstane schuldvorderingen, die hij
ofwel bij vertrek, ofwel bij aankomst heeft geïnd of had
moeten innen. De wijze van betaling wordt in een
overeenkomst tussen de vervoerders vastgelegd.
2.
Artikel 1560 is eveneens van toepassing op de betrekkingen
tussen opvolgende vervoerders.
Artikel 1594
1. De
vervoerder die krachtens deze titel een schadevergoeding
heeft betaald, heeft recht van regres jegens de bij het
vervoer betrokken vervoerders overeenkomstig de volgende
bepalingen:
a. de vervoerder die de schade
heeft veroorzaakt, is daarvoor alleen aansprakelijk;
b. wanneer de schade is
veroorzaakt door meer vervoerders, is ieder van hen
aansprakelijk voor de door hem veroorzaakte schade; is
deze toedeling niet mogelijk, dan wordt de
schadevergoeding onder hen volgens onderdeel c verdeeld;
c. indien niet kan worden bewezen
welke vervoerder de schade heeft veroorzaakt, wordt de
schadevergoeding onder alle bij het vervoer betrokken
vervoerders verdeeld, met uitsluiting van hen die
bewijzen, dat de schade niet door hen is veroorzaakt; de
verdeling geschiedt naar evenredigheid van het aandeel
in de vrachtprijs dat aan iedere vervoerder toekomt.
2. In
geval van onvermogen om te betalen van een van de
vervoerders wordt het te zijnen laste komende en door hem
niet betaalde aandeel onder de andere bij het vervoer
betrokken vervoerders verdeeld naar evenredigheid van het
aandeel in de vrachtprijs dat aan ieder van hen toekomt.
Artikel 1595
1. De
gegrondheid van de betaling verricht door de vervoerder die
krachtens artikel 1594 het regres uitoefent, kan niet
betwist worden door de vervoerder tegen wie het bedoeld
regres wordt uitgeoefend, wanneer de schadevergoeding door
de rechter is vastgesteld en wanneer deze laatstgenoemde
vervoerder, naar behoren gedagvaard, de mogelijkheid is
geboden tot tussenkomst in het geding. De rechter bij wie de
hoofdvordering aanhangig is, stelt de termijnen voor de
betekening van de dagvaarding en voor de tussenkomst vast.
2. De
vervoerder die het regres uitoefent, moet zijn vordering
instellen in één en hetzelfde geding tegen alle vervoerders
met wie hij geen schikking heeft getroffen, op straffe van
verlies van regres jegens de niet gedagvaarde vervoerders.
3. De
rechter beslist in één uitspraak over alle bij hem
aanhangige regresvorderingen.
4.
Regresvorderingen kunnen niet aanhangig worden gemaakt door
het instellen van een rechtsvordering in het geding dat de
rechthebbende heeft ingesteld om schadevergoeding te
verlangen op grond van de vervoerovereenkomst.
Artikel 1596
De vervoerders kunnen onderling
overeenkomsten afsluiten die afwijken van de artikelen 1593 en
1594.
Titel 19. Ongevallen
Afdeling 1. Aansprakelijkheid voor
spoorvoertuigen en spoorweginfrastructuur
Artikel 1661
1. De
aansprakelijkheid op grond van artikel 173 van Boek 6 ten
aanzien van een spoorvoertuig, dat bij een
spoorwegonderneming in gebruik is, rust op die
spoorwegonderneming. Is het spoorvoertuig in gebruik bij een
bedrijf van andere aard, dan rust deze aansprakelijkheid op
dit andere bedrijf. Wordt het spoorvoertuig gebruikt door
het ter beschikking te stellen voor gebruik in de
uitoefening van het bedrijf van een ander, dan rust die
aansprakelijkheid op die ander.
2. De
aansprakelijkheid op grond van artikel 174 van Boek 6 ten
aanzien van de spoorweginfrastructuur rust op de beheerder.
Afdeling 2. Gevaarlijke stoffen aan boord
van een spoorrijtuig
Artikel 1670
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a. "gevaarlijke stof": een
stof die als zodanig bij algemene maatregel van bestuur
is aangewezen; de aanwijzing kan worden beperkt tot
bepaalde concentraties van de stof, tot bepaalde in de
algemene maatregel van bestuur te omschrijven gevaren
die aan de stof verbonden zijn, en tot bepaalde daarin
te omschrijven situaties waarin de stof zich bevindt;
b. "spoorvoertuig": elk
voertuig, ingericht om op spoorstaven te rijden;
c. "schade":
1°. schade veroorzaakt door
dood of letsel van enige persoon veroorzaakt door
een gevaarlijke stof;
2°. andere schade buiten het
spoorvoertuig aan boord waarvan de gevaarlijke stof
zich bevindt, veroorzaakt door die gevaarlijke stof,
met uitzondering van verlies van of schade met
betrekking tot andere spoorvoertuigen en zaken aan
boord daarvan, indien die spoorvoertuigen deel
uitmaken van een trein, waarvan ook dit
spoorvoertuig deel uitmaakt;
3°. de kosten van preventieve
maatregelen en verlies of schade veroorzaakt door
zulke maatregelen;
d. "preventieve maatregel":
iedere redelijke maatregel ter voorkoming of beperking
van schade door wie dan ook genomen met uitzondering van
de overeenkomstig deze afdeling aansprakelijke persoon
nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden;
e. "gebeurtenis": elk feit
of elke opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak,
waardoor schade ontstaat of waardoor een ernstige en
onmiddellijke dreiging van schade ontstaat.
Artikel 1671
1. Deze
afdeling is niet van toepassing, indien de
spoorwegonderneming jegens degene die de vordering instelt,
aansprakelijk is uit hoofde van een exploitatie-overeenkomst
of jegens deze persoon een beroep op een
exploitatie-overeenkomst heeft.
2. Deze
afdeling is van toepassing op de periode waarin een
gevaarlijke stof zich in een spoorvoertuig bevindt,
daaronder begrepen de periode vanaf het begin van de
inlading van de gevaarlijke stof in het spoorvoertuig tot
het einde van de lossing van die stof uit het spoorvoertuig.
3. Deze
afdeling is niet van toepassing op schade veroorzaakt
wanneer het spoorvoertuig uitsluitend wordt gebruikt op een
niet voor publiek toegankelijk terrein en zulk gebruik een
onderdeel vormt van een op dat terrein plaatsvindende
bedrijfsuitoefening.
4. Op
zich overeenkomstig het tweede lid aan boord bevindende
stoffen als bedoeld in artikel 175 van Boek 6 is dat artikel
niet van toepassing, tenzij zich het geval van het derde lid
voordoet.
Artikel 1672
Indien een gevaarlijke stof zich bevindt
in een vervoermiddel dat zich aan boord van een spoorvoertuig
bevindt zonder dat de gevaarlijke stof uit dit gestapelde
vervoermiddel wordt gelost, zal de gevaarlijke stof voor die
periode geacht worden zich alleen aan boord van genoemd
spoorvoertuig te bevinden. Gedurende de handelingen bedoeld in
artikel 1673, vijfde lid, onderdelen c, d en e, echter zal de
gevaarlijke stof geacht worden zich alleen aan boord van het
gestapelde vervoermiddel te bevinden.
Artikel 1673
1. De
spoorwegonderneming die ten tijde van een gebeurtenis met
een spoorvoertuig aan boord waarvan zich een gevaarlijke
stof bevindt, de zeggenschap heeft over het gebruik van dat
spoorvoertuig, is aansprakelijk voor de schade door deze
stof veroorzaakt ten gevolge van deze gebeurtenis. Indien de
gevaarlijke stof zich bevindt in een spoorvoertuig,
voortbewogen door middel van tractie, berust de zeggenschap
over het gebruik van dat spoorvoertuig bij de
spoorwegonderneming die de zeggenschap over de tractie
heeft. Bestaat de gebeurtenis uit een opeenvolging van
feiten met dezelfde oorzaak, dan rust de aansprakelijkheid
op de spoorwegonderneming die ten tijde van het eerste feit
de zeggenschap over het gebruik van het spoorvoertuig had.
2. De
spoorwegonderneming is niet aansprakelijk indien:
a. de schade is veroorzaakt door
een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog,
opstand of natuurgebeuren van uitzonderlijke,
onvermijdelijke en onweerstaanbare aard;
b. de schade uitsluitend is
veroorzaakt door een handelen of nalaten van een derde,
niet zijnde een persoon genoemd in het vijfde lid,
onderdeel a, geschied met het opzet de schade te
veroorzaken;
c. de afzender of enige andere
persoon niet heeft voldaan aan zijn verplichting hem in
te lichten over de gevaarlijke aard van de stof, en noch
de spoorwegonderneming, noch de in het vijfde lid,
onderdeel a, genoemde personen wisten of hadden
behoren te weten dat deze gevaarlijk was.
3.
Indien de spoorwegonderneming bewijst dat de schade geheel
of gedeeltelijk het gevolg is van een handelen of nalaten
van de persoon die de schade heeft geleden, met het opzet de
schade te veroorzaken, of van de schuld van die persoon, kan
hij geheel of gedeeltelijk worden ontheven van zijn
aansprakelijkheid tegenover die persoon.
4. De
spoorwegonderneming kan voor schade slechts uit anderen
hoofde dan deze afdeling worden aangesproken in het geval
van het tweede lid, onderdeel c, alsmede in het geval dat
hij uit hoofde van arbeidsovereenkomst kan worden
aangesproken. In het geval van het tweede lid, onderdeel c,
kan de spoorwegonderneming deze aansprakelijkheid beperken
als ware hij op grond van deze afdeling aansprakelijk.
5.
Behoudens de artikelen 1674 en 1675 zijn voor schade niet
aansprakelijk:
a. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de
spoorwegonderneming,
b. ieder die ten behoeve van het
spoorrijtuig werkzaamheden verricht,
c. zij die anders dan tegen een
uitdrukkelijk en redelijk verbod vanwege de
spoorwegonderneming in hulp verlenen aan het
spoorrijtuig, de zich aan boord daarvan bevindende zaken
of personen,
d. zij die op aanwijzing van een
bevoegde overheidsinstantie hulp verlenen aan het
spoorrijtuig, de zich aan boord daarvan bevindende zaken
of personen,
e. zij die preventieve maatregelen
nemen met uitzondering van de spoorwegonderneming,
f. de ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers van de in dit lid,
onderdelen b, c, d en e, van
aansprakelijkheid vrijgestelde personen, tenzij de
schade is ontstaan uit hun eigen handelen of nalaten,
geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken,
hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er
waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
6. De
spoorwegonderneming heeft, voor zover niet anders is
overeengekomen, verhaal op de in het zesde lid bedoelde
personen, doch uitsluitend indien dezen ingevolge het slot
van dit lid voor de schade kunnen worden aangesproken.
7. Voor
de toepassing van dit en het volgende artikel wordt de
beheerder van de door de spoorwegonderneming gebruikte
spoorweginfrastructuur begrepen onder de in lid 5 onder a
bedoelde personen.
Artikel 1674
1.
Indien de spoorwegonderneming bewijst dat de gevaarlijke
stof tijdens de periode bedoeld in artikel 1671, tweede lid,
is geladen of gelost onder de uitsluitende
verantwoordelijkheid van een door hem bij name genoemde
ander dan de spoorwegonderneming of zijn ondergeschikte,
vertegenwoordiger of lasthebber, zoals de afzender of
ontvanger, is de spoorwegonderneming niet aansprakelijk voor
de schade als gevolg van een gebeurtenis tijdens het laden
of lossen van de gevaarlijke stof en is die ander voor deze
schade aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling.
2.
Indien echter de gevaarlijke stof tijdens de periode bedoeld
in artikel 1671, tweede lid, is geladen of gelost onder de
gezamenlijke verantwoordelijkheid van de spoorwegonderneming
en een door de spoorwegonderneming bij name genoemde ander,
zijn de spoorwegonderneming en die ander hoofdelijk
aansprakelijk overeenkomstig deze afdeling voor de schade
als gevolg van een gebeurtenis tijdens het laden of lossen
van de gevaarlijke stof.
3.
Indien is geladen of gelost door een persoon in opdracht of
ten behoeve van de vervoerder of een ander, zoals de
afzender of de ontvanger, is niet deze persoon, maar de
vervoerder of die ander aansprakelijk.
4.
Indien een ander dan de spoorwegonderneming op grond van het
eerste of het tweede lid aansprakelijk is, kan die ander
geen beroep doen op artikel 1673, vijfde lid en zesde lid,
onderdeel b.
5.
Indien een ander dan de spoorwegonderneming op grond van het
eerste of het tweede lid aansprakelijk is, zijn ten aanzien
van die ander de artikelen 1678 tot en met 1680 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in geval
van hoofdelijke aansprakelijkheid:
a. de beperking van
aansprakelijkheid als bepaald krachtens artikel 1678,
eerste lid, geldt voor het geheel der naar aanleiding
van eenzelfde gebeurtenis ontstane vorderingen gericht
tegen beiden;
b. een fonds gevormd door één van
hen overeenkomstig artikel 1679 wordt aangemerkt als
door beiden te zijn gevormd en zulks ten aanzien van de
vorderingen waarvoor het fonds werd gesteld.
6. In de
onderlinge verhouding tussen de spoorwegonderneming en de in
het tweede lid van dit artikel genoemde ander is de
spoorwegonderneming niet tot vergoeding verplicht dan in
geval van schuld van hemzelf of van zijn ondergeschikten,
vertegenwoordigers of lasthebbers.
7. Dit
artikel is niet van toepassing als tijdens de periode,
bedoeld in artikel 1671, tweede lid, is geladen of gelost
onder de uitsluitende of gezamenlijke verantwoordelijkheid
van een persoon, genoemd in artikel 1673, zesde lid,
onderdeel c, d of e.
Artikel 1675
Indien ingevolge artikel 1673, derde lid,
onderdeel c, de spoorwegonderneming niet aansprakelijk is, is de
afzender of andere persoon aansprakelijk overeenkomstig deze
afdeling en zijn te diens aanzien de artikelen 1678 tot en met
1680 van overeenkomstige toepassing. De afzender of andere
persoon kan geen beroep doen op artikel 1673, vijfde lid.
Artikel 1676
Indien schade veroorzaakt door de
gevaarlijke stof redelijkerwijs niet kan worden gescheiden van
schade anderszins veroorzaakt, zal de gehele schade worden
aangemerkt als schade in de zin van deze afdeling.
Artikel 1677
1.
Wanneer door een gebeurtenis schade is veroorzaakt door
gevaarlijke stoffen aan boord van een of meer
spoorvoertuigen en een of meer voertuigen dan wel
luchtkussenvoertuigen, zijn de spoorwegondernemingen die
over het gebruik van die spoorvoertuigen de zeggenschap
hadden, en de exploitanten van die voertuigen of
luchtkussenvoertuigen, onverminderd het bepaalde in artikel
1673, tweede en derde lid, en artikel 1674 en afdeling 1 van
titel 14 bepaalde, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade
waarvan redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat zij
veroorzaakt is door gevaarlijke stoffen aan boord van een
bepaald spoorvoertuig of aan boord van een bepaald voertuig
of luchtkussenvoertuig.
2. Het
bepaalde in het eerste lid laat onverlet het beroep op
beperking van aansprakelijkheid van de spoorwegonderneming
of exploitant van dat voertuig of luchtkussenvoertuig
krachtens deze afdeling of de artikelen 1218 tot en met
1220, ieder tot het voor hem geldende bedrag.
Artikel 1678
1. De
spoorwegonderneming kan zijn aansprakelijkheid per
gebeurtenis beperken tot een bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te bepalen bedrag of bedragen die
verschillend kunnen zijn voor vorderingen ter zake van dood
of letsel en andere vorderingen.
2. De
spoorwegonderneming is niet gerechtigd zijn
aansprakelijkheid te beperken indien de schade is ontstaan
uit zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het
opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de
wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou
voortvloeien.
Artikel 1679
Ten einde zich te kunnen beroepen op de in
artikel 1678 bedoelde beperking van aansprakelijkheid moet de
spoorwegonderneming een fonds of fondsen vormen overeenkomstig
artikel 1680.
Artikel 1680
1. Hij
die gebruik wenst te maken van de hem in artikel 1678
gegeven bevoegdheid tot beperking van zijn
aansprakelijkheid, verzoekt een rechtbank die bevoegd is
kennis te nemen van de vorderingen tot vergoeding van
schade, het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is
beperkt, vast te stellen en te bevelen dat tot een procedure
ter verdeling van dit bedrag zal worden overgegaan.
2. Op
het verzoek en de procedure ter verdeling zijn de artikelen
642a, tweede tot en met vierde lid, 642b, 642c, 642e, eerste
lid, 642f tot en met 642t, eerste lid, en 642u tot en met
642z van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van
overeenkomstige toepassing.
3.
Indien het krachtens artikel 1678, eerste lid, bepaalde
bedrag voor vorderingen ter zake van dood of letsel
onvoldoende is voor volledige vergoeding van deze
vorderingen, worden deze vorderingen in evenredigheid gekort
en zal het krachtens artikel 1678, eerste lid, bepaalde
bedrag voor andere vorderingen naar evenredigheid worden
verdeeld onder die vorderingen en de vorderingen ter zake
van dood of letsel, voor zover deze onvoldaan zouden zijn.
4. De
vorderingen van de spoorwegonderneming ter zake van door hem
vrijwillig en binnen de grenzen der redelijkheid gedane
uitgaven en gebrachte offers ter voorkoming of beperking van
schade staan in rang gelijk met andere vorderingen op het
krachtens artikel 1678, eerste lid, bepaalde bedrag voor
andere vorderingen dan die ter zake van dood of letsel.
VII. Slotbepalingen
Titel 20. Verjaring en verval
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1700
1. Een
beding, waarbij een wettelijke termijn van verjaring of
verval wordt gewijzigd, wordt aangemerkt als een beding ter
wijziging van de aansprakelijkheid van hem, aan wie een
beroep op deze termijn toekomt.
2.
Behoudens artikel 1701 is ieder beding nietig, waarbij van
het vorige lid wordt afgeweken.
Artikel 1701
Een termijn, bij afloop waarvan een
rechtsvordering verjaart of vervalt, kan worden verlengd bij
overeenkomst tussen partijen, gesloten nadat het feit, dat de
rechtsvordering heeft doen ontstaan, heeft plaatsgehad. In
afwijking van het eerste lid van artikel 1700 wordt een
dergelijke verlenging niet aangemerkt als een wijziging van
aansprakelijkheid van hem aan wie een beroep op een dergelijke
termijn toekomt.
Artikel 1702
Het feit, dat een schuldenaar opzettelijk
het bestaan van de schuld voor de schuldeiser verborgen houdt,
is niet van invloed op een termijn van verjaring of verval.
Afdeling 2. Goederenvervoer
Artikel 1710
In artikel 1711 en in de artikelen 1713
tot en met 1720 wordt verstaan onder:
a. vervoerovereenkomst: een
overeenkomst van goederenvervoer als genoemd in de
afdelingen 1 van titel 2, 2 van titel 5, 2 van titel 10,
2 van titel 13 dan wel 4 van titel 13.
b. vervoerder: een vervoerder bij
een vervoerovereenkomst.
c. afzender: een afzender,
cognossementhouder, geadresseerde of ontvanger bij een
vervoerovereenkomst.
d. dag van aflevering: dag waarop
de onder de vervoerovereenkomst te vervoeren of
vervoerde zaken uit het vervoermiddel zijn afgeleverd,
dan wel, indien zij niet zijn afgeleverd, onder de al
dan niet tot uitvoering gekomen vervoerovereenkomst
hadden moeten zijn afgeleverd. Worden zaken na
voortijdige beëindiging van de vervoerovereenkomst
alsnog door de vervoerder in feite afgeleverd, dan geldt
de dag dezer feitelijke aflevering als dag van
aflevering. Worden zaken op grond van de artikelen 491,
957, 1133 of 1198 dan wel enig beding van dusdanige
strekking verkocht, dan geldt de dag van de verkoop als
dag van aflevering.
Artikel 1711
Behoudens de artikelen 1712 en 1720
verjaart een op een vervoerovereenkomst gegronde rechtsvordering
door verloop van één jaar.
Artikel 1712
1. De
vervoerder bij een vervoerovereenkomst onder cognossement,
als bedoeld in artikel 377, is in ieder geval van alle
aansprakelijkheid, welke dan ook, met betrekking tot de
vervoerde zaken ontheven, tenzij een rechtsvordering wordt
ingesteld binnen één jaar, welke termijn begint met de
aanvang van de dag volgende op de dag van aflevering of de
dag waarop de zaken hadden moeten zijn afgeleverd.
2. In
afwijking van het eerste lid kunnen rechtsvorderingen tot
verhaal op een derde zelfs na afloop van de in dat lid
genoemde termijn worden ingesteld gedurende een termijn van
drie maanden, te rekenen van de dag waar op degene die een
zodanige rechtsvordering tot verhaal instelt ten aanzien van
het van hemzelf gevorderde de zaak heeft geregeld of waarop
hij te dien aanzien in rechte is aangesproken.
3. De in
het eerste lid bedoelde termijn kan worden verlengd bij
overeenkomst tussen partijen, gesloten nadat de gebeurtenis
die de rechtsvordering heeft doen ontstaan, heeft plaats
gehad.
Artikel 1713
1.
Behoudens artikel 1716 en in afwijking van artikel 1717
begint in geval van een door een afzender tegen een
vervoerder ingestelde rechtsvordering terzake van niet
terbeschikkingstelling van het vervoermiddel of niet
aanwezig zijn daarvan, de in artikel 1711 genoemde termijn
met de aanvang van de dag, volgende op de dag dat het
vervoermiddel ter beschikking gesteld had moeten zijn.
2. Het
eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van
een door een afzender tegen een vervoerder ingestelde
rechtsvordering terzake van het niet aanvangen van een
verhuizing.
Artikel 1714
In afwijking van artikel 1717 en behoudens
artikel 1719 begint de in artikel 1711 genoemde termijn met de
aanvang van de dag, volgende op de dag van aflevering, indien
het een rechtsvordering betreft terzake van het
a. ten vervoer ter beschikking
stellen of ontvangen van bepaalde zaken, verschaffen van
opgaven, inlichtingen of documenten betreffende deze
zaken, betrachten van zorg ten aanzien van deze
documenten, adresseren van bepaalde zaken of aanbrengen
van gegevens op die zaken of op hun verpakking;
b. laden, behandelen, stuwen,
herstuwen, vervoeren, lossen, opslaan, vernietigen of
onschadelijk maken van bepaalde zaken dan wel berokkenen
van schade door die zaken of door in- of uitladen
daarvan;
c. afleveren van bepaalde zaken,
verschaffen van middelen tot onderzoek en natellen
daarvan, betalen van vracht daarover of van onkosten of
extra-vergoedingen in verband met deze zaken, vergoeden
van de in de artikelen 488, 951, 1129 of 1195 bedoelde
schade en innen en afdragen van remboursgelden;
d. invullen, aanvullen, dateren,
ondertekenen of afgeven van een cognossement,
vrachtbrief, ontvangstbewijs of een soortgelijk
document.
Artikel 1715
In afwijking van artikel 1717 en behoudens
artikel 1719 is op een rechtsvordering door de vervoerder of de
afzender ingesteld met betrekking tot materiaal, dat van de
zijde van de afzender ter beschikking moet worden gesteld of is
gesteld, artikel 1714 van overeenkomstige toepassing met dien
verstande, dat in geval de vervoerder volgens de overeenkomst
niet tot teruggave van het materiaal verplicht is onder de dag
van aflevering daarvan mede wordt verstaan de dag waarop dit
materiaal te zijner beschikking werd gesteld.
Artikel 1716
In afwijking van de artikelen 1713 en 1717
begint de in artikel 1711 genoemde termijn in geval van een
rechtsvordering terzake van schade geleden door opzegging of
door voortijdige beëindiging van de vervoerovereenkomst zonder
opzegging, met de aanvang van de dag volgende op de dag dat de
overeenkomst eindigt.
Artikel 1717
Behoudens de artikelen 1713 tot en met
1716, 1718, 1719 en 1822 begint in geval van een rechtsvordering
gegrond op een tijdbevrachting de in artikel 1711 genoemde
termijn met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de
uitvoering van de overeenkomst is geëindigd; in geval van een
rechtsvordering gegrond op een reisbevrachting begint deze
termijn met de aanvang van de dag volgende op die waarop de
reis, naar aanleiding waarvan de vordering is ontstaan, is
geëindigd.
Artikel 1718
In afwijking van artikel 1717 begint de in
artikel 1711 genoemde termijn in geval van een rechtsvordering
tot schadevergoeding, verschuldigd doordat aan een verplichting
tot verwittigen of op de hoogte stellen niet werd voldaan, met
de aanvang van de dag volgende op de dag waarop deze
verplichting ontstond.
Artikel 1719
In afwijking van de artikelen 1714, 1715
en 1717 begint in geval van een door een vervoerder ingestelde
rechtsvordering tot vergoeding van schade geleden door verlies
of beschadiging van een vervoermiddel de in artikel 1711
genoemde termijn met de aanvang van de dag, volgende op die
waarop het verlies of de beschadiging plaatsvond.
Artikel 1720
1.
Behoudens artikel 1712 begint ten behoeve van een vervoerder
of een afzender, voor zover deze verhaal zoekt op een partij
bij een exploitatie-overeenkomst, als bedoeld in artikel
361, voor hetgeen door hem aan een derde is verschuldigd,
een nieuwe termijn van verjaring of verval, welke drie
maanden beloopt; deze termijn begint met de aanvang van de
dag, volgende op de eerste der volgende dagen:
a. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, aan de tot hem gerichte vordering heeft voldaan
of
b. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, terzake in rechte is aangesproken of
c. de dag waarop de verjaring,
waarop hij, die verhaal zoekt, beroep zou kunnen doen,
is gestuit of
d. de dag waarop de termijn van de
verjaring of het verval van de rechtsvordering waarvoor
verhaal wordt gezocht, is verlopen, waarbij geen
rekening wordt gehouden met een mogelijkerwijs door
partijen overeengekomen verlenging.
2. Het
eerste lid kan er niet toe leiden, dat de voor
rechtsvorderingen, gegrond op de desbetreffende
exploitatie-overeenkomst, geldende termijn van verjaring of
verval eerder verstrijkt ten aanzien van de rechtsvordering
tot verhaal die op die exploitatie-overeenkomst is gegrond.
3. Voor
de toepassing van dit artikel wordt een overeenkomst,
waarbij door de ene partij een vervoermiddel anders dan bij
wijze van bevrachting en anders dan bij wijze van een
overeenkomst als bedoeld in artikel 1080 derde lid, ter
beschikking wordt gesteld van haar wederpartij, als
exploitatie-overeenkomst aangemerkt en worden de partijen
bij die overeenkomst aangemerkt als vervoerder en afzender.
Artikel 1721
1.
Indien uit hoofde van de artikelen 1710 tot en met 1720
enige rechtsvordering in verschillende termijnen verjaart of
vervalt dan wel te haren aanzien het begin van de termijn,
waarbinnen de rechtsvordering verjaart of vervalt,
verschilt, geldt die bepaling die de termijn van verjaring
of verval het laatst doet eindigen.
2. Het
vorige lid laat artikel 1712 onverlet.
Artikel 1722
1. De
artikelen 1710 tot en met 1721 zijn van toepassing op
overeenkomsten van gecombineerd goederenvervoer, met dien
verstande, dat onder afzender mede de houder van een
CT-document wordt verstaan en onder dag van aflevering, de
dag van aflevering onder de overeenkomst van gecombineerd
goederenvervoer.
2.
Indien bij een overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer
aan hem die de rechtsvordering instelt niet bekend is waar
de omstandigheid, die tot de rechtsvordering aanleiding gaf,
is opgekomen, wordt die der in aanmerking komende bepalingen
van verjaring of verval toegepast die voor hem de gunstigste
is.
3.
Nietig is ieder beding, waarbij van het tweede lid van dit
artikel wordt afgeweken.
Artikel 1727
1. Een
rechtsvordering gegrond op een overeenkomst tot
goederenvervoer over spoorwegen verjaart door verloop van
één jaar. De verjaringstermijn bedraagt evenwel twee jaar
indien de rechtsvordering:
a. strekt tot betaling van een
door de vervoerder van de geadresseerde geïnd rembours;
b. strekt tot betaling van de
opbrengst van een door de vervoerder verrichte verkoop;
c. gegrond is op een schade
ontstaan uit een handeling of nalaten geschied hetzij
met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij
roekeloos en met de wetenschap dat die schade er
waarschijnlijk uit zal voortvloeien;
d. gegrond is op één van de aan de
doorzending voorafgaande vervoerovereenkomsten, in het
geval bedoeld in artikel 1576.
2. De
verjaring neemt een aanvang bij rechtsvorderingen:
a. tot schadevergoeding wegens
geheel verlies: op de dertigste dag na afloop van de
afleveringstermijn;
b. tot schadevergoeding wegens
gedeeltelijk verlies, beschadiging of overschrijding van
de aflevering: op de dag van de aflevering;
c. in alle overige gevallen: op de
dag waarop het recht kan worden uitgeoefend.
De als begin van de verjaringstermijn
vermelde dag is nimmer in deze termijn begrepen.
3.
Ingeval overeenkomstig artikel 1589 een schriftelijke
vordering buiten rechte met de nodige bewijsstukken is
ingediend, is de verjaring geschorst tot de dag waarop de
vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de
bijgevoegde stukken terugzendt. Bij gedeeltelijke erkenning
van de vordering begint de verjaringstermijn weer te lopen
voor het nog betwiste gedeelte van de vordering. Het bewijs
van de ontvangst van de vordering of van het antwoord en van
de teruggave van de stukken rust op de partij die zich
daarop beroept. Latere vorderingen buiten rechte met
dezelfde inhoud schorsen de verjaring niet.
Afdeling 3. Bijzondere
exploitatie-overeenkomsten
Artikel 1730
1. Een
rechtsvordering gegrond op een overeenkomst, als bedoeld in
afdeling 4 van titel 5 of afdeling 4 van titel 10, verjaart
door verloop van één jaar.
2. De
artikelen 1710, 1713 tot en met 1722 en 1750 tot en met 1754
zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen
Artikel 1740
1.
Behoudens artikel 1741 verjaart een op een overeenkomst tot
het doen vervoeren van goederen gegronde rechtsvordering
door verloop van negen maanden.
2. De in
het eerste lid bedoelde termijn begint te lopen met de
aanvang van de dag, volgende op de dag van aflevering. Voor
de vaststelling van deze dag vindt artikel 1710 onder d
overeenkomstige toepassing. Is de rechtsvordering echter
gegrond op artikel 62 of op artikel 63, dan wel op enig
beding van gelijke strekking, dan begint deze termijn met de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de opdrachtgever
wist, dat de expediteur niet aan zijn verplichting tot het
doen van mededelingen voldeed.
3. Is de
rechtsvordering gegrond op artikel 65 of artikel 68, dan
begint de termijn met de aanvang van de dag, volgende op de
dag dat de overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen
eindigt.
Artikel 1741
1. Ten
behoeve van een partij bij een overeenkomst tot het doen
vervoeren van goederen, voor zover deze verhaal zoekt op
haar wederpartij voor hetgeen door haar aan een derde is
verschuldigd, begint een nieuwe termijn van verjaring of
verval, welke drie maanden beloopt; deze termijn begint met
de aanvang van de dag, volgende op de eerste der volgende
dagen:
a. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, aan de tot hem gerichte vordering heeft voldaan
of
b. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, terzake in rechte is aangesproken of
c. de dag waarop de verjaring,
waar op hij, die verhaal zoekt, beroep zou kunnen doen,
is gestuit of
d. de dag waarop de termijn van de
verjaring of het verval van de rechtsvordering waarvoor
verhaal wordt gezocht, is verlopen, waarbij geen
rekening wordt gehouden met een mogelijkerwijs door
partijen overeengekomen verlenging.
2. Het
eerste lid kan er niet toe leiden, dat de voor
rechtsvorderingen, gegrond op de desbetreffende overeenkomst
tot het doen vervoeren van goederen, geldende termijn van
verjaring of verval eerder verstrijkt ten aanzien van de
rechtsvordering tot verhaal die op die overeenkomst tot het
doen vervoeren van goederen is gegrond.
Afdeling 5. Vervoer van personen
Artikel 1750
1.
Behoudens de artikelen 1751 tot en met 1754 verjaart een op
een overeenkomst van personenvervoer, als genoemd in de
afdelingen 4 van titel 2, 5 van titel 2, 3 van titel 5, 3
van titel 10 en 3 van titel 13, gegronde rechtsvordering
door verloop van één jaar, welke termijn begint met de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de reiziger het
vervoermiddel heeft verlaten of had moeten verlaten.
2. In
afwijking van het eerste lid zijn op de verjaring van een
rechtsvordering terzake van het vervoer van bagage, geen
hut- of handbagage in de zin van de artikelen 100, 500, 970
of 1141, noch een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig
of schip of levend dier zijnde, de artikelen 1710 tot en met
1722 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1751
1. Een
rechtsvordering jegens de vervoerder terzake van aan een
reiziger overkomen letsel verjaart door verloop van drie
jaren, welke termijn begint met de aanvang van de dag,
volgende op de dag van het de reiziger overkomen voorval of
ongeval.
2. Een
rechtsvordering jegens de vervoerder terzake van dood van
een reiziger verjaart door verloop van drie jaren, welke
termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de dag
van overlijden van de reiziger, doch welke niet langer loopt
dan vijf jaren beginnend met de aanvang van de dag, volgende
op de dag van het de reiziger overkomen voorval of ongeval.
Artikel 1752
In geval van bevrachting strekkende tot
het vervoer van personen zijn de artikelen 1713 eerste lid, 1716
tot en met 1719 en 1721 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1753
1. Een
rechtsvordering jegens een vervoerder terzake van dood of
letsel van de reiziger of terzake van hut- of handbagage in
de zin van artikel 100, 500, 970 of artikel 1141, dan wel
terzake van een als bagage ten vervoer aangenomen voertuig,
schip of levend dier vervalt indien de rechthebbende niet
binnen een termijn van drie maanden aan de vervoerder kennis
heeft gegeven van het aan de reiziger overkomen voorval of
ongeval.
2. De in
het eerste lid genoemde termijn begint met de aanvang van de
dag, volgende op de dag van het voorval of ongeval.
3. Het
eerste lid van dit artikel blijft buiten toepassing indien
a. de rechthebbende binnen de in
het eerste lid genoemde termijn schriftelijk bij de
vervoerder een vordering heeft ingediend;
b. het voorval of ongeval te
wijten is aan schuld van de vervoerder;
c. van het voorval of ongeval geen
kennis is gegeven of niet binnen de in het eerste lid
genoemde termijn kennis is gegeven, het één of het ander
door omstandigheden, die niet voor rekening van de
rechthebbende komen;
d. de vervoerder binnen de in het
eerste lid genoemde termijn uit anderen hoofde kennis
had van het voorval of ongeval.
4. Voor
de toepassing van dit artikel wordt een omstandigheid als
bedoeld in de artikelen 106 eerste lid onder b, 505,
975 en 1150 aangemerkt als een aan de reiziger overkomen
voorval of ongeval.
Artikel 1754
1. Ten
behoeve van een vervoerder van personen, een wederpartij van
een zodanige vervoerder of een reiziger, voor zover deze
verhaal zoekt op een partij bij een
exploitatie-overeenkomst, als bedoeld in artikel 361, dan
wel op een reiziger voor hetgeen door hem aan een derde is
verschuldigd, begint een nieuwe termijn van verjaring of
verval, welke drie maanden beloopt; deze termijn begint met
de aanvang van de dag, volgende op de eerste der volgende
dagen:
a. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, aan de tot hem gerichte vordering heeft voldaan
of
b. de dag waarop hij, die verhaal
zoekt, terzake in rechte is aangesproken of
c. de dag waarop de verjaring,
waarop hij, die verhaal zoekt, beroep zou kunnen doen,
is gestuit of
d. de dag waarop de termijn van de
verjaring of het verval van de rechtsvordering waarvoor
verhaal wordt gezocht, is verlopen, waarbij geen
rekening wordt gehouden met een mogelijkerwijs door
partijen overeengekomen verlenging.
2. Het
eerste lid kan er niet toe leiden, dat de voor
rechtsvorderingen, gegrond op de desbetreffende
exploitatie-overeenkomst, geldende termijn van verjaring of
verval eerder verstrijkt ten aanzien van de rechtsvordering
tot verhaal die op die exploitatie-overeenkomst is gegrond.
3. Voor
de toepassing van dit artikel wordt een overeenkomst,
waarbij door de ene partij een vervoermiddel anders dan bij
wijze van bevrachting en anders dan bij wijze van een
overeenkomst als bedoeld in artikel 1080 derde lid, ter
beschikking wordt gesteld van haar wederpartij, als
exploitatie-overeenkomst aangemerkt en worden de partijen
bij die overeenkomst aangemerkt als vervoerder en diens
wederpartij of reiziger.
Afdeling 7. Rederij
Artikel 1770
Een rechtsvordering tussen de leden ener
rederij als zodanig en tussen deze leden en de boekhouder als
zodanig verjaart door verloop van vijf jaren.
Afdeling 8. Rechtsvorderingen jegens
kapitein of schipper
Artikel 1780
1. Een
rechtsvordering tegen een kapitein of schipper terzake van
schade door hem toegebracht in de uitoefening van zijn
werkzaamheden verjaart door verloop van twee jaren, welke
termijn begint met de aanvang van de dag, volgende op de dag
waarop het schadeveroorzakende voorval plaatsvond.
2. Het
eerste lid is niet van toepassing op rechtsvorderingen van
de werkgever van de kapitein of de schipper.
Afdeling 9. Aanvaring
Artikel 1790
Een rechtsvordering tot vergoeding van
schade veroorzaakt door een voorval, als bedoeld in afdeling 1
van titel 6, verjaart, indien zij niet op een overeenkomst is
gegrond, door verloop van twee jaren, welke termijn begint met
de aanvang van de dag, volgende op de dag van dit voorval.
Artikel 1791
Een rechtsvordering tot verhaal van een
overschot, als bedoeld in het derde lid van artikel 545,
verjaart door verloop van één jaar, welke termijn begint met de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de betaling van het
overschot heeft plaatsgehad.
Artikel 1792
1. De
verjaringstermijn, genoemd in artikel 1790, wordt verlengd
met de dagen, gedurende welke het aansprakelijk geachte
schip niet in beslag kon worden genomen binnen de staat,
waarin de schuldeiser woont of de hoofdzetel van zijn
bedrijf is gevestigd, met dien verstande echter dat
a. indien het schip binnen de
termijn, gesteld in artikel 1790, aldus in beslag kon
worden genomen, deze termijn met niet meer dan drie
maanden wordt verlengd;
b. indien het schip niet binnen de
termijn, gesteld in artikel 1790 aldus in beslag kon
worden genomen, deze termijn eindigt met de aanvang van
de dag, volgende op die waarop drie maanden zijn
verlopen sinds het eerste tijdstip, waarop dit beslag
mogelijk was en in ieder geval met de aanvang van de
dag, volgende op die waarop vijf jaren zijn verlopen
sinds het tijdstip van het voorval, bedoeld in afdeling
1 van titel 6.
2.
Indien een rechtsvordering als bedoeld in artikel 1790 wordt
ingesteld vóór de aanvang van de dag, volgende op die waarop
vijf jaren zijn verlopen sinds het tijdstip van het voorval,
bedoeld in afdeling 1 van titel 6, wordt vermoed dat het
aansprakelijk geachte schip voordien niet in beslag kon
worden genomen binnen de staat, waarin de schuldeiser woont
of de hoofdzetel van zijn bedrijf is gevestigd.
3. Bij
de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden
met een mogelijkerwijs door partijen overeengekomen
verlenging van de in artikel 1790 gestelde termijn.
Artikel 1793
Een rechtsvordering tot vergoeding van
schade veroorzaakt door een voorval, als bedoeld in afdeling 1
van titel 11, verjaart, indien zij niet op een overeenkomst is
gegrond, door verloop van twee jaren, welke termijn begint met
de aanvang van de dag, volgende op de dag van dit voorval.
Artikel 1794
1. Een
rechtsvordering tot verhaal van een overschot, als bedoeld
in het derde lid van artikel 1006, verjaart door verloop van
één jaar.
2. De
termijn van deze verjaring begint met de aanvang van de dag,
volgende op die waarop het bedrag van de hoofdelijke
aansprakelijkheid is vastgesteld bij een in kracht van
gewijsde gegaan vonnis. Indien zulk een vaststelling niet is
geschied, begint de termijn van deze verjaring met de
aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot het
verhaal aanleiding gevende betaling heeft plaatsgevonden.
Indien de rechtsvordering betrekking heeft op de verdeling
van het aandeel van een onvermogende medeschuldenaar, begint
de termijn van deze verjaring echter te lopen met de aanvang
van de dag, volgende op die waarop de rechthebbende kennis
heeft gekregen van het onvermogen van zijn medeschuldenaar.
Afdeling 10. Hulpverlening
Artikel 1820
1. Een
rechtsvordering ter zake van betaling als bedoeld in artikel
551, onder e, verjaart door verloop van twee jaren,
welke termijn begint met de aanvang van de dag waarop de
hulpverlening is beëindigd.
2.
Onverminderd het in artikel 1701 bepaalde kan de in het
eerste lid bedoelde termijn worden verlengd door een
verklaring van hem die de verjaring kan inroepen, gedaan
nadat het feit dat de rechtsvordering heeft doen ontstaan
heeft plaatsgehad.
3. In
afwijking van het eerste lid kunnen rechtsvorderingen tot
verhaal op een derde zelfs na afloop van de in dat lid
genoemde termijn worden ingesteld gedurende een termijn van
drie maanden, te rekenen van de dag waarop degene die een
zodanige rechtsvordering tot verhaal instelt ten aanzien van
het van hemzelf gevorderde een regeling heeft getroffen of
waarop hij te dien aanzien in rechte is aangesproken.
Artikel 1821 [Vervallen per 10-12-1998]
Artikel 1822 [Vervallen per 10-12-1998]
Artikel 1823 [Vervallen per 10-12-1998]
Afdeling 11. Avarij-grosse
Artikel 1830
1.
Een rechtsvordering tot
berekening en omslag van een avarij-grosse, en die tot
benoeming van een dispacheur hiertoe, verjaart door verloop
van één jaar.
2. De
termijn van deze verjaring begint met de aanvang van de dag,
volgende op de dag van het einde van de onderneming.
3.
Indien de avarij-grosse geheel of gedeeltelijk uit hulploon
bestaat en de vordering tot betaling van dit hulploon is
ingesteld binnen de daarvoor in de artikelen 1820 en 1823
gestelde termijn, doch na verloop van een termijn van negen
maanden, beginnende met de aanvang van de dag, volgende op
die waarop de in het eerste lid genoemde termijn aanvangt,
verjaren de in het eerste lid genoemde rechtsvorderingen
door verloop van een termijn van drie maanden, welke termijn
begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de
vordering tot betaling van hulploon is ingesteld.
Artikel 1831
Het recht homologatie dan wel herziening
van een berekening en omslag van een avarij-grosse (dispache) te
verzoeken vervalt door verloop van zes jaren, welke termijn
begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop de
dispache of een uittreksel daarvan aan belanghebbenden is
medegedeeld.
Artikel 1832
1. Een
rechtsvordering tot betaling van een bijdrage in
avarij-grosse verjaart door verloop van één jaar.
2. De
termijn van deze verjaring begint met de aanvang van de dag,
volgende op die waarop de dispache of een uittreksel daarvan
dan wel, indien een verzoek tot herziening der dispache is
gedaan, de naar aanleiding daarvan opgestelde dispache of
een uittreksel daarvan aan partijen is medegedeeld of aan
dezen is medegedeeld, dat deze dispache ter griffie van de
rechtbank is gedeponeerd, doch in geval van homologatie
eerst op de dag dat de dispache bij in kracht van gewijsde
gegane beschikking is gehomologeerd.
Afdeling 12. Gevaarlijke stoffen aan boord
van een zeeschip, een binnenschip, een voertuig en een
spoorvoertuig
Artikel 1833
Een rechtsvordering tot vergoeding van
schade uit hoofde van de afdelingen 4 van titel 6, 4 van titel
11, 1 van titel 14 en 4 van titel 19 verjaart door verloop van
drie jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de
benadeelde bekend was of redelijkerwijze bekend had behoren te
zijn met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon en in
ieder geval door verloop van tien jaren na de gebeurtenis
waardoor de schade is ontstaan. Indien de gebeurtenis bestond
uit een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak, loopt de
termijn van tien jaren vanaf de dag waarop het laatste van die
feiten plaatsvond.
Afdeling 13. Luchtrecht
Artikel 1834
1. Een
vordering jegens een luchtvervoerder terzake van
beschadiging van aangegeven bagage of andere zaken vervalt
indien de rechthebbende niet onverwijld na de ontdekking
ervan en in ieder geval, wanneer het aangegeven bagage
betreft, binnen een termijn van zeven dagen en, wanneer het
andere zaken betreft, binnen een termijn van veertien dagen
aan de vervoerder protest doet. Deze termijn vangt aan op de
dag volgende op de dag van de aanneming van de zaken.
2. Een
vordering jegens een luchtvervoerder terzake van vertraging
in het vervoer van bagage of andere zaken vervalt indien de
rechthebbende niet binnen een termijn van eenentwintig dagen
aan de vervoerder protest doet. Deze termijn vangt aan op de
dag volgende op de dag dat de bagage of andere zaken te
zijner beschikking zijn gesteld.
3. Elk
protest moet worden ingebracht door middel van een op het
luchtvervoerbewijs te stellen schriftelijk voorbehoud of
door enig ander document verzonden binnen de voor het
protest voorgeschreven termijn.
4. Het
eerste noch het tweede lid van dit artikel is van toepassing
in geval van bedrog van de vervoerder.
5. In
dit artikel worden onder «dagen» niet werkdagen maar
kalenderdagen verstaan.
Artikel 1835
Iedere vordering terzake van een
overeenkomst van luchtvervoer vervalt door verloop van twee
jaren, welke termijn aanvangt met de dag volgend op de dag van
aankomst van het luchtvaartuig ter bestemming of de dag, waarop
het luchtvaartuig had moeten aankomen of van de onderbreking van
het luchtvervoer.
Artikel 1836
1.
Indien bij een overeenkomst van gecombineerd goederenvervoer
aan hem die de rechtsvordering instelt niet bekend is waar
de omstandigheid, die tot de rechtsvordering aanleiding gaf,
is opgekomen, wordt die der in aanmerking komende bepalingen
van verjaring of verval toegepast die voor hem de gunstigste
is.
2.
Nietig is ieder beding, waarbij van het eerste lid van dit
artikel wordt afgeweken.
Algemene Slotbepaling
Slotbepaling
1. De
Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen
gesteld in de afdelingen 2 van titel 5, 4 van titel 5, 2 van
titel 10 en 4 van titel 10.
2.
In de in het eerste lid genoemde
afdelingen worden onder dag verstaan alle kalenderdagen met
uitzondering van de Zondag, de Nieuwjaarsdag, de
Christelijke tweede Paas- en Pinksterdagen, de beide
Kerstdagen, de Hemelvaartsdag en de dag waarop de verjaardag
van de Koning wordt gevierd.
|